1. Veeler wonderens wonderbaarelijck lof
2. Harpocrates, ofte den swygaert
3. Het waare lof des uyls
Amsterdam, Samuel Imbrechts & Adam Sneewater, 1664
Uitgegeven door Ilse de Witte.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile bij Google Books (in het daar gebruikte exemplaar
            is deel 3 sgebonden tussen deel 1 en deel 2)

Eén werk in drie delen, afzonderlijk gepagineerd.
Veeler wonderens wonderbaarelijck lof (Amsterdam, Samuel Imbrechts & Adam Sneewater, 1664)
Behelsende het lof van het hatelick podagra. ’t Lof des Vloos. Het lijf-bergende zwemmen. Dat gruwelick groot beest den oliphant. Dat verachtelicke slijck. Die mensch-lievende Luys. ’t Lof van den Swaen. [Deel 2] Dat moeyelicke zwijgen. Dat hert-kittelende lacchen. Die plaeghlicke derden-daeghse-koorts. De stantreckelicke bruyloft. De nyverige mier. [Deel 3] Dien alder-treffelicksten uyl. Dien alder-zedestichtelicksten ezel.

Bronnen:
Deel 1: Bilibaldus Pirckhaimerus, Apologie, of verantwoordingh van ’t podagra (p 1-38)
Willibald Pirckheimer (1470-1530), Duitse jurist en humanist: Apologia seu podagrae laus, (1522)
Hieronymus Cardanus, Lof voor ’t podagra (p 38-60)
Girolamo Cardano (1501-1576), Italiaanse arts,: Podagrae encomium (1562); zonder vermelding is de vertaling grotendeels overgenomen uit Johan van Beverwijck: ‘De lof der Gichte, uit het Latijn van H. Cardanus’ (in Schat der ongesontheydt, ofte Genees-konste van de sieckten, 1651)
Caelius Calcagninus, ’t Lof des vloos (p 60-70)
Celio Calcagnini (1479-1541), Italiaans humanist en wetenschapper: Encomium pulicis (1519)
Nicolaus Wynmannus, T’Samenspraeck, van de kunst te swemmen (p 71-137)
Nicolaus Wynmann (1510-1550), Zwitserse humanist en filoloog: Colymbetes, sive de arte natandi, dialogus (1538)
Justus Lipsius, ’t Lof van den Olyphant (p 138-163)
Joost Lips of Justus Lipsius (1547-1606), Vlaamse humanist: Laus elephantis (1582), opgenomen in Epistolarum selectarum centurio prima (1586). Een andere vertaling door Jos Notheus: Historie vanden Elephant (Den Haag, Aert Deuris, 1621)
M. Anthonius Majoraggius, Lof van het slyck (p 164-202)
Marcantonio Majoragio (1514-1555), Italiaans filosoof en taalkundige, schreef Luti encomium (1566)
Daniel Heynsius, ’t Lof der luysen (p 203-213)
Daniël Heyns (1580-1655), Nederlands humanist, schreef Laus pediculi (1612; zie uitgave onder redactie van René Veenman; Voorthuizen 2000).
Ulysses Aldrovandus, ’t Lof van den swaen (p 213-221)
Ulisse Aldrovandi (1522-1605), Italiaans natuurwetenschapper, schreef Encomium cycni (1599)

Deel 2: Harpocrates, ofte den swygaert. Eerstelijck by een vergadert in ’t Latijn, door Hippolitus a Collibus; ende nu uyt het Latijn vertaelt door Christiaen Poelhuys (Amsterdam, Samuel Imbrechts & Adam Sneewater, 1664)
Hippolytus a Collibus, Harpocrates ofte recht te swijgen (p 5-91)
Hippolitus a Collibus (1561-1612), Zwitsers jurist, schreef Harpocrates, sive de recta silendi ratione (1603)
Caelius Calcagninus, Beschryvinge der stilswygentheyt (p 92-106)
Celio Calcagnini (1479-1541), Italiaans humanist, schreef Descriptio silentii (1544)
J. Staats, Toegift op Herpocratus, ofte den swygaart (p 107-108)
J. Staatsz., Nederlands dichter uit 17de eeuw; dit gedicht gedateerd 1664
Erycius Peteamis, Vasten-avonts praatje, van Democritus, of den lach (p 109-127)
Eric de Put of Erycius Puteanus (1574-1646), Lipsius’ opvolger in Leuven, schreef Democritus, sive de risu (1611)
Guiljelmus Menapius Insulanis, Lof van de derden-daagse-koortse (p 128-185)
Wilhelm von Grevenbroich of Guilielmus Insulanus Menapius (†1556), Duitse humanist en medicus, schreef Encomium febris quartanae (1542); de vertaler (Christiaen Poelhuys) heeft de tekst bewerkt tot een ‘derdedaagse koorts’!
Markus Zuerius Boxhorn, Bruylofs-praatje (p 186-206)
Marcus Zuerius van Boxhorn (1612-1653), Nederlands taalkundige, schreef Allocutio nuptialis (1641)
Philip Melanthon, Der mieren lof (p 207-232)
Philipp Melanchthon (1497-1560), Duits filosoof en theoloog; het wordt betwijfeld of hij de auteur is van de Laus formicae (pas gepubliceerd in 1666)

Deel 3: Het waare lof des uyls, aan alle haare ingeschreeve uylagtige heeren, en liefhebbers. Door Koertje Juyle ... en Het waare lof des ezels. Door Joannes Passeraat (Amsterdam, Samuel Imbrechts & Adam Sneewater, 1664)
Koertje Juyle, Het waare lof des uyls (p 1-208)
Conradus Goddaeus (1612-1658), Nederlands predikant; schreef onder pseudoniem Curtius Jael Laus ululae (1642)
Jean Passerat, Loff van den eezel (p 209-227)
Johannes Passeratius (1534-1602), Franse dichter en humanist, schreef Encomium asini (1606)

In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[fol. *1r frontispice]

WonderenFrontispice

Veeler
Wonderens

Wonder:
baarlyck
LOF.

 
t’Amsterdam bij Samuel Imbrecht en Adam
Snewater    Boeckverkoopers. A° 1664.

[fol. *1v: blanco]

[fol. *2r]

TitelpaginaWonderen

Veeler Wonderens

Wonderbaarelijck LOF.

Behelsende het Lof van

Het hatelick Podagra.
Het lijf-bergende Zwemmen.
Dat gruwelick groot Beest den Oliphant.
Dat verachtelicke Slijck.
Die mensch-lievende Luys.
Dat moeyelicke Zwijgen.
Dat hert-kittelende Lacchen.
Die plaeghlicke Derden-daeghse-Koorts.
De stantreckelicke Bruyloft.
De nyverige Mier.
Dien alder-treffelicksten Uyl.
Dien alder-zedestichtelicksten Ezel

[Vignet: fleuron]

t’AMSTERDAM,
By Adam Sneeuwater, Boeck-verkooper, in
de Stilsteeg, in’t Cantoor Inct-vat, 1664.

[fol. *2v: blanco]

[fol. *3r]

VOOR-REDEN.

TErwijl ick my te deegh zou bedencken, hoe ick eygentlick mijn Leezer zou noemen, (voor wien ick dees Voor-reden maak) of nieusgierigh of hoogh-geleert, of zedigh, of edelman, of burger, of boer, of t’huysblijver, of nacht-kroller, of zuynigert, of droncke-bloedt, of geck, of wijs, of zoet-aardige, of vechter en smijter, of soo alsmen van een mensch zou kunnen bedencken in het geestelick van Paus tot Hondeslager toe, en in het wereltlick van Keyser tot Asbeer, en Nachtwercker, &c. Terwijl, zegh ick, dat ick mijn hier te deeg over zou bedencken, zou ik te veel tijdt t’onnut verquisten, om de recht vereyste Lezer van sijn zoo aantreckelik, als wonderbarelik nut en wit te houde, mits ik niemandt in de werelt en vint, die door my niet zo zal kunnen verligt, en gestigt worden, dat hy zal moeten bekennen dat hy de werelt noyt zoo wel en kost, als ik hem die selfde doorgaans meen kundigh [fol. *3v] te maaken; die voor of zeggende, dat de werelt, en haar beloop even eens is, als eenig ding dat in een dek, doos, of koffer leyt besloten, dat men eer niet kennende wort, voor en al eer het naackt voor den dag wort gebragt: zo gaat het; de waarheyt van yeder ding is zo diep verstopt, en verschopt, datmen de regte waarheyt niet als met groote moeyten aan den dag brengt; ’t welck geschiet, bevintmen te mets, dat het geen schoon leeck, leelick uyt valt, datmen dat namaals kundig zegent, ’t geen men voormaals onkundigh vervloeckte, en daarom, na verloop van tijden een en selfde dingh even zeer kan minnen en haten, &c. Om dit en wederleggelik te bewijsen, heb ik hier dertien staaltjes in my gesloten, die door het verdrijven des werelts misverstanden sulcke wonderbarelicke kundigheen sal aanden dag brenghen, dat die yeder sullen doen verstommen. Staa by! Staa by! dan wil, of kund gy het so niet herden, gaa sitten, of leggen, want gy mijn tree-sagte, mijn knicke-bientje, mijn hompeldepomjes, en Podagreusjes u set ik hier voor aan, op [fol. *4r] dat gy de mackelickste plaats zoud moghen kiezen, en houden, om dat u euvel niet meer als rust, en ghemack vereyst, ’k laat daar van u wiekebakste, en lichtst-geraackst de keurelickste plaats hier nemen, om te deeg u te kunnen toonen hoe t’onregt het domme graauw u schelt, wat zoeter als de rust, en wie mach die beter als u ghebeuren, ghy zijt geen loopers, springers, dansers, of ander wispelturig goed: Maar neemt u treden wis, en gaat zoo zagt maar aan, dat gy niet als by ongeluk sult struyckelen, of vallen; ghy en houdt niet van hoogh te klimmen, meer bevrijdt om daar door den hals, arm, of been te breken, u kamer leeft, en zweeft ghy in als een Keyser in sijn Hof, u stoel houdt gy u palder, en statiger in, als een Konink op sijn Throon, op u bedde legt ghy veel beter als in het midden van den grooten Oceaan, ghenomen het valt wat pijnelick, daar hebt ghy wils ghenoegh voor gehadt; Een dagje speele gaan, is wel een gatje vol slagen waart, en wilt gy meer ghetroost zijn, lees u hatelik euvels Lof aandachtig en gy sult sien gy geluc- [fol. *4v] kiger als te beklagen zijt: Kund ghy het niet zagt-wandelende doen, setje of legje daar vry toe, en wilt ghy in my voort gaan, gy sult tijd-verdrijfs genoegh vinden, met wie ik voor sal komen, om vermakelijker uur te slijten, als oyt Koninks eerstgeboore kindt genoot: Want na u volgt dat lijf-bergende Zwemmen, daar het oude spreekwoort niet op en slaaght, De hooge Springers, en diepe zwemmers die raken dikwils om den hals; dat is van zwemmers geseyt, die het werk minder na de konst, als met domme kraght leerden, hier siet men de rechte slach daar af, welck soo Leander ghekost hadt, hy hadt daar noyt den bek door in geschooten: Maar mits dat verscheyde oock kunnen derven, als die haar soo stil willen, en kunnen houden, als gy voet-eufelige, of die haar op het midden van de heyden buyten alle plassen, slooten, en reviere geneeren, mogen zy een blaadtje om slaan, daar sullen sy dat Gruwelik groot Beest den Oliphant vinden, een stucke vleys soo geweldigh groot, datmen noyt en leest dat daar soo machtigh Monarch ghekroont wiert, op [fol. *5r] wiens staacy men daar een van aan spit stack, gelijk men verscheyde malen heele Ossen dee, ook*[jok?] men schatte noyt voor het aldergrootste disgebot een voornaam deel maar het was hooft als men dat Varken, Kalf, Schaap, &c. wel doet, of voet, gelijk men van die voorhaalde een schootel met verscheyde kan stoffeeren: waarom anders, als dat sijn schrickelicke groote alle schootels en tafels ontwassen waren: doch dat is het minste, de meeste wonder sal sijn bysonder Lof u verhalen, en verhandelen: Waar na gy so veel aan treckelicks vindt in dat verachtelicke Slijk, dat geen Pottebacker selfs, of Varken, of wie daar meer soo in wroeten, het noyt bedachte, wisten dat sommighe gepopte jonckers, of vieze juffers, sy souden daar menighmaal soo niet over knorren, en morren: Doch om voort te gaan volght hier aan die mensch-lievende Luys, wiens kleyne Lof hier kundigh maakt, hoe onschuldig men hem haat, scheldt, vloeckt, doodt smijt; wat segh ik? op de alderwreetste manieren vermoort, met trappen, met nijpen, met knippen, ja met de [fol. *5v] tande selfs, sonder water, vuur, yser, staal, of wat kan wreet bedagt worden te sparen: Maar van die rampen staan in sijn ware Lof zoo veel, dat zy sonder tranen naau te verhalen zijn: weshalven wy ons vrolicker sullen voeghen tot die cierelicke Zwaen die Koningen, en Princen vyvers braaf stoffeert, als een Oost-Indis schip de Spaanse zee, wiens onversterffelick Lof daar verhaalt wort. Volgt daar aan dat moeijelicke Zwijgen, en menschelijke kunst onder de naam van die uitstekenste wijsgeer Harpokrates*[Herpokrates] verhaalt, die siende, hoe al de werelt meest haar mondt soo schendig mispraate, sonder iemandt schier oyt was aan ’t swijgen te helpen, van dat hy leerde spreken, tot hy die selfs de tande-loose mondt kost voeren, soo heerelick daar van reedeneert, dat gheen vrolicker uur als in sijn les te slijten is: Waar na die vrolickste Democritus u soo hertelick aan het hert-kittelende Lacchen helpt, dat al was yemant al tandt-pijnelik bevangen, hy sijn zeeve mondt sou moeten roeren, ’t spijt alle statige dut-ooren, die meenen sonder haar passy-troyen niet mensche [fol. *6r] licks te zijn waar door zy uyt alle mensheyt haar selfs verrucken, want het suur sien, en droevig zijn vroeg genoeg komt, als de plagen iemant op het herte vallen. Dogh dat het alles gheen plaaghen zijn, die nog plagen gelijcken, blijkt aan hier aan volgende Derden-daaghse-koorts, die in der daat maar plagelik is, en geensins de rechte plaag; want was dat so sou alle regen, donder, leelik en mottig weer plagen zijn, dat Hanneke de Gek wel vlack loochende, die in het mooy weer schreyde, en in’t leelicke dansten, en sprong van vreugde, met veersiende, en welbedachte redenen: Want hy wist, dat in de werelt niet bestendig en is, en dat mooy, en leelik weer, even als vreugt en droefheydt, zegen en plagen aan een zijn geschakelt; weshalven en is ’t niet beter als sijn plaagde helft, min, of meer, daar te zijn, hoe gesont, fris, vrolick, en langh levent die geen zijn, die eens van een derdendaachse Koorts wort verlost, die niemant om den hals en brengt, blijckt uyt zyn bysonder Lof, dat al sijn pijnelicke niet alleen vertroosten kan, en vervrolicke; maar ook [fol. *6v] yemandt die tot nog toe daar noyt aan vast was, daarna wel hertelik verlangen; hoewel juist so seer niet, als na de aantreckelicke Bruyloft, wiens Lof hier na volgt, dewelcke die aardighe Bocxhorn wel eer beschreef: aanghesien de natuur wel de slapende hier slegts van droomende, daar na toe kan rucken, en de wakende so om kan doen woelen, dat hy meenige nagtrust daar om versuymt, jaa loopen daar veel soo dom, en plomp om toe, dat sy met verscheyde blauwe scheenen t’huys komen, ick laat staan dat krollig goedje, die wipstaertjes, die om diergelijk zoet genot sonder ophouden op de kitteljagt loopen; dog het rechte stemmig dragen, hier in, leert u tegenwoordig seer keurelick dit sijn tegenwoordig Lof. Waar na dat volgt van die Nyverige Mier van Godt, en alle Goddelicke menschen vereyselik gepresen, en noyt volpresen, een diertje veel wijser, als groot, veel naerstiger, als stark, so gau, als suinig, het regte boek der wijsheyt voor de ongeleerde, wiens daar te plaats verhaalde Lof het nut, en zoet ten vollen heeft vermengt; waar naa die [fol. *7r] alder-treffelicksten Uyl volgt die na waarden duysentmaal meer genoemt dient als nu gehoont, en versmaat wordt: Doch, gelijk dat in de werelt gaat geen heilige, of moeten mirakel doen, en gheen mirakel, of moet kundigh zijn; tot dit by gaande Lof lagen zijn wonderbarelicke wercken, even als in slaap, die met sulck een luyster haar hier verheffen, dat daar yeder vry sijn hoedt voor af mag nemen, en wiert hy niet volkomentlick afgehandelt in sijn bysonder Lof, voor so veel altoos, als te begrijpen is, ik voegden het mijn daar by, nu niet anders meenende boven dat te leggen als dat geen liefhebber sig oyt meer verwondert heeft, of oit sal kunnen, als hier sal mogelik zijn voor soo veel tijts hy daar in sal willen verslijten: Waar na tot slot volgt die alder-redestichsteliksten Ezel, die al hang-oorende met sijn bedenckingen wat statiger wijsheydt beschaft als de snoggere Vos met sijne steyle ooren, die met sijn ghesette tret die spoor, nogh prickelen doet haasten, om alle te haastige onheylen te vermijden, en daarom veel beter daar aan is [fol. *7v] als die te weelige paerden, die met haar kromme sprongen te light een been verstruycken, of breken, en daarom menigmaal voor doot-eters wegh worden gejaagt: dit alder-redenstichstelickste Beest dat van hollen, nog trotten weet kooren hier om tot haar gemak uit de wijste, en overtreffelikste mannen, so in het geestelick, gelijck Propheten en Priesters, als in het werelt, even als de Wijsgeeren, Doctooren, Rechts-geleerde, en wie dat makelik een verreweg wil afleggen. Dog veel voornamentlicker noemt hem sijn eygen Lof. Komaan dan nu die in de wereldt wat wonders lesen, en leeren wil, en besiet uyt dees dertien inghebonde waare Lof-redens, hoe geblint-hockt ghy tot nog toe zijt geweest,volght voortaan de rechte waarheyt, pryst het prijselick, en laakt alleen dat niet en dient gepresen, so kund gy voor een rechtschape gaan, hier mede
Vaert wel.
[fol. *8, blanco, deest]
Continue
WonderenPodagraPirckheimer

[p. 1]

APOLOGIE

Of Verantwoordingh van ’t

PODAGRA,

Gestelt door den wijt-beroemden en
Hoog-Edelen Heer Bilibaldus Pirckhaime-
rus, in sijn leven, Ridder, en geheymen
Raedt van hare Keyserl. Majest.


MAXIMILIAN I.

’T EN is my niet onbewust, mijne Heeren, en, ô ghy Rechtvaerdige Rechters, hoe dat het een seer sware en hatelicke zake zy, sich te willen onderstaen een vaste, en alreeds in de herssenen der Menschen diep-ingewortelde opinie wech te nemen, en uyt te wisschen: voor al by ’t domachtige en ongelettert grof volck, ’t welck niet alleen nae billickheyt en na behooren niet oordeelenen kan, maer, dat het slimst is, zijn eens gevatte zin en meeningh, buyten alle reden, met alle (domme) kracht, gewelt en ongebondenheyt wil staende houden en verdedigen. Doch ’t en is geen wonder: Want, onbequaem ’t beste en ’t nutste te verkiesen soo oordeelt het oock sonder eenigh onderscheyt van saken. Seght my eens, hoe kander een goet en gesondt oordeel te ver- [p. 2] wachten zijn van, of by die geene, welcke de wijsheyt door de dwaesheyt, de rede door de wrevelheyt, en den goeden raet door onmacht laten beheerscht en vermeestert worden? Wel mach ick my dan ten hooghsten verheugen, dat my nu tijdt gelegentheyt en macht gegunt en gegeven wert, om eyndelick mijner vyanden lasteringen t’antwoorden, en ’t verwijten van ’t uytsinnige botte graeuw af tekeeren; en dat my nu toegelaten wort, vryelick te spreken, om niet altoos en eeuwich een quade klap achter mijn rugge te hebben. Echter, soo meene ick, ô Rechters, dat het hier veel meer uwe Eer betreft, als de mijne, op dat men alsoo sie, en oogenschijnlick bemercke, dat ghy geensins toe en late, dat ymandt, hy sy wie hy sy, op en losse een ongesondeerde betichtinge niet eens overtuyght, ofte verwonnen, (gelijck dan dickwils gebeurt, dat de beste van de snoodste t’onrecht beschuldight wert) veroordeelt, en onverhoorder saecke tot straffe getrocken werde. Wel te recht vernoecht my dan en verheucht my uwe tegenwoordigheyt alhier, waer ick een wegh van onseylbare mildheyt en sachtmoedigheyt te gemoedt zie, soo dat ick alle vreese en argewaen, t’eenemael uyt mijn sin schijne gebannen te hebben: want wat soud’ ick vreesen die ick weet dat ghy met soodanigen wijsheyt, rechtvaerdigheyt, en oprechtigheyt des herten begaeft zijt, dat ick niet alleen hier de minste rede hebben kan, om yets quaedts van u te vermoeden; in tegendeel, wat by en onder de menschen, de vroomheydt, en [p. 3] ’t heylige recht, als mede de waerdigheydt van uwer aller eygen eer, naem en faem vereyschen, alles onseylbaerlick my te hoopen staet.
    Maer, eer ick tot de sake selfs kome, mijne Heeren, en Rechters, welckers inborsten men tot alle mildtheyt en goedtgunstigheyt t’eene mael genegen siet, soo bidd’en versoeck ick ten hooghsten, dat het u gelieve my met bysondere opmerckinge, lust en yver, tot het eynde toe te hooren, toestaende, dat ick ordentlick, en op mijne wijse, de rede doe; en daer-beneffens so langh u oordeel en vonnisse in-schortende, dat ick uyt sal gesproken hebben. En dan, soo ’er eenige haet of toorne tegens my in uwe gemoederen noch mochte schuylen, mach ick bidden, laet die varen, veel liever op de zaeck selfs lettende, als wel op ’t seggen mijner tegenpartye, of op mijne persoon siende. Eyndelick, soo laet het u niet misnoegen, soo wanneer mijne verdedigingh eeniger quaet en averechts gevoelen, tegens my, ten onrecht, in sommiger herten gevoed, soeckt wech tenemen, en uyt te roeyen; de rede selfs liever om verre te smijten, en de waerheyt uyt te perssen, pogen sal. Dese saeck van u verwervende, sal ick hopen, dat waerheyt en gerechtigheyt heden by u meer, als wel mijner tegenpartijders loosheyt, nijt, en lasteringen gelden en vermogen sullen. Want ick ben van sints klaerlijck te toonen en tebetuygen, dat alle quaden, waer mede ick beschuldight wert, niet soo seer door en van my en spruyte, als wel uyt der menschen ongebondenheyt selve, voortkomen. En komt er wat [p. 4] van ’et mijne by, soo sullense moeten bekennen, dat het soo grooten swaer niet en is, als sy selfs, wilden, of souden dencken. Aende andere zijde, soo hoort overwogen te worden, dat ick oock een oorsaeck ben van veel goets, en dickwils seer groote en ontelbare voordeelen by brenge. Verstoort u hierover niet, mijne Heeren, maer, gelijck ghy alreede begonnen hebt, soo hoort my voorts met opmerckinge aen. Want, indien ick niet alles ’t gunt ick belooft heb, en houde, en klaerlijck doe blijcken, soo sal ’tin uwe macht staen, my selfs na aengehoorde saeck, te verdoemen, en’t vonnis over my te vellen. Soo sal ’t geschieden, dat ghy u selfs van quaet achterdencken sult ontlasten, en buyten alle schult gevonden worden: en ick sal niet tegen durven spreecken, noch het minste woordke reppen, so ick eens sal overtuyght werden. Doch, indien ick al’t gunt ick beloof, oock pesteer, en in der daet bewijs, so versoeck ick op ’t dienstighste, niet soo seer dat ghy my wel geneyght wilt zijn en gunstigh blijven, als dat ghy, uws ampts, en uwer Eergedachtigh, naeysch van recht en billickheyt, een onpartydigh en rechtmatigh oordeel gelieft te vellen.
    Efter, eer dat ick mijner tegen-partye bewijsredens wederlegge, voor alsoo dunckt my noodigh te zijn, op de quade klap, en’t loopend’ gerucht, dat het graeuw van my uytstrooyt, te antwoorden. Want, (seggen mijne tegensprekers) indien ’t soo is, dat ghy de oorsaeck van soo veel goets en voordeels zijt, hoe komt ’et dan dat elck [p. 5] een u soo grouwlijck haet, vervloeckt, en versoeyt? Want, laet ’et zijn, dat het gemeen gerucht eens valsch is, en doolt, soo kan ’t evenwel niet altoos dwalen of tegen de waerheyt strijden? Vooral, wanneer het nu een oudt en in de menschen herten ingeplant deuntje is geworden, en doorgaens verspreyt is. Ick soude dan mede op dien eygensten voet mijne fraeye wedersakers kunnen vragen, waerom dat de Leer-jongers hare Meester, selfs die de wijste zijn, haten? waerom hebben quaetaerdige menschen, selfs op de alderbeste en redelickste wetten yets te seggen? anders, als om dat de Leer-meesters hare Leerlingen de goede Kunsten inscherpen, en haer pogen tot beterschap te brengen: dewelcke verstrecken den boosen tot hindernis, datse niet al doen en durven, dat haer in hare boose sin voorkomt. En niettemin soo zijn de Meesters niet quaet, om datse van de Jongers gehaet worden: noch de wercken onredelick, om datse selfs van de boose sinnen geschent en versmaet werden; veel meer ontbreeckt het den Leerlingen aen oordeel: die van de onderwijsingh sodanigh een quaet gevoelen hebben, als die Koortsachtige van den drank. Ende snoode herssenen, steeckende vol leelijck fenijn en laster, soudenze liever willen dat haer alles, ’tgene sy wilden, geoorlooft ware, de wetten onder de voeten geworpen zijnde, als dat hare quade stucken souden door de werelt bestraft en gevonden worden. Dies en moet die niet terstont voor quaet gehouden worden, die voor sodanigh van die boose en snoode menschen uyt gemaeckt [p. 6] wert: maer, die van vroome, en eerlicke lieden bestraft en beticht wort: gelijck mede die niet terstont voor goet behoort te gaen, die van vele, maer die van vroomen en goede alleen gepresen en vermaert wordt.
    Want, vermits overal ’t getal der boosen, en altijts, oneyndelick grooter is,soo soude niemant voor goet gaen meugen, soo men alleen op haer lieder oordeel steunen sou; als niet gewoon zijnde, yemandt te prijsen, dan die haers gelijck is; Maer ’tis ’er soo ver van daen, dat fraeye eerlicke menschen op booser tongen oordeel en vonnissen gaen sullen; in’t tegendeel beurt ’et, dat die van boosaerdige voor quade en boose menschen uytgemaeckt wert, dat zijn effen die, welcke voor de vroomste gehouden worden: gelijck dan die de argste en niet waerdighste zijn, welcke van het gemeene volck tot in den hemel toe verheven werden. Seer wel gevoelde dan dien Goddelicken Plato: Dat al het gene voor den volcke behaeghlick is, alleen daerom verdacht moet zijn al heeft ’et eenige schijn van deught. Laet dan mijne tegenstribbelaers vry op-houden, my dus onfatsoenlijck en qualijck nae te spreken, en sulcke uytsinnige verwijtinge te doen; Maer laet haer selfs dien danck daer af weten, van soodanige groote onheylen, grouwelicke smerten, en onverdraegbare pijnen, diese somwijlen lijden moeten.
    Dus leven, en gedragen sy haer, ja soo drincken sy, en sulcker maten loopen sy over van wulpsheydt en allerley dertelheden en leckernijen, datse my, tegen mijn danck, in haer gesel- [p. 7] schap aenlocken, ja voorttrecken, en tot haer in aller haest te komen, dwingen, en tergen. Want selden, ik mach schier seggen noyt, kom ick haer van selfs by, maer altijdts gedwongen, en uytgeterght. Indien ick de pest ware van het geheele menschelick geslachte, gelijck sy dan voorgeven soo soud’ ick niet slechts eenige, of weynige maer allen en een ygelick bywesen moeten. Nu is ’et soo verre van daer, dat ick alle soude quellen en lastigh vallen, dat ick selfs, seer garen, veele schuwe en mijde. Want ick en behage my niet om te gaen met die harde en boerachtige menschen, die haer selfs noyt eenige ruste geven, of toelaten, maer staegh in den arbeyt zijn, en ’t lichaem door al te veel wercks soecken uyt te mergelen: noyt vermaeck en scheppen in ’t goede chier te maken; den honger lijden, en slechte kost nuttigen, met een dronck waters den dorst lesschen, qualick gekleet zijn, niet wel of sacht en leggen; kortlijck, die alsoo genegen zijn, datsy alle wellusten den sack gegeven hebben. Maer die fraeye luyden, die my dus schelden en betichten, onderentusschen datse nacht en dag met vreten en suypen, als Griecken, doorbrengen; luy en ledigh gaen, den arbeyt, als de Pest, vlieden; door allerleye wellustigheden, insonderheyt van nae Venus, uytgemargelt en uytgeteert worden, de leckerste spijse, van over Zee, en van verre Landen haer laten toebrengen; de viese keel, of maegh, door allerleye sausen en kostelicke keucken-toebereytselen tergen; de mate des drancks, niet nae eysch van noot, maer door lust en welge- [p. 8] vallen, nemen, en den dorst lesschen niet van die wijn, die in haer Landt gewassen is, maer die van andere afgelegen Landen toegebracht is; op de sachtste dons en sijnste beddens haer te ruste leggen, en niet alleen in siere en trotse, maer selfs monstreuse kledingen, moden en pracht; en om ’et kort te maken, wanneerse alle de kostelijckheden en leckernyen, die de menschelicke loosheyt bedacht heeft, misbruycken, alsoo datze met haer Lichaem, oock haer gemoedt en hert, uytteeren, ende verswacken, en my dickwils, al ben ick selfs met alle delicaetheydt wel gedient, tot een walgingh strecken, om haer overvloedige wulpsheden: evenwel, soo durven sy noch haer verstouten, om de geheele schult op my alleen te werpen: t’eenemael niet bedenckende, dat haer eygen verdorve leven, vol van allerleye schandelicke besmettinge, al dit quaet hun selfs op den halse leght: en onderentusschen dat sy doolen en dwalen in geheel haer leven, soo houden sy echter niet op, my te beschuldigen, en door den heekel te halen; Maer met even soodanige reden, als of ymant hem selfs in’t vuur, of inde Zee wierp, en de schult daer af op ’t Lant, of op de vlam wou leggen, als of sy de grootste oorsaeck waren van sijn verderf en ondergangh; en niet veel meer hy selfs, die selver met vryer moeden, sijn uytterste wee sochte. Maer alsoo is ’t met het menschelijcke leven gelegen, dat yder sijn eygen schult soeckt op een ander te schuyven; op dat hy, den anderen aenklagende, schijne onschuldigh te wesen, al is hy [p. 9] de eenighste oorsaeck van al het quaet. In waerheyt, ick en pooge niet te soecken, dat men alleen op mijne woorden t’zeyl gae; siet, en schout met bedaertheyt mijne aenklagers selfs aen, mijne Heeren! Besiet haer Lichamen, hun aengesichten, haer vel, haren mont, hare verwe of couleur, haer tronie, en oogen, ja haren gang: en indien ghy aen haer niet sult bemercken, en oogenschijnlick speuren teeckens van groote geyl en wulpsheden, soo geef ick ’er niet om, al moest ick dadelick mijn uyt ’erste straf uytstaen. Dit soo zijnde, soo ben ick soo seer niet schuldigh daer aen, maer sy selfs, die my door haer lecker leven betovert hebben; sy zijn ’t selfs, die my tegens mijnen danck houden; sy zijn ’tselfs, die alles verkeeren, en dan de geheele schult op my keeren willen. Ben ick haer by, soo soudense wel dat ick wech was: ben ick wech, soo roepen en locken sy my wederom aen door haer leven: sy soecken gesontheyt in haer sieckte, in haer gesontheyt soeken sy de siekte: haer eygen welvaren verwarelosen sy, en sy houden niet op ’t selve van my wederom te eysschen: sy doen haer selfs quaet aen, en sy meenen hun geoorlooft te zijn, op my te versoecken, dat ick haer wederom goet doe: schandelick willen sy leven, en spreecken my dan qualick na. Overweeght dan Rechters, wat sy behoorden te erlangen, die door haer eygen leven strafbaer gevonden worden: die haers Lichaems gestaltenisse verraed, die haer oude gewoonte beticht. Sy en dencken niet, datse eten en drincken moeten, om te leven; en datse niet en [p. 10] leven, om datse eten en drincken sullen. Sy en overwegen niet, dat ick alleen van slempers en haren buyck-dienende menschen veracht, en versoeyt werde. Want daer is ’er niemant, niemant en is ’er, die my soo seer haet, en beticht, als die sijne lusten volght. Niemant, als even die klaegt over mijne strafheyt; niemant roept, dat ick onverhoort, en doch verwesen en verdoemt ben, als de wellustige. Dit alles soo zijnde, mijne Rechters,durven mijne tegensprekers noch een woort daer tegen reppen: Meugen sy noch in uwe tegenwoordigheyt verschijnen. Zijnse noch soo stouts datse de straf durven af-bidden, die sy geeren souden aengedaen zijn? Maer ick ben haer vyandin, en hate haer! willen sy sich dan over hare vyandin wreken, datse alsoo de wreedste vyanden selfs gevonden worden? En dan houden sy staende, dat men my geen genade sal geven, als die haer t’eenemael hatigh ben,waerom trachtense dan met alle machten, dat ick tot haer kome: waerom en stellen sy haer leven niet dusdanigh aen, dat ick niets met haer sou te doen hebben willen? Recht uyt geseyt, indiensy eenmael hare overloopende lusten betoomden, en niet so schandelick quamen deselve te misbruycken, soo soudense my misschien oock wat sachter gevoelen; indien niet, wel, soo souden sy dan recht en rede nhebben, haer op my te vergrammen. Maer swaerlicke beurt ’et, dat die sonder wijn leven, die tot alle wulpsheden gewent is: swaerlick kan die een matigh leven leyden, die sijn geheele leven langh niet anders als drincken [p. 11] geleert heeft. Laet haer dan die last en pack dragen, diense niet voorby en kunnen; en laet haer alsoo varen, gelijck sy gewent zijn te leven. Dit is mijn gevoelen, dat die geene, welcke geduerende haer leven, op niets meer en dencken, en niets soeters en achten te wesen, dan ’t selve door allerley laster en sonden te besmetten, onwaerdigh zijn ’t leven en de gesontheyt te genieten. Want die dwalen seer, die hunne gesontheydt soecken by sulcke wellusten; maer die doen wijslick, welcke, in tijde van gesontheyt, hare lusten toomen, en staegh om haer welvaren dencken.Daer-en-boven, wanneerse my op soo veelerleye wijse, en soo menige jaren betovert, en my naeulicx door soo vele diensten, haer eygen gemaeckt hebben, soo onderstaen sy haer, my schielick te verjagen, en de schuldt alleen op my te leggen. Wat wonder is ’et, dat ick wederom tegensworstele, en soecke my over haer te wreken haer somwijlen wat harder handelende, als sy wilden, om soo vele lasteringen, die sy my aendoen? Daerom,soo konde ick vele voor den dagh brengen,die mijne getuyge sullen wesen, datsy, tegens hunne wille en danck, tot de grootste armoede vervallende, door hare al te groote lust-pleginge, hebben moeten leeren sobereeren, en sich van kostelicke spijs en dranck te onthouden, en die daer door tot hare vorige gesontheyt wederom geraeckt zijn: het welck niet en soude hebben konnen gebeuren, soo niet soo seer sy selve, als ick, souden de oorsaeck van hun quaet geweest hebben. En vermidts ick ’t werck en den [p. 12] arbeyt schouwe, en voor de selve wijck, en dat ick door de nuchterheyt niet en vermach, soo is ’et klaer, of ick onredelick ben, oft de schult op mijne bestrijders te leggen sy. Maer wat mijne persoon belanght, wat sy van ’er seggen, ’t is ’er soo ver van, dat ick ’t achte, dat ick ’t selfs verachte, ja roem daer door drage. Want, ick sy hoe ick sy, en die ick sy, soo weet ick dat ick allen even gelijck ben: den Koningen, Pausen, Princen, rijcken, armen, edelen, en onedelen, allen ben ick even gelijck: ick sie, of neem geen persoon aen; ick weet van geen onderscheyt te maken; behalven, dat ick liever by de satte en wellustige, dan by de nuchteren moet leven: de welcke my niet alleen door hare aenlockelijckheden, tot haer trecken, maer ook met gewelt, en somwijlen met harde banden en boeyens nu by haer houden. Doch hier hoor ick yemant seggen, dat niet alleen de slempers en brallers, van my besocht, en gequelt, maer oock somwijlen die allergematighste, en die sich wonder seer, van alle dertelheydt, en wellusten onthouden, van my aengeranst en qualick gehandelt worden. Daer op ick antwoorde, dat, indien sulcx somwijlen gebeurt, soo beurt het oock selden; en dat ’et daerom niet wel tot een exempel kan getrocken worden. En even alsdan, en ben ick soo seer niet te berispen, als wel de Ouders van soodanige. Want ’t en is geen wonder, dat ongesonde Ouders oock swacke kinderen voort-teelen. Niets is bruycklickers, als dat yder een sijns gelijck voortbrenge. Hoe kan het my dan met recht verweten worden, dat [p. 13] haer van natuur in-geplant, of door fauten harer Ouderen, overgekomen is? Daer men my andersins geen danck en weet nochte van der ouderen groot geslacht, of rijcke nagelaten schatten? Dat sy dan laten, my eens anders gebreekte verwijten, als of ’t de mijne selfs ware: en indien sy meenen billik te zijn, datse harer ouderen goet en waerdigheyt genieten; laet haer dan mede getroosten, soose erfgenamen oock worden van hunner sieckten en kranckheden. En evenwel, indien oock dese betamelick en tuchtigh leven, soo handele ick haer vry sachter, als de verdiensten harer ouderen, of de quaetaerdigheyt der natuur vereyschen. Want ick ben soo seer onredelick niet, wat de menschen oock van my gevoelen, dat ick de onnoosele met de schuldige even hart en strengh sou tracteren. Nochte soo wreet en strengh ben ick niet, dat ick niet somwijlen de pijnlickheyt naelaet: gelijck vele andere sieckte, die de arme menschen in eene geduurige pijne en quellingen houden: als daer zijn de melaetsheyt, luyse-sucht, en diergelijcke andere meer sonder getal: welcke, behalven datse ongeneeslijck zijn, de lijders tot de uyt ’erste verwijfelingen brengen. Want ick legge niet altoos lagen voor de menschen, ick pauseêr somwijlen, en gedooge dat mijne onderdaens een wijle tijts wat rusten. Even als een Landman, die de vermoeyde ossen, by tijden, uytspant, en doet haer wat asem scheppen. Voorts, dat ick soo schadelick niet en ben, als sommige voorgeven, blijckt hieruyt, dat selden ymandt qualick pleeght op [p. 14] te nemen, als hy hoort dat er een van sijne vrienden van my besocht wort; in tegendeel, hy loopt naer hem toe, hy lacht, boert, en schijnt bynae hem te willen geluckwenschen. ’T welck niet en soude gebeuren, indien ick soo schadelick, en verdrietigh viel, gelijck sy seggen. Want niemant is ’er, die niet veel meer tot tranen en droefheyt soude bewogen werden, als wel tot lacchen en boerten, hoorende dat ’er een sijner vrienden met eenige andere ongeneeslicke sieckte besocht wort. Hoe soud’ hy sijnen vriendt zijn, soo hy tot sijnes vriends onheyl en verdriet lachte? En al lacchende, soo tuyght hy daer mede, dat ick soo quaetaerdigh niet en ben, nochte ’t verderf des menschelijcke geslachts. Somwijlen siet ghy een heele menichte van vrienden na die toeloopen, dien ick besoecke, hem een soet boertend’ praetje verleenende, en geheele dagen met vrolickheyt by hem doorbrengen: ’t welck noyt en gebeurde, soo ick ’er niet en ware, en haer tot die vreughde en vermaecklijckheydt aenhitsten. Uyt welcken allen klaerlijck blijckt, dat niemant soo plomp en onverstandigh sal zijn, die niet oogenschijnlick en sie, dat mijne tege-partijders my t’onrechte beschuldigen, en toonen, dat veel meer sy selfs, de voornaemste oorsaeck zijn van hare plagen: en indien ick mede niet geheel buyten schult en ben, soo is dese doch vry kleener, en geringer, als sy dencken, of misschien wilden. Nu gae ick over, om te toonen, soo ick kan, het goede, en de voordeelen die ick mijne gasten dickwils bybrengh. Nu bid ick alleen, [p. 15] Rechters, my ooren, en herten te leenen, en met soodanige een lust aen te hooren, als ghy tot nu toe gedaen hebt. Ick wil het wel weten, dat ick sommige vry wat lastigh en moeyelick valle. Echter, indiense wilden overwegen, soo souden sy in ’t tegendeel ongelijck veel goets en voordeels vinden, datse, door en om my genieten, ’t welck sy andersins, soo ick niet en ware, geensins souden verkrijgen. Hoe vele worden, mijneshalven, geëert, voor welcke anders niemant sou willen wijcken? Want, soo drae en hebben de menschen niet gesien, dat ick ymant geselschap houde, of sy maken hem plaetse, sy wijcken en doen hem alle eer aen, alleen om my, al overtreffen sy hem in ouderdom, in staet, en waerdigheyt. Ghy siet ’er vele in Carossen rijden, of op hooge en prachtige paerden, of oock wel in Ros-baren gedragen worden, die, sonder my, wel souden moeten te voet gaen. Sommige wort vergunt te sitten, daer andere staen moeten, selfs by Princen en Koningen; ja die Groote selfs willen, en bevelen haer weder te sitten, gebiedende datmen stoelen en bancken bybrenge, en hun met alle beleeftheyt onthael: en datmen alles doe wat men dunckt ’t best voor haer te zijn: daerse nochtans de selve haerer aenspraeck souden onwaerdigh achten, soo ick ’et niet en dede. Siet, en bedenckt, Rechters, of dat al kleyne en geringe saken zijn, ja, of sulcx alles niet hooghlick te wenschen en zy? Ja, dat meer is, niet alleen in vergaderingen wordense dus geëert, maer in maeltijden wordense mede gere- [p. 16] specteert. Want sy sitten meest boven aen, en hoe wel de tafels toebereyt en versien worden met seer kostelicke spijse en dranck, als dat pleeght te geschieden; niettemin, om dat ick ’er ben, soo wort altijts noch yets leckerders en delicaters opgedischt, ’t sy van spijse, of aen lieflijcken dranck. En, als alle de andere swijgen, haer te vrede houdende met ’t gunt voor ’er is, soo hebben de mijne noch altijts een speciael verlof, voor een ander, te eysschen ’t geene haer lust, ja die haer tracteert en onthaelt, perst haer te seggen tot wat sy appetijt hebben, sonder schaemte en krenckinge hunner eer. Want dit houd hy hem ter eeren te strecken. Doch, mocht een Grijnsaert voorwenden, dit niet soo seer eerehalven te geschieden, als wel uyt medelijden datmen heeft met dien lijder. Maer ick antwoorde daer voor te houden, dat men niet soo seer letten moet, waerom dat yewers geschiet, als wel wat goets, en wat voordeels selfs dat ’er genoten wort: ’t is genoech, dat u alleen geoorlooft is, ’t gene eenen anderen niet sou vry staen. Een arme, gebrecklicke, sal soo seer niet sien, waerom, of van waer hy yet ontfanght, als wel, wat hy ontfanght, en hoe hy ’t ontfange goet met vermaeck nuttige. Wat segh ick van de arme? Sien wy niet dagelicx de Koningen selfs heele Rijcken in-nemen, weynigh lettende of ’t door gewelt, of met recht geschiet, als syse maer besitten, en hun machten onderwerpen kunnen? En ick en twijfele niet, of men soud ’er ontallicke veel arme vinden, die sich selfs voor de geluckighste hielden, soo haer sulck, [p. 17] een Cruys t’huys quam, als sy slechts van den arbeydt verlost, en ’er bittere armoede bevrijt wierden. Want wat is ’er leckerder als die Rijcken? wat is ’er koftlicker als hare kleedinge? wat schoonder, als hare huysen? tot welcke hoe ghy meer nadert, hoe sy u meer toelacchen, en blincken niet anders als de rijcke en vol-gepropte winckels op Jaer-marckten, of Gods-huysen op heylige dagen. So dat ghy ’er vele sult vinden, die in sulcken overvloet, liever souden willen kranck zijn, als gesont, en te worstelen met d’uyterste armoede. Volght ’er by, dat alle ’tgene in de stadt schoont en fraeyst is, tot mijne Patienten wort gebracht; dat ʼt gesichte, en den reuck vermaekt, of andersins ’t gehoor strelen en kittelen kan. By haer siet men der Konstrijcksten Meesters kostelickste wercken; de eerstelingen aller nieuwe vruchten worden haer toegebracht; of wat weynigheden anders ’t saysoen van ’t jaer mede-brenght. By haer kan men eerst recht sien wat in de wereldt vreemt en vermaecklick is. Oock ontbreeckt ’er geene, die dagelijcks nieuwe tijdingen aenbrengen, wat ’er nieus ommegaet, en weten met aerdige spreuckjes en praetjes de ooren der mijne ten dienste te staen: so dat oock der Keyseren, Koningen, Princen, Volckeren; en aller menschen handelingen, ’t sy in oorlogh, of vrede betreffende, gemackelick afgedaen worden. En hier wort ontsouwt wat al by de Barbarische Natien in Tartaren, in Zee, en by de Persanen selfs gepleegt en verricht wort. Alle dese dingen brenge ick tewege door mijne [p. 18] naerstigheyt, en vlijtigheyt, schoon de menschen somwijlen onwetende zijn van ’t geene in haer eygen huyse gebeurt. Wijders ondertusschen dat ick de sterflicke onderhoud met mijne saken, soo bevrijd’ ick haer dickwils van soo veele swarigheden en ongemacken, inde welcke sy andersins souden vervallen. Want soo langh ick haer in mijn gewelt heb, soo en begeven sy haer niet op de woeste Zee; sy en stellen haer niet tegens ’t wilde gedierte, door ’t jagen: sy en verwecken geen twisten: sy en begaen geen versoeylicke dootslagen: sy en vresen niet dat haer een tichelsteen den kop invalle: maer buyten schoots kunnen sy anderer luyden gevaerlickheden hooren verhalen; met ledigheyt, vry van bedieninge des Staets, in de moeyelicke handelingen der Heeren en Hovelingen: welcke andersins, buyten mijne gunste, staege en geduerige ellendigheden, en rampsaligheden souden onderworpen zijn. Ondertusschen soo versuym ick de eygen huys-saken niet, maer porre en drijve de mijne met alle macht daer toe aen. ’T welck sy dies te lichter doen kunnen, dat sy niet oorsaeck hebben om uyt te gaen. Want alhoewel schoon de voeten verboden wert haer ampt te doen, soo kunnense echter al sittende wat wercks doen, dat haer voordeel bybrengen kan; en hoe swacker te wandelen sy zijn, hoe bequamer sy zijn om sittende t’arbeyden. Dies komt het, datse somwijlen al sittende, meer schatten vergaderen, als sy met loopen en rennen, of met te springen souden hebben kunnen doen; en souden licht de selve t’eene- [p. 19] mael wel hebben kunnen vergaderen, haddense gins en weer geloopen, en hare volle vryheydt genoten. Dese dingen, mijne Heeren zijn niet te verachten: Maer noch veel grooter voordeelen sult ghy hooren. Want ondertusschen ick met ’t Lichaem om gae, soo laet ick evenwel niet na, voor ’t gemoedt sorge te dragen, vooral soo vermeer ick ’t verstand. Niemant van u allen segge my, dat de vrye konsten en de wetenschappe der selve seer verre te boven gaen alle eere en rijckdommen. En dese leere en onderwijse ick over te maken treflick;en ick soud ’er vele noemen kunnen, welcke, door my, tot kennisse der saken, en groote geleertheyt geraeckt zijn. Want, niet hebbende om te doen, soo latense niet na, middelertijt haer in de goede kunsten te oeffenen: en dat de tijt niet sonder vruchten vergae, soo poogen sy hoe langhs hoe geleerder te worden. Noch en laet ick ’t niet alleen by de talen, en goede kunsten; ick onderwijse de mijne oock in de hoogste wetenschappen, voornementlick in de lieffelicke Musijcke of Singkonst, welckers eenstemmige harmonye soo wel de swaermoedigheden verdrijven, als de ooren, en door soete heldere klancken vermaken kan. Daerenboven soo leer ick oock de welsprekentheyt, en aerdigh te redeneren: want dat ick my in die kunst seer wel verstae, hebt ghy, meen ick, nu wel gehoort. Want soo dra ick ymant aentast, soo stelle ick hem met eene voor mijn onschult, genomen uyt de secreetste en verborgentste schuylhoecken der Redenaers; soo dat den eenen seyt hoe [p. 20] hy sijn been verruckt: den anderen sijn voet aen eenen steen gestooten hebbe: den derde is van boven neder gevallen: den vierden weer yets anders voor den dagh te brengen, tor excusie van sijn pijn, om soo den menschen oogen te blindhocken, en sijn eygen val op ’t beste te verschoonen: ick leer hem noch daer en boven sulcke vonden niet alleen Redenaers-wijse voor te houden: maer laet hem oock toe sulcx, nae kunst en andere Dialecticus voorseggen, noodt-wendigh geschiet te zijn; en dat met eede, soo ’er geloof ontbreeckt, en de saeck het vereyscht, te bevestigen. Maer dat ick de menschelicke kunsten swijge, ick leere oock de mijne met Hemelsche saken om te gaen. De Sterre-kunst, die oudtste, en echter Godlicke kunst, welckers lof, al wilde ickse, ick doch niet en kan, nae waerdye uytdrucken. Want, om hare bysondere voortreflickheydt, soo heeftse de eere, van Godt haren oorspronck te hebben; en wiert in voortijden in soodanige estime gehouden, datse alleen den Koningen, en den wijsen des volcks bekent was.Dese leer ick aen de mijne, boven alle anderen, en ick stortze soodanige hare lichamen in, datze haer, en, om ’er leden, met een, de rekenkunst leeren: So wel, die de rekenkunst onkundigh, als die, gelijck gy gehoort hebt, tot geldkunst genegen zijn, kunnen haer, meest door my aendoen: maer so,dat het een wonder schijnt te wesen, hoe dat mijne bysondere kracht en neerstigheyt van alle kan gevat worden. ’t Is haer dan onmogelick, dese kunst te leeren, door eenige tafels of [p. 21] Astronomische Instrumenten; maer eer dat de Son, de Maen, sijn licht omvat, ofte, haer van sijne lichtende stralen sal mede-gedeelt hebben, soo doe ick, datse hare krachten niet soo na haer verstant begrijpen, als in haer lichaem, en in der daet selfs voelen kunnen. En dit selvige wercke ick niet alleen in dese heldere lichten, maer oock in de dwalende sterren: alsoo dat haer noyt nochte des kouden Saturnus, nochte des woedende Mars onsaligh aspect verborgen kan zijn: ’t zy datse malkander dwars over aensien; ’t zy datse de Son, of de Maen, die ’t Lichaem regeert, door hare invloeyinge versterckt hebben. Dus is ’t kennelick, dat gene Poëten, beter de verduystering des Sons en Maens konnen onderscheyden, als de mijne: niemant kan beter ’t onweder, de sneeuw, de hagel, en plas-regens voorseggen: en soo wanneer eenigh onweder ontstaen sal, soo weten ’t de mijne, somwijlen dry dagen eerder, als ’t gebeurt. Sijn dat niet groote dingen, mijne Heeren zijnse niet verwonderens waerdigh? Maer ’t en is niet minder prijsens waerdigh, en een treffelicke saeck, dat ick mijne lijders de heerlijcke konst der Medecine leere, selfs tegens hare danck, haer die inscherpende; naulicx wetende, dat eenige kunst, die Godt ons gegeven heeft, voor deselve uytmunt: alsoo dat mijne patienten de krachten en werckingen der kruyden, bloemen, planten, zaden, wortelen, boomen, booms-vruchten, &c. allen beter kennen, en onderscheyden, als de Medicijns selven: dat ick niet en segge van ’t bloet der [p. 22] beesten, van haer vel, vet, melck, gal, beenen, senuwen, &c. zy weten u aerdigh en na de kunst uyt te leggen, wat koud, warm, droogh, vochtigh is; en wat repellerende, of te rug-drijvende Medicijn is; wat medicament opent, aen sich treckt, verduwt, hersormt, of vernieuwt; wat in de eerste, tweede, derde graet deught doet; en dese kennisse bestaet by hun niet alleen in de simpele theorie, maer sy stellense mede in ’t werck; alsoo ick dan alle mijne gasten toelaet, in alle dingen, datse trachten uyt te munten, niet alleen in de bloote kennisse en wetenschap, heerlicke dingen, maer selfs oock in de werckinge der selven. ’t En is oock geen wonder, na dien sy, door my, aller volckeren Historien, en de Poëten gedichtsels lesen, en verstaen, en, ’t welck een groot verlichting is van een genereus gemoet, al leer ick haer alle dese heerlicke dingen, daer alleman op sijn winst en voordeel uyt siet, soo doe ick ’t al om sunst en vergeefs, geen leergeldt van haer eysschende. Dit alles soo zijnde, soo siet en verstaet ghy, gelijck ick horen wil, ô Rechters, de weldaden die ick aen mijne tegenpartijders selfs doe, en niettemin, so erkent ghy wat slechten geringen danck sy my daer voor weten. Maer, het loop af soo ’t wil, ick weet al langh van te vooren, watse in ’er schild voeren, en watse in den sin hebben tegens my: namentlick, dat die boven-verhaelde, soo opgehoopt als het oock is, een klaer blyck en teecken is, veel meer van den grootsten ramp en tegenspoet, als van eenige gedienstigheyt; en dat ick veel eerder ben de Pest [p. 23] en de straf ofte verderf van ’t menschelijck geslacht, als sulck die voordeel en het beste des selfs soecke: dit daer uyt blijckende, dat ick de gestaltenisse om, of verkeer, ’t bloet uytdroogh, de couleur verandere, de krachten af-neem, de oogen verduyster, de vreughden uyt-blussche, de vrolickheydt beneem, ’t lacchen en boerten verjaegh; de handen, vingeren, leden, schouders, knien, hielen, en ’t heele Lichaem gruwelick krom maeck en inbuyge, verswacke en breeck Maer sulcks alles my verwijtende, soo gebeurt haer ’t geene alle wedervaert, die veel meer nae haren swacken sin, als nae reden en billickheyt, oordeelen: want sy en verstaen inder daet niet, dese onverstandige bottericken, dat sy my, door dese beschuldigingh, meer lofs, als schaems naeseggen. Want, ’t lichaem verswackende, soo genees ick ’t gemoedt; ’t vleesch quellende, versterck ick den geest: ’t aerdsche suyverende, soo leyd’ ick’er ’t Hemelsche in: ’t tijdelicke benemende, soo geef ick wederom dat sy van geen sterflickheyt en weten. Daerom, ô ghy Rechtvaerdige Rechters, en is ’er onder u yemant soo onwetende, dien ’t onbewust zy, dat het lichaem der siecken tot een besmettinge dyt; dien oyt sou kunnen bloeyen, als het eerste niet sal verbloeyt hebben. Want altoos is dit groove deel des vleesches tot hinderingh, dat de menschen haer tot ’t Hemelsche niet bequamelick en konnen oprechten. Want, ’t Lichaem is hinderlick op hondert’erley manieren, en stelt de arme menschen sulcke twisten en wrevelachtige dingen voor, [p.24] waer door die rampsalige niet wel sien, noch deur en kan komen. Hoe vele bekommeringen zijn de arme menschen onderworpen, datse alleen aen dit broos Lichaem het tijdelicke moeten soecken te verschaffen? Ick en segge noch niet van de onnoodige en overvloedige; maer selfs oock van de nootsaecklijckste, hoewel de natuure met weynigh te vrede is. Dan volgen de swackheden des gemoets, als daer zijn de wellusten, d’opinie, of hartneckigheden, vrese, verstooringh, begeerlickheden, liefde, haet, en diergelijcke gebreken meer, die noyt, of selden ’t gemoet eenige ruste laten, maer altijdts quellen, ende aenvechten niet anders, als eene groote kracht des viers, dat gemeenlick ’t ziedend’ water doet overloopen. Wat de oorlogen aengaet, d’oproeren, ’t strijdende gewelt, dootslagh, roveryen, brandstichtingh, &c. wie is meer d’autheur of oorsprong daer af, als ’t Lichaem, en die onmatelick noyt versaed begeeren te zijn? Wy sien dat alles om ’s gelts wille geschiet. Maer, om ’t selve te soecken, port ons ’t Lichaem, en sijn gebreck aen; en soo beurt het, dat wy, ’t Lichaem toegevende, seer verre van ons verstant en gemoet afgetrocken worden. Want de sinnen van ’t Lichaem, zijn, als paerden buyten wegh en spoor loopende; maer ’t verstand is ’er als de Voerman, die haer by den toom houd: en gelijckerwijs als paerden sonder bestierder, over hals over been heen hollen; also wort ook ’t Lichaem tot sijn eygen verderf en ondergangh verleyt, zijnde sonder reden, en ’t gebruyck des ver- [p. 25] stants. Daerom yder een, die wijslick wil doen en leven, vermijde hem, soo veel hy magh, van te veel gemeenschap met u Lichaem te hebben, om des te bequamer zich tot het opperste goet te verheffen, en na ’t selvige te leven. Want soo ver men sich van ’t Lichaem scheyt, soo nae komt men aen ’t verstant: dies te beter onthoud men sich van alle lichamelicke begeerten; en heerscht niet over alle wellusten; dit is den wegh om tot verachtingh, ja nietachtingh te komen, van rijckdommen, edeldom, faem, en van alles wat onder de rijcken voor heerlick en geluckigh gehouden wort. Soo gesint wesende, en vreest men nochte schande, nochte armoede, nochte gebreck, of ellendigheden, ja den doodt selfs niet: maer dan tracht, en verlanght men alleenigh nae alle die dingen, die ’t Lichaem recht tegen gaen. Maer die sijns Lichaems sinnen volgen wil, behalven, dat hy de deughden-spoor noodsakelick verlaten moet, sal noyt verkrijgen ’t geene hy wenscht, of pooght te hebben: want door schijn goede dingen bedrogen en verleyt, kan hy niet zien of mercken, op die, welck in der daet goed en deughdelick zijn. En gelijck ’t Lichaem van der aerde sijn oorsprongh genomen heeft, alsoo komt de Ziele uyt den Hemel: Soo dat niet onbillick geseyt is: De Ziele komt uyt ’t Hof des Hemels tot ons dalen: En elders: ’t Lichaem is om ’t gebruyck: de Ziele om te gebieden, of te heerschen: ’t Eerste hebben wy gemeen met de lusten: ’T tweede is ons gemeen met de Goden. Dus besluyten wy, dat ’er niets heerlickers is als [p. 26] ’t gemoedt, en niet Godlickers: en overtreft het Lichaem soo ver, als een Meester en Heere sijn knecht en dienaer, en levende den dooden: en gelijck ’t Lichaem niet als ’t aerdsche besorght, alsoo mede besorght een vrye oprechte Ziele anders niet als ’t Hemelsche. Alsoo siet ghy dan, ô vroome Rechters, hoe voortreffelicker dat de Ziele is, dan het Lichaem. Maer nu soo ick kan, sal ick toonen, hoe dat mijn sorge en bekommeringh meest bestaet om de Ziele en ’t gemoedt te verçieren; en hoe ick ’t hemelsche verstant des menschen om hoogh doe rijse, ondertusschen dat ick de gebreken des Lichaems wegh neem; hoewel ick oock ’t lichaem selve meerendeels nutter ben, als schadelick. Want ick neme de overtollige vettigheyt wegh, of verandere en drooge ’t selve uyt; ick dempe de humeuren en vochtigheden, welcke anders, door de onmatigheyt, staegh overvloeyen; en indien ick ’t niet en dede, soo soude het onmatigh dick worden; en om sijn al te groote dicklijvigheyt soude het dickwils in groot perijckel staen. Daerenboven, soo verlangh ick het leven, gelijck het selfs de Medicijns bekennen: want, indien ick die woedende en schadelijcke materye niet nae de uyterlicke leden toe en quam te drijven, buyten twijffel, soo soude sy nae de hersens, nae ’t herte, en nae de Lever of den Maegh toe dansen, en soude alsoo seer licht den levendigen geest kunnen versticken. Doch latende ’t vleeschelijcke, laet ons tot de gebreken der menschen selfs over gaen, die ick boven al, seer aerdigh weet te genesen; [p. 27] dat ick in dese konst noch Philosooph, noch Theologant en hoeve te wijcken. Want ick belet haer niet alleen, datse niet in groote en groove fauten vallen, maer die quade gewoonte, schoon langh by haer ingewortelt, verdrijf ick, ja roeyse somwijlen heel uyt; en ick doe hun, door eenige pijn, die ick haer aendoe, gevoelen, datse gesondight hebben: en indien ick niet alsoo en dede, souden vele van quaet te doen haer niet onthouden, maer ’t quaed op ’t quade hoopen, en staegh arger maken. Voor eerst dan, soo toom en bedwingh ick de wortel van al het quaet, den hoog moed, en d’eergierigheyt; en door mijne kracht, soo toom ick haer gantsche nieren, en hoe ydel dat is de menschelicke eersucht: wat vluchtigh goed, de schoonheyt: hoe licht de krachten des Lichaems vergaen: hoe vergancklick dat zijn de hooge Eer-ampten, met alle de schatten; wat gantsch niet dat is een adelicke staet: en hoe ydel en broos de eer en glorie aller sterffelijcke: en maeck alsoo, dat de menschen haer in gedachte, en te gemoet voeren, datse menschen zijn, en haer de Goden niet gelijck en schatten. Wijders, haer de menschelicke ellendigheden voorhoudende, soo blussche ick met een in haer uyt de nijd, trouloosheyt, achterklap, en alle neuswijse sorge van anderer lieden saecken, handel en wandel: want die van haer saken niet veel en spreken, hoe souden die haer veel over anderer luyden dingen bekommeren! Soo beneem ick dan alle quaetaerdigheydt, alsoo dat de mijne op geen bedriegen, listigheden, valsheden, twist, knib- [p. 28] belingen, &c. en dencken aen te rechten, als met sich alleen genoegh te doen hebbende. Want wat den haet en nijd betreft, soo maeck ick, dat sy geen berijders kunnen sien, en sy selfs niet benijt en werden, alsoo datse daer kunnen eenige troost in scheppen. Dese dingen zijn wel geen geringe, mijne Rechters, maer ghy sult noch voortreffelijcker hooren. Dry zijn ’er, welcke meest mijne gasten quaetaerdigh zijn, maer my altijts de aengenaemste en nutste van allen: Gulsigheyt, Minne, en Toornigheyt. Maer ick en pleegh niet soo seer op mijn eygen voordeel te sien, als op ’t welvaren van mijn eyge aenklagers. Want ick waerschouwe haer in ’t tegendeel, datse haer mede voor soodanige boosaerdige vyanden wachten moeten. Maer bemerck ick datse my niet gevolght hebben, soo kan ick my wel over hun wreken, en leer haer voortaen voorsichtiger te wesen: datse mijnen raet en bevel een ander tijt soo licht niet en verachten. So dickwils dan datse haer met te veel inswelgens overladen hebben, of te veel leckere wijns ingeronken, ben ick haer terstont, als een vergramde wreeckster, by, en straf haer na verdienste, haer vermanende, op een ander mael my niet soo kleyn te achten. Hoewel ick soo onbeleeft niet en ben, dat ick haer de noodige spijse soude onttrecken, of Bacchus nat t’eenemael verbieden; maer, door mijne gunst, plegense somwijlen wat leckerder te eten, en wat lieflickers te drincken, insonderheyt alsse haren dienst om soete Nymphes en Bruytjes besteed hebben. Daer-en-bo- [p. 29] ven soo schricke ick haer af, datse somwijlen niet mogen verlockt werden door de soete praetjes van Venus-kueren: haer bewarende voor onkuysheydt; en de Maechden en gehuwden verlossende van ontijdigh mallen: soo dat seer selden of noyt, die gene, welcke ick onder contributie heb, haer tot Maeghden-schenden of overspel begeven. En soo ’t eens gebeurt, ick weet haer soo wel te vinden, dat de saeck haer rouwt, en sy een walginge krijgen van al ’t vrou-volck. En hoe kan men yemand grooter vriendschap toonen, en bewijsen, als hem voor soodanige groote onheylen te doen wachten; en te bevrijden voor ’t geen daer soo veel quaets uyt ontstaen kan, dat hem alle oogenblicken staet te verwachten. Maer wat sal ick van ’t hevigh uytbersten in toorne seggen, die woedende rasernije, die niemant soo wel als ick neersetten kan, also dat ick slaven van toorne en gramschap, herstelle in hare volle vryheyt. Dat zijn dan die dingen, die my mijne betichters voorwerpen dat zijnse, welck sy aen my berispen, ondertusschen dat ick ’t Lichaem dienstbaer maeck, en doe ’t beste deel mijnes lijders, ’t gemoedt oprijse. En gelijck ick dan ’t gebreckelicke vleesch suyvere, soo verçier en pronck ick ’t gemoet op met alle deughden; en laet het niet nederleggen, maer verheffe ’t gestadighom hoogh. Ghy weer allen, Heeren en Rechters, dat het meestendeel der menschen alsoo gesint is, dat, indien sy geduurigen voorspoet hadden, sy souden noyt haer gedachten laten vallen op haer menschlickheyt; [p. 30] noyt souden sy om hooge sien, maer altijts omlaegh, en de bekommeringen van d’aerdsche saken bevangen: der wellusten, als het domme on redelicke Vee, volgen: t’eenemael vervremd van alle deughden, alleen om haer buyck en lichaem sorgende, en haer leydsman, ’t edele gemoet, versuymen, en verlaten: soo dat sulcke menschen, naulicx souden konnen te recht gebracht, en uyt dese jammerlicke blintheydt getrocken worden, noch door de leere der wijse Philosophen, noch door vermaningen van verstandige luyden; jae geen recht, billickheyt, noch menschlicke, noch Godlicke wetten souden bynae soo veel machts op haer hebben, als ick, haer opkomende als een klaer en hel-blinckende glans, haer dese duysterheyt der oogen doe verdwijnen: haer dus verlichtende, dat sy, dit tijdlicke latende varen, haer gemoedt geheelick nae boven toe verheffen, bemerckende, hoe gantsch ydel dat des werelds eere is: hoe gebreklick, hoe van gantsch geener waerde ’t Lichaem is: hoe gantsch ydel de hoope, de sorge, bekommeringe; wat eynde der saken, wat loon de vroomen, wat straffe de godloosen te verwachten hebben. Dit alles den mijnen in gedachte brengende, soo maecke ick datse Godt oprechtelick aenbidden, en niet als de geveynsde Hypocryten; en datse hem kennen, aenroepen, eeren, leerende dat hy den goeden en den quaden dagh maeckt en set, en dat hy is een Heer van al. Wat kan ’er heerlickers, wat nutters den mensche gegeven worden, als dat hy leere sijn Schepper te er- [p. 31] kennen, hem behoorlick danck te seggen, niet alleen voor de verleende voorspoedigheden, maer selfs oock voor de tegenspoeden. Want dit brengh ick meest te weegh, dat de mijne gequelt wordende, sy dan niet anders Godt loven en dancken, als of sy gesont waren, om datse geleert zijn sachtmoedigh te zijn, en alle smerten, en pijnen met gedult te dragen. Dus roepense Gode aen met heeter tranen en, bidden hem met ootmoediger herten. Wordense van hem verhoort, soo lof-singen sy Godt noch dies te meer: indien niet, soo verdragen sy lijckewel alle smert met gedult: de hoogste deught, de lieve gedult, door mijn toedoen, verkregen hebbende. Welckers lof ick uytbreyden soude, soo ick niet wiste, dat haer niemant, na waerdye prijsen kan. Daerom, is ’er yemand in mijne handen gevallen, en die noch tegenstreven, of trots sich verheffen wil, die maeck ick soo tam en gedwee, dat hy sachter wort als een Lam selfs, en ootmoediger als de minste slaef. Want, wie sou mijne groote kracht en gewelt tegen staen? En hoe harder ick de wederspannigen ben, hoe meer ick toegeef den genen, die haer redelicker wijse gedragen: en soo versterck ick ’t geloove, en leer sijn vertrouwen op Godt te setten. Hoe souden sy in Godt niet hopen: Gewisselick wetende, dat de goede sullen beloont worden, de quade niet ongestraft blijven. Want daer en is geen blijckelicker teycken van voorspoets als de tegenspoet deses werelts: vermits wat men hier betaelt, is wel versekert in ’t ander leven niet te betalen. [p. 32] Dit kan ick met veele bewijs-redenen goet maken, selfs uyt de heylige Schriftuer, indien ick u niet soude verdrietigh vallen, en ick ’t selfde naeliet om mijn eygen selfs, en mijner conditie halven. Daerom die gene die by my ter schole gegaen hebben, weten best, voor andere wercken der liefde te plegen; niet alleen in ’t geene de Godsdienst raeckt, maer oock wat des naesten hulpe betreffende is. Want door het eygen kruys geleert, komense staeg andere luyden nood te hulpe, verhopende door dit middel, haer eygen heyl te wercken, en met eenen oock andere goet te doen. En dat zijn dese groote en grove quaet-aerdigheden, die in my steecken. O ghy mijne Heeren, en andersins rechtvaerdige Rechters, dit is het quaet dat ick doe, als ick ’t Lichaem verootmoedige, en ’t gemoet in vryheyt herstelle, op dat het gesuyvert, en om hoogh getrocken worde. Want uyt schelmachtige en loose boeven, soo maeck ick ’er vroome zielen af; uyt oneerlicke, eerlick; uyt trotsen en hooghmoedige, ootmoedige; uyt benijders, vrienden; uyt quaet-sprekers, die wel van yemand spreken; uyt bedriegers en listige, gedienstige; uyt geyle, ingetogene; uyt toornigen, sachtmoedige; uyt harde, weemoedigs; uyt luyen, starck en arbeydsaem, en liefhebbers des Godsdienst; uyt onwillige, geduldige; uyt gierige, mildadigen: ick storte het geloof, de hope, en de liefde in: de menschelicke toevallen verachten, om alleen de hemelsche t’omarmen: alles nae de rechte maet, en na billickheyt te onderscheyden; alles met bedachten [p. 33] raedt uyt te wercken: goedt en quaet t’onderscheyden: wat te doen, wat te laten zy: Godt te lieven, en te eeren, sijn beveelen te gehoorsamen, recht en waerheyt te volgen en te houden, liefde te oeffenen, de Godtsaligheyt niet geringh achten, wel en eerlick leven, andere geen leet aen te doen, niets tegen ’t recht te doen, medelijden hebben met den ontschuldigen, den welverdienden danck vergelden, quaet voor quaet niet wederom doen: van den rechten wegh niet af-wijcken, ’t sy om geldt, door bede, gunst of hope: maer in alles alleen de lieve gerechtigheyt voor oogen hebben: onvertsaeght te wesen, en niet vreesachtigh: geringe en laege dingen niet achten, en alleen na hooge en groote dingen trachten: sware en ongemackelicke dingen, alleen om eere halven, grootmoedigh uyt te staen: vast in sijn redelick besluyt volherden: niet tegen den plicht achter uyt slaen, door geen smert overwonnen, van sijn ampt wijcken, maer altoos dat tot de ware glorie en eere doelt en streckt, te handhaven, en sich daer na regeeren: niet licht in haet, nijd, wraeck, of gramschap uytbersten: medelijden hebben met menschelicke toevallen: sachtsinnigh, kuysch, en eerbaer zijn, en de gulde maet altijt in acht nemen: sich selfs kennen: loon voor ’t weldoen, en gewisse straffe voor ’t quaetdoen verwachten; wat noch eyndelick het vleesch kastijdende, soo laet ick niets na, van ’tgeene deZiele kan beter maken, en haer haren oorsprongh te doen gedencken. Nu siet ghy, Rechters, wat het best is, dat de Ziele, of ’t Lic- [p.34] haem lijdt, en kranck zy: en hier uyt wort bemerckt, dat de mensche dan meest welvaert, als hy welvaert. Siet ghy niet, dat mijne tegen-partijders soo verblint zijn, om de waerheyt te bekennen, als een Uyl om de glans der Sonnen aen te schouwen? Nu siet ghy, dat ick de alder-bequaemste middelen gebruyck, om de gebreken te genesen: en dat ick niet te berispen en ben, als ickse somwijlen wat hard aentast, siende dat de wonde bynae niet te genesenen is. Want selfs de Heelmeesters kunnen niet voor wreedt en onredelick bestraft worden, al ist datse vuyr en yser te werck stellen, als alle andere middelen, hulp en kracht verloren zy. Ja sy werden noch rijcklick beloont, en men roept haer alleen tot dien eynde, om te houwen, snijden, en te branden, en alsoo de gesontheyt wederom te geven. Seght yemand, dat alle dese boven-verhaelde krachtige werckinge, oock door de andere sieckten en swackheden kunnen te weegh gebracht worden; dit loochene ick eenmael rond uyt, en blijf ’er by. Want, als ghy gehoort hebt, of sy tasten den armen lijder metter haest en onversiens aen; of sy pijnigen hem dickmaels, dat hy naulicx eenmael aen den staet sijner sieckte gedencken kan: daer ick heel anders en contrarie procedeere met de mijne. Want ick kan mijn kracht wel te deegh inspannen, als ick wil; en kan mede, als ick ’t bequaem oordeel te wesen, deselve wat laten vallen, en eenen sachteren wegh ingaen.
    Dies, Rechters, al kan ick noch ontelbare an- [p. 35] dere dingen voor den dagh brengen, so moet ick echter sluyten, als ick sal bewesen hebben door ’t exempel Grooter Helden en Mannen, dat mijn geselschap nochte schandelick, nochte katijvigh is. En dat is een teecken van een verheven genereus gemoedt, voor- en tegenspoet met gelijcke sinnen te dragen; en dat somtijts eenige dingen geschieden, om ons gemoedt te beproeven of de deught daer al woont: En dat ick de Groote deses tijds voor-by gae; dien roem-ruchtigen beheerscher van dat ongeluckige Trojen, Priamus, heeft my tot in sijn vertreck-kamer toe in-gelaten. Peleus, Bellerophontes, Oepidus, hebben my niet uyt-gesloten. Protesilaus en den schrandre Ulijsses, hebben my vrywilligh omvangen. En dat misschien te verwonderen is, Achilles selfs, hoe dapper en wel hy oock te voet was, heeft my niet konnen ontgaen, noch ontloopen. Laet de Griecken van hem versieren watse willen; laet haer schrijven dat hy verstooten was, omdat hem sijn Boel ontschaeckt was: ick was ’et, die hem verbood ten strijde te gaen: ick was die Briseis, ick deed’ hem de leden aen Danaum verswacken. Die dan wijs is, sal liever willen met sulcke Helden yets lijden en verdragen, als een wijle tijts onbetamelijcke lusten te plegen met die verachte hoop rede- en sinne-loose menschen: en liever willen sijn gemoet met deughden verçieren en opproncken, als, gelijck beesten, ’t Lichaem en de wil te dienen, en sich haer slaef te maken.
    Nu, mijne Rechters, naedien ick alles wat [p. 36] ick in’t begin beloofde, voltrocken, en gedaen heb, namelick, dat mijne aenklagers veel meer de oorsaeck zijn van haren quaden staet, als ick onnoosele! en dan, dat mijn schuld, soo ick ’er eenigh heb daertoe, vry geringer en kleynder is, als men in ’t gemeen roept en tiert; eyndelick, dat ick ongemeene en veele voordeelen de mijne toevoegh: soo sal ick u niet langer ophouden, en verdrietigh vallen. Nochte ick en sal oock niet, als de Redenaers plegen, een herhalingh der boven-verhaelde stucken doen, steunende op uwe goede memorie en geheugenisse, en vertrouwende op uwe goedertierenheyt: oock en sal ick u niet bewegen door eenigh gelaet, of welspreeckentheyt, waerdoor ick u tot compassie en medelijden soude pogen te verwecken, gerust zijnde op mijn goede saeck, en op ’t recht, dat op mijn zijde is, het welcke uwe oprechtigheyt my niet ontseggen en sal. Dit bid ick alleen, dat ghy een soodanigh oordeel vellen meught, dat ick ellendige niet menge gevoelen, dat my ’t gemeen gerucht schadelicker is geweest, als mijn eygen schuld. Want, schoon ick voor mijn persoon gehaet, en niet aengesien en ben, soo ben ick doch, in de rechtvaerdigheydt van mijn saeck, voor mijne aenklagers. Ben ick waerdigh, een quade naem te hebben, soo zijt ghy oock te vroom, om een onrechtigh vonnisse te spreken. En ’t gaet u soo wel aen als my, dat ghy u eer en aensien ongeschonden behoud; en dat ick u danck moet weten van mijn heyl en behoudenisse. Want sulck een verwachtingh en hope is ’er van u, dat [p. 37] u eer en faem soo wel mocht komen schipbreuck te lijden, als mijn troost, en welvaren een krack te krijgen. Dus dan, soo schandelick dat u sou zijn een ongerechtige Sententie, soo heerlick en glorieus sal u een billicke vrysprekinge strecken, niet alleen in mijn sin, maer nae ’t oordeel aller menschen, van vrienden, en selfs van vyanden. En gelijck men mijn persoon niet hoort schadelick te zijn, soo hoort hun oock de hare niet voordeeligh te zijn; maer men hoorde de saeck selfs t’overwegen, en de waerheyt alleen te laten gelden. Want haer soud’ het niet een hair schelen, al quaemt ghy om u eer, naem, faem, en reputatie; al quam mijn onnooselheyt in de ly, en de gerechtigheyt onder te leggen, soo sy slechts het nae haren zin hadden. Want, willende dat ghy my sult met alle wreedheyt straffen, wat willen sy anders, als dat de lieve Gerechtigheyt verachtere, en dat de wetten onder hare gehoorsaemheyt sich buygen soude? Nu staet het by u, ernstigh te dencken, wat haer kan toegestaen worden, die selfs d’oorsprongh en de sonteyn zijn van al het quaet; die door haer verdorve sonden sich selfs in sulcke pijne en miserien storten; die overgoten van fauten, sich doch durven onderwinden de faem en d’eere van den onschuldigen met macht t’onderdrucken. Siet u dan wel voor, weest dan voorsichtigh, mijne Heeren, en Rechters, dat ghy u niet verleyden bedrogen en vind, door de schalckachtighste redenen der ongebondenste menschen: weeght het rijplicker, wat uw ampts-wegen, te doen staet, niet luysterende en [p. 38] die na wrevelachtigheyt haken en hijgen. Sullende dit gedaen hebben, buyten twijffel sult ghy uytroepen, dat ick ellendige t’onrechte verwerplick, maer wel te deegh sonder schult ben; mijne tegenstrijdende partijen daer en tegen, voor verdoemelick en versoeyelicke verstanden, eenstemmigh verklaren.        ’T is geseght.
Continue
WonderenPodagraCardanus

Lof voor ’t Podagra,
door

HIERONYMUS CARDANUS
Vertaelt.

ICk soude het rekenen voor een stuck van ondanckbaerheyt, ick laet staen van vergetelickheyt, indien ick niet gedachtigh en ware de gene, door welckers weldaet ick gevordert ben, ofte de weldaden gedenckende, niet door alle middlen zoude soecken danckbaer te wesen. Ick en meene oock niet, datmen, om danckbaerheyt te betoonen, behoeft te ondersoecken, wie den gever van die weldaet geweest zy, noch uyt wat herte hy dat gegeven heeft: maer wat ghy daer door gevordert hebt, en hoe geerne hy u dat mede-gedeelt heeft. Want wat wilt ghy veel na ’t Herte vragen, gesien hebbende ’t vrolick gelaet, en de vaerdigheyt van den gever? te meerder, al soo het Herte, gelijck de Godts-geleerde, en Wijsgerige betuygen, Godt alleen bekent is. En [p. 39] indien men wil gaen by gissinge, soo moet men gelooven, dat de weldaden ons niet, als uyt een goet Herte toegevoeght werden, en soo veel te meerder, als den gever oock aen andere sijne mildadigheyt getoont heeft. Indien hy aen alle degene, die hem baden en versochten, geweygert hadde, dan zoude men mogen dencken, dat hy niet en gaf uyt een milt Herte. Maer wat de persoon belanght, daer en is niemant, gelijck men gemeenlick seydt; een yder goet, als alleen Godt. Andere zijn voor sommige goet, voor veele veeltijts quaet: dan in tegendeel is ’t Podagra voor de meeste goet, voor weynige quaet, en beswaerlick, daerenboven met mildadigheyt de Menschen van selfs beleefdelick besoeckende. Derhalven, alsoo niemant simpelick kan geseyt werden goet, ofte quaet, maer, in aensien van sijn gave, voor soodanigh te houden is; soo moet ’t Podagra met alle redenen voor goet gekeurt werden. En, dewijl wy den geenen voor quaet houden, die ons met een vriendelick gelaet bejegent, en daer onder sijn boosheyt verberght, soo valt wederom te prijsen, die, onder decksel van quaet,ons aen-komt, en al wat sy bedeckt, al wat onder haer kleederen schuylt, goet is. Ick en wil ’t Podagra niet prijsen, gelijck men quade dingen plagh te prijsen, als of daer door een rechtveerdige straffe werde uytgevoert. Want soo plegen de Doot, de Sieckten, en Tyrannen gepresen te werden: maer dit en is haren lof niet, maer veel eerder een beschuldinge van het Menschelick geslacht. Laet de Menschen, volgens [p. 40] haer oordeel, wesen ondanckbaer, schelmachtigh, godtloos, wreet, gierigh, onrechtveerdigh, en gantsch boos, soo schandelicke, en versoeyelicke sake en kan geen voordeel bybrengen aen den lof van ’t Podagra. Ick en sal de straffe niet voorstaen, die ick hate, en soo ick die oock onrechtveerdelick moste uyt-staen, ben al onder dat getal (waerschijnelick ziet dit op het onthoofden van sijn Soon Ioh. Babtista, daer hy veel moeyten voor dede) die deselve alreede uytgestaen hebben. Dit en is geen vremt voorstel, noch een opproncken van welsprekentheyt, ofte verstant; waer van in my het eene minder is als matelick, tot het ander weet ick wel noyt moeyten gedaen te hebben. Qualick werden gepresen, die niet recht en konnen gepresen werden, gelijck de Sotheyt, (van onsen Erasmus) de Kaligheyt, de Vierden-daeghsche Koortse, in de welcke hoe veel meer blinckt de wel-sprekentheyt van den Schrijver, hoe veel te meerder blijckt de lichtigheyt van sijn voornemen, als ydel zijnde, en op geen gronden van waerheyt steunende. Het is ’t Podagra, die haer van den beginne soo loffelick vertoont, dat haer Lof sonder schaemte niet en kan voorby gegaen werden: soo datse twijffelachtigh maeckt, of het eerlicker, en treffelicker is van haer te spreken, of leelicker, en schandelicker haer, die soo vol van gaven, en verdiensten is, sonder prijsen voorby te gaen. Doch indien der geen quaet en was, dat lof verdiende, soo en soude ick voorwaer ’t Podagra niet derven prijsen: maer ick sie soo veel quaets lof-weerdigh, dat ’t Podagra, het [p. 41] sachtste van die alle, te prijsen, niet vremt en kan schijnen. Want de Stonden, die de Vrouwen soo leelick af-leken, en haer soo Sieck maken; ’t Baren, het uytkomen van de Tanden, de eerwaerdige Grijsigheyt,de Pocken, en Maselen, zijn maer vuyle uytwerpselen, en even-wel, om datter veele wel by varen, verdienen noch gepresen te werden. Men soude mogen hier tegen brengen, dat sulcx geschiede door den loop der natuure; maer dat ’t Podagra een Sieckte was, overkomende door ongeval. Maer die Pocken, en Maselen, (waer van de Arabische Genees-meesters alleen gewagh maken) en schijnen eertijts soo gemeen niet geweest te zijn, en evenwel wert daer door ’t bloet, en ’t gantsche Iichaem gesuyvert. Daer zijn Vreesen, daer zijn Pijnen, die ons vermanen, om een beter leven te leyden. Een onteerde dochter is droevigh, dat is by geval gekomen, en nochtans wert dien druck voor prijselick geoirdeelt. Indien datter geen Swackigheyt en is, geen Pijn, die voor goet en prijselick behoort opgenomen te werden soo, en ontken ick niet, dit ’t Podagra niet te prijsen en is. Maer, dewijl al ons leven ’t Vermaeck aen eenige Pijnlickheyt verknocht heeft, gelijck van honger in ’t eten, van drincken in dorst, byslapen in keteligheyt: so geloove ick vast gestelt te hebben, dat ’t Podagra niet geheel onprijselick en is, en aengenomen behoort te werden, om haer saken te verdedigen Sy en heeft tot desen dagh niemant gevonden, die haren Lof soude beschrijven: maer en verdientse niet gepresen te werden, om [p. 42] datse juyst van niemant gepresen en is. Wat al saken, wat al treffelicke mannen zijnder sonder lof dichter geweest? Hoe veel sieckten, en malligheden zijnder tot verachtinge der vromen gepresen? Daer en is niet quaets, of ’t heeft sijnen voorspraeck gevonden. Moet dan ’t ongelijck vervolght werden, om dat het eens geschiet is? Behalven dat het de Podagra noch aen geen brave prijser ontbroken heeft, en een, die oock Goden, en Godinnen gewoon was te prijsen, te weten de Grieckse Luceanus, een dapper man, en van groote geleertheyt; door wiens voorschrift ick opgeweckt werde, maer niet tot nijt gedreven. Want gelijck in alle brave dingen, geen Spreker so gau, noch vernuft en is, dat hy de waerdigheyt van de saeck met sijn welsprekentheyt soude konnen na komen: so ontbreekt oock nootsakelick altijt wat in den Lof van ’t Podagra; ’t welck daerom te meerder geschiet, dat de Sprekers selden in hooge dingen groote hope scheppen, of in leege veel moeyte aenwende. En wy en beginnen dit werk ook niet, datwy souden hopen waerdige lof na de waerdigheyt van ’t Podagra te seggen; maer om datwy vertrouwen andere, die meerder gave van welsprekentheyt besitten, door onsen arbeyt, hier toe op te wecken. Ick eysche een yegelick uyt, niet op hope van overwinninge: maer op dat ick overwonnen zijnde, dickwils mocht trotsen den aenvanger van den strijt, den opgever van so treffelicken werck, geweest te zijn. Och of wederom leefden die Cicerones, Hortensii, Cottae, Corvini, om dese sake na haer waerdigheyt op te nemen [p. 43] en treffelik uyt te voeren. Want het scheelt veel, oock in de fraeyste saken, hoe yet geseyt, verçiert, uytgebreyt; of ontvallen, en van sijn behoorlicke lof versteken wert. Daer en is niet soo treffelick, dat niet by gebreck van wel-spreken, slecht, ja verachtelick sal schijnen. Alexander de Groote, wenschte den Poëet Homerus tot een Lof-dichter. En voorwaer den roem van Ulysses, en Achilles, die alleen over kleyne stedekens heerschten, en met geheel Griekenlant naulicx in thien jaer een Troyen overwonnen, is nu grooter, als van Alexander selve, die alleen in soo veel jaren, de werelt onder sijn gebied gebracht heeft. Derhalven, in dien ick ’t Podagra niet en handele volgens hare groote, en waerde; so mach sy hier te rechte wel beklagen, dat sy tot haer ongeluck so kouwen, en droogen prijser ontmoedt heeft, daer een ander door sijne welsprekentheyt het Lof, dat sy verdient, tot den hemel soude konnen verheffen. Maer om niet langer de sake selfs uyt te stellen, so hebbe ick voorgenomen haer handelinge simpelik te verhandelen. Want gelijck de Poëet seyt,
De sake self geen çieraet en begeert,
Maer wil dat sy eenvoudigh wort geleert.

Elck moet bekennen, dat ’t Podagra onder haer medestaenders de kroon spant, en dat Graveel, Colijck, Koortschen, Geele-sucht, roemen haren oorspronck uyt de selve te trecken. Haer outheyt is al langh bekent geweest voor den Prince der Geneesmeesters Hippocrates, en al van de tijde der Troyanen, waer van sy ook den Grieckschen naem van Podagra behouden heeft, niet dat sy [p. 44] den Latijnschen versmaet, maer dat sy den ouden liever heeft, een teycken van hare stantvastigheyt; als de welcke altijd de vryigheyt, en vryborstigheyt voor oogen hebbende, openbaerlick yemant besoeckt, en haren wil uyt-werckt, sonder yemant lagen te leggen. En al is ’t datse de Menschen groote pijn aendoet, soo en brenght se niemant om hals, ja verweckt noch midden in de pijn het lacchen. Sy is alleene, die de Geneeskonste veracht, gelijck de Poëet seydt: Solvere nodosam nescit Medicina Podagram. Dat is: De Medicijn en weet geen knobbelachtige Podagra te genesen. Ja sy oorloght tegen de Genees-meesters, van de welcke sy vele seer qualick onthaelt heeft. Sy versmaet de Salven, en past niet op Drancken, wert aengehitst door Plaesters, en vervreet door Stovingen. Sy en vraeght nergens na; komt, en gaet wegh, als ’t haer belieft, sonder haer selven aen yemant te onderworpen. Sy en laet haer met geen Omhangen, ofte Af-lesen verdrijven, ja selfs niet door Beden aen de Heyligen. Godt alleen is ’t, diese kan voeten maken. Het is voorwaer een saecke van groothertigheyt, teere jaren niet moeyeliсk te vallen, noch kinderen, noch oude luyden, noch vrouwen, noch gesnedene; al wat in de fleur, al wat sterck is, ranst sy maer aen; sy verschuyft de beenderen selve, verswackt de sterckste, maekt losch zenuwen, en banden, werpt alleen de jonge luyden onder de voet. Sy en is niet vervaert voor eenige dreygementen, wijckt voor geen gewelt, noch en laet haer door geen streelen versachten. Diese voorgenomen heeft [p. 45] op ’t lijf te vallen, bestormtse; en houdt haer altijdt van de gene, daerse niet op gestoort en is. Met gelijcke eere van Koningen, Keysers, Pausen, andere Mogende, en Wijse (gelijck ’t volck oordeelt) gaet sy ten strijde, armen, en boeren overslaende. Sy treet in de hoven der Prinçen, en onderhoudt dagh en nacht de gene, die van vrouw en kinderen niet en houden, tegen haren danck. En uytstootende de beste vrienden, doetse haer selven wel koesteren. Dormit & in pluma, purpureoque thoro. Dat is: Hy slaept op sachte pluymen, en op een purpere peuluw. Sy geniet den reuck van wel-rieckende Salven, hoort Sang, en Snaren-spel; slaept op een sacht bedde, tusschen sijde gordijnen, en dekens met Gout, en peerlen geborduyrt, en in alderhande weelde. Sy hoort alle genuglicke praetjens, proeft de leckerste kost, en wijn; ondertusschen wert haer toegebracht al het kostelick vermaeck, dat voor Koningen selve in lange jaren bedacht is. En by aldien waer is, ’t gene de Platonische Wijsen van de Telchinesche geesten voorgeven, te weten, dat sy haer in de Menschelicke lichamen oversetten: soo soude ick die alleen voor gelucksaligh houden, de welcke vergeselschapt met ’t Podagra, woonplaets in de Menschelicke lichamen quamen te nemen. Want sy heeft met Venus, Bacchus, en al wat lecker, en vermakelick is, een eeuwigh verbondt gemaeckt; en is soo geluckigh, dat de gene, die daer aen vast zijn, uytgeseyt de Pijn, een geluckigh leven leggen. Sy en verlet oock geen vermaeck, noch vruchtbaerheydt: maer brenght een ruyter te paert. Dan ick [p. 46] kom nu tot de Wijs-gerige. Arcesilaus is van haer huys-genoten geweest, als mede Lycon van Tharsus, en andere, waer uyt genoegh blijckt, dat ’t Podagra oock Wijsheyt verweckt. T’onsen tijde, een man van groote geleertheyt, Erasmus, heeft al wat waerdigh is gelesen te werden, getapt uyt een Gichtige kamer; gesonder in die Sieckte, als in Gesontheyt. Voor wat al treffelicke Schriften van geleerde Mannen zijn wy den danck schuldigh aen ’t Podagra? Gesont zijnde, doet elck sijn dingen, luttel lettende op ’t gene hy uytwerpt: maer die aen ’t Podagra leyt, is vol van bedenckinge, en al wat van hem komt, is rijp, en sedelick. Maer dit overslaende, laet ons komen tot de Macht, dewelcke in ’t Podagra seer groot is. Want ’t Podagra alleen overvalt den geheelen Mensche. Ten eersten daelt sy op de Voeten, daer nae op de Handen, Knye, Elleboogh, Kuyten, Hals, Schouderen, Kaecken, ja oock de Tanden; selfs en spaertse de Tonge niet: en in sommige heeftse de Neus verdraeyt. Soo toontse hare kracht over alle de Deelen van het Lichaem. Wat is dan haers gelijck? De Koortse beslaet het geheele Lichaem, gelijck oock de Lasernye, Water, en Geelesucht: dan sy en gaen maer gemeen, daer ’t Podagra, in elck bysonder Lidt hare macht toont. Sy ontheupt de Menschen, plaeght, pijnight, kromt handen en voeten, verteert het morgh, stelt het Lichaem in vremde bochten. Soo dat sy alleen met recht mach geseydt werden te zijn de Koninginne van ons Lichaem. Maer hoort wat vremt van haer: [p. 47] sijn hadde verstaen, datter by eenige Geneestwijsters, en niet van de minste, geschreven was, na te konde verdreven werde, door Hermodactylum, en Corallium. Hierover gestoort zijnde, ick en weet niet door wat konste, toe-val, ofte geluck, heeftse terstont dese hare vyanden soo van kant geholpen, datse alleen de namen van de selvige ons nagelaten heeft. Elck hoort wel van Coronopum, ofte Corallium; als oock van Hermodactylum; maer oock wat die zijn, en kan ons niemant wel uytleggen. Ick en soude oock dien Genees-meester niet prijsen, die in badt- stoven van wel-ruyckende Kruyden, de flauwe Siecken met veel Koppen plaeghden. Wat heeft den Romeynschen Vorst Agrippa gebaet, het badt van heeten Azijn, dat hem te gelijck de Pijn, en ’t gebruyck van sijn Beenen wech nam? Wat vordeel trock onsen Caesar uyt dat mal, en als bygeloovigh middel van Swarte Geyten-wey, en Vijgen-melck? Heeft het niet, behalven dat het niet goets en dede, de krachten vermindert, en het leven verkort? Ja die haer Springh-ader wil stoppen, stopt met eenen die van ’t leven. Die veel steuten op Pock-hout, Sarza Parilla, Spa-water, laet haer de jaren tellen, dat sy daer na langh gesont geleeft hebben: ’t en is de rechte genesinge niet, een sachte sieckte te verdrijven, om een doodelicke te ontfangen. Wat sy noch met my, als geroemt hebbende, haer te konnen quijt maken sal, aenrechten, en weet ick niet. Sy zal mijn wel lichtelick verachten, ofte luttel achten; dewijl dien raet in soo weynige van my [p. 48] versocht werdt, dat ick hem schijn voor mijn selven alleen gevonden te hebben. Maer tegens my aengaende, sal sy ongelijck hebben, dewijl ick maer en soecke haer een weynigh van kant te senden, niet voor altijt uyt den huys te schoppen; gelijck oock andere van my niet geleert en zijn. Sy is voorwaer wel te recht gestoort geweest op Willem Budeus, die in ’t openbaer leerden, haer allesins uyt te stooten, die sy so overviel, datse niet gaef aen sijn geheel Lichaem en liet. Maer ’t is wat anders, sijn saken te beschermen, en sijn vordeel voor te staen; wat anders tot roem, ofte hope van winste, andere sulcx te leeren. Het is wat anders, eenen onaengenamen gast lange te houden, om dat hy ons soo moeyelick niet en zoude vallen; wat anders hem buyten de deure te stooten: en ons huys te verbieden. Maer sy en derft misschien treffelicke, en manhaftige luyden niet genaken. Wy hebben in onsen tijt gesien Antonio Leva, en Alsonso Davalos, twee krijghsblixemen, van sonderlinge verstant, en dapperheyt, en die veel treffelicke daden (in de Hist. van Guicciardin en elders, te lesen.) soo aen haer vast te wesen, dat licht te mercken was, ’t Podagra niemant en spaert, en volgens het exempel van den Blixem van Iupiter, alleen ’t gene verheven is, aenransten, en om-stiet. Wat is te gelooven anders geweest te zijn, dat den stercken Hercules getemt heeft, hoe-wel de Poëten sulcx eenige Sweeringen toe-schrijven? Want hy en zoude in soo gestoorde woorden niet uyt-geberst hebben, indien het quaet in sijn vleysch, en niet in [p. 49] sijn gewrichten gesteken hadde. Maer laet ons twijffelachtige saken overslaen, dewijl ’t Podagra te vreden is met haer eygen, en seker lof. Want een exempel kan in plaets van vele genoeg zijn in den Keyser Severus, die al was hy de strijbaerste van alle, en alles overwon, soo dapper nochtans van ’t Podagra verwonnen is geweest, dat hy altijt te bedt moste leggen, en die de geheele werelt onder hem hadde, was gedwongen te staen onder de slavernye van ’t Podagra; en sy en sy en liet haer niet overwinnen, noch hy, overwonnen zijnde, schrickelick te wesen. Dit wil ick evenwel maer seggen, als wel te weten, datter geen Pijnbanck den Mensche soo veel pijn aen en kan doen als ’t Podagra. Die daer aen vast zijn, werden gesteken, gebrandt, getrocken, ja by-na van een geruckt. Ick geloove, dat noch de Goden, noch de Tyrannen, soo langdurige, ofte hevige Pijn zouden konnen inbrengen, als die van ’t Podagra. Sy hout op tusschen beyde, om daer na met meerder gewelt wederom te keeren Sy versacht, om dat het als-gesonde vleysch het quaet overvloediger zoude ontfangen. De Siecke bekomen, om te langer tot de aenstaende straffe te duyren. Even-wel en brengtse niemant om hals, als niet willende schijnen te wesen een dienersse van een ander mans doot. Een weynig Colijck, ofte Maeg-pijn, helpt den mensche van kant, om dat de selvige Doots-dienaers zijn: maer ’t Podagra is haer eygen, niemant onderworpen; ja andere Sieckten zijn haer veel eerder gehoorsaem. Want al waer sy verschijnt, daer verjaeghtse alle andere [p. 50] Sieckten, noch sy en lijdt niet, dat het lichaem haer toe-ge-eygent, en onder haer gehoorsaemheydt staende, yemant anders aenneme, ofte onderdanigheyt bewijse. Hoe vele, die, aen de swaerfte Sieckten leggende, al buyten hope gestelt waren, en zijnder niet door haer aenkomste genesen? Wat wil ick seggen van haer Eerbaerheyt, en Rechtvaerdigheyt, de welcke, al bevangtse, gelijck verhaelt is, ’t geheele lichaem, en al de leden; en is even-wel nimmermeer soo gestoort, en schaemt-vergetende, datse oyt de schaemte van man, ofte vrouw, toch oock het hinderste aen en tast. Sy onthoudt haer mede van degene, die gematight leven, om den naem van brootdroncken niet te krijgen. Met de selve stantvastigheyt laet sy de armen oock met vrede, om niet te schijnen wreet te wesen, die de ellendige den kost benam. Derhalven is ’t Podagra rechtvaerdigh, goet, vroom, wijs, kuysch, en groots-hertigh, soo van wegen het versmaden der gener, diese niet aen en roert, als van wegen de waerdigheyt van de gene, diese onderbrenght. Sy heeft my al-te-met gedacht te wesen, uyt het geslachte van eenige Roomsche Priesters, dien, door oude insettinge, verboden was, by de dooden te mogen komen, daer dese noch doode, noch veege en genaeckt. En by aldiense somtijts op yemant soo gestoort mochte wesen, datse hem wilde van kant helpen, soo scheyt sy daer van, en geeft hem over aen de Koorsch, Kort-adem-heyt, ofte Popelsy, om dat werck uyt te voeren. En op de selve wijse tegens sommige ingenomen zijn- [p. 51] de, die haer soecken uyt te stooten, de selve verlatende, geeftse over aen Koorschen, ofte andere Sieckten, diese uyt het leven halen. Sy en is niet leelick ofte tegenstaende, gelijck Lasernye, ofte Spaensche Pocken; niet besmettelick, gelijck Teringe, Pest, roode Oogen: maer laet toe, dat de vrienden haer sonder schroom mogen besoecken. Sy en bestrijdt ons noyt, als andere Sieckten, onvoorsiens, ofte dat wy ’t niet gewaeren werden. Sy en brenght oock niet vuyls mede, geen etter, ofte sweringen, geen hoest, geen braken, nochte loop. Sy is gantsch suyver, en met haer selven te vreden. Ja sy druckt een yegelick na de mate van sijn krachten. Stercke luyden langh; en dapper; slappe weynigh tijts, en slappelick. Hier zoude lichtelick tegen-geworpen mogen werden, dat ’t Podagra een slechte sake is, dewijlse oock Honden, Vee, Capoenen, en veel andere Mest-vogels, ofte die op-gesloten werden, kan overkomen: waerom oock de gene, die soodanige Vogels eten, lichtelicker van ’t Podagra gevat worden. Maer dat en is geen Podagra, dewijl by haer knobbelen geen, ofte gantsch weynigh Pijn is, blijckende daer uyt, dat sy niet en klagen, noch en schreeuwen.
    Nu wat al voordeel brenght ’t Podagra aen? voor-eerst neemt men daer uyt bedencken van Adel: want indien daer mede gequelt wert een boerensoon, so meent elk terstont, dat hy sijn rechte vaer niet en heeft, maer ’t maecksel, en bastaert van een Edelman is. En noch te meerder, om dat ’t Podagra erft; en haer nakomelingen geerne [p. 52] kennen wil. Wanneer een Gichtige te hoof verschijnt, hy wert van eenyder ge-eert, al was het maer een rabauwt. Want ’t Podagra heeft ick en weet niet wat Konincklicx in: sy zitten, als een ander moet staen. Ick hebbe gesien dat een gemeen Edelman Maximianus Stampa, aen ’t Podagra vast zijnde, op een muyl sat, daer-benevens gaende, als dienaer, Alsonso Davalo, een Prinçe zijnde, om dat hy doen geen Podagra en hadde. Wat sittender, om harent wille, van dit volck al, in tegenwoordigheyt der Prinçen, die anders soodanigen eere onweerdigh zijn. Siet men niet met wat beleeftheyt de vrienden haer komen besoecken, gelijck of sy by den Keyser, ofte Paus saten, met wat eerbiedinge sy haer onderhouden? Wat zal ick seggen van de huys-genooten? geen barbier scheert sachter. Hebt ghy een botterick, of een stuyrsen knecht, laet hem een Podagra gaen dienen, hy zal terstont vlijtigh werden, ende soo mack als een lam. Denckt eens wat, wooninge ’t Podagra voor haer verkosen heeft, niet als palleysen, en groote huysen, alwaer sy in vreughde leeft, midden onder de vrienden, en wellusten. Is yemant, die van sijn vrienden versmaet wert, ofte dat sy sijn rouw geselschap schouwen, laet hem ’t Podagra krijgen, elck zalder nae toe komen loopen. Indiender eenige sieckte toe- slaet, het zy Koortschen, Waken, ofte andere Pijnen, sy beslaet de plaetsch van allegader. Vraeght yemandt, wat degene, die hier aenleyt, voor Sieckte heeft, als men maer ’t Podagra noemt, soo weet hy terstont wat [p. 53] sieckte het is; soo bekent, en vermaert is die naem over-al. Maer wat voor een man maeckt ’t Podagra? Een die vroom, godtsaligh, kuysch, Wijs, en wacker is, ende als hy al slaept, niet ongerust en droomt. Daer en denckt niemant meerder op God, als die aen ’t Podagra leyt: die sodanige pijn voelt, en kan niet vergeten ’t gene meest in andere geschiet, dat hy sterffelick is: hy wacht hem sooveel van eten, drincken, by-slapen, als hy meent voor sijn gesontheyt noodigh te wesen. Het Podagra treckt van ons voornaemste deel, te weten, de Herssenen, Sinnen, en ons Verstant, alle quade Gedachten, ydele Hope, onnoodige Vreese, onsekere Betrachtinge: Sy en laet niet toe, dat men sijn goet verspilt, ende sy dwingt, oock teghens danck, wel ende braef te leven. Welcker gematigheyt seer veel vordeel in heeft. Vorders, dewijl de Gichtige een ander niet en konnen gaen besoecken, om dan het besoeck van andere te hebben, soo werden sy beleeft, vriendelick, recklick, en leeren met de menschen omgaen; so datter geen Wijser, als de Gichtige gerekent en werden. Waerom haer den toom van de Gemeene sake in handen gestelt wert: als welckers beraetslagen rijp, Wijs, en seker zijn. Want haer verstant en wert door geen baren gedreven, het Lichaem rust van beroeren, ende de Ziele en geschiet, noch door spijse, noch door dranck, eenigh belet.
    Wy zullen nu oock eenige hare bysondere gaven, (waer van drie de voornaemste zijn) gaen uytleggen. Sy belet, datter geen Steen in de Blaes [p. 54] en groeyt, noch de longe tot sweren komt; daer-en-boven geeftse den wijn sulcken smaeck, datter niemant soodanigen geur, en aengenaemheyt in den Wijnen vint, als een Gichtige. Hier benevens maecktse de sachtste doot, en die van een uyt ’t Podagra spruyt, en sieckte komt te sterven, gaet uyt, gelijck in een slaep. Ja als sy wat versoet; wat soete slapen, wat een ruste, en juckte ontrent die plaetsche, weynig verschillende van de dertele keteligheyt? Sy alleen vermaent ons tot de boecken; alsoo die eenige soetigheyt door ’t tusschenkomen van pijn niet en kan afgescheurt werden. Maer behalven het aengenaem geselschap van versoeckers, daer in alle Sieckten na verlangt wert, soo beweeghtse, door eenen bysonderen aert, de vrienden en Sieken, datse meerder vermaeck scheppen in boerten, en jocken, als de gene, die wel varen, gelijck de krepels in Venus-werck, de gebulte in gauwigheyt, de scheluwe in bedrogh, de kale in ras te overleggen, soo dat derselver omgangh heel drolligh is. Sal ick hier noch by-voegen, dat de Gichtige den loop van de Maen beter verstaen, als de Sterre-kijckers, en veranderinge der tijden sekerder, als de schippers? Dit, meerder, en noch treffelicker, kan over den lof van ’t Podagra met waerheyt geseyt werden. Maer ick sie, wat ghy hier zoudet mogen tegen-werpen; dat het nochtans een sieckte is en dat in alle geval veel beter ware, gelijck oock van andere, die niet te hebben, als te hebben. Ende dit is ’t gene sommige voorgeven, die met weynigh woorden, en weynigh slots hebbende, [p. 55] de hooge weerdicheyt van ’t Podagra soecken te onderdrucken, en om te stooten. Maer indien ick oock selver hier uyt kan bewijsen haren Lof, en treffelickheyt, soo en twijffel ick niet, ofte sy sullen beschaemt staen, die haren goeden naem soecken te lasteren. Voor eerst wert sy beschuldight een Sieckte te wesen, als of niet al ons leven (hier van is in ’t breedt gehandelt by Dr. Patin, van Parijs, in mijn Epist. Quaest. dit jaer te Rotterd. gedruckt) vry wat arger sieckte en was, als het Podagra. Want by aldien gy de Pijn alleen voor Sieckte hout, so sal voorwaert Podagra een siekte zijn, en het vorder leven en kan soo niet geseyt werden sieckelick te wesen: maer indien gy met de Sieckte beteykent een smackigheyt des Gemoets, en Lichaems, so is ’t geheel anders gelegen. Want wy en hebben noyt minder sieckte, dan als ons het Podagra overkomt. Sieckten zijn Sotheyt, Wellust, Vergeten van onse eygene gelegentheyt, Gramschap, Haet, Droefheyt, waerdoor wy ons selven, ende de onse, uyt een lichte, ofte geene oorsaeck, te kort doen. En is de Melancolye, ofte Swaermoedigheyt geen sieckte? Ende nochtans seyt Aristoteles, dat daer mede veel wijse, en treffelicke mannen zijn gequelt geweest. Wat seggen wy van de Poëten, Voorseggers, en Sibyllen? zijn sy niet allegader aen dese sieckte vast geweest? Jae, hoe sy luyden in meerder achtinge waren, hoe haer quellinge grooter was, waer door oock weynige onder de selvige langh geleeft hebben. Onder de Poëten is Virgilius swaermoedigh geweest, Lucretius dul, Ovidius sot, Horatius [p. 56] droncken. Wat wil ik noch meerdere bybrenge, dewijlse allegader rasende, en van kort leven geweest zijn? Indiender yet Goddelicx in ons is, dat openbaert hem meest in de Sieckten. Want dan voorsien wy het toekomende, wy leggen onse saken wijsselick aen, en wy zijn bevrijt van alle ontroeringen des Gemoets. ’T Podagra met de Matigheyt gevoeght zijnde, maeckt wackere sinnen, een wel-gedaen lichaem, suyvere gesontheydt, lang leven, goeden smaeck, gerusten slaep, lieffelicken adem, vrolicke ghedachten, veerdigh verstandt tot nasporinghe van wijsheydt, ende wetenschappen. Want daer andere Siekten het selve ontrusten, en bedwelmen, soo wert het alleen door ’t Podagra verklaert, en gescherpt. Maer dit heeftse noch, tot een voorname, en onvergelijckelicke gave, dat sy alleen het gemoet door gewoonte doet strijden tegens de aldergrootste pijn, waer uyt blijkt haer groote sterckte, ende stantvastigheydt, daer mede sy het Lichaem teghens alle ander ongemack kan bestieren. Want van ’t Lichaem klaeght ghy alleen, na datter van de swackheyt des Gemoets genoech gesproken is. Nochtans klaegde de wijsgerige Plato, dat hy al te gesont was, als of het Gemoet niet wel en konde varen in een al te welvarende lichaem. Maer laet, gelijck ick geseyt hebbe, het Gemoet aen een zijde gestelt werden, en alleen gesocht het Lichamelick goet; hoe veel tijts neemt u ’t Podagra wech? wat beletse uwe dingen? Voorwaer soo ghy matelick wilt leven, sy vereyscht weynigh, ofte niet met allen. Jae sy vermindert ydele [p. 57] arbeyt, en sware sorge: gelijk dat men ten dienst moste staen van een oproeringe gemeente, van een korsel, en moeyelick Prins, van een onvoorsichtige vriendt, waer door zoude men sijn selven daer van beter konnen ontschuldigen, als door ’t Podagra? De Gichtige, heeft het meeste deel van de tijt in sijn macht; dat hy niet en doet, kan hy leggen op ’t Podagra; en als hy wat doen wil, kan seggen, daer van nu ontslagen te zijn. Maer wy zullen dit laten loopen, en van de sieckte handelen. Wie isser, die, so hy van ’t Podagra niet versocht en wert, in geenen argere sieckte en vervalt? Soo hy een quaet Oogh krijght, wat al moeyelickheyt, wat gevaer, wat al beletsel? Indien het gebreck in ’t Oor komt, ghy loopt gevaer van het leven, of ten minsten van ’t gehoor; Indien op den Tant, ghy en kont sla pen, noch eten. Overvalt u den Hoest, ’t bloet-spouwen is voor de hant. Wert ghy Schorft, het is vuyl, en elck een schouwe u. Krijght ghy de Koortse, u leven staet in de waegschael. Bevange u Maegh-pijn, ofte Colijck, behalven de smerte, so en zijt ghy u leven niet versekert. Graveel, ofte Steen verwecken grouwelicke pijn, en stellen het leven in gevaer: De Gele-sucht, brenght de Water-sucht aen en Water-sucht de Doodt. De Hert-kloppinge gelijckt de helsche straffe: de Vallende sieckte is alle oogenblick vol schricks; ende niet sonder gevaer van het leven. Het Scheursel en wert nimmermeer genesen, houdt nimmermeer trouwelick op. Wat is het dan, dat ghy liever hebben zoudet, als ’t [p. 58] Podagra, indien ghy niet en hoopt altijt gesont te konnen blijven? Welcke hope, hoe bedriegelijck sy valt, ghy lichtelick verstaen sult, in ’t onder soecken van een yegelick, die boven de 40. jaren is. Want wie salder onder de selvige sonder eenige quael bevonden werden? Doch sulcx blijft veeltijts verborgen, behalven voor de Genees-meesters. Daerom meent ’et volck, datter vele in volle gesontheyt leven, maer die zijn al dun gezaeyt. Derhalven dewijl wy uyt onsen aert de Sieckten onderworpen zijn, en datter geen van alle netter, sachter, sekerder, lichter, de krachten der zielen soo vermeerdert, de manieren verçiert, niemants Leven slaet, ofte middelen en beschadight: soo hebben wy wel te recht den Lof beschreven, en haer de behoorlicke eere toe-geschreven. Niet tegenstaende een quaetwillige lasteraer hier tegen wierp; waer toe strecken mochte het prijsen van een leelicke, versoeyelicke sake, een langdurige, en ongeneeslicke sieckte, en sulcks alleen meenden gedaen te zijn tot vertooninge van verstant, en welsprekentheyt, dewijl ’t Podagra geen Godinne en is geen wesen ofte yet natuurlicx, maer een seer pijnelick gebreck, die zal voorwaer seer bedroogen zijn. Want al is ’t Podagra maer een toe-val, soo moet men weten, datse toe-komt meerder uyt geluck, als ongeval, en dat best in de werelt is, ’t gene schadelick in sijn selven soude wesen, wel te konnen gebruycken, gelijck alderslimst is goede dingen te misbruycken. Sy is een teycken,sy is een oorsaeck van veel goets, en indien de saken na haer wercken, en uytkom- [p. 59] ste te rekenen zijn, soo en heeft sy in de werelt haers gelijck niet. Want boven andere dingen nu verhaelt, uyt wat schrickelick gevaeren verlost sy ons niet? Sulcx is onlanghs gebleken in Andria Doria, van Genua, Admirael van Keyser Karel, die genoodight was van eenen Gio, Aloisio llisco, met voornemen om hem om te brengen: maer aen ’t Podagra leggende, en quam op de maeltijt niet, waer door hy sijnen bereyden moort verhoede. So veel jaren, als hy daer na leefden, en die waren ontrent de dertien, moeten ’t Podagra toegeschreven werden; benevens noch de treffelicke daden, die hy ondertusschen uytvoerde. En hoe veel andere menschen is ’t Podagra noch tot behouw geweest, om haer van lagen, en aenstaende gevaer te bevrijden? Wat al vergift, dootslagen, en, al en was ’t niet anders, dronckenschap, werter niet geschout, dewijl de Gichtige niet te gast en gaen? Behalven dat het ons selven hout van quaet geselschap, ongelijck, lagen, overspel, niet alleen, om dat wy daer aen leggende, belet werden: maer om dat wy wel weten, dat de gene, die aen soodanige dingen vast is, staegh besich, en op de been moet wesen, daer een Gichtige stilte, en rust soeckt. Dan als het op ’t leven aen komt, en staet sy oock niet stil: gelijck sommige in tijden van brant, al leyden sy stijf van pijn, even-wel den selven soo wacker ontliepen, als of sy waren gesont geweest. ’t Podagra en is Doria oock niet in de weeg geweest, of hy konde noch, ontrent 80. jaer out zijnde, by nacht midden in den winter [p. 60] zijn vyanden ontvluchten. En ick en weet niemant, die door ’t Podagra van sijn vyanden over-vallen is, ofte uyt haer handen niet en heeft konnen worstelen. Derhalven sullen wy met soo treffelicke gaven, en exempelen, insonderheyt van desen Zee-Koningh, Doria, het Lof van ’t Podagra besluyten.
Continue
Vlo1664UBA

’t Lof des Vloos,
door
CAELIUS CALCAGNINUS.

’TSChijnt dat de Natuur, kleyne Dierkens voortgebracht hebbende, dit voor ooge-merck boven al gehad te hebben, dat, alles wat sy de grootte onttrecken soude, sy het selvige in de kracht, en door eenigh ander bysonder voordeel, te hebben willen vergoeden. Beyde dese dingen zijn soo aerdigh en blijcklick in den Vloo te bemercken, dat het een wonder schijnt te wesen. Want hoe kleyn dit dierken is, soo is ’et echter fso starck en machtigh, dat het by sijn kleyn lichaem niet te halen heeft: En wat indien wy toonen dat het mede een groot voordeel heeft, en doet, en met een aengebore kracht begaeft is, soo dat ’er weynigh andere dieren met het selve vergeleken kunnen worden. Dit bewesen hebbende, sal ick mijn doelwit genoeghsaem getroffen hebben; daer by toonende, dat die geene, [p. 61] welcke het selve een Vloo noemden, geen goet en bequaem oordeel en hadden, als door nijd en laster daer toe bewogen zijnde geweest. Want het hoorde het schoonste en voordeeligste Dier geheeten te zijn. Welcke lasteringe, om dies te bequamer te toonen, en af te wisschen, soo sullen wy ’t begin maken van de dispositie sijns lichaems. Het heeft een couleur, of verwe, die ’t aller-treffelickste is, ’t zy dat ghy deselve Hyacynthen of Purper-couleur noemt. Dese verwe was den Keyserlicke, en Triumpherende, çieraet, en prachtighste kleeren eygen. De proportie des lichaems is niet al te langh, noch te hoog, noch al te rond, maer heeft van alle dryen wat, spitsachtigh rond: Seer dienstig en bequaem om schoon, en om gaeuw te wesen. Daerenboven, met wat voor aerdigheyt heeft de natuure sijn snafel begaeft hoe tenger, en kleyn is deselve? en hoe wonderlick? hem voordeeligh om te graven, als spits zijnde; en tot slorpen, vol gaetjens wesende. Hoe aerdigh is ’t lichaem door een gewrocht, en aen ’t hooft toe gehecht? sy zijn soo gebuyghsaem, en taey van leden, schoon mense al in stucken kerft, (’t welck alle gekorven beestkens eygen is) het niettemin altijts yet van den levendigen geest sal behouden: den doot onvertsaeght ontmoetende, en ’t leste noodlot, dat alle dingen dwinght, verwacht. Sulcke kracht, sulcke scherpte is in een soo kleyn dier; En de achterste deelen, hoe smal, hoe wonderlick zijn sy gedraeyt? ’t voorste deel, is soo fatsoenlick toegesloten, voor weeringe van den honger; [p 62] en ’t buyckje soo matigh getempert, en door-boort, alwaer den levendigen en wackeren geest in besloten is, dat het een wonder schijnt; en hoe vreemd is ’t, dat d’ingewanden door een soo langen band aen elckander vast en ingewickelt zijn. ’T welck alles soo meesterlick, en soo sijntjes uytgewerckt is, dat noch Mermecidis, noch Callicratidis, noch eenigh ander konstrijcken wercker en Meester, by desen yets soude meugen halen. De voeten onderscheyden door hare knoopjes, zijn mede verwonderens waerdigh: en de voorste, zijn hem tot vele dingen dienstigh: of om sich te krabben; of te suyveren; die beyde, sal ick seggen handen, of voeten, t’samen gevoeght, of opgeheven: Beter soud’ ickse handen noemen: Want het sich niet alleen daer mede streckt, maer oock, als de kinderen die mamme suygen, soo oock die mede ’t bloet van de bovenste huyt daer mede tot sich treckt. Want de voorsichtige Moeder-natuur, heeft om des menschelicken geslachts wille, de Vloo voort-gebracht, op dat deselve het al te heete bloet, ’t lichaem niettemin ongeschend latende, en de leden niet verscheurende, noch de aderen doorsnijdende, uytsooge. Want valschelick hebben de lieden deselve werckingh den Hippopotamo toegeschreven. Dit, dit selve heeft de Vloo ten eersten aen den mensche vertoont. En daerom hebben de Griecken de wijste, onder de sterffelicke, den Vloo [GRIEKS] genoemt: Niet van de kortheyt des lichaems: gelijck de onervarenste onder de ouden hebben gemeent: Maer, om dat dit Dier- [p. 63] ken haer voorbeeld van de Psylly, seker volck, het overtolligh vergiftigh bloet, alleen door ’t suygen, sonder schade, en de kleynste swarigheyt, dat het maer weynigh jeuckt, aen sich treckt. Men heeft wel gevonden, dat de Psyllen, die de eerste Slangh de werelt hebben ingevoert, sich door een onverstandige ondanckbaerheyt, hebben durven prijsen. De Tentyriten, die de Crocodijlen alleen van eenigh deel der werelt konden bevrijden, zijn geroemt gevonden. Daer is ’er noch niemant geweest, die de Vloo sijn behoorlick lof heeft in ’t openbaer gebracht: niemant heeft dit Dier noch gepresen, wien evenwel veel duysende van menschen, danck moeten weten, voor ’t geen, ’t nutste is, aen haer geschiet te zijn. Dit ons getuygenis wert door de Natuur selfs bevestight, dat in die tijds gelegentheyt dan meest veel Vloon voortkomen: wanneer het bloet als verstolt en verstelt is; of door den tragen Winter, of door de veranderinge der tijd in de Lenten, en dat het bloet dan dient gelaten te worden, van de waerde Geneesmeesters selfs. Indien dat ons eenighsins gelooft wert, de Philosophen en Wijsgeerige, den Mensche het verstandighste Dier noemende, om dat hy alleen de handen gebruyckt: wie sou durven loochenen, dat de Vloo het allerwijste Dier is, en begaeft met sonderlicke gaven der Natuur, die soo aerdigh en geschickt weet de handen te gebruycken De achterste voeten, vallen wat langer, bequaem zijnde om daer mede dies te bequamer op den sprongh te tyen; want hy haer [p. 64] met alle kracht des Lichaems, tot aen de knie-schijve gebracht hebbende, dan met de uyterste vingeren uytgeworstelt, lieve mensche, hoe licht, hoe hoogh verheft hy sich in de lucht? Niemant en is ’er, die sich in ’t rennen soo oeffent; en schoon hy in die Konst vry gevordert, en die het ’tseftighste-mael een sprongh van de Vloo sou even naerd’ren kunnen. Soo dat niet t’onrechte Plinius hem de gaeuheyt der guychelaers toegeschreven heeft. En ’t is in der daet eene saeck van onse bysondere speculatie: en die tegens billigheyt Aristophanes soude uytlacchen, welcke nochtans Socrates by Chaerephontem seer naenkeurigh en spitsvinnigh nagevorscht heeft; namelick, dat de Vloo nae sijne mate springht. Onder de mensche, die seven of acht voeten in de langhte springen kan, die wort seer gepresen. De Vloo, soo mager, soo kleyn dierken het oock is, sal licht, en sonder dat wy ons daer over plegen te verwonderen, ses hondert voeten verspringen. De ongetwijfelde kennisse van dese saeck, heeft dien wijsen ouden Philosooph, dien Apollo selfs ’t getuygenisse gaf van de wijste te wesen, door Wasch verkregen. Want hy smolt het Wasch voor ’t vuyr, en stack ’er des Vloos been in: Den welcken uyttreckende, en sijn wassche schoe aen hem blijvende hangen, nam hy daer mede ’t geheele end van sijn voorhooft af, want hy van gesprongen was, tot aen de lippe van Chaerephontis, daer hy aen bleef sitten. En door dese soo hooge vond, heeft hy ’er verwonderens-waerdige sake uytgevischt; dewelcke, indien sy hem [p. 65] wat meer tot eersucht gedreven had, had hy konnen op Euclidis wijse, van de brandladder (soo noemt Socrates sijne kist, in dewelck hy sijne hooge speculatien hadde) naeckt springen, en roepen, overal loopende, ick heb ’t gevonden, ick heb ’t gevonden. Maer de gekorve beestkens, alsoo men haer noemt, hebben haer vleugelen in de scheyde; andere, deselve bloot, en ontdeckt; sommige weder met een harde huys, andere krakelinghs-wijse; soo is de Vloo met een seer sacht en tenger vel overdeckt, soo dat, indien het waer is dat de oude Philosophen hebben geleert, dat de dieren de scherpte hares vernufts, van de bovenste huyt ontleenen; niemant twijffelen sal, of de Vloo, die soo een dun velleken heeft, vele andere dieren, door sijn scherpsinnigheyt overtreffen moet. En dit, meen ick, heeft de Natuur niet te vergeefs ingestelt, hebbende ses voeten den Vloo toen gegeven welck getal de volmaeckste van allen is: want het heeft sijn portie, en wort op sijn maken besloten: ’t welck ghy niet licht elders vinden sult. Maer dit kan ick, sonder verwondernis, niet voorby gaen, dat het altijt sich bereyt vint, en sijn plicht en eedt te doen. Slaet men hem na om te vangen, hoe wacker, hoe yverigh is hy dan? hoe verwerpt hy alle traegheyt? hoe lichtvaerdigh begeeft hy sich op de loop? kan hy somwijlen niet al te seker en vast vluchten, als wien alle uytgangen en uytvluchten benomen en gesloten zijn; soo begeeft hy sich aenstonds tot de konst, welcke dien seer treffelicken Overste der Lacedaemonien, Lysander, plagh te [p. 66] raden. Want wil ’et niet met de Leeuwen huyt goet doen, soo treckt hy vosse-vel aen. De Vloo, siende hem gevangen, en schuylt sich niet uyt, noch tijt ter vlucht; maer als een Egel, kromt sich in een, veynst of hy al dood was, en dus ontkomt hy dickwils de vingers die haer grijpen willen. Echter dat niemand en geloove, dat een Vloo soo groot, en soo schoon ter werelt komt, als hy daer nae wert onder ’t groeyen. Sijn oorsprongh is gantsch wonderlick, en schier gelijck die van een mensche, als Herodotus en Diodotus ons hiervan getuygen zijn. Want de groote vochtigheyt of humeuren, gemenght onder ’t stof, dan door de warmte onder malkander komende, gelijck als een toegevrose Nijl, de Sonne daer by komende, wort ’er een seer dunne en ongestalt wormken voortgebracht, den welcken nu ’t snavelken, dan de handen, wederom de voeten aenwassen. Kort daer op soo kruypt het voort, (want in de Vloo heeft sijne kindsheyt) ja soo springht het van vreughden op. ’T welck hy met soodanigh een toelatinge doet, dat niets soo heymelick, en verborgen, en uyt de wegh is, tot het welck hy niet, verlof, of niet, toe en kome. Welcke sake hem oock seer doet benijden onder de menschen. Want komen deselfs in de Kamers van Koninginnen, en de borsten van Joffers naderende, soo pluckt hy de eerstelingen der uytgelesenste schoonheden. Want hy is een aerdige beminnaer van schoone beelden: en merckt hy ergens purpere roode wangen, of witte becxkens, en goude borsten, daer pleeght hy met sonderlinge [p. 67] geylheyt om te springen; daer omvat hy de teere en weke ledekens; daer kust en druckt hy de vele langh-begeerde borsten. Wat wonder isset dan, dat hy in ’t gemeen soo benijd wort? soo Koningen hem, met sorge en anghst, doen uyt den wegh wijcken, door hare Dienaers. Dan te vergeefs: en niet sonder haer groote schade, wanneer hy sich oock in ’t openbaer, wederom wreeckt. Want op haer springende, en haer bijtende, soo treckt hy haer af van hare grootste dingen, en moedight haer tegens hem aen: en alsse soo tegens hem opgehitst zijn, om yets quaets weder te doen, met eenen sprong is hy haer dan ontvlucht. Voeght ’er by: dat, indien groote Koningen haer onsterflick pogen te maken, datse ons sommige kruyden haer naem hebben gegeven; hoe veel heerlicker en voortreflicker maer de Vloon zijn, die sy den naem aen ’t kruyd Opoley genaemt, gegeven heeft: soo vermaert, datse, oock in de winter, niet sonder verwonderinge, bloeyt en groeyt onder die kruyden, daer men Croonen en Cransen uyt vlecht: en noch aen een kruyd, dat de Griecken Psylla heeten, tot duysentderley gebruyck opwassende, tot der menschen voordeel. Danck moeten oock alle verstandige jongelingen den Vloo weten, dat hy buyten verlof, en dapper de jonge Maeghden bespringht, tot sijn genoegen al, sich met haer soetste vleesch vervullende, dan weghspringht; haer leerende tegens de Jonghmans ootmoediger te zijn, die haer sin en herte op haer geset hebben. Dies zijn Acheloum en Periclymenum te berispen, om haer onverstant, [p. 68] die alle wonderlickheden in de natuure nabootsende, echter noyt een Vloo gemaeckt hebben. Nademael sy Hercules niet bitterer konden vergrimmen, als in sulck een voorbeeld; en mede hem niet lichter ontsnappen. Hoe verstoort soude hy geworden hebben, hadde hy sijne vyanden, om sijner liefste boels borsten, haer vermaeck sien scheppen? Maer dese, weynigh voorsichtigh, verschept haer dan in Stieren, dan in vliegen. Sy kregen dan oock haer loon, wanneer den een sijn hoornen verloor, den anderen lichtelick verdruckt wierde. Daerenboven soo is de Vloo niet alleen aensienlick door sijn sprongh, als wesende in ’t getal van de springende dieren; maer hy is mede geen trage, of swacke Krijghsman; en pleeght dapper, als ’t gelegen komt, den strijd aen te gaen, en den vyandt heftigh te drucken. t Welck wy van andere al hebben geleert, door ’t volgende exempel. Want een Vloo sekeren quade geselle min of meer gebeten hebbende, en hem swaerlick met sijn sneuvel-wapen gequetst, soo begon hy den weerder van ’t quaed, Hercules, om hulp aen te roepen: Maer Hercules op dit roepen niet achtende, en des loosen schalckheyt versoeyende, en quam ’er niet. Maer de Vloo van kant zijnde, of sijn toorne ten minsten gestilt, so tierde die boef machtigh op den Hercules, die hem in sulck een nood niet bygestaen en had; en het dochte hem, dat hy in swaerder perijckel, mede niet zou te hulpe komen. En daer op is der Griecken spreeckwoort, gemeen geworden, Godt aenroepen, als een Vloo bijt. Verkeert hy som- [p. 69] wijlen by vreemden, soo gelaet hy zich veel stemmiger, en civiler: want hy, eer sy, sal wel vreesen: en siet hy dan gasten, die hem met een scheel oogh aensien, soo verlaet hy terstondt de Herbergh, en begeeft sich daer, waer hy kan geruster zijn. Wert hy buyten reden verongelijckt, of eens seer loos en boosaerdigh vervolght, (want die haet meest) dan staet hy schrap, en wijckt niet licht: en kastijt soo wat de luyden. In welcken strijt hy echter somwijlen de nederlaegh heeft. En dit is mede niet genoeghsaem te verwonderen, als zijnde het lot aller vroomen bynae; ziet het maer in Cicero en Aristidus, welcke quaetdoenders vervolgende, of omgebracht, of onderdruckt zijn geworden. ’t Komt ’er by, dat soo de wijse Moeder-natuur de Vloo heeft gewaerschouwt genoegh te zijn, terstond begeeft hy sich op een sprongh, en verlaet sijn pleck. Doch elcke waerschouwinge en is niet uyt alle trecken te halen: want alledien, weten hare tijden en passen van natuur. Door den klanck vergaderen de Bijkens, door ’t stof scheydense. De Stijmphalides wierden van Hercules met een kloppe verdreven. Pythagoras maer een woordt gesproocken hebbende, hiel den Os van Soy dadelick op te eeten. Om diergelijcke reden de Natuur-kundigers, hebbende de eerste-mael den Koeckoeck hooren roepen, al het stof, dat ’er dan onder haer rechte voet leyt, rapense op, tot dit ooghmerck: want sat zijnde van de Vloon gebeten, soo strooyense dit over haer: en dese gasten gehoorsamende, dat haer voeder en regele is ge- [p. 70] geven, verwachtende noch dreygingh noch twisten, gaen aenstonds van daer, en verlaten die herbergh. Wijders, soo is een Vloo, nochte een vraet, nochte een suyper: maer te vrede zijnde met de minste spijse; leeft oock vele dagen sonder yet te nuttigen. Siet het maer aen sijn vinnigheyt, de welcke (soo wy Erasistratus gelooven) de Scythen nabootsen: om datse alsoo in versterckingh dies te smaller en onverhindert souden zijn, en door den honger niet geperst en worden, en verlet om van hooge aendringende saken terugh gehouden te worden. Dit moet mede onder de teyckenen van tucht en heuscheyt getelt worden, dat etende, hy noyt om sich heen bijt, maer stil is, ja stiller als Pythagoras Leerlingen. Onder sijn evennaesten en sijns gelijcken, en is ’er geen nijd, geen twist, maer een eeuwigh en staegh verbond. In dit regard soo prijs ick een Vloo ver boven een Vliege of Mugge. Want, die dese haer onderwonden hebben te looven, hebben ’t meest gedaen, ten opsicht van den grooten Homero, die hun hierin voorgegaen is, om haer onbeschaemtheyt en snedigheyts halven. Maer die groote en wonderbaerlicke Natuurkundiger, Aristoteles, van de oorsprongh der gekorve beestkens willende handelen, soo heeft hy den Vloo, als alle andere te bovengaende, voorgetrocken. Dat is mede een bekent teycken van heusheyt en fraijigheyt, dat de Kefers, en diergelijcke andere dieren, seer schuwende, als haer verderft de salven en soeten reuck, de Vloo niet alleen een behagen daer in schept, maer selfs haer besicht tot sijn [prent] [p. 71] eygen gebruyck. En op dat ghy niet dencken en soud, dat de Vloo staert, een verneeme is van de Boelschap, en aenmercklickheden; men siet ’er onder haer een lange omhelsinge, en omvattinge. En sy vermengen haer met malkaer met sodanige lusten en treecken; en is so vrypostigh, dat sy meest liever sterven willen, als dese over soete wellustigheden nae te laten. ’T is geseght.
Continue
TitelpaginaWonderen

T’Samen-Spraeck,

Van de Kunst te Swemmen.

door

NICOLAUS WYNMANNUS.

De t’samen-sprekers zijn
PAMPIRUS en EROTES.

PAMPIRUS. Sie hier, mijn aldersoetste vriend Erotes, ghy ontmoet my nu tegenwoordigh bysonderlick wel, en te rechter tijd: en nu dat ’er nauw weynige maenden verloopen zijn, dat ick u niet gesien en heb, evenwel dunckt my dat ’er schier een eeuwe voorby is, so gantsch verdrietigh en eensaem ben ick, of ick verlaten was, gelijck de Tortelduyve die sijn gade derft, soo ick u, mijn bysonderen en liefsten vriend, Erotes. Wat lieftallicke woorden! Pamp. niet t’elckens voor mijne oogen heb. Sie hier, geef [p. 72] my de lieve hand. Erot. Ick bekenne wel, dit is geen kleyn, een duyfkens teecken van oprechte vriendtschap, en van vaste t’samen-verknochte gemoederen, die niet licht te scheyden zijn: echter, vermits het met de saken en de stand der menschen alsoo gelegen is, datse niet altoos by elckander wesen kunnen, soo hoorde men dese groote affectie en genegentheyt des herten wat te matigen: insonderheydt, om dat ghy alsdan eerst als eenen waren en oprechten vriend getoetst en bekent wert, wanneer ghy uwen vriend, die selfs afwesend, en in verre van u afgelegen plaetsen is, niettemin in u gemoedt lieft, en in waerde blijft houdende. Laet dan die koele en viese menschen malkanderen soo lange lieven, en onderlinge vriendschap t’ samen plegen, als sy tegenwoordigh by elckander zijn, echter niet behertigende hoe krachtigh en vast dat de oprechte gemoederen van ware vriende aen malkander vast gelijmt zijn, en beklijven. Daerom gebeurt het soo dickmaels, dat sulck een loose vriendschap, by de minste occasie en gelegentheyt, verdwijnt, ja t’eenemael versterft.
    Pamp. Mijn lieve Erotes, dus leyt de saecke als ghy seght: Maer echter, en beeld u niet averechts van my in. Doch ondertusschen, waer komt ghy also hijgende voor den dagh kruypen? Erot. Ick ben moede van de reyse: en komende nu uyt het Wormse gebied, soo en scheelt het niet weynigh, of ick ben schier verstickt door ’t stoffigh weer, als of ick met slag-regens overgoten waer: dus soo gae ick heen na de rivier, [p. 73] om mijn lichaem wat te suyveren van ’t stof; Ghy zoud’ schier uwen Erotes verloren hebben, mijn lieve Pampyrus. Pamp. Ey, wat ghy seght dit en hoop ick ja niet. Erot. ’T zijn nu vier dagen geleden, dat ick zijnde, omtrent den middagh, midden in ’t vrye Veld, een schielicken wind opquam, waer door ’t sand en ’t stof diemael quam op te waeyen, dat ick voorseker soude als verstickt, en heel vergaen zijn, indien de Heere Christus, dien ick van herten aenriep, my niet bysonderlick hadde gereddet, belastende die Zuyde-wind sich tot stilte te begeven; gelijck wy lesen dat hy in ’t Evangelie de wilde baren der woeste Zee, met een woort gestilt heeft. Pamp. Ghy verhaelt my verschrickelicke dingen. Erot. Dit zoud ghy noch met meerder reden seggen, had ghy slechts van verre een aenschouwer geweest van mijn ramp. Maer my aengaende, en twijffel ick nu niet meer aen ’t gene Strabo van Cambyses geschreven heeft, in Morenlandt, by de stadt Prennom, van de sandachtige bergen, uyt oorsfaeck der vervaerlicke draeyingen, t’eenemael overstelpt te zijn. Pamp. Weet ghy oock wel ’t geen Herodotus schrijft van de Psyllis, eertijdts een monstrueux volck in Aphrica, haer gebeurt te zijn? Erot. Neen: maer ick soud ’et graeg hooren willen. Pamp. Wanneer op een sekere tijt alle hare putten en water-sonteynen door geduurige winden uytgedrooght waren, soo leyddense de heele saeck op den Zuyden wind. En daerom bewogen om sich te wreecken over dese zo groote schade, en gewelt hun aengedaen, soo seydense [p. 74] den openbaren oorlogh desen wind aen; echter lange tegens hem met wapens uytgetrocken zijnde, hem op ’t felst te bestrijden, (maer ach lacy! wat vermocht ghy doch tegens den wind? te vergeefs bevecht ghy de lucht) sy, in tegendeel, wierden soo hevigh van desen haren vyandt wederom aengeranst datse van geheele opgehoopte sandbergen overstelpt en t’eenemael bedeckt, en alsoo gedempt wierden. Erot. Een jammerlicken slach! Maer waent ghy waer te zijn, ’t gune dien Schrijver seght? Pamp. Waerom en soud’ ick ’t niet gelooven met de Oudtheydt? Erot. Echter doch soo wierden de goede Ouden meestendeel door sulcke ydele en beuselachtige droomen verleyd. Pamp. Het sy hier van wat het zy, mijn lieve Erotes, dit woud’ ick maer daer mede te kennen geven, dat ghy misschien oock eensjes desen storm en windbrakenden Godt vertoornt hebt; en daerom wilden hy u, vergramt, by dese gelegentheyt daer hy u vond, van kant helpen. Erot. Ghy spot, nae my dunckt, in een saeck, die ick heel ernst meen. Indien ick Pampirus t’quaedste wilden, soo wenscht ick hem wel in diergelijck een ongeval te raken. Pamp. Maer doch seght, waer is u dit ongeluck gebeurt? Erot. Tusschen Worms en Spier. Pamp. Daer? soo geeft ’et my geen wonder, dat u sulcx wedervaren is; want ’t Land aldaer soo sandigh is, dat men sweeren soude, dat die Jupiter Cyrenaicus aldaer sijn woonplaetse heeft beginnen te nemen, en dat die door zuydenwint toegeëygend, een gewijde rotze aldaer is overgebracht. Doch, mijn [p. 75] Vriend hier van wel. ’t Zy ons genoegh, dat ghy noch met de huyd ons zijt t’huys gekomen, hoe qualijck oock van den zuyddrijvende ontmoet en getracteert. Nu voortaen sult ghy u wat sorghvuldiger t’Landwaerts dragen; maer niettemin soo sult ghy u oock wel voorsien, dat een diergelijck ongeluck u in ’t water niet en treffe en overkome. Want ick bespeur dat ghy uyttermaten tot het water genegen zijt, hoewel ghy die kunst niet en kunt, die ons het selfde voordeel daer brenght, ’t welck de Vechtkunst den Vechters in den Kampbaen brenght, of wanneer men met ernst den vyand onder d’oogen sien moet, den degen in de vuyst: ick verstae dan ghy de kunst van Swemmen niet en kunt. Erot. Hoe? meent ghy dat Swemmen een kunst is? Pamp. Waerom niet? En daer toe in de mensch, die t’ swemmen niet natuurlijcken is; maer hy moet het door bysondere regulen leeren, en deselve in ’t werck stellen, om door d’oeffeningh sich daerin dies te bequamer te maken. Erot. Maer, wat voordeel brenght ons dese kunst doch aen? Pamp. Dat ghy, eens in ’t water rakende, dies te lichter en te behendiger wederom uytraeckt. Erot. Maer men seght, dat selfs de alderbeste swemmers somwijlen vergaen. Pamp. Maer men seght oock in ’t gemeen veel leugens. En hoewel ick ’t selvige oock dickwils selfs gehoort heb, doch van luye, en nietwaerdige menschen. En genomen al was het soo, soo sou de kunst in sich niets van hare waerde moeten verliesen; maer de onbedachtsame wrevelmoedigheyt is te berispen, die niet [p. 76] alleen in desen onsen geval, maer in alle andere voorvallen de gelegentheden, seer schadelick en gevaerlick is. En dus is ’et, dat wy meest de kunsten en wetenschappen leerende om te gebruycken, en ons in de rnood daerna te dienen, wy niet met deselve stadelick en opgeblasen braveren moeten; alsoo en leert ghy mede niet het swemmen, dat ghy soud willen u kunst toonen, buyten nood, in alle poelen en wateren, dat ghy oock soud alle diepten besoecken willen, gelijck als van een mensch een visch gevonden zijnde, als opgeblasen en overloopende van water; gelijck men seght van de Egyptische Schildpadden, in de roodeZee: maer alleen dan mooght ghy vrylick dese kunst in ’t werck stellen, als ghy in nood en gevaer zijt, en tot haer, als tot eenen ancker des tijts toelopen. Wie op sulck een oogemerck dese kunst leert, die is, mijns oordeels, heel wel beraden en hy magh alsoo vry steunen op de voorbeelden der Ouden, die haer geoeffent hebben, en op soo veler menschen exempelen, die dese kunst, naest den Hemel, danck moeten weten, dat sy uyt blijckelijcke doots-gevaer verlost zijn geworden. Erot. Ghy sult my schier overreden, dat ick ugeloofde; en wenschte maer leerlingh en discipel in dese kunst te worden. Pamp. Ghy soudet wijslijck hier in doen: vaert slechts voort: en siet daer, ick ben gereedt, om uwen leermeester te zijn, die in dese kunst kundigh, en wel geoeffent ben. En daerom soo het waer is ’t geene Valerius Maximus schrijft, dat yder een best de reden kan geven van die kunst, die [p. 77] hy verstaet; en ick my laet voorstaen, dat ick niemant hoeve te wijcken in dese, waer van wy tegenwoordigh handelen, wat soude u schorten, dat ghy my met opmerckinge van de selve hoort spreken. En dit sult ghy dies te grager doen, als ghy sult gehoort hebben, hoe dickwils dese kunst my en andere meer deughd en voordeel gedaen hebben. Erot. Uwe woorden zijn goed, en ghy belooft veel, en lijckt schier een laetdunckenden Thraso in de Comoedia: Ten minsten moeste ghy in Zeeland zijn, daer waters genoegh is; doch niettemin buyten vloet. Ick neeme met beleefde heuschen dienst aen, en sal altijts Pampyrus mijnes leermeesters gedachtigh wesen. Voorts soo houde ick der moeyte waerd te zijn, dat ghy alsoo van dese saecke handelden, my nu in ’t bysonder sullende onderwijsen, dat onse t’ samenspraeck mede andere menschen medegedeelt worden, om haer daer van te dienen, soo sal ’t gebeuren, dat sy mijne naeukeurige vragen, en uwe goede heylsame onderrechtingh, teffens stadigh danck sullen weten. Pamp. Soo waer ick leve, ghy hebt een heel goeden inval hier: want ick en geloove niet iets ongerijmts, of ongeschickts te sullen doen, handelende van dese kunst, die ick heel wel kan en verstae. Want heeft niet onlanghs onsen geleerden Obsopoeus, een boeck laten uytgaen, alwaer hy handelt van de kunst te drincken, wel wetende, dat door den misbruyck van ’t selven, als door wulpsheyt, onbedachtsaemheyt, ja onwetenheyt omdat wel te gebruycken, meer sterven, en seer ongeluckigh swemmen, ick segge [p. 78] dat er meer door ’t veel en vuyle inswelgen versticken, dan in ’t water verdrincken. Erot. Misschien leert hy alsoo drincken, dat hy ontleert sich droncken te drincken. Gelijck Ovidius van de kunste der Minnen alsoo geschreven heeft, dat hy terstont de remedie en ’t middel byvoeght, om die sonden in de jonge Jeught van die Pest-leyder af te keeren, dan aen te locken. Pamp. Ghy segt wel. Erot. Daerom en twijffel ick oock niet, dat metter tijd ymand sal opstaen, (want doch de menschen zijn heden ten dage soo bijtigh en nijdigh op elckander, datse malkanders luyster en naem soecken te verdonkeren door hare verstanden te toomen) die van de kunst te eten lessen voorschrijven sal. Pamp. Ten ware voorwaer geen wonder, want daer hanght een groote kunst aen en des menschen welvaert, te weten, wel te eten, dat is, soberlijck met mate, en na behooren, soo veel de natuur, en de complexie van yder een toelaet. Inderdaet, soo dese dingen alle wel en in conscientie gebruyckt en gedaen wierden, de Medicijns souden soo veel wercks niet hebben, en, voeght ’er noch by, soo veel gelts oock niet verdienen. Erot. Dese Professie raeckt meest de Medicijns. Pamp. ’T is alsoo: maer ’t geen van ’t eten voorgeschreven wert, wordt even soo weynigh gevolght als het geene van het drincken geleert wort. En sy schrijven ’t meestendeel hare sieckte voor. Hier soude oock de gesonden kunnen geraden werden, eer dat de maegh en ’t heele lichaem gevaer loopt. Erot. Hoe? soo ’t goet met eenen waer, die de kunst om te vlie- [p. 79] gen leerden? Pamp. Laet die kunst voor de vogels, wy gaen op ter aerden, wy hebben niet met de lucht te doen. Erot. Maer in de vogelen en is het gene kunst; gelijck mede het swemmen in de visschen, gene is: want die hebben haer van natuur. Pamp. Maer daer is een kunst in de Koordedansers, welckers onkunde met lichtveerdigheyt vermenght, den ongeluckigen Icarus tot een swaren val eens gebracht heeft. Erot. Hoe gelooft ghy dat hy daernae geswommen heeft als hy in de Icarische zee raeckte? Pamp. Even gelijck als hy mede gevlogen hadde. Erot. Ick verwachte al met verlangen dat ghy ons wat onderwijst en redeneert van de kunst te swemmen. Ey lieve, seght my eens, Pampyrus, wie heeft die eerst uyt gevonden? Geen wonder waer het, dat hy mede door sijn eygen vond omgekomen waer, als eertijds Thrasius en Phalaris. Pamp. Dat en is niet bekent. Doch is ’et waerschijnelijck, dat het een stout, onvertsaeght, en sorgvuldigh man is geweest. Erot. Van wie heeft hy ’t eerst geleert? Pamp. Wie heeft de andere vrye Konsten, en ambachten eerst geleert, was ’et niet de natuurlicke scherpsinnigheyt, en de loosheyt des menschelicken verstants en die overal doordringende nieuwsgierigheyt der sterffelijcken, in ’t ondersoecken en ’t onderkennen, de aert en kennisse der dingen, door hulpe van Minerva. Erot. Uwe reden zijn soo vreemt niet. Pamp. Maer daerenboven, soo houd ick daer voor, dat het is een ledighganger geweest, die niet veel te doen hadde, die in een riviere, die niet al te hoogh, of [p. 80] diep van water was, als een visch spelende door verscheyde gebaer van ’t lichaem, met handen en voeten soo bootslicken sich aenstelden, tot hy soodanige postuur, bewegingh, en vermaeck, (dewelck, als een instrument, en wercktuygh, de nakomelingen daer toe gebruyckt hebben tot het swemmen,) allenxkens ’t water daer toe helpende, begon om hoogh te komen. Erot. Misschien wilt ghy seggen, als de jonge Oyevaers, dewelcke noch niet al te wel gevleugelt, en vresende te vliegen, soo helpense haer selfs met hare vleugels op, quansuis willende sien of sy wel souden konnen vliegen. Pamp. Soo is ’t kort daer op desen soute waterwager, siende dat het hem geluckte op soodanige wijse, soo en heeft hy niet gerust, tot soo langh hy dese kunst volmaecktelijck dagh voor dagh geleert hadde. En dus sijne beginsels geleyt hebbende, de al-oudtheyt naderhandt bemerckende, soo veelerleye voordeelen die uyt dese kunst sprooten, en dat men vele menschen, die anders vergaen souden, daer door konde te hulpe komen, insonderheyt, in den Somer, selfs nae ’t voorgeven van Vegetius, soo heeft die selve goet gevonden hare jonge kinders in dese kunst langhs hoe meer te oeffenen, om dat ’er niet overal bruggens over de rivieren heen geleyt zijn, die men overgaen kan: en by gevolge, dat veeltijds heele heyrlegers, d’een voor, d’ander na, over moeten swemmen. ’T selve gebeurde mede in stercklopende wateren, en die snellijck overvloeyen. Daerom soo hebben de Romeynen eertijds het veld van Mars, [p. 81] nae aen den Tyber gelegen, tot dien eynde uytgekeurt, op dat aldaer en de Ruyters, en de Paerden, in die rivier, sich tot het swemmen moesten bequaem maken; en de jonckheyt, nae datse sich in de wapens hadde geoeffent, moeste daerna het stof van ’t lijf afwassen, en sich suyveren, door het swemmen (gelijck ghy flus seydde dat ghy gekomen waert om u het stof van ’t lijf te suyveren, dat u den Zuydenwind soo hatelick hadde aen doen kleven) en oock om de leden wat van loopen en rennen te vermaken, en te verstercken. Erot. Ick geloove het. Pamp. Maer soo ghy oock lust hebt om de kunst van alsoo te swemmen van my wel te leeren; soo onthoud wel al ’t gunt ’er al geseyt is, om het selve, soo vele doenlijk is, in ’t werck te stellen. En siet hier een klaer oogh-bewijs. Erot. Ey lieve, soo gaet my voor. Pamp. Soo sult ghy my voortaen als voorgebeeld u selven voor hebben. Erot. Konde ick, soo wilde ick u wel als een aep naebootsen, of als Guychelaer alles na doen. De kunst volght op de kunst. Hoe valtge soo sachtjes, dat ghy ’t water naulicx en beroert. Pamp. En hier in leydt de kunst Erotes, siet ghy alles? Erot. Ia seer wel. Pamp. Maer siet op alles soo naeuw, dat ghy ’t onthoud, en naedoen kunt. Erot. Ick sal mijn best doen; en ick twijffel niet of alles sal wel gelucken, met uwen bystand. Pamp. Hier uyt ontstaet een ander rede, wanneer ghy wilt soo stil en onbeweeglick op ’t water schijnen te dryven, dat de menschen niet gelooven dat ghy leeft, die u hebben sien dryven. Erot. Hoe geschiedt dat? Pamp. Ghy [p. 82] sult het sien. Leght u op ’t water langh uytgestreckt, met hooft en voeten. Erot. Ick versta ’t. Pamp. En houd de voeten hard endicht by een. Erot. Wel. Pamp. En leght dan alsoo of ghy doot in de kiste laeght. Erot. Soo als een block, seght ghy. Pamp. Maer hoor, met beyde u ellebogen dichte aen beyde de zyde vast houdende, beweeght uwe handen met der gaeuwigheyt, en doet of ghy se soo snel uytschoot, gelijck als een seker vogel, uyt den aert der havicken, in de lucht op een plaetse staet: of als een visch met sijne vinnen van beyde zijden sich beweeght: maer de handen moet ghyniet als tevoren, tegenkeeren; doch om t’eenemael geene beweginge te verwecken, soo roert haer soo, gelijck men een mes op den steen scherpt, en puntigh maeckt, als of ghy stille water woudet subtijl deursnijden. Echter, op dat u water gemackelijcker drage, den arm, soo langh ghy kund, inhoudende; soo maeckt dat u ’t lijf als opswelt, en aessemt flucx door de neuse heen, soo dat ghy aenstonds wederom dick wert. Erot. Ick hoor al aen. Vaert voort. Pamp. Sie toe, dat ghy het hooft niet op en beurt, even of ghy op de rugge swemden, en een oorkussen haddet, onder uwen neck. Want beurdet ghy ’t hooft op, soo soud ghy u selfs verraen, en waert oorsaeck, dat u achterdeel om laegh quam, de leden alsoo van malkander getrocken werdende. Genoegh is het, wanneer ’t aengesicht uytsteeckt. Voorts hebbende eens begonnen van achteren te sincken, so doet dit; soo soet en stilletjes als ghy immer [p. 83] kund, soo swemt wat met de voeten, en begeeft u alsoo wederom in uwen eersten en vorigen stand. En siet daer een levendigh exempel by, op dat niets sy, waer in ghy een Meester hebt te berispen. Erot. Hoeveel is ’er aen gelegen, lieve Pampyrus, dat men selfs in der daet betoon het geene men leert; hoe geluckelick valt het u toe! hoe geleerdelicken hebt ghy alles overwogen; ghy soud een steen leeren weeck worden, een blinden siende maken, een dooyen hoorende, een stomme sprekende, een ongevoelicken, voelende. Pamp. Ghy gaet al te hoogh: voorts soo is dese kunst, als ick geseyt hebbe, uytgevonden, om de menschen te bespotten. ’T welck ick selfs, soo elders, als mede tot Weenen in Oostenrijck, dickwils gedaen hebbe. Erot. Verhaelt het, nae uwe gewoonte. Pamp. Een groote rivier, ontspringende uyt de Donaw, besproeyt de wallen selfs van Ingelstad. Hier soud ghy dickwils een groote menighte van swemmers sien. Erot. Ick hoor ’t al aen. Pamp. De Donaw, die rondtom de stadt heen loopt, maeckt daer seker Eylandt, boven die stadt, hier heb ick my dickwils in ’t water gesmeten. Eens beurdde het dat ick my soo op mijn rugge leydde, als ick daer even geswommen had, en soo in ’t watervallende, ’t aensicht alleen uytstekend’, soo sagen my die wyven, en geen beweginge aen my bemerckende, langh in twijffel staende, of sy eenigh leven aen my sien konden en geen vindende, riepen sy met jammeringh uyt, dat er een dood Lichaem op ’t water dreef: Ick konde [p. 84] naeuw mijn lacchen houden, verried my selfs als een muys, dat ick haer nu, gelijck meermaels, soo dapper hadde bedrogen. Eens als ick mede soo den spot dreef, naderden Visschers, meenende my, als eenen dooden, met hare netten op te vangen: maer de schelmery bemerckende, weken sy te rugge, niet sonder gunstigh lacchen: Ick was bly datse my niet vervolghden, in haren toorne, en my dapper met hare roey-stocken en sloegen, die haer dus bespot hadde. Erot. Ghy haddet niet qualick verdient, listigen bespotter. Pamp. Dunckt het u soo? Voorts, Erotes, soo is ’er noch eender de manier om in ’t water te spelfen: maer ick sie niet waer toe het seer dienstigh kan zijn: sy noement ’t Waterbetreden: daer toe mocht het bequaem wesen, om ’t geen ghy leggende niet wel doen kund, ’t selve weynigh tijds staende bequamelijcker te verrichten. Van dese kunst soo weet dit kortelicken, mijnen Erotes. Erot. Ontbreken de webbens aen spinnekoppen, ssoo ontbreeckt Pampyro de kunst uyt kunst-vloijende. Pamp. Stelt u recht op in de rivier, doe met de handen wat ghy geleert wort te doen als ghy stil en uytgestreckt swemt: en houd u asem in. En betreed dan met d’een, dan met d’anderen voet ’t water alsoo, onder u, gelijck, op dat ick ’t u op sijn boersch leere, de boeren de druyven in de persse betreden, in den wijnoogst. En hoort, als ghy uwe armen druckt, soo houd haer dichte by elckaer; en brenght ghyse wederom tot u, soo houdse van elckanderen, op dat, soo veel ghy te voren gevordert hebt, u door treden om hoogh [p. 85] opgevende, ghy soo veel nu te ruggewaerts en komt, de voeten ongeschickt opheffende, en ghy u elfs nederwaerts druckt. En hier wenschte ick wel gebuygsame Eenden en Gansen voeten te hebben, dat wy haer, in tijde van nood, gebruyckten. Erot. Ghy redeneert niet qualick. Pamp. Men vint ’er sulcke weetallen, die haer wondergroot uytgeven in dese kunst, al kunnense naeuw vier oogenblicken langh in sulcke postuur uytharden. Erot. Ick heb ’er vele gehoort haer daer van beroemende, hoewel ick niet en wiste, wat dit eygentlick voor een kunst was. Pamp. Sulcke neuswijse grootsprekers, soud’ ick minnelick raden, sich niet al te ver van den oever te begeven, op datse tot dien haren toevlucht meugen nemen, als haer de kunst verweken is. Erot. Ghy spreeckt in ’t gemeen, van alle die eenighsins met swemmen omgaen. Pamp. Dit doe ick. Erot. Men seght dat sich dese kunst dan best leert, als ghy alreede, in gevaer zijnde, hebt water moeten drincken. Pamp. ’T is niet min waer, als dit in tegendeel, sien wy dickwils, dat die in sulck een gevaer hun bevinden, hoe volmaeckt sy in de kunst geoeffent zijn, evenwel de selve vergeten, door de verbaestheyt, en alsoo vergaen. Erot. Soo beurd het dan, dat oock de beste swemmers verdrincken. Pamp. ô ja: En dit siet men niet alleen hierin, maer in vele andere dingen, dat een al te groote vrese, of verslagentheyt, u de kennisse beneemt van een kunst, of van yets dat ghy anders heel wel wiste, soo dat ghy de selve tot geen gebruyck en kund brengen. [p. 86] Wat geschiet niet dickwils oock de beste redenaers; die verbaest worden door de groote en aensienlicke menighte der omstanders en toehoorders, datse als verstomt blijven. Erot. Sulck een exempel heb ick met mijne ooge gesien. Pamp. Wat beurt niet den besten Rechters, die, of vergramt, of verstoort, en bevreest, vergeten alle de ordonnantien en wetten van haer kunst, en slagen toe, en gedragen haer soo omtrent haer mede-Rechters, als of sy boeren waren, die der Kunst t’eenemael onkundigh zijn. Erot. Ghy seght wel. Pamp. Maer de swemmers en ontmoeten niet simpelick eenerley periculen. Midden in ’t water zijn soo koude plaetsen, die, als men haer soo dickwils naeby komen, de lendenen scheuren, en ’t lichaem ontstellen, door een ongewoone koude; en als ’er noch den kramp bykomt, soo vergaen somwijlen de swemmers sonder genae, en is haast met haer gedaen. Want de leden, alvoren verswackt, werden so gedruckt en benaut, dat sy haer niet meer helpen kunnen door haer gewoonlick stieren. Erot. Doch men vint ’er die goeden raet daer tegen weten te gebruycken. Pamp. Misschien, mijn lieve man, maer die kunnen niet even altijds by de geene zijn, die in sulcken gevaer is. Erot. Wat soud ’er worden, indien sulck een quaed een hand, of een voet bevinge, mijn lieve Pampyrus, soud ghy niettemin en tijdelick soo kunnen uytscharren? Pamp. Waer? in den grond met den grondelings? want dat soud ick oock anderzins wel doen. Erot. En, ghy belacht my ick meen, onverseert, bo- [p. 87] ven ’t water. Pamp. Ia doch, ick soud’ het wel kunnen doen, soo destigh is dese kunst. En evenwel, als ick lange tijds maer soo half swemmen moest, ten langen lesten soud ’et sijn prijckel loopen. Ghy weet hoe weynigh een wagen vermagh, als e riets aen een rat schort; wat een vogel, met een vleugel: wat een mensch, met een voet, of hand. Erot. Ick bekent. Pamp. U wil ick altijds wel aenbevolen en gerecommandeert hebben, lieve leerlingh, dat als ghy dese kunst te deegh gevat hebbet, en wilt in ’t werck stellen, ghy u noyt in de rivieren of andere wateren en begeeft, als dat ghy u voorstelt, dat ghy altoos soud moeten swemmen. Schickt u, in wat voor noot, selfs het aller-uytterste te lijden, of t’ontmoeten, soo sal ’t zijn, dat alles wat sich by geval u sal toedragen, u minst schade sal kunnen, als u langh daertoe bereyt hebbende. Erot. Ghy spreeckt heel wel: wie dit altoos konde doen! Pamp. Wat is dit te seggen moet ghy aen uwes Leermeefters lesse twijffelen? Doch ick vare voort. Als ghy een rivier doorgaet, soo weest so gestelt, en bereyt, dat ghy u altoos inbeeld een kuyl, of diepe grond voor u te sien, of iet anders daer ghy onversiens in vallen kund, soo voorsichtigh voortgaende, en als bevende, soo sult ghy sekerder door-raken. Erot. Ick vat het, en beloove u alles wel te onthouden. Pamp. Soo moet ghy oock al swemmende doen. En bent ghy dan al moe van te swemmen, soeckende ergens te rusten, soo laet allencxkens, wat gebuckt en neersijgende, uwe voeten nederwaerts [p. 88] gaen, als of ghy de rede niet eens soud willen aenraken: want vele raken hier in groot gevaer, om haer vrese halven, niet vindende watse sochten; en schielick verbaest zijnde, wantrouwen zy, vergeten der kunst, door een ingebeelde leelicke dood; en soo door onordentlick worstelen, raken sy onder. Erot. Ghy seght over de maten wel. Soo waer ick leef, ick sal op alle uwe lessen, en uwe waerschouwingen, altoos wel letten. Pamp. Ghy moet voor al wel toesien dat ghy altijds even onvertsaeght by u selven zijt: want dit is hier ’t voornaemste om u voor gevaer te beschermen. Evenwel soo begeeft u niet lichtveerdigh op alle wateren, als ick wel eertijts dede, en nu selfs daer voor schrick, als ick ’t verhael. Dit is ’t geval temteeren, en versoecken, dat andersins wanckelbaer en rond is van sich selfs, en de kunst misbruycken: in en door een ydele roem hem somwijl een groot quaet op den hals halen. Erot. Het is wijslick gesproken. Pamp. Wat rivier, wat vloet heb ick niet besocht? Indien ick ’t u al soude verhalen, van dese mijne onbedachtsame vermetelheyt, de tijt sou my ontbreken; En ick soude een ondanckbaer mensche zijn, indien ick Godt de Heere niet hertelick en dancke voor die genade dat ick noch leve; hem die de winden en baren stillen kan, en doet ophouden, met een woort, ja met een wenck: en die hem willig gehoorsamen. Erot. ’t Is een Goddelijcke sake, de weldaden erkennen, en sijn eygen lichtveerdigheyt en boosheyt niet t’ontkennen, maer [p. 89] versoeyen, en haer in tijds laten varen. Ghy die ’t soo dickwils beproeft hebt, kond andere wederom waerschouwen, en raden ten besten. Pamp. Ghy hebt de sake wel getroffen, Erotes: want in sulck geval ben ick niet altoos even geluckig geweest: oock de beste swemmers gaen somwijlen niet vry van ongeluck. Hier op sal ick u een droevigh exempel verhalen, hoewel schoon langh geleden, niet sonder droefheydt, om ’t verlies van een mijner beste vrienden. Erot. Begint. Pamp. Wy waren op seker tijdt uytgegaen, ontrent onser 30. of meer, alle tot Weenen studerende, nae dat voorengemelde lustigh Eylandt, dat de Donaw maeckt. De tijdt en plaetse noodighden ons toen om ons te vermaken met de Sonteyn-vermaeckelickheden, soo se de geleerden noemen. En ick wenschte wel dat wy toe liever by een Sonteyn ons vermaeck gesocht hadden, als by de snelle en vochtige rivier, soo en soude onse vrolickheydt misschien met geen treuren ge-eyndt hebben. Erot. Ick hoor waer ghy heenen wilt. Pamp. Behalven ander soet vermaeck, dat wy ons aendeden, soo gingh ’er een deel in de naeste rivier sich wat verkoelen, na ’t exempel der Romeynsche jonckheydt. Ick hebbende eenmael of meer de Donaw overgeswommen, een der vrienden, als ick seyde, van groote af-komst, en met ongemeene geleertheyt begaeft, sich goets moets latende in ’t water vallen, riep ons, die wy aen den oever ver op yets anders dochten, toe, en met eysselijck geschreeuw. Wat stondt ons te doen? Wy sagen om, en ick [p. 90] erkende dadelick ’t gelaet van hem die ondergingh, hoewel hy wel en destigh swemmen kond, maer hadt alle de kunst, door verslagentheydt, vergeten. Erot. Ellendigh schartspel! Pamp. Hy spouden water uyt, dan met het hooft uytstekende, dan weder om laegh, en dat seer lange eer hy verdronck. Erot. Wasser onder u allen niet een die hem konde helpen? Pamp. De Schepen waren al te ver, en daer was niemant die sich met my dorste midden in ’t geweldigh groot water begeven, en ick en dorfde het niet alleen, met soo een gevaer, wagen; dat ick soo swack zijnde, om sulcken stercken dicklijvigen mensch te helpen. Erot. Ghy hebt wijslick gedaen, en ick soude het u niet geraden hebben. Maer wat d’oorsaeck van sijn onderganck? Pamp. De doodt. Erot. Wat is dat geseydt? Pamp. Dat hy vergingh. Erot. Spot ghy in soo een ernstige saecke en in ’t droevige verlies van sulck een lieven vrient? Pamp. Vergeeft het my buyten jock, ick houd ’et daer voor, dat het de kramp veroorsaeckt heeft. Erot. ’T is waerschijnelick. Maer soude men wel yemandt, midden in ’t water, sonder schuyt, helpen konnen? Pamp. Ja: ick selfs hebber eens vijf, die anders souden vergaen zijn, met swemmen, en snder groot gevaer voor my verlost. Erot. Een wack’ren verlosser. Pamp. Doch als ’er geen schuyt by de hand is, op dat het met min gevaers toegae, neem ick geern een stock of bart mede. Erot. Watte doen daermede? Pamp. Om ’t aen den geen te langen, en toe te reycken, die vergaen wil. Erot. Wat [p. 91] doet hy verder? Pamp. Hy houdt het vast, en met de ander handt helpt sich soo veel hy kan. En dan, hoe stercker hy ’t houdt en ghy hem omhoogh trecken kunt, en den ellendigen soo wat verlicht, tot dat hy wederom tot sichselfs gekomen is, als hy slechts weer bekomt, soo moet men oock wel toesien, dat ghy ’t wate rrecht betreedt, gelijck geseydt is. Erot. Ick geloof het wel. Pamp. Voor al moet ghy wel toesien, dat hy ’t hout niet laet vallen, en u selfs vatte. Want soodanigh gestelde menschen houden stijf vast, wat sy eens houden, en laten niet uyt haer handen. Erot. Soo heb ick verstaen. Pamp. En vermidts sy tot de doodt soo nae, echter deselve soecken t’ontgaen, soo vergaen, en sy, en die jammerlick, die hun uyt vriendtschap, de handen hulpe boden want soo kleven sy u aen, soo houden sy u vast, dat ghy niet swemmen en kond. Voort is goet, dat ghy sulcke menschen met vriend- en troostelicke woorden ontmoet, hem hope van t’ontkomen gevende, de worstelende aenmoedigen, dat hy sich lustigh weert, en hervatte sijn kunst van swemmen, die hy door vrese nagelaten hadt, dat hy sijner handen en voeten gedencke, en die te werckte stelle. En vordert ghy op sulcke wijse niet, beter is ’t dan hout en mensch verlaten, als mede selfs vergaen. En dat moet ghy alles doen, om sulck een mensch te helpen: En op dat het dies te beter gae, soo moet ghy hem vermanen, u te volgen, met swemmen, tot dat ghy aen den oever of haven sult gekomen zijn. Erot. Dan hoortmen wel maer met eene [p. 92] hand te konnen swemmen. Pamp. Soo ist. Erot. Maer soo die, welcken ghy wil thelpen, t’eenemael niet swemmen en kan, hoe kan hy dan geredt worden? Pamp. Niet licht, ’t en sy ghy een groot hout met u nemen kunt, als een block, of planck, en soodanige vergaen eynden, als ghy tot haer komen kunt. Erot. Dan zijn dese vijf u schuldig, naest Godt, te dancken, datse levend wederom bequamen. Pamp. Ja sy doen ’t oock, die vroome en oprechte herdoopte. Erot. Maer U aengaende, hebt ghy noyt in gevaer geweest, dat ghy de kunst van swemmen selfs, voor u persoon, dancken moet, dat ghy door die verlost zijt? Pamp. Meer als eens, mijn vriend. Erot. Misschien raeckte ghy in gevaer door uw’eygen schult en lichtveerdigheydt. Pamp. Niet altijts: maer of by geval, of door onwetenheydt en onvoorsichtigheydt der schippers; om u te toonen hoe somwijlen dese kunst wel te passe komt, als mense wel kan: maer het soud langh om te verhalen wesen, hoe dickwils dat ick my selfs geholpen en gereddet hebbe. Erot. Waer swemt ghy lichter, in een staend’ of in een loopend’ water? Pamp. Hoe snelder de vloet, met hoe minder moeyte ghy swemt. Want ick wil liever swemmen in de Aar, een groote en wel bekende rivier in Switserlandt, of in de Thracische vloet den Heller, als in de Lyonsche Aran, of in de Gentsche Zee, aen welckers oever die heerlijcke Rijpeische wijnen wassen. Want de vloet des waters dat snelle loopt, draeght sonder groote moeyte, en tegen worstelingh den swemmende [p. 93] licht heen alsoo dat ghy veel langeren verder swemt in een snel water, als wel in laffe en trage; waer ghy meer moeyte moet doen, wilt ghy vorderens gelijck de Vogels by harde en goede winden sneller vlieghen, als wanneer het stil is, en niet en waeyt. Erot. Maer of ghy in een kuyl, of gat raeckte, wat dan te doen, mijn Meester Pampyrus? Pamp. Hier sult ghy mede niet onbereydt zijn. Dan stel ick meest mijn kunst te werck met opgerechte halse laet ick my niet eerst wegh dryven: maer, de armen opheffende, stuyt en breeck ick ’t woeden der ongestuyme baren des waters, met om my heen te slaen. Erot. Ey lieve, doet ghy soo? Pamp. Ia: doen de vuysten en handtslagen niet genoegh, so werp ick mijne voeten nae de rugge, als paerden die garen staen: en lijde oock niet dat ick van achteren getrocken worde in de kaken des woedende waters. Erot. In alles weet ghy raet, en zijt uytgeleert, nae ick sie. Pamp. Dit maeckt de goede swemmers voeten want daer zijn vele toevallen, die hun ontmoeten kunnen, waerdoor sy leeren dese kunst hoe langhs hoe vol-maeckter te maken; want selfs in de baren, die nu om hooge komen, nu om lage gaen, moet men sich niet behelpen alleenigh met het enckelt swemmen, maer dan hoort kunst daer toe, om haer te breken; dies moet men dan wijcken; nu tegenstreven, doch matelick, om niet moede te worden tegen soo een hevige vyandt te worstelen. Hierom sal ick u mede onderrechten, wanneer wy by een woedend fel en draey-water ko- [p. 94] men sullen. En indien wy nu boven Basel by de Rhijnwalische Poorte waren, of aen den Donaw, by die plaetse, die men daerom Stindel noemt, soo soud ick gelegentheyt hebben om u hiervan dadelijcken t’onderrichten: want dese Schafthuyser-sluysen gaen ver alle kunst van swemmen te boven, door haer ongehoort geruisch en vallen. Erot. Ick heb vele van die plaetse gehoort, en dickwils gewenst ’t selve selts te sien. Pamp. Den Rhijn loopt met gantsche kracht van boven de hooghste steenrotsen af, als vechtende tegens de quaedtheyt der plaetse, en loopende alsoo met een groot geruysch, dat ghy in de naeste plaets uwe woorden niet hooren en kund, en daer van komt het, dat door dit gedurigh geruys, die daer om heen woonen, endelick doof worden. Erot. Daer moeten dan wel groote kryters en roepers zijn. Pamp. Dan komt het Echo, en brenght die groote schal tot over de hooge rotse heenen, met dat geruysch van die fel woedende wateren, dat dan als een hau in Dodonas Tempel voortklinckt. Ghy sult meenen dat er meel afvalt, en geen water, so geeft die vloet een schuym van sich. Erot. Hoe varen de schepen die daer komen, kunnense haer wel ontlasten, of met touwen vast gemaeckt worden, als elders? Pamp. Neense doch: of men moetse breken, of zijn aen die plaetse, met groote moeyte van te helpen. Lieve mensche, wat geld soude men daer wel om geven, konde men dese ongelegentheyt afkoopen, en alsoo ontlast worden! en maken, dat de Rhijn oock hier konde be- [p. 95] varen worden. Nu moet men de koopmanschappen en waren, over land, met groote kosten en moeyten, op wagens vervoeren laten. Erot. Hier diende wel een Hercules, die de steenenen rotsen om verwierp, en de plaetse effen maekte. Maer ick geloove, dat dit droevige onweer ter Zee, dewelcke de boose winden, als ongetemde en uyt de school gelaten leerlingen, verweckt hadde, oock alle kunst van swemmen verwerpt en veracht: wanneer dat de arme menschen hangen in de bovenste baren, en ’t waterom laegh sich als open doet, en ontsluyt de eerde tusschen de baren selfs. Pamp. Hoe het daer mede zy en weet ick niet: En niettemin kan het beuren, dat sommige treflijcke swemmers, insonderheyt alsse een planck of bard hebben, noch wel ontkomen zijn, of noch souden ontkomen kunnen. Naedien Virgilius seght, dat dese wetenschap dien vromen en goede Palimurus (op wien de Vorst Ameas al sijn vertrouwen geset hadde) seer wel te bate gekomen is. Dry nachten (spreeckt hy van sich selver by den Poëet) heeft my de geweldige stormenden Noordewind door de ongestuyme Zee, gins en weer gevoert, naulicx sach ick op den vierden dagh, van ver Italien: ick swom allencxkens na Land toe: en ick was al in sekerheyt hadde my dat woest en Barbarisch volck met haer staelen degens niet aengeranst, die alreede moede en beswaert was met mijne natte kleederen, nu tot een roof mede genomen. Erot. Is ’t mogelick, dat Palimurus soo lang heeft kunnen swem- [p. 96] men, in sulck een onstuym weer? Pamp. Ja, al soo Virgilius schrijft, dat dan wel geloovelick is, als ghy voor-al overweeght, hoe veel geduurige dagen en nachten lang Ulysses heeft geswommen, nae Homeri getuygenisse: wanneer hy Calypso verlatende, wederom nae sijn Vaderland keerde. Erot. Ja: maer Ino had hem een heylsaem bort mede gegeven, daer mede sich te helpen in tijd van nood. Pamp. Ick stae u dit toe: maer dencke even-wel, dat het geen kleyne saeck is, soo langh en geduurigh in die rasende baren, of ’t woedende water, geschickelijck sich te kunnen houden; ’t welck vele niet doen souden kunnen, die nochtans al wel meenen te swemmen. Erot. In gevalle eenige schepen teffens vergingen, en vele sich door ’t swemmen moesten redden, sy souden malkanderen hinderlijck zijn, als soeckende door alle middel raet tot sijn heyl: wat soud ghy doen? hoe soud ghy u aenstellen? Pamp. Naest de aenroepinge van Godt mijnen verlosser, siende dat ick nootsakelick door het swemmen mijn heyl moeste soecken, in sulcke gevalle soud ick bytijds alles van my werpen, wat my eenighsins in ’t swemmen aenkleven, en alsoo hinderlick soude vallen kunnen: onder schijn, als of ick den schippers soude willen te hulpe komen: gelijck als Ulysses gedaen heeft, sich werpende van boven ’t gebroken schip af in de Zee, en liet na hem een seer kostelijck en onwaerdeerlick kleet, die hem sijn langh-beminde Calypso, tot een eeuwigh-duurende gedachten van haer, gegeven hadde: En indien hy den prijs [p. 97] en de kostelijckheyt van dit kleet voor sijn heyl en berginge gestelt hadde, soud hy niet vergaen zyn onder die swaertte? Om u te leeren, dat wy hooren ons leven boven alle dingen te achten, en te waerdeeren. Erot. Ghy seght wel. Pamp. Dan soud’ ick my van de anderen begeven soo verde ick kond, om my van ’t schip af te werpen. Erot. Maer indien de anderen hare lancien en geweeren op u gespitst hadden, u verbiedende ’t selve te doen, als zijnde een trouloos stuck? Pamp. In sulck een geval is ’t geen trouloosheyt, sijn leven te bergen. Maer ick gae voort. Dan soude ick alleen zijnde, dies te vryer nae de haven toe swemmen kunnen: want by soo een ongeluck, staet geen kleyn gevaer te wachten van de nabuurigste, die elck om seerst, haer soecken te bergen. Erot. Ick gelooft. Pamp. Dan soud’ ick omsien nae een bord, of hout, dat wat groot was, van ’t gebroken of gesoncken schip, om daer mede my soo veel goets te doen, als Ulysses sich met het sijne deed, als wy flus seyden, en soud’ my met sulck een hulp-middel voorsien, als ick wat verde soud’ moeten swemmen. En hier moet ghy my oock involgen, Erotes, dat ghy de kunst van swemmen, door wat middel het zy, te hulpe komt. Erot. Seght my, Pampyro, indien ghy eerst waert verhindert, of verlet geweest, soud ghy wel in ’t water selfs uwe klederen kunnen uyttrecken? Pamp. Ia: mijn hembdrock, hembd, schoenen, en mijn overrock; als mede de broeck, die ghy seer licht met een mes soud kunnen open snijden, indien [p. 98] sy u souden hinderlick zijn, en ghy wat langh soud moeten swemmen: en dit kund ghy alles dan doen, als ghy ’t water betreden wilt, en boven eynde staen; Doch mijn geld-beursje soud ick verschoonen, hoe swaer die mochte zijn; en soud alle mijn krachten toonen om het selve te dragen: Jae toonen dat ick groote krachten hadde. Erot. Ick geloove wel, dat ’er weynigh zijn geweest, van die vergaen zijn, welcke al te seer daer mede zijn beladen geweest. Pamp. ’t Selve ongeval soude my bynae overgekomen hebben, meer als eens; onder anderen eens onder die seer heerlicke en prachtigste brugge van heel Duytslant, tot Regensborgh. Erot. Hoe so? Pamp. Wy voeren in een schuyt, een hope mans, vrouwen, oud en jongh, als dat gemeenlick beurt de schipper was droncken, en wy voeren hier verdoolt, ondertusschen dat sy met onnut en onaerdigh klappen doende hadden geweest: en hier aenkomende, wistense geen levens raet, want het water hier ontrent het sterckste was. Wy raeckten met ons schip tegens een pylaer des brughs aen. Erot. Maer hoe vergingh ’t met u? Pamp. Tamelijck wel met de menschen; alleen datter twee dood raeckten, maer wy kregense noch weder: had ghy doe gesien en gehoort ’t gekerm en geschrey der wijven en luyden, die buyten alle hoop van te ontkomen waren. Erot. En ghy? Pamp. Ick verliet my op mijn handen, en op mijne kunst, terstond gereet aen ’t achterste deel van ’t schip, dat, indien het nood doen soud, ick my met een sprongh in het [p. 99] water kon werpen. Ick soud een kind uyt sijner moeder schoot met my getrocken hebben, om met my te bergen, als de andere vergingen. Erot. Vromelick gedacht. Pamp. Soo iets beurden ons voor ontrent vier jaren, by de naeste brugge onder Donaweerd, wanneer juyst onse Schipper den tol was gaen betalen, een wreden man, ja den helschen Charon selfs niet ongelijck: toe quam ’er schielijck een groot onweder: Sneeuw met hagel vermenght, en soo gedreven door quade tegenwind, dat den hemel verduysterden, en wy niets sien kosten: De Schippersknechts waren bekommert, om dat ’er den Schipper niet en was; en dat onweer verbaesden haer soo, dat sy met haer stilswijgen te kennen gaven, dat ons geen kleen ongeval voorstond van de brugge: Maer als wy soo veel tegenhielden als wy konden, het schip echter niet en vorderden, so merckten wy dat dese Schippermaets onder malkanderen besloten hadden, sich eerst in ’t water te werpen, als ’t schip tegen de brugge soud komen aen te stooten, en alsoo te scheuren, of dat de brugge selfs over ons heen soude vallen. Erot. Gaet voort. Pamp. Het soude sekerlick gebeurt hebben, had ons Godt niet genadig aengesien: want het was een last-schip, langh en groot, daer men yser mede nae Ulm gevoert hadde: alle, geloof ick vast, souden vergaen zijn, soo veel ’er in ’t schip geweest hadden. Erot. Maer eyndelijck hoe? Pamp. Ghy sult hooren: niets en vreesd’ ick meer, als dat het schip op ’t sand sou komen te stranden. En als wy langh soo [p. 100] twijfelachtigh gestaen hadden, soo komt door Godes beschick, een ander lastschip, door paerden getrocken: wy schreeuden haer toe, en nae langh bidden en tieren, en besweringen, (gelijck dat de dagelickse gebeden zijn van soodanige luyden) soo hielpen sy ons soo ver, nae veel moeyten en arbeyts, dat ons schip, ten deel ontlast, aen den oever getrocken wierd, en het begon nu diep in de nacht te gaen: Toen moesten wy te voet gaen, over een berghsken, tot aen de herbergh. Erot. Ick wachte vast waer alles henen wil. Pamp. Daer waren sommige kinders met hare moeders: uyt dese gebeden van de bekommerde moeder, droegh ick een met de wiege. Erot. Misschien droegh de vader sijn kind. Pamp. Ghy spot daer mede; ghy hadder niet gelachen, had ghy ’er in sulck een angst geseten. Hoort hoe ’t vergingh In de Herbergh komende, (dat ghy verstaet hoe ons dien dagh ’t geluck tegen was) soo komt den waerd uyt, en weygerde ons aen te nemen, meenende dat wy Wederdoopers waren. Wy vragen de rede. ’T is niet seer langh geleden dat ick sulcke gasten herberghden, het welck den Schout hoorende, dreyghden hy my swaerlick te straffen, indien ick ’t noch eens dede. Echter de goede man die kon niet overreed worden, dan, nae veel haspelens, door de Schippers, dat wy sulcke gasten niet en waren; endelick, de saeck ondervonden hebbende, om vergiffenis biddende, nam hy de arme verdreve gasten aen. Erot. Maer, Pampyrus, die, welck voor dese plachten te willen gaen te schepe rey- [p. 101] sen, hadden voor een gewoonte aen Neptunum, den Godt der Zee, haer gebeden te doen, en te bidden om goede winden; en indien het hun anders vergingh, soo dachte-men datse haer gebeden niet wel hadden tot desen Godt uytgestort; en daerom dat hy op haer verstoort zijnde, aen Aeolum geboden had, sijne quade winden uyt te laten, om dese vermetele vaerders te straffen. Soo hebt ghy misschien u oock voor dese eyge Godt niet te degen bevolen, dien temmer en bedwinger van water en winden, insonderheyt door dit seer gewoonlick Liedt, datse plegen op de Donaw te singen, als den omvangh elckes daeghs met een bly gemoet beginnet. Pamp. Ja niet alleen hebben wy ons Godt nae behooren aenbevolen, maer wy riepen oock S. Christoffel aen, met een gesangh dat hem alleen toege-eygent is: want desen heyligen, als een stercken betreder der wateren, als een dappere reuse, voor geen baren en wijckt door de krachten en langhte van sijn lichaem den vergaenden dapper te hulpe komt, of verloftse uyt de diepste kuylen der wateren, hoort voor alle aengebeden te zijn. Erot. Men hoorde met een voor ’t autaer een swart beest op te offeren. Pamp. Dese dingen wierden van de heydenen, met overgeloof, gedaen: die plachten den opper-Goden te offeren, datse yets goets gaven den minderen, dat is, den huys- goden datse ’t vuur, en ’t huys bewaerden; Den onderaerdsche goden, dat is, den duyvelen, offerden sy mede, dat sy niet en beschadighden. De [p. 102] Christenen, Erota, moeten alleen den waren levenden Godt aenbidden, en aen-roepen, beyde, om het goede te gebruycken, en om het quaet van haer af te weeren: Den welcke soo voor ons is, wie sou tegen ons yets vermeugen? Hy heeft de winden in sijne handen, den hemel, de aerde, zee en hel, ja selfs den duyvel, in sijn gewelt; dat wy niets te vresen hebben, laten wy ons maer hem ten vriende houden. Erot. Soo vele vermochte mijne rede, dat ick u nu hoor een treffelick Theologant speelen; en ghy spreeckt alles vromelick en oprechtelick. Indien het gebeurt had, dat ghy dien schipbreuck geleden haddet, meent ghy dat dese moeders, met hare kinders, soo mannelick xich hadden door swemmen, kunnen bergen, als wy lesen van dat dappere vrou-mensch, met het soontjen dien sy had aen haer rechterhand, door geswommen te zijn, met een manlick en wackeren moedt. Pamp. Neen, ick geloove het niet: want niet alleen de vrouwen, selfs de mans lieten den moedt vallen. Erot. Had ghy u dan alleen soo dapper gequeten, om uyt te raken? Pamp. Dit vertrouwen had ick. Daer siet ghy wat vertrouwen op dese kunst te stellen sy, voor-al, als ghy u Godt bevolen hebt. Ghy weet wat den Apostel Paulum weder-voer, als hy gevangen uyt het Joodsche Landt naer Romen gebracht wierd, om voor den Keyser te verschijnen. Erot. Ick heb het gelesen. Pamp. De saeck was soo ver gekomen, dat alle die swemmen konden, bevolen wierden te swemmen, om het schip te verlichten, datse [p. 103] doch niet alle en vergingen. Erot. Had dien allerheylighsten Apostel in gevaer van te vergaen geraeckt, wie sou hem te hulpe gekomen hebben? Pamp. Vraeght ghy wie? Namelick die, die hem te voren met Silas uyt de gevanckenisse verlost hadde. Erot. Ey lieve, seght my oock wie maeckte Petrus so stout en onvertsaeght tot het swemmen, (misschien kon hy die kunst, als zijnde een Visscher) dat hy, hoewel met sijne klederen aen ’t lijf, om de tegenwoordigheyt van sijnen lieven Heer en Verlosser, uyt het boot, midden in de Zee dorste springen? Pamp. Wilt ghy’t weten? Erot. Ia, seer graegh. Pamp. De rotse des geloofs; (want oock Petra waer van Petrus komt, Cheran, een steen, rotse beduyt) de kracht des vertrouwens op Christum. Erot. Waerom soud’ hy dan op een ander tijt, schier vergaen zijn in de baren? Pamp. Door sijn mistrouwen. Erot. Hoe dat? Pamp. Ons tot een exempel: dat wy leeren, dat wy ons niet al te veel toe en meten, nochte onse krachten al te veel vertrouwen. Erot. Hoe wonderbaerlicker wijse, betrad de Heere Iesus de wateren selfs, als of sy soo even een plat land geweest waren. Pamp. Waerom sou de Heere des Hemels, der Zee, en der aerden; dien waerachtigen Neptunum, dit niet hebben kunnen doen? Erot. Hoe aengenaem daer-en-tegen soud’ het geweest hebben te sien, (ghy siet hoe ick ’t versoecke) hoe dien godloosen vervolger en nijder Pharao, als de roode Zee weder toegingh, met sijn machtigh Leger, verdronck, en door de water en ys- [p. 104] lick vergingh. Pamp. Dit was een gerechtige straffe en wrake Godts, die vertoornt was over hem, hem leerende in den diepsten grond te swemmen: Hoewel dat indien yemand van soo vele duysenden ’t gebreck hadde t’ontkomen, seker soo soude die noch beter gehadt hebben, die de troupen houden, altijdts, uytten strijdt staende, Taratartars opgeblasen hadde. Erot. Doch nu schiet my van Phrixus, en sijn soete Helle, die, als sy de middelantse zee overswemden, op een ongeluckige Ram overgedragen, Helle door Maeghdelijcke vrese bevangen, vieler af, en verdronck. Pamp. Dese heeft alsoo geswommen, datse daer blijvende, haer naem aen de zee heeft mede-gedeelt, datse noch heden ten dage genoemt wert Hellespont, of de zee van Helles. Erot. Ellendigh lot deser Maeght! Dat ick niet en late te vragen al ’t geene my voorkomt, om dat ick doch Erotes, dat is een vrager, heeten ben; soo soud ick wel van u, als Meester in de swem-kunst, hooren en verstaen willen, op wat hulp-middel van ’t swemmen steunende, wat ghy gedaen soud hebben om u leven te bergen, in dat nu langh voorlede Jaer, wanneer, door een stemmige verklaring, van schier alle de Starre-kijckers, niet sonder een seer groote schrick des geheelen werelts, voorseyt wierde, dat de Sundvloet op de aerde soude komen, de Planeten en dwaelsterren, (geensins dwalende) aen ’t heele geslacht der sterffelicken een algemeen verderf gedreyght hadden. Pamp. Een fraey verstant toont ghy, die so ver komt! de ber- [p. 105] gen, waerlick, schenen hier swanger, maer daer quam alleen een kleyn meysken voor den dagh. Ick was toe te Weenen in Oostenrijck, wanneer die laetsten dagh naderden, de geheele stadt met groote vrese bevangen zijnde. Erot. Ick geloof ’t. Pamp. Ghy weet dat daer vele dronkaerts zijn. Erot. la: seght liever, spongien, als ’er een ongeval ontstaet, of onweer, (over de wijnen) soo zijn sy meer besorght en bedeest, om die, als om haer eygen lijf. Pamp. Haer grootste sorge was om haer Wijnkelders, aen deuren en vensters met steenen en kalck toe te metselen. Erot. Op dat de wijnen alleen behouden bleven, het kome van haer wat ’er wil. Pamp. Effen. Sommige die hadden voor sich op hare lieve tonnen en vaten te leggen, als een Hen op de eyeren zit, om te gelijck met de wijnen, om hals te raken, of om beschermt te wesen. Maer hoort wat gebeurde. Dien dagh aengekomen zijnde, dat er het quade voorseyt was, heb ick geen schooner en heldre dagh mijn leven gesien: geen eenigh druppel was ’er uyt de lucht gevallen; de Donaw die liep al sacht en soet, en gehield sich tusschen sijne palen: daerom soo was de gemeene man van beducht en bevreest, gram en toornigh geworden, de vensters openende, met sulcke gramschap ingenomen tegens de genen, die de beurlicke dingen qualick voorseyt hadden, dat ’er sommige, selfs van de geleerdste te Weenen, sich een tijdlangh moesten in hare huysen onthouden, en niet tot voorschijn komen. Nu kom ick tot het geene ghy om gevraeght hebt. Ick dachte al [p. 106] om een Arcke Noach. Erot. Waer soud ghy levensmiddelen van daen gekregen hebben? Want het duncken van u, is om niet. Pamp. Ick soude van de Lucht geleeft hebben, of hadde vrucht dragende boomkens, met aerde fraey ondergedaen, midden in ’t schip geplant, van welckers vrucht ick dan geleeft hadde. Erot. Een belacchelick voornemen! en kond ghy hiertoe geen vertrouwen setten op uwe kunst van swemmen? Pamp. Waerom niet? hoe de faeck oock afgelopen soude hebben: want ick beelde my in dat dese watervloed niet eeuwigh soude duuren, gelijck mede dat van Noë niet en was, of dat van Deucalion en Pyrrha. Erot. Ghy soud ten langen lesten oock hebben blijven hangen, of ’t water wat verlopen, en uytgedrooght zijnde, of op debergen van Armenien, of op den bergh Parnassus: Maer ghy souder maer in hebben genomen eenen Pyrrha, met Epimetheus dochter, om alsoo ’t menschelick geslacht, door de derde watervloet vergaen, te herstellen, en wederom in wesen te brengen. Pamp. En bekommert u daer over niet; ick hadde my hierin alreede wel voorsien, de werelt heel anders soeckende te hervormen, als met steenen achter de rugge te gooyen. Erot. Soo wel, geyle? Evenwel, ick heb dickwils gedacht, wat reden de Poëten hebben gehadt, om die watervloet ten tijde van Deucalia en Pyrrha te verçieren. Pamp. Ick sal u hier van mijn gevoelen seggen, en wat my waerschijnlick dunckt te wesen. Sibylla wordt geseyt de heylige Schriftuur naerstigh gelesen te hebben, [p. 107] maer ontbloot van den rechten geest Apolloni, de Schrifturen niet wel vattende, soo is dat sy dickwils des algemeenen watervloed, ter tijden van dien rechtvaerdighen Noë gedenckt. Erot. ’t Is waerschijnlick. Pamp. Daerna quamen de Poëten, en, als vele andere dingen, hebben sy mede van dese Sundvloet veele verdichtsels geschreven, uyt der Sibylli boeck. Erot. Ick stae u uwe heele reden toe; en ’t en ware geen wonder dat Godt oock nu noch quam, ons straffende met diergelijcke straffen, om onser sonden, en quaed leven willen: want onse seden in ’t minst niet gebetert en zijn. Pamp. Seer wel en waer geseyt. Erot. Om tot onsen propoost weder te komen dit soud ick wel willen weten; in ’t swemmen, is ’er kracht en gewelt des lichaems, en starckte. der leden van nooden? Pamp. Twijffelt ghy ’er noch aen? ja doch, soo wel als in ’t loopen: even wel soo ’er de sterckte en macht ontbreeckt, soo wordtse vergoet door een snelle behendigheyt en geestigheydt des lichaems. Erot. Soud een dwergh wel swemmen kunnen? Pamp. Hy kan wel, ja; maer niet bequamelick om de kortheyt van handen en voeten. Erot. Seght my eens, dien grooten Christoffel, die geseght wert 12. voeten langh geweest te zijn; of dien Arabia Gabbara, levende ten tijden van Plinius, hebbende negen voeten hoogte, met den dwergh Sisyphus in een gevecht soude getreden hebben, (die Marcus Antonius liefhad, en niet meer als twee voeten hoogh was) in ’t swemmen, wie sou den prijs behaelt hebben? Pamp. Ick sal ’t u seggen: den [p. 108] dwergh, had hy Prior geweest; de reus, had hy Abd geweest. Erot. Ick spreecke niet van Munnicken, maer van menschen, die boven natuur groot, of kleen zyn. Pamp. Ick hoor ’et: maer kunnen die oock niet Munnicke geseght worden, als niet gemerckt aen zynde? Erot. Ghy speelt met het woordt. Ick vraegh wat anders. Hoe kunnen de Phanesii swemmen, in ’t Scythische Eylandt woonende, met soo groote ooren, dat sy ’t heele lichaem bedecken? Pamp. Ick rade, datse best over heen sullen kunnen swemmen, door de groote lichte breette harer ooren. Met een soo vrage hoe dat Sciopus swemme. Erot. Van der Heydenen watergoden heb ick my veel maels verwondert, hoe sy soo licht van d’een plaetse in d’ander komen konden, schoon sy soo langh in ’t water woonden. Pamp. De Goden kunnen licht alles doen, soo ’t waer is dat Homerus van haer schrijft: maer echter hebben sy selfs oock hulpmiddelen: Triton wort van Visschers gevoert. Thetus sal op Meer swijmen: Protheus op groote onghewoone beesten, &c. sommige rijden te paerde door ’t water. Erot. Arion had tot sijn ongeluck geswommen. Pamp. Vallende van ’t een op ’t ander, soo sie toe, dat alles fraey en geschickelick t’ samen raecke wat ghy vraeght. Erot. Ey, ghy verlet my: hadde dien Dolphijn, aengelockt door sijn soet spelen, dien speelman, als eenen ruyter, op sijnen rugge niet gevallen. Pamp. In sulck geval ontmoedt ons niet altoos soodanigh een visch, liefhebber der menschen; nochte de cythara is altijds nut; [p. 109] gelijck dan Menandro weynigh voordeels heeft gehadt van sijn Comoedi, welck, eens swemmende, jammerlijck in ’t water verdronck. Hoor wat ick u verhalen sal, dat ghy u meer noch wilt verwonderen. Als ick eens te Breslaw in Silesien was, komende uyt der Schole, uyt S. Elisabeth, soo slooper een van ons heymelick wegh, en ging stilletjes in de rivier de Oder swemmen. Erot. Wat, verdronck hy? Pamp. Dat en weet ick niet. Dit weet ick, langh gesocht zijnde, soo wierd hy eyndelick uyt het water dood gehaelt. Erot. Hoe, lust u dan noch te spotten? soo was dan die ellendige jammerlick verdroncken. Pamp. Ia sekerder als hy gewenscht hadde; doch het doode Lichaem wierd in de Schoole gebracht; en na dat het sijn Meester wel met roeden gegeesselt hadde, wiert het doode Lichaem eerst daer nae begraven. Erot. Wat ick hoor! die Tyran sijn wreedheyt te toonen selfs op een dood en ongeluckigh Lichaem? Pamp. Ghy soud geseght hebben, dat het een oude Orbilius, en slager geweest hadde, heele bessems bruyckten hy daer toe, en verbruycktese met alle strengheyt en strafheyt. Erot. Maer waerom deede hy dit? of waerom wierd het hem toegelaten? Pamp. Als men om de rede vraeghden, soo was de ant woord, dat het soo ’t gebruyck in die schole was, dat die soo vergaen was, oock de straffe sijner ongehoorsaemheyt lijden moeste, om dat hy, sonder verlof van sijn Meester, stilswijgens in de rivier dorste gaen swemmen: En op dat andere, door dit exempel aengehitst, dies te meer ge- [p. 110] hoorsaemheyts betoonden aen hare Meesters. Erot. Jammerlicke schrick, of wonderlicke en ongemene maniere van doen by dat volck! Pamp. Hoe weynigh genaeds is dien goeden jongelingh dese rivier geweest. Erot. Houd’ ghy datter eenige Goddelickheyt steeckt in de vloeden, of in de wateren? Pamp. Soo geloofden de ouden, die een bysondere God of goddinne, schier aen alle rivieren toe-eygenden. Erot. Sotte en uytzinnige menschen. Pamp. Daer uyt is gesproten, dat de Poëten verdichten, hoe dat de wateren sich t’ samen paerden, en kinders teelden. Dus seyt een Poëet, Dat de Donaw en den Rhyn eertijds sich vermenghden, uyt dewelcke de Lecke voort gekomen is. Erot. Dit is een recht Poëtisch verdichtsel. Pamp. Hoe wierd Arethusa van de vloet Alphaeus bemint, die daernae uyt een Nymph veranderde in een Sonteyn. Erot. Maer, Pampyrus, magh ick u noch wat vragen, met u verlof. Pamp. Als my ’t selvige by gelegentheyt, van u oock vergunt sal worden. Erot. Ja doch: Maer seght, wanneer Alphaeus,met groote liefde bevangen, de Nymph Arethusa om haer byslaep soo vervolghden, soo lesen wy datsy in een heldre en klare sonteyn veranderde, (nu is my hier verlof en gunst van noode;) die ghy, door liefde gedreven, vervolght, die verandert meest uyt Maeght, in vrouwen en moeders. Pamp. Dese veranderingh is vry treflicker, als uyt menschen in water: want hier blijft noch het menschelicke beeld. Erot. Ja: maer niet de reynigheyt en suyverheyt; de koolstronck blijft wel, maer niet sijn [p. 111] bloem. Pamp. Ghy seght het uyt boertery, en boertend ontvangh ick ’t. Erot. Ghy bent noch niet vry. Pamp. Wilt ghy my oock eens verheven? Erot. Wat? Pamp. Uyt sulck een stock zijt ghy ons oock ten voorschijn ghekomen. Erot. Wel, wel. Maer ick vraegh voort. Indien alle die ghy mint, in sonteynen verandert wierden, wy souden u daer heenen stuuren, daer water gebreck is. Pamp. Misschien souden de boeren eerder dat gebreck van de sonteynen verdragen, als die grooten overvloet der wateren erkennen, voort te komen uyt het gebreck harer vrouwen en dochteren. Indien door minnetoovery, de beminde dochters in sonteynen verandert wierden, hoe dickwils soud ghy ’er in badenen swemmen, als of ghy u waschte in dat sonteyntje, in ’t welck Bilbilus, Mileri dochter, of de Nymphe Ageria, verandert is. Erot. Hoe fraey meet ghy andere na uwe eyge maet. Hoewel ick liever in soodanige sonteyn soude willen swemmen, my wasschen, en daer uyt drincken, als in die rivier der Ciconien, die gedroncken, ’t ingewant versteent, en verhart. Pamp. Soo waer ick leef, soo geloof ick dat daer mijn sweer, of vrouwe vader, uyt de selve gedroncken heeft, meer als eens, en als te veel: want men niets harders, onfatsoenlickers, en ruuwer vinden kan, indien ghy sijn wesen te recht insiet. Daerom wensch ick dat hy dickwils van het Calmacis water drinckt, en dickwils daerin swemmet. Erot. Wat is daer te winnen? Pamp. Wat? dat: hier van gedroncken, hy sijne sinnen, en sijn wesen verandert, vrien- [p. 112] delicker, beleefder, en heuscher wordende. Erot. Ey, zyt ghy hierom soo beleeft? Pamp. Hy is de karigheyt, en strengheyt selfs. Erot. Maer, of hy noch arger daer door wierde. Pamp. Hy soud ’er naulicx kunnen; of ick wenschte liever dat hy t’eenemael ongevoeligh wiert, eer dat ick staegh eenen soo ongaligen onmensch aen hem sien, en hebben soude: want dan wilt ick sekerlick, dat ick met hem anders niet te doen en hadde, als in te sluyten in een kouw, of in een kercker, geboeyt met ketenen, aen handen en voeten. Erot. Ghy zijt oock eenen harden swager. Pamp. Ia, seght eenen sachten en geduldigen Mitio, soo ghy sijne meer als Demeische strenge seden tegenweeght; en mijne verdraeghsaemheyt aen merckt. Erot. Indien de saeck leyt, soo als ghy seght, en dat ghy eens soecke verlost te worden van soodanigh een cruel, soo sal ick u een goeden raet geven, dat ghy uw’ ooghmerck meught verkrijgen. Pamp. Ghy sult my, uwen vriendt, wel doen, soo ghy ’t doet. Erot. Marcus Varro schrijft, dat ’er een volck in Arcadien is, die toovenaers zijn, die Mela en Solinus, Neuros noemen. Pamp. Ick mercke naesten-by waer ghy henen wilt. Erot. Dese, hebbende ’t lot geworpen, willende door eene riviere die sacht vloeyt, en schier stille staet, in Wolven veranderen, en dan wordense wederom menschen,na negen jaren verlopen, als sy slechts, geduerende dese tijt, geen menschenvlees gegeten hebben. Pamp. Maer den heyligen Augustinus, ja Herodotus en Plinius selve, houden dat dit niet warelijck en ge- [p. 113] schiet. Erot. Ten eersten, neemt het soo op, dat de menschen kunnen in beesten veranderen, niet in der daedt, maer door middel van eenige phantastische betooveringen, door welcke haer sinnen bedroogen worden. De twee laetsten, indien sy niet gelooven dat dit geschiet, soo laet haer toesien, dat men haer mede niet en gelooft in vele dingen, diese beschrijven. En echter, gaeft ghy flus voor, dat men de outheyt behoorde te gelooven. Pamp. Nu, u te geval, ick geloof het; maer waer wilt ghy heen? Erot. Maecke dat uwen schoon-vader, van een nauw half mensch, soo ghy schijnt te willen seggen, werde geheel een beest, dat is, dat hy oock met dese volckeren, den Neuris, soodanigh een soete riviere doorswemmet, om een Wolf te worden, om die dan te vangen, en in te sluyten. Pamp. U raet is goet, mocht ick maer daer na doen. Maer hoort soo ick dan van die Wolve verscheurt wierde Die voor een mensch noch vry mach gaen, is mijns dunckens seker best. Erot. Een beest geworden, soude hy misschien in een woud sich gaen verloopen; als Koninck Lyacon. En genomen hy hadde u verslonden; soo soud ghy niet meer voor hem vresen, als hy een mensch soude worden. Pamp. Ghy seght wel een dooden, en opgegeten soud hy doch geen quaets meer doen. Doch ick danck’ u voor uwen raedt; evenwel soud ick hem geen wolf wenschen soo soud ick hem echter Circes beter toewenschen, dat hy, met Ulysses met-gesellen, een varcken worde, en alsoo in onse stal, by de varckens, mochte in- [p. 114] gesloten worden: want oock somwijlen swemt hy soo in den wijn, dat hy de varckens gelijck wert in alles, behalven de trony, die hy van een mensch over houd. Erot. Vaert wel met uwen schoon-vader, die ons soo ver van ons voorgenomen discours gebracht heeft. Pamp. Ghy was hem gunstigh met reden: doch veel geklaps, groot onrecht. Doch nu van verscheyde aert en natuure der wateren handelende, soo schiet my hier niet ten onpasse in, ’t geene sy van seecker sonteyn schrijven, wiens oock Ovidium gedenckt; Die sijn dorst gelaeft heeft uyt de sonteyn van Clitoris, sal altoos de wijnen vlieden, en sich alleen met water te drincken behelpen. Erot. Een wonderlick water Pamp. Ick heb tot Ingolstad dickwils gebeden, en hertelick gewenscht, dat de Donauw van sulcke kracht en deught zijn mochte: men sou daer veel beter koop kunnen leven, sonderlick arme Studenten; en die doch soo graegh drincken. Erot. Ghy seght wel. Maer hoor my wederom. Waerom wenscht ghy niet liever dat de Donauw heb de kracht en deughd van de vloed Lyncestius, die de bovengemelde Clitoris-sonteyn heel tegen is, als men veel daer van drinckt; want als ghy u in ’t selve water baed, en veel waters inswelghe, soo wort ghy soo droncken, als of ghy klare wijn gedroncken had. Pamp. Ghy hebt het wel voors en dit geluck, en voordeel, stel ick noch voor het ander; dan soude men om niet krijgen kunnen, ’t gene nu soo veel gelts kost. Erot. Maer wederom, wat sou het met soo veel ellendige [p. 115] wijnverkoopers worden, hoe slecht soud’ het voor haer wesen? Pamp. Vele souden om den stop dencken; souden aen de Donaw veel quaets wenschen, en haer beklagen over sijne ondanckbaerheyt; als zijnde ’t meestendeel om dees oorsaeck, van haer, met groote moeyten en onkosften, tot om de wallen der stadt gebracht en geleydt, om den borgeren meer voordeelen toe te brengen, en nader zijnde, hy de stadt meer verçieren soude, en de stadt hem; na sochte hy haer hun voordelen af te snijden en te verkorten, zijnde een quaet buurman geworden: pogende de burgers tot armoede te brengen, haer de gelegentheyt van de wijnen aen te voeren, benemende. Erot. Gaet voort. Pamp. Sy souden soecken hem wederom van hare muuren af te keeren: maer doch sy en souden het niet kunnen doen, die fraeye luyden: daer mede soude dan ’t swavel branden ophouden, ’t peckbranden, en al ’t verderf der wijnen soude gedaen hebben; indien dat ’er geen wijn meer en waer, men soude’t draf of ’t onderste des mots soo langh niet in de vaten bewaren, tegen de natuure der wijnen, en de gesondheydt van den mensch. Niemand soude meer verschaelde wijn drincken. De Fransche wijn soude nu ophouden, ons soo dickwils tot het braken te tergen, door sijn quaden reuck; heele dagen langh souden wy in de naeste riviere swemmen. Erot. Of veel eer in den ingebeelde wijn. Maer men sou vreese, dat vele dese veelvoudige Charybdis voorby gaende, in de Scylla souden raken. Pamp. Ghy stelt een raetsel voor: [p. 116] Ick weet niet wat ghy seggen wilt. Erot. Ick sal ’t u lossen. Willende ’t geldt sparen, en de gesontheyt in acht nemen, sich van quade wijnen onthoudende, soo soud ’er te vresen zijn, dat haer soo veele in de Donaw mochte droncken drincken, dat, tot haer ongeluck, willende trachten na de kunst van swemmen, sy in haer vermaeck en drinckeryen vergaen en verdrincken souden. Pamp. De wijndrinckers, wesende eerst tot aen de lippe toe vol waters, hoe souden sy versticken, niets kunnende in een vat gaen, dat tot boven toe vol was. Erot. Ick soud’ het niet versoecken willen. Maer wat ghy van de wijnen seght, elck een klaeght ’er by nae van, en over al. Pamp. Ick heb ’t versocht. Erot. ’t Geen wy van der wateren aert, en natuur verhalen, vermits men niet kan door wenschen, in dese quade eeuwe, verkrijgen, ach lacy! ’t is overigh, dat, voor al in dit jaer, die maer wil, dapper in de wijnen swemmen, en graegh aen de natte tafelen sitten, op dat hy ’t des te beter en overvloedigh doe, dat die, segh ick, in de goud-dragende rivier Pactolus, lustigh swemmet, om daer somwijle groote goud-steenen, en goud-ketenen uyt te halen. Pamp. Dese aert van swemmen en ken ick niet, Dit weet ick, dat onsen Rhyn mede goud-dragent is, hoewel ick ’er noyt eenigh goud in gevonden heb, hoe dickwils dat ick ’er oock in swom: Ja in tegendeel, ick had ’er by na in verloren, ’t geen ick voor al het goud des werelts, en alle de kleynodien van Cleopatra acht en stelle. Erot. Wat? Pamp. Mijn leven. Erot. Als dat [p. 117] eens verloren is, soo is het niet wederom te krijgen. Doch ik sal noch wat vorder vragen. Pamp. Ick sta gereet om u te antwoorden. Erot. Lucanus maeckt gewach van eenen Phocensis Duyckers, die soo treflick konde swemmen, dat hy, als hy maer wilde, t’eenemael onder water doock, en wederom om hoogh quam boven ’t water. Pamp. Misschien was hy met Asacus in een duycker verandert. Wat seght ghy van Caelapiscus van Apulien, die soo treflick en aerdigh swom, en soo volmaecktelick, van sijn jonkheyt af, dat hy een visch wiert? Volaterranus, een geloofwaerdigh schrijver, getuyght, dat hy heele dagen en nachten in de waters, onder de Zee-dieren, gemeensaem was, en sich daer onder hield, de diepte der Zee doorgrondende. Erot. Sulcke en diergelijcke wonderheden meer worden mede van eenen Glauco verhaelt, dien eyndelick de selve oudheyt voor een Watergood gehouden heeft, dat hy op ’t Land, en te water, beyds kond leven. Pamp. Maer die bedroog sijne aenschouwers seer wonderlick. Erot. Hoe soo? Pamp. Dese hebbende een tijt langh, in tegen woordigheyt van sijne omstanders, door verscheyde gebaer en gelaet, getoont, dat hy de kunst van swemmen volmaecktelick wel kon, eyndelick doock hy onder ’t water, waer ’t hem geliefde: de menschen dan, beducht waer hy soo langh bleef, sonder weer op te komen, soo swom desen bedrieger der eenvoudigen, heymelijck onder ’t water heen in een plaetse die met steenrotsen omringht, en als verduystert [p. 118] was; en nae verloop van eenige dagen, quam hy eerst voor den dagh, even als of hy soo lange onder ’t water gelegen hadde. Erot. Wat een bedrieger was dit? Pamp. De Natuur-kundigers getuygen, dat die tot het swemmen best bequaem zijn, en treffelijcke Meesters in die kunst worden, die geen, of weynigh wille hebben, en onder het teycken van de Visch gebooren zijn. Erot. Geloovigheyt. Pamp. Onder anderen is ’er een seer beroemt, door geleerder luyden boecken, te Scillis, een duycker van Sicyonius, die heele 80. stadien, sonder rusten konde swemmen; en noch eenen anderen, vermaert, als den eersten, Colan geheeten, die de visch toegenaemt wierd. Erot. Wat ick hoor? Pamp. Dese in de grootste ongestuymigheyt der Zee, swommen meermaels langer als 500. stadien; dat hy dickwils den schepe tegemoet quam midden in de groote Zee, en scheen buyten haer niet wel te konnnen leven. Erot. Wonderlicke sake. Pamp. Eyndelick is hy noch jammerlick vergaen, voor de have tot Messanen, in ’t Siciliaensche Meer. Erot. Ja. Pamp. De oorsaeck van sijn ondergang, was een goude schotel, die den Koningh van Sicilien midden in de diepte der Zee had doen werpen, tot een prijs voor die swemmen en duyken sou kunnen, op een sekere daar toe bestemden dagh, in tegenwoordigheyt van vele duysenden aenschouwers. Dese Colan, op sijn kunst steunende, lacy al te veel! soeckt neerstigh en met sorgh om de goude schotel te vinden, en te winnen; wert gelooft, door de kracht van ’t wa- [p. 119] ter vry vard’ gedreven, te zijn in eenige duystere onbekende kuylen, die er t’Zee veel zijn, en alsoo om den hals geraeckt te zijn, sijn asem al daer geen uyttocht meer hebbende konnen krijgen. Erot. Ick versoeye een sulck goude schotel; ick soude liever uyt een houte willen drincken, als ’t goud midden in de Zee te soecken, met gevaer van mijn leven. Maer, Pampyro, ’t geene ghy flus seyde van de visch in de steylte, ’t is daer mede misschien, gelijck wy lesen van de goede en snelle loopers, datse van natuur geen milt en hebben, of onder den Dolphijn geboren zijn. Pamp. Ghy seght wel. Daer van hebben wy hare exempels, eenen van Philonides, looper van Alexander de Groote, en d’ander van Lasthenes, den Theboner, die om de ongelooffelijcke snelheyt in ’t loopen, geseyt wier de te vliegen; ja selfs snelder was hy op sijne voeten met loopen, als de riviere Hebrun in de haare. Erot. Ick heb hooren seggen, dat sommige, op datse des te langer mochten onder ’t water blijven, en harden kunnen, sy haer een groot hiertoe bequaem glas laten maken, in ’t welckse haer asem van mond en neus laten gaen, ’t aengesicht vast rondtom toegewonden. Pamp. Ick weet ’er van. Maer daer is groot prijckel om ’et te breken. Erot. Tot dese propooste soo schiet my dit nu in gedachte, hoe dat sy kunnen tot op den grond toe van ’t water raken met soo een hol tuygh, wiens eygenschap is om hoogh te gaen. Pamp. Men seyt datse een dieploot, of een steen met haer in de handen dragen, datse dies te lich- [p. 120] ter onder rakens dan laten sy ’t gewicht om laeg, als ze haer weder om hoogh begeven. Ick heb, eenen tot Tubingen gekent, (hy was een snyer, in mijn buurte woonachtig) die door behendigheyt van swemmen, en door de toverkunst, (want soo kan ick dese de sijne noemen ) van bovennatuurlicke kracht eenes menschen, de asem in te houden: want in de diepste draeystroom van den Necke geworpen, kost hy lange daer verharde. Erot. Wat deed’ hy dan? Pamp. Hy vingh de uyt-gelesenste visschen, ick weet oock niet door wat averechtse kunst betovert; eyndelick klom hy op van ver en laege plaetse, geladen metdie buyt. Erot. Hoe droeg hy dese last, dat hy, swemmende, niet verhinderten wierde? Pamp. En sorght ghy daer voor niet, mijn lieve man: twee of meer inde handen, de kleynste met sijne tonen, een in sijn mond, en oock onder d’armen, indien ’t hem goed docht: somwijlen oock aerdigh in sijn hayr gevlochten. Erot. En kon hy niettemin, om alle sijne leden geladen, doorswemmen, sijn geheel roeyhuys belet? Pamp. Voorseker: ’t Is een seer groote kunst als ghy u kunt van den gront af wederom in de hooghte begeven: gelijck de Kraenen, alsze vliegen willen, een weynigh voort loopen, datelick daer op, dat se met dies te grooter kracht om hoogh vliegen meugen, de knien gebogen, op de maniere van die, die met gevouwen beenen willen voortspringen, of gelijck als de Ungaren somwijlen springen, heffen sy sich om hoog. Erot. Ghy brengt wonderlicke gelijckenisse by. Pamp. Maer niet ongerijmt. [p. 121] Ja die visschen, die hy in de handen droegh, plagh hy soo te houden, dat hy in ’t wederom swemmen, deselve bruyckte als voor een gedeelte van sijn vleugels: voordeel daer uyt treckende, waer andere souden eenige verhinderingen of verlet by gehadt hebben. Erot. Dese man moest hem vele gelts uyt dese kunst vergadert hebben. Pamp. Ia, hy was armer als den ellendigen Irum, en blooter als den ouden Leberus. Erot. ’T is wonder! Maer ick houde dat die mensch den visschers onwaerd was. Pamp. Ia: soo dickwils als sy mercken dat hy om visch uyt was, soo stonden sy al reed met stocken, wapen en steenen, om sich op hem te wreken: maer hy merckende hare lagen, quam hy altijts een ander gat uyt, als sy meenden. Het beurde eens, dat sy hem sijn kop in stucken vermorsselt hadden in den Vijver van den Abd, alwaer hem vergunt was somwijlen te visschen. Erot. Had hy ’er dan noch wel deur komen kunnen, dien grooten Heldt in ’t swemmen, men soud’ hem stad-salaris hebben behooren te geven, desen naerstigen Colymbetus, om dese kunst mede aen andere te leeren, tot voordeel van de jeught. Pamp. Dese wiste pertinent hoe dat alles toegaen, en wesen moeste, om sorghvuldigh en voorlichtigh, alle de gevaren des waters te mijden, die de swemmers soo dickwils voorkomen: want men moet wel toesien, dat men aen geen poelachtige kuylen of struycken en blijve hangen, op dat men niet sijn leven late aen soo een slecht en veracht dingh; een rotse, steen, hout, of andere diergelijcke [p. 122] dingen die wat hooger uytwassen, om daer aen sich niet te stooten, moet men wel acht nemen;. of wetende dat ’er sulcke beletsels zijn, soo sie wel toe, dat ghy wat sachter in ’t water valt; dan met voorsichtigheydt om hoogh worstelende; dan ’t water, nae behooren, betredende; voor al in de draey-stroom; sie toe, dat ghy u aenstelt als de Hanen; ingenomen door yver, malkander ontmoeten met hare spooren averechts te toonen; (de welcke wapenen sy alhier van natuur hebben) en t’samen vechten. Erot. Hier zijn wel goede visch-eters dan. Pamp. Voorwaer, soo Plinius waer geschreven heeft, soo swemmen sy, door hulp van dese kunst, soo perfect, dat sy in ’t water zijnde; de visschen met alle snelligheyt en behendigheyt vervolgen, en vangen. En dit was oock haer grootste toevlucht, in die tijden, dat ’er noch geen schepen en waren. Erot. Gelooft ghy ’t wel? Pamp. ’t Eerste schip dat gemaeckt wiert, hebben de Argonauten uytgevonden; en lason was geseght den eerste geweest te zijn, die op een langh schip gevangen heeft, gelijck als Philostephanus verhaelt: Maer aen den Nyl, wierden de schepen meestendeel gemaeckt van pampier en riet. Erot. Dit is wonderlick. Pamp. In d’Engelsche zee bruyckten se schepen van vellen t’samen genaeyt, als men den schrijver gelooven wil. Erot. Dan moeste die kunst al van toe af in hooge waerde en estime zijn geweest, wanneer de schepen soo swack en onvast waren. Pamp. Ia doch: want toen waren ’er geen last-schepen, noch roof-schepen, of [p. 123] eenige andere. Erot. Hierom is kennelick, dat de oude, tot sulcke noodige wetenschap en kunste allencxkens zijn geraeckt; door sorghvuldige ondersoeckinge sulcker heerlicke konsten. Pamp. Niet eenen dagh vergaet, of daer word wat nieuws uyt gevonden. Maer dat de kunst van swemmen van de nutste en noodighste is, twijffelt ’er niemant aen, en daerom hoort ghy haer oock in dies te grooter waerde te houden: en indien sy heden ten dage soo gemeen ware onder ’t volck, als wel eertijts onder de oude duytsche, soo souden soo veele eerlicke vrome duytschen, selfs oorloghs-helden, niet vergaen; of sy dan door de vlucht gedreven worden, en de wateren haer in den wech zijn: of, datse geen schepen hebbende, sy den vyandt na-jagen willen: of, datse by geval in waters komen te vallen. Want die wel met dese kunst voorsien is, wert niet terstont verlet door sijn lancie, of ander diergelijck lichte wapen, ofte oock eenigh wijt oorloghs-kleedt, met veel vouwen aen, al moet hy oock een tijt langh swemmen. Erot. Misschien. Pamp. Hoe wacker swemden eertijts Horarius Coeles uyt den Tyber, in de welcken hy sich met sijn geheele harnas geworpen had; dies dese kunst, niet sonder groot mirakel, gevoegt by de sterckte van lichaem en gemoet, voor ’t Vaderlandt bewaert heeft. Erot. De vroomheyt gepleeght ontrent sijn Vaderlandt, van die groote weldaet, van self bewesen, en leedt niet dat hy onder gingh. Pamp. Dit selfde lof hebben hun oock by de nakomelingen, de Romeynsche soldaten, die [p. 124] de schepen van die van Carthago, nu op de vlucht tyende, en alreede zeylreede leggende, haer vertrouwen op de swem-kunst, ende vastigheyt der lendenen, al swemmende d’selve wederom na ’t lant toe getrocken hebben. Erot. Ghy verhaelt daer een heerlijck stuck. Pamp. Ick gae vorder: wat voordeel heeft het swemmen die Romeynschen Scaeva niet toegebracht? Namelick, dat hy, hoewel geschoten aen sijn heupe, door sijn net, en andersins seer gequetst, van d’Engelsche, die doe sijn vyanden waren; en geladen met twee harnassen, niettemin uyt d’Engelsche zee geluckigh uytswom: door welcke daet, als een heerlick vechter, hy oock tot Capiteyn gemaeckt wierde van Iulius Caesar. Erot. Voorwaer, ’t is een sware saeck, alsoo vechtender handt, en swemmende daer van te komen. Pamp. Siet ghy ’t wel. Ick soude sulcke exempels meer konnen bybrengen, daer door het u klaer en seker te verstaen soude zijn, wat voordeel en hulp dese kunst geven kan: Doch op dat dese Rede-cavelingh niet al te langh en valle, heb ick u de saeck met seer weynigh exempelen willen voorstellen. Want, ick en sal oock niet seggen, wat dese kunst dien goeden Leander genut heeft, soo dickwils des nachts na sijn liefste toe swemmende, als of hy uyt d’eene wereldt in d’ander zeylden, na de lieve omhelsngen toe van sijn welgesinde Hero. Erot. Maer evenwel ten langen lesten is dien armen en ongeluckigen bloet gebleven, en in de zee vergaen. Pamp. Dus vond het Nepthunus eens goet, Ick weet ’er en ken ’er een te Turnig, [p. 125] die van den Toorn, Wellenbergh genoemt, die midden in de Lymacische rivier staet, een gevangen-huys der schuldigen, sich des nachts met een leer of touw vast hadt gemaeckt, en self van boven neer in de rivier gelaten heeft, alwaer hy of vergaen, of den dagh wachten moeste, die hem, als een misdadige ter straffe en behoorlicke plaetse gebracht hadde: maer evenwel, door dien hy swemmen kon, soo raeckte hy aen de andere zyde van de rivier, en begaf sich alsoo in ’t naest-gelegen Klooster, als zijnde een vrye schuyl-plaetse. Erot. Sy seggen dat de Tuniger zee somwijlen toevriest. Pamp. Iae selfs midden in de stadt: ghy soudt sien, by winter-tijden haer paerden en wagens over ’t ys heen rijden. Erot. Soo hoor ick: maer evenwel, ick soude my niet altijts, nochte over-al op ’t ys vertouwen, als hebbende geen vasten grondt: ’t welck de Thracische Vossen wel weten, die, eer sy over ’t ys gaen, eerst bemercken hoe dick het zy. Pamp. Wanneer dan ’t ys begint te smelten in Februarius, en aen de kant door de warmte der Son, die daer op komt te stralen, los wordende, geeft het sulck een geruysch, dat het somwijlen grooten jammer om sien is. Erot. Ey lieve, waerom? Pamp. Waer ’t ys aen komt, daer sleept het met sich alles wat het vint, ’t zy steenen, boomen, huysen, &c. Indien de Inwoonders daer niet in tijts in en voorsien. Erot. Hoe kunnen sy hier in voorsien? Pamp. Wanneer dit groote en ongebonden stuck ys de huysen en andere gewesten nadert, dan soo snijden sy ’t selve [p. 126] rontom deur: Ick voeg ’er noch by, daer over ghy u wel sult verwonderen. Een vreemdelingh, die een belofte hadde gedaen van tot onse lieve Vrouwe te gaen te Bevaert, in de wildernissen, onwetende al twee groote mijlen door een sek’re rivier, dat be-yst lagh, gegaen zijnde, sich verwonderende van soo een groote vlackte, vraeghde des avonds sijnen Waert, den naem van die plaetse daer hy over gekomen was; den Hospes de saeck verstaen hebbende, antwoorde, dat hy over een rivier gegaen waer, ten minsten 1000. ellen hoogh. Toen, den vreemdelingh, dewelcke eerst sonder schrick of beven, die groote rivier onwetende hadde overgereyst; nu zijnde seker, en als buyten gevaer, door de nieuwigheyt der saken, en door ingebeelde vrese wel schier half doot rakende en scheelden weynig, of soude den geest gegeven hebben. Erot. Voorwaer ick verwonder my, dat ’t ys dick zijnde, sulcken last kan dragen. Maer hoe dick was ’t wel? Pamp. Ten minsten twee ellen. Erot. Indien het soo beurde, dat ’t ys quam in te breken, meent ghy oock, dat ghy niet soud versticken, of dat ghy door swemmen soud vry raken? Pamp. O ja: ’t en zy ick diep onder ys raeckten: want dan soud my mijn konst weynigh helpen, tot redding van mijn leven. Erot. Ick sou liever noch eens soo ver ommegaen op een sekeren wegh, eer ick my op soo een gevaerlicke, alhoewel korten wegh, begeven sou. Ghy sult het my noch eens ten goeden houden, indien ick u wat vreemts vragen wil, daer over ick my dickwils verwon- [p. 127] dert heb: hoe komt het, dat groote houten om hooge swemmen, en dat een kleen steentje dadelick sinckt, en ondergaet? Pamp. Wat een geleerde vrage! hoe kleen de steen is, ten opsicht van sijn swaerte, is hy swaerder als het grootste hout. Dat andere lichamen of corpus licht zijn, dat maeckt of de dunheyt, of de drooghte, of datse bol en vol gaten zijn, gelijck den zeyl-steen: Andere zijn dick en swaer, datse niet boven swemmen kunnen, door dien datse zijn effen, vochtigh en dick. Daerom is ’t een hout swaerder als het ander: d’een steen swaerder als d’ander, en een Metael insgelijks: daerom siet ghy dat appels swemmen, en peren gaen onder. Erot. Dat sijn natuurlicke dingen. Pamp. Ia, dat is waer. Erot. Lieve, seght my eens, hoe kon het Eylandt Delus gins en weer swemmen? van ’t welck de Poëet mentie maeckt. Pamp. Dit is maer een fabel. Erot. ’t Is waer: echter, soo sulcke en diergelijcke fabels somwijlen wel in gesien wierden, soud men vinden, datse niet te vergeefs bedacht zijn, gelijck dan Sulgentius Aphricanus, en Phalephatus, de Griexse Schrijvers getuygen. Pamp. Dit Eylandt swemden boven-natuurlijcke wyse; de onsterffelijcke Goden ’t selve soo beschickende, den welcken niets onmogelick is. Erot. Eer dat wy nae huys toe keeren, soo sal Erotes noch iets aen Pampyrus vragen. Pamp. Ick mach het wel lijden. Erot. Mijn vriend, segh my doch eens, wat wort ’er noch eyndelijck uyt die ongeluckige zielkens, die Charon, alsse niet betalen en konnen, niet [p. 128] wil over-voeren? Pamp. Hy smijtse van boven neer in ’t water, uyt gramschap. Erot. En swemmen sy evenwel deur, als dese kunst wetende? Pamp. Lieve mensch! wat gedachten komen dese quant niet al in hooft: Ik kan u niet sekers daer van seggen: want daer en is niemant weder gekomen van die zielen, die het soude hebben konnen nae vertellen. Erot. Hier lijckt ghy ver verdoolt, Pampyrus: is ’er Aeneas, Sibylla, Orpheus, Threseus, en selfs Herculus, en Pollux, met sijnen broeder Castor, niet wederom uytgekomen? Pamp. Ghy seght wel: nu denck ick ’er om. Erot. Voorwaer, onlanghs in slaep vallende, door den droom, in den kuyl van Patricius, soo leerde ick, ick weet ’et niet wel, dat de zielen van die, welcke hier wel hebben konnen swemmen haer vergunt wordt, een deele door te baden, ten deele licht over de helsche vloeden heen te huppelen, gelijck als water-spreeuwen. Pamp. Hoe, zijt ghy in Yrlandt gewees? Erot. Neen: maer t’huys op ’t bedde leggende, soo droomden ick dat ick in dat hol was. Pamp. Wat vraeght ghy dan na een saeck, die ghy wel weet? Erot. Hebbende dickwils hooren seggen, dat men een droom niet geloven en moet; en wel wetende, dat ghy een lief hebber en navorsscher zijt van sulcke diergelijcke dingen, soo heb ick u deselve wel willen voorstellen. Pamp. Soud ghy sulck gevoelen van my hebben. Erot. Ia: Pamp. Ia, ick ben ’er een sulcken lief-hebber van dese en diergelijke swarte konsten, dat ’er niemant is, diese niet vervloeckt als ick. Erot. Ey lieve, [p. 129] weest niet gram, en verstoort u daerom niet. Pamp. Nu wel aen, soo vraegh ick u wederom, dese zielen, sonder lichaem wesende, en also noch voeten, nochte handen hebbende, hoe sullen dese konnen swemmen, of loopen? Erot. Dan soud ghy noch moeten toestaen, datse vliegen. Pamp. Noch dit oock. Erot. Waerom dat? Pamp. Gelijck tot swemmen, of lopen, handen en voeten vereyscht worden, alsoo oock vleugels tot vliegen. Erot. Wat? soo ’t dan vederen waren? Pamp. Ey, ghy geckt, als of de vleugels niet en bestonden uyt veeders: Erot. Ick geef het u, en gae voort: Maer evenwel, ick ben noch niet voldaen: ghy seght, dat de vleugels uyt de veders (in getal van.velen) bestaet. Pamp. Soo ist. Erot. Soo acht ick dan, met uwe toestemminge, dat de vleugels niet kunnen uyt een enckel veder bestaen, en dat alsoo een veder niet vliegen en kan, of yets anders tot het vliegen aenporren. Pamp. Ghy snapt al te veel. Erot. Dat soud ghy wel seggen dat ghy hier niet te degen gefilosopheert hebt: want onlanghs, heb ick gesien, voor oude Collegie tot Ingelstadt, een eenige pen of veder, over seer hoge en Konincklicke huysen vliegen. Pamp. Ick geef het u. Maer eene ziel heeft oock selfs niet een eenige veder. Erot. Ia, somwijlen een starcken wind waeyende, een stuck papiers uyt een venster gevlogen, vloogh somwijlen tot aen den hemel. Pamp. Misschien heeft het vleugels gehadt. Erot. Hoe soud ’er konnen hebben gehad: Pamp. Indien dat blad uyt Plinius genomen is, waer hy van verscheyde vogels schrijft. [p. 130] Erot. Een belacchelick mensch bent ghy doch. Snee, of stof en sand, en hebben mede gene vleugels, of veders, en niettemin door een starcken wind opgedreven, soo vliegen sy wegh Pamp. Ghy spreeckt van de kleyne lichamen, die geen zielen en hebben, en der welckers natuurlicke lichtigheyt streckt voor vleugels; en alsoo worden sy bewogen. Erot. Wat houd ghy dan van de onnatuurlicke stoffe van Plato, die altoos vliegen, al hebbense noch lichaem; noch vleugels. Pamp. Een lichaem hebben sy, mijn goede man. Erot. Hoe soo? want dat is eerst een lichaem, dat gesien en gevoelt wort. Dese kan men nochte sien, nochte voelen. Pamp. Ick geef het toe: en op dat eens een eynde gemaeckt worde aen onse disputatie en sorge, loof ick dat de zielen iets gemeens heeft met de Atomien, of met die onerdeelicke stoffe. Soo lange wy in dese duystere werelt leven, soo is sy ons ongevoelick, en ons sienlick. Nae de dood, kan sy gesien worden als in een helder licht, met andere oogen, gevoelt met andere handen; ’t en zy dat wederom tegen loopt, dat by den ouden Charon geen licht en is. Erot. Soud ghy ’er noch iets tegen hebben? eyndelick soo gelooft ghy eenvoudeliсk met my, dat die zielen en lichamen hebben, ’t selve zy dan hoe het zy, en datse alsoo by de onderaerdsche kunnen of swemmen, of loopen, of vliegen. Pamp. Ghy drijft hier een saeck, tegen de Paepsche Theologanten: de ziel zijnde een onlichamelicke geest. Ten langen leste, dat ick eens met ernst rond uyt segge, ’t geen ick gevoele, soo [p. 131] houd ick met u, dat de zielen van die geenen, welck hier wel hebben kunnen swemmen, hier beneden beter sullen hebben; dan sullen die oock niet van nooden hebben eenen spaer-pot te vergaderen, (’t en zy dat sy dag willen doen) om Charons halven. Soo siet ghy dan, Erotes, dat de kunst van swemmen, voor dooden soo wel, als voor levendige, dienstigh is. Erot. Ghy seght daer een saeck: maer hebt ghy noyt onsen Virgilius met figuren versiert gesien? Pamp. Ick heb hem gesien. Wat is nu weer? Erot. In sijn seste boeck van Aeneas; als Aeneas en Sibylla in ’t Elisesche veld quamen, so is ’er een figuer onder anderen, die vertoont daer, hoe dat de geluckige zielen in de lucht vliegen, met flesschen vol wijns, en drincken in de hooghte: En de schilder en lieght ’er niet toe. Ghy, kent ’t selvige. Pamp. O geluckige vogelen, en vluchtige zielen, die Bacchus toegewydt zijn, hoe graegh soud ick willen eens onder die welvarende hoop wesen! doch de tijdt die roept ons al voor een wijl van hier. Ghy Erotes, al ’t geene geseyt is van de kunst te swemmen, siet toe, dat ghy het naerstigh aenmerckt en onthoud; en, by gelegentheyt, in ’t werck stelt. En, om u wederom te waerschouwen, soo siet toe dat ghy u niet soo lichtelick op allerley waters of rivieren vertrouwt; want, als ghy ’t minste gedenckt, nog is ’er somwijlen perijckel voorhanden. De nuttigheyt deser kunst hebt ghy gehoort, soo ghyse wel gebruyckt. Erot. Ick heb alles wel verstaen. Ghy sult bekennen, dat ghy eenen leersamen, [p. 132] neerstigen, en voorsichtigen leerlingh hebt gehadt. Pamp. Nu is ’er overigh, dat wy pogen en trachten, dat wy mede, door de ongestuyme en wilde zee deser werelt doorswemmen, tot die gewenschte have, en in ’t beloofde Vaderlant raken meugen. Met sorge swemmende, laet ons de ooren wel toestoppen, dat ons de loose en snelle Syrene niet aen en locke, en eyndelijck versmoore. Laet ons het schip onses levens ver van Charybdes en Scylla af-houden; den Heere biddende, dat hy den swemmende en varende altijdts genadigh by wil wesen; ghy quant van dagen, om de vuyligheden des lichaems af te wasschen, Erotes; laet ons wel toesien, dat soo dickmaels de Ziele en ’t gemoedt vuyl is, door de besmettelickheden der sonden, wy in de beke Silo gaen: laet ons swemmen op goede hope, om suyver en klaer wederom daer uyt te komen. Dit sal geschieden, als wy geduerigh swemmen sullen in de vloet onser tranen, gebruyckende de bekeeringe en boetvaerdigheyt onser zielen. Laet ons ons bedde nat maken door ons geduurigh weenen, en laet ons alsoo daer in swemmen en baden, met den Koninglijcken Propheet David. Erot. ’t Is alles wel geseyt, geleerdelick, en vroom, mijn lieve Pampyrus. Pamp. Zijn wy wat langh geweest in ’t praten, hebben wy al te veel redecavelinghs gehadt, dit moetmen de aengenaemheyt der plaetse toeschrijven, en desen schoonen dagh: die heldere rivier, die soo suyver loopt als een glas, en soo sacht ruyscht; en eyndelick de stoffe der sake selfs. [p. 133] Dese zijn de dingen die ons soo langh hebben opgehouden. Voelen wy nat? Erot. Ick voele. Pamp. Dat wy oock t’huys van binnen nat worden. Erot. Dit heb ick al over langh gewenscht.



TOEGIFT,
Tot Lof van de Swem-Kunst.

WAt treflicke, hoe nutte en nodige kunst het is, wel te kunnen swemmen, kan niet licht uytgesproken worden. ’t Selvige getuygen genoeghsaem dit jammerlicke sterven, van die in wateren vergaen; welcke, hadden sy kunnen swemmen, sy souden wederom levendigh tot de haare kunnen raken. Hylas, Herculis jongen, wort nu te vergeefs noch van de Schippers toe geroepen. Verg. Eclog. 8. De reys-gesellen van Aeneas, na geleden schipbreuck, souden alle hebben kunnen behouden blijven, waren sy met dese kunst voorsien geweest. Verg. I. en 6. Aeneid. Den stierman Palinurus, hebbende een tijd lang, swemmende geworstelt in de wateren, dichte by den Velynischen haven wierd van d’Inwoonders voor een Monster aengesien, en dood gegooyt. Verg. Aeneid.5. Misenus, Aeneas. Trompetter, in de zee gestort, vergingh. Verg. 6. Den Koningh Tiberius, in den Tyber vergaen, hadde door ’t swemmen sich bergen kunnen. Ovid.4. Fast. Helle, om na Colchos toe te varen, gebruyckte sich eenen gouden stier, met een gouden [p. 134] vlies, maer echter, verschrickt, vallende in de zee, niet konnende swemmen, vergingh erbarmelick: Van daer sy dese zee haer naem mede-gedeelt heeft, die men nu Hellespontus noemt. Ovid. in sijne brieven. En Propertius in ’t tweede boeck. Icarus, met wassche vleugels vliegende, vallende in de zee, had sich wel redden kunnen, had hy de kunst van swemmen gekost, niet hoevende sijne stoute en vermetele sotheyt soo duur te betalen. Ovid. 1. Trist. en 8. Metan. Leander, nae sijne liefste Hero toeswemmende, was niet soo machtigh om de ongestuymigheyt des waters tegen te staen. Martial. Lib. 1. Ovid, in Epist. en Trist. Den Poëet Eupolis, was door schipbreuck niet vergaen, had hy hem door dese onse kunst helpen kunnen. Nochte Menander en soude mede niet vergaen zijn, had hy niet soo bot en onverstandig geswommen. Ovid. in Ibin. Den Poëet Marullus, leerlingh van Pontano, vergingh in de riviere Cecina. Dese, en soo vele anderen, geven ons genoegh te kennen, wat vertrouwen, en hoope men magh op de kunst van wel te swemmen setten. Daerom mogen, die gesond zijn van verstand, oogen en ooren, sich vryelick en dapper in dese kunst oeffenen. De Romeynen, en de Griecken, hebben tot de geleerde en cierlicke Kunst-oeffeningen, die van swemmen, als geene van de minsten, bygevoegt: door welcke ’t gemoedt en ’t lichaem best geraden, en geholpen kan worden. En noch heden ten dage is ’er een spreeckwoort af, op die, welcke t’eenemael aller wetenschappen onkundigh [p. 135] en ontbloot zijn, ter werelt geene letteren in hare jonckheyt hebbende geleert: Hy kan noch swemmen, noch eenige letteren. Een treficke Griecksche swemmer heeft, dit spreekwoor den Griecken aen der hand gegeven; daerom hy noch vermaert is: en op ’t welcke Socrates in sijnen Plato siet. Onder de Romeynen, was ’er een treflicke beroemde swemmer, Horatius Cocles, die insonderheyt op dese kunst steunende, des vyands gewelt en macht alleen tegenstond, en verwon, tot dat de brugge inviel, door toedoen van sijne gesellen, en hy alsoo, hoewel gewapent, in den Tyber sprongh, en swom over tot de sijne, Cloelia, over den Tyber swemmende, keerde naer Romen weder toe, en verloste haer selven uyt de slavernye. Verg. 8. lib. Juven. Sat.6. En dit sy eenighsins genoegh geseyt van de Griecken en Romeynen. Maer wat sullen wy van onse Duytsche seggen dewelcke ick in ’t gemeen, in deught, dapperheyt, matigheyt des gemoets, en in de wetenschappen aller vryen konsten, of handwercken, voeght ’er vry toe, in het Swemmen en baden, alle den anderen voorsetten sal, naer ’t getuygenisse selfs der Griecksche en Latijnsche schrijvers. Herodianus, in sijn 8. boeck, getuygt, dat de Duytsche altijds seer ervaren zijn geweest in de kunst van swemmen; en datse haer alleen in rivieren, welcker Duytschlandt heel vol is, gewasschen, en sich dickwils, door ’t swemmen, metter vlucht gereddet hebben. Plutarchus schrijft sulcks oock van den Cimbris: En dat de Cimbros Duytsche zijn, slaet niemant twijf- [p. 136] fel aen. Dese worden heden Denen, en Noorwegers geheeten. Cornelius Tacitus, in sijn twintighste boeck, de Duytsche tot in den Hemel toe verheffende; hy, die selfs een Romeyn was, seyt dat de Duytsche in alle wateren en rivieren gewent zijn. Pompon. Mela, in sijn 3. boeck, seyt dat de Duytsche de gewoonte hebben, selfs midden in den Winter, door de rivieren te swemmen. En dese wetenschap is haer byna natuurlick, en als van boven in-gestort, door de welck dat sy alle andere volckeren te boven gaen. Daer zijn schrijvers, dewelcke natuurlicke reden, uyt de Sterre-kunst, hier over seer eendrachtigh geven en bewijsen; onder anderen, Julius Firmicus, die ghy selfs kunt nae sien. En Beroaldus bevestight dese rede, van de Duytsche; als mede Manilius in sijn 4. boeck. Die onder het Hemels-teycken van de Visschen geboren worden, dese sullen haer leven en studien, meest in ’t water toebrengen. Maer dit acht ick, is verwonderinghs-waerdigh, ’t geene Ammianus Marcellinus van de Duytsche schrijft; dat de Duytsche, door den vyandt op de vlucht gedreven, alle, in haer lidt, en ordre, de grootste en breetste rivieren over-geswommen hebben, en dat ’er niet een van alle die vergaen is. Cornelius Tacitus, in sijn 2. boeck verhaelt, dat de Bataaviers, Duytsche volckeren, die nieuwe Hollanders genoemt worden, de waters getoetst hebben, zijnde de eerste leermeesters van ’t swemmen den anderen menschen geweest. Herodianus, een Griecx Autheur, in sijn laetste boeck seght: Dat de Duytsche alleen, en haer selven, en hare paer- [p. 137] den, die swemmen konde, hebben durven den wateren toevertrouwen: ziet Franciscus Irenicus. Dese zee der prijselicke dingen, streckende tot lof van de Duytschen, heb ick willens niet voor by willen gaen, op dat onse jonge luyden voor beelden hebben meugen, dies te vieriger de voet stappen harer Voorouderen nae te volgen, en te betreden, en haer in alle deughten goede wetenschappen gelijk worden; en datse pogen, soo danige exempelen den nakomelingen nae te laten, dewelcke sy selfs, als door de hand van hare Voorvaderen, ontfangen hebben, indien sy niet ontaerden, en door hare luyheyt der deughden, derselver verduysteren willen sich alsoo eerder toonende boosaerden te zijn, als ware kinderen. Seker schrijver, wiens naem onbekent is, heeft een Griecx dicht gemaeckt, toonende hoe de oude Duytschen soodanige ontaerdige Bastaert-kinderen hebben: en is geprobeert aen te mercken, dat de Griecken de Duytsche en de France eer een gemeen-naem Celtes geheeten hebben. De Cicatie van ’t Dicht selfs is dese: De sacht-moedige Celtes probeert hare nieu-geboren kinderen in den snellen Rhijn; de moeder en laet haer niet toe eens te suygen, ’t en sy zy eerst in’t water geproeft zijn geweest. ’t Water neem ’t kind op, en stiertse als een gewisse stierman, sterckendt ’t Lichaem van dit natte en swemmende kind. Alsoo probeert ’t kind het water. Daer-en-tegen, wort de vrucht voor bastaert en door overspel voortgekomen, gehouden, indien het water de verwe verliest.
Continue
LipsiusOlifant

[p. 138]

’T LOF

van den

OLYPHANT.

Door

JUSTUS LIPSIUS.

WEest gegroet van uwen Lipsio. Wy hadden gisteren aengename gasten by ons: Want oock onsen discours dien wy hadden, is my noch wel in gedachten; ick wil seggen van de Olyphanten. Wy snapten veel wonderlicke dingen van haer vernuft, en aert en alles gingh seer lieffelick toe; alleen verdroot my dat men my in vele niet gelooven en wilde: Wat meendet ghy dan, dat ick nat, of beschoncken waer? ick en was ’t niet. Echter, nu droogh monds en nuchteren buycks sal ick u deselvige dingen verhalen; en nu ick in ’t schrijven ben, sal ick wat breeder de sake voorstellen, als ick ’t sou in ’t verhalen gedaen hebben. Zijn dese dagen niet der vrolickheyt en genuchten toegewijdt? ’t Bevalt my nu dit spel te spelen. Oock moet ick voor alle dingen der Ouden schrijvers gethygenissen, op dewelcke mijn verhael steunt, bekrachtigen. Want gist’ren was er een, die deselve niet al te veel geloofs wilde toestellen; seggende, datse of al te groote, of al te ydele dingen geschreven [p. 139] hebben. Maer hoe? aen wie waren dese dingen beter bekent? Ons, die in dese onse gantsche eeuwe naulicx eenen gesien hebben, (ick meen die, welckenden Koning van Spangien aen den Keyser sond, in ’tjaer 1562.) en die noch heel kleyn, jongh, en aller kunsten onkundigh was; of wel den ouden, die dagelicx dese beesten in den monde, en voor oogen, soo veele beweerde proef-stucken van deser dieren aert en vernuft, in boecken, en in schouwspeelen gesien en vernomen hadden? Want de Africanen, Asianen, en de Griecken haddense, en brachtense op met groote sorge, tot den strijt. De Romeynen haddense allermeest tot hare schouwspeelen, en jaghten. Hoewel, om te seggen ’t geen ’er van is, datse wat later in Europa zijn bekent geworden. Pausaniae seght, dat Alexander de eerste is geweest, die onder de Europische, de Olyphanten gehadt heeft: namentlijck, Indien bemachtight hebbende, heeft hy se in Europa gebracht, of gesonden. Doch kort nae sijn dood so zijn ’er aenstonds vele in Europa geweest: en Pyrrhus brachtse selfs in Italien, oorlogende tegen de Romeynen. En dus zijnse oock te Romen veel geacht geworden, insonderheyt in de oorlogende met die van Carthago: want toe waren ’er soo veele, dat ’er op een tijdt hondert twee-en-veertigh van Metullus gevangen, en na Romen gesonden wierden. En Critolaus, by Plutarchus, is klaerlick eener leugen overtuyght, die wil, dat Paulus Aemilius, in den Pyrrhischen oorlogh, hondert en sestigh nae Romen gesonden heeft, en die noch [p. 140] met toorens op-gemaeckt. Evenwel zijn ’er naderhand te Roomen altoos geweest: ’t zy dan, datse gevangen, of voor geld gekocht wierden, om tot lust en vermaeck des volcx te strecken. Hier hebt ghy haer begin, en haer menighte: ’t welck alles wijtloopiger by Plinius te lesen is, tot welcken ick u sende, soo ghy wilt. Waerom souden wy dan noch de getuygenissen der Ouden in twijfel trecken? Hebben sy dit Dier niet gekent? ja, seer wel, en tot in ’t binnenste toe. Hebben sy ons met voordacht willen leugens wijs maken? dit en souden sy niet hebben kunnen doen, in een sake, die dagh voor dagh in haer gesicht, en voor haer oogen was: en in de welcke veele duysenden van menschen, dat is, geheele schouwspeelen t’seffens, verscheyde wonderlickheden oogenschijnlick hebben gesien en gespeurt. Selfs dese onse eeuwe getuygt, dat der Ouden seggen en schrijven, van dese stoffe, waerachtigh is, of schoon in een andere werelt. De Portugysen, door hare schipvaerden, hebben soodanige Landen geopent, in dewelcke dit beest gemeen is. ’t Eylandt Madagascar heeft er, en die noch grooter zijn, als die van Indien. Zeilan voedt ’er, alwaer sy te koop zijn, op een wonderlicke wijse: want sy werden gemeten, na de elle gelijck Laken en Tapyten: so veel elcke vier vinger breedte ofte langhte, en hoe grooter het dier is, hoe meer het gelden moet. De Landen Malabar, Goa, en de geheele streecke, en ’t gantsche Rijck Benamen, en de laege Provincien van Aethiopien, hebben er mede, hoe- [p. 141] wel Wit, dat aenmerckens waerdigh is: daer zijnder die ’er geweest zijn, en die ’t gesien hebben, en verhalen vele wonderlicke seltsaemheden van het vernuft deses niet onvernuftigen diers. De welcke, op dat ghy eens, met ernst geseght, weet en verstaet, soo neemt dese volgende aenmerckinge van my, rakende hare natuur en eygenschappen: dewelcke niet, of seer weynigh van de menschen verschillen, daer over men sich wel verwonderen, ja vergrammen sal. Maer voor-eerst, sal ick in ’t gemeen haer Lof, uyt der Ouden schriften getrocken, by brengen, en dan haer daden, en exempels selfs. Aristoteles in sijn 9. Boeck der Natuurlicke Historye, aen ’t 46. cap. spreeckt onder anderen van den Olyphant, dit volgende: Insonderheydt is den Olyphant begaeft met seer goede en scherpe sinnen, en uytmuntende in vernuft. Cicero van de Natur der Goden 3. Dit dier heeft eenige gemeenschap met den mensche. Strabo van de Waerseggende kunst 2. Het magh onder die sitten, welcke met reden begaeft zijn. Dat is, hy komt den mensche ’t naeste by. Philostratus: Want dit dier is de naeste na den mensche, in wijsheydt en raedt. Plinius: [Den Olyphant is het grootste van de dieren, en de naeste aen de menschelickheydt: Want by heeft kennisse van sijn Vaderlijcke, of landts-tael; Hy is gehoorsaem, gebeten werdende; en onthoudt sijn plichten, die hy geleert heeft by wort door de liefde, en door de eere of roem geprickelt: ja oock, dat selden in den mensche gevonden wert; vroomheydt, wijsheydt, rechtmatigheydt, oock Religie, en vereeninge der Sterren, [p. 142] der Sonne, en des Maens, steeckt in den Olyphan uyt.] Hier is Plinius vry wijtloopigh: maer en spreeckt niet buyten de waerheyt. Om sijn getuygenisse dan te bekrachtigen, en meer geloofs te doen geven, sal ick, na my dunckt, bequaemlick kunnen by-brengen de naervolgende voorbeelden of anderer getuygenissen. Hy schrijft dan den Olyphant voor eerst toe, Kennisse sijnes Vaderlijcke of Lands-tael. ] Dat wonderlijck is: Want zijnde maer twee scheytspalen, die den mensch van de beesten onderscheyden: namelick, de Reden, en ’t Verstant: Sie hoe de eerste, in dit exempel, wort gestelt. Hy seght, dat den Olyphant sijn Lands-tael verstaet. Dit legge ick dus uyt: Der Indianen, Moren, Africanen, en aller, onder welcke datse geboren zijn. Aeliati. 4. boeck, cap. 23. De Olyphanten verstaen oock de talen, of spraken der menschen des Lands- inboorlingen. Dio. 48. boeck: En dit seggen sy oock, datse hare Land-sprake hooren en verstaen. En daer is niet sekerders. Weet en siet ghy hoe men haer onderwijst? Dit geschiet met de spraeck. Hoe se tam worden gemaeckt? door de spraeck. De aenporringe, de rughroepinge, al door de spraeck. Eyndelick, gelijck het schip door het roer, alsoo wert die door de spraeck geleydt en bestiert. Van haer leeren, seght Aelian.15. boeck: Sy worden geleert en onderwesen tot vele, door ’s Lands rede, dewelcke sy op een wonderlicke en onuytspreecklicke wijse, en als haer natuur eygen, vatten en begrijpen kunnen. Vanhaer temmen, spreekt Strabo, in sijn boeck- [p. 143] je vande Speceryen: Alsze gevangen zijn, soo temmen sy haer eerst door banden, en honger: en dan maken sy haer tam, d’eene door spraeck, d’ander door sangh, of geluyt van een trommel. Van hare gehele bestieringe, zijnder dagelicxse exempels in Oorloghs- en Vredenstijden van ouds, en oock nu heden ten dage. Dat noch meer is, selfs alsze beginnen dol en rasend te worden, en als van sich selfs te komen, soo wordense door de aenspraeck wederom terechte gebracht. Dat ick dit ernstigh geloove moet, doet Christoph. Acastan: en om dat ick dickwils my op sijn getuygenisse beroepen sal, wil ick kortlijck verhalen ’t geene hy hier van schrijft. Desen schrijver was een geboren Spangiaert, en hy trock naer Oost-Indien; alwaer hy lange jaren bleef. Alles wat hy gesien hadde, in schrift vervattende: en onder andere van de Olyphanten, heeft hy vele gedenckwaerdige dingen beschreven, deels selfs gesien, deels die van andere gesien zijn geweest. Want dit dier is daer seer gemeen, en worden er dagelicx gesien. Dese dan (Aristoteles en Plinius gedencken desselve sieckte) verhaelt, dat de Olyphanten jaerlicx met een sekere soorte van sieckte bevangen worden, die niet veel en verscheelt van rasernije en dulligheyt. De oorsaeck daervan is de liefde, en alsse tot de teelsucht gedreven worden, dan raken sy in sulcke sieckte. Dan wordensy als dol, sy quetsen al die haer tegenkomen, en loopense aen: indiense niet strengelick vast geboeyt en gebonden worden: ’t welk dan seer neerstigh te wercke wort gestelt van de [p. 144] Inwoonders. [Maer dat dese sieckte schier niet anders en wert wech genomen, als door de aenspraeck. Den meester set hem by dit beest neder, en bestraft hem scherpelick, en toont hem de lelickheydt van de saeck. Dat soo een groot dier, Koninginne van alle andere, van sinnen komt door de vuyle min. Dit ware maer een slechtigheyt, en dat hy ontaerd van sijn geslacht en natuur. Hy sou dan wederom tot sich selfs komen, de geyle lust vertredende, die hem soo schandelijck bevleckt hadde. En door sulcke woorden, en diergelijcke, die oock voor den mensche dienen, komt dat beest wederom tot erkentenisse van sich selven, en vergaet hem dese sieckte ] Maer hoe soude dit kunnen zijn, soo hy niet en hoort, vat en begrijpt wat hem geseyt wort? Maer, dat ick wat wonderlickers voor den dagh brengh; sy en hooren niet alleen wat haer geseyt wort, maer sy spreken selfs. Een Oppianus, wil dat de Olyphanten onderlingh met malkander spreken. Men seght, seyt hy, dat de Olyphanten, onder elckander redeneren, en wel duydelijcke woorden uyt-drucken. Den voor-noemden Acosta seght, dat niet gewissers en is in ’t Rijck Malabar, als dat dese beesten duydelijcke woorden uyt-drucken. Eyndelijck, soo ghy het wonderlickste in dese saeck wilt hooren, soo neemt dit aen: De Olyphanten spreken selfs menschen woorden: ’t Wiert eertijts te Romen voor een wonder genomen, dat Ossen spraken: voeght ’er den Olyphant vry by. En hoort wat Acosta hier van getuyght: In de stadt Cochin [p. 145] was een Olyphant, die in gemeene diensten was van de haven, en de zee. Op sekere dagh, als dit beest seer vermoeyt was, wierd het niettemin vande meester gedreven, om sijn dagh-arbeyt te verrichten; en om een schip, dat hy al reeds begonnen hadde voort te trecken, ten volle tot de zee toe te slepen: Maer hy en woud’ er niet aen, daertegen soo bad hem de meester ernstigh, met veele en smeeckende woorden; eyndelijck versocht hy het selve, in den naem, en om de gunst van den Koningh van Portugael: de Olyphant dit gehoort hebbende, (’tis wonderlick om hooren) bewogen zijnde, sprack klaerlick dese woorden: Ho, bo: dat op sijn Malabarisch te seggen is, Ick wil, ick wil: en, sonder vertoeven, trock hy ’t schip tot in de zee. Hoe staet ghy dus verbaest en t’zitterende? Ick sal u noch wat wonders verhalen, en in twijffel laten stellen, of de Olyphanten alleen den mensche verstaen, dan of ze niet meer en verstaen als de mensche. Dus ver heb ick dan gesproken van de eerste en duystere onderscheydinge des menschen en der dieren. Besie nu de tweede, dat is de reden, of het verstant: en ick beken ontbloot te zijn van dien, indien de Olyphant kan geseydt werden deselve te missen. Soo hoor dan wat Plinius vorders hier van seyt: Dat de Olyphant gehoorsaemt de bevelen, die hem gegeven werden. ] ’t Zijn klare woorden; en niemant kanse loochenen. Eens getemt, soo lijden sy van, en voor de menschen alle dingen: en sulck een onmatigh groot dier wert van een kint [p. 146] geregeert en bestiert, sonder gewelt, met een stocxken alleen, of een kleyn yser. En wat soude men haer met ketens doen? Sy hebben haer ’t jock onderworpen, en de wagens getrocken, ’t welck dickmaels te Romen gebleken is, en de andere Koningen getuygen ’er oock van. Het derde Lof by Plinius is: Datse onthouden ’t gene datse geleert hebben.] Sy hebben een goede memorie, byna menschelick, als ick noch seggen sal. Maer, waerom laet Plinius het vernuft uyt? Hy handelt, soo doende, niet oprechtelick: want indien dese dieren eenig grooten Lof kan gegeven worden, soo is ’t datse vernuftigh en scherp van verstant zijn. En gaet het Plinius voorby, soo sal ick ’t doch met stil-swijgen niet voorby gaen. Haer verstant en vernuft dan is leersaem, buyghsaem, licht en bequaem om alle kunsten te leeren: soo wel die in oorlogh, als die in vrede-tijden gepleeght en geoeffent worden: ’ t welck uyt de volgende effecten blijcken sal. Wat d’oorlogs-kunst betreft, wie sou sich niet verwonderen, wanneerse tegens andere beesten vechten; of de menschen selfs bestrijden op ’t bevel van de mensche: Want sy houden bedachtsamelick goede slaghordren; sy nemen de verwonde of swackste uyt’ t midden van haer; sy begeven de hare niet door de vlucht, maer met hoope weghgaende, omçingelen haer, en beschermense; sy bruycken medeçyne voor de quetsure, sy trecken sachtiens de pijlen die ’er mogen in ’t lijf geschoten zijn, wederom uyt, sonder haer veel seer te doen en zijn daer-en- [p. 147] boven seer ervare Chirurgijns. Maer hoe dragen sy haer, als sy in de oorlogen zijn voor de menschen? Sy worden, gelijck soldaten en krijghsluyden, tot het strijden onderrecht, en aengevoert: sy dragen niet alleen de soldaten op hare ruggens, maer sy strijden en vechten oock selfs mede: Sy vechten voor hare partye; en bevechten de partye; en komen oock soo ver datse alle de soldaten diensten kunnen doen. Aelianus getuyght, dat de Olyphanten allerley krijgs-oeffeningen kunnen doen, en dat seer geschickt: dat altijds vier-en-twintigh deser dieren den Koning van Indien ten dienste dtaen, en de wachte by hem houden, als sijne getrouste lijfwachters: en dat alsoo, d’een d’ander verlost, sonder te slapen. Wat soud ghy van den aller ervarenste soldaet of krijghsman meer vereysschen? Siet nu eens hare trouwe ontrent hare Heeren en Meesters: hoe sy voor haer strijden ter doodt toe: hier van hebt ghy een voorbeeld in dien vermaerden Olyphant van Porus, dien voor alle sal strecken. Dit zy van krijghs-kunsten en oeffeningen genoegh. In tijden van vrede, wat soud ghy een mensche leeren kunnen, dat ghy dese dieren niet soud kunnen leeren? En sy zijn soo leersaem, en begrijpelick, datse lichtelick allerley kunsten souden kunnen vatten, als meenigh mensche. Overweeght dit soo ontrent haer lichaem, als ontrent haer vernuft. ’t Lichaem belangende, dat schicken en wennen sy tot allerley aerdige bewegingen en gelaet. Sy knielen, buygen, onderwerpen haer, en bidden [p. 148] den Koningen aen. Haer worden vele dingen geleert seyt Aristoteles, en sy leeren oock wanneer men de Koningen moet aenbidden. Sy leeren danssen; schieten na ’t merck, wapens oeffenen en swemmen. En dan in de schouw-spelen gelaten sy sich soo aerdigh, als een ervare guychelaer soud kunnen doen. Ia, de Olyphanten zijn oock koordedanssers geworden; ’t welck ghy gisteren niet wildet aennemen. Den geringhsten Moor gebiedt den Olyphant op sijn knien te leggen, en op de koorde te danssen, seyt Seneca. En dit leeren sy met sulcken yver en opmerckinge, dat men ’er ’s nachts gevonden heeft die hare lessen scheenen te herleeren, en t’overwegen: het welck dan dient tot getuygenisse van haer verstant. Beyde, Plutarchus en Plinius, getuygen eenparigh, dat er een Olyphant was, die wat plomp, en niet aennemende was, en om dat hy daer over met harde woorden bestraft, en met slagen gekastijt wierd, soo heeft men hem in de Maneschijn, ’snachts sijne voorgehoude en in gescherpte bewegingen sien doen, en sich in sijne Lesse oeffenen: dat zijn voorwaer groote dingen: maer wat soud ghy seggen, indien ick u bewees, dat sy selfs die kunsten leeren, en aennemen, die schijnen alleen aen ’t menschelick verstant toe te komen. Wie sou het lesen, en het schrijven den mensch alleen niet toeschrijven? Maer ick segge, dat dit selfs aen den Olyphant gegeven is. Plinius seght wel klaerlick, dat ’er een Olyphant Grieckse letteren leerde schrijven, en in die tale dese woorden geschreven heeft: Dese woorden [p. 149] heb ick selfs geschreven, en de Celitische buyten opgeoffert. Dus schrijven dan de Olyphanten, sy danssen en springen so als men haer opspeelt. Aelianus seght: ick selfs hebbe gesien eenen Olyphant, op een tafel goede en rechte Latijnsche letteren met sijn snavel schrijven. En als hy schreef, slaende sijne oogen op de tafel, soo dat men sou geseydt hebben, dat hy met ernst, en al studerende schreef. Dit verhael van de kunsten des Olyphants, sal ick besluyten met een wonderlick schoon, en niet min gewis exempel, dat wel van duysent menschen wiert aengeschout, in een spel, dat Hermanus Cesar, openbaer te Romen gaf. Plinius die raecke het; en Aelianus schrijft er wat wijtloopiger van, van wien ick ’t ontleenen sal. In dese speelen, of vertooningen, onder den Keyser Tyberias, wierden twaelf Olyphanten in het spel gebracht, of in ’t perck, aengedaen met gebloemde en guychelaers kledingen. En op het woort van den Meester, soo wierden sy verdeelt in verscheyde plaetse des percks; onder het gaen dansten sy sachjes, en quamen wederom by elckander, wanneer de Meester sprack, en maeckten een danssingh ront om. Dan strooyden sy bloemen en kroonkens; en mits dat ’er gesongen wierd, stapten sy na de maet hart en sachjes op de aerden, en verrichte de alle ’t gene de ervarenste guychelaers souden kunnen doen. En dese worden oock geleert, te Hoof aen de tafel te sitten, om spijs en dranck te nuttigen gelijck menschen; matigh, çierlick, en redelick. Dese Olyphanten waren bekleedt [p. 150] met purper en tapijten; ende tafels waren mede na proportie, met allerley eeten drinck-vaten verçiert: de goude, silvere, groote en kleyne bekers; de spijse, als broot, vleesch en vruchten, in schotels opgedischt. Dese twaelf Olyphanten zijn ses mannekens en ses wijfkens; de mannekens zijn getabbert, en de wijfkens met lange vrouwe rocken. Sy neyghden haer fraey en geschickt op hare beddekens neer; leggen aen de tafels; en nae het gegeven teecken, (en eerder niet) steecken sy hare handen of snavels uyt over de tafel, en vatten de spijse met groote eerbiedigheyt, en proevense: Men speurt geen gulsigheydt in haer: sy haeckten mede na de grootste of beste stucken: en als sy drincken wilden, soo wierd ’et haer van dienaers toegereyckt: sy maken haer vrolijck met spijs en dranck, tot verwonderingh van de omstanders: dus ver Aelianus. Maer heeft men wel een soeter, vermaeckelicker, en aerdiger exempel kunnen sien: ick wenschte wel dat ick een aenschouwer daer van selfs geweest had, ick soude dat voor een groot vermaeck gehouden hebben: en indien dat niet teyckens waren van een gauw en scherp verstandt, soo ben ick selfs verblint, en sie niet met allen; wat sou men dan van die dingen seggen, diese niet hoeven te leeren, maer die hun natuurlick zijn? hoedanige men dickwils in haer bespeurt heeft, die seer aerdigh, en tot verwonderens toe vernuftigh waren. Onder andere verhaelt Plutarchus dit volgende. In Syrien wiert ’er een Olyphant opgevoedt, men stelde een die- [p. 151] naer daer toe, om op hem te passen; de welcke hem dagh voor dagh telckens iets ontrock van sijn bescheyden deel, en bedroogh alsoo een geruyme tijdt dit onnosele beest van sijn gewoonlick voedtsel. ’t Gebeurde op seker tijt, dat hy ’t beest t’eten gaf, in tegenwoordigheyt van sijn Meester, en doe gaf hy hem sooveel als hem gewoonlick toequam. Den Olyphant, op dat hy dit ongelijck, hem soo langh aengedaen, eenigsins mocht ontdecken, soo goet hy kon, verdeelde aerdigh het voedsel, behoudende de helft voor sich, en schoof het ander deel van sich weg; als willende roepen, en uytseggen, dat tot hier toe hy niet meer voor sijn bescheyden deel ’s daeghs genoten haddet. Een ander nam asch van ’t vuur, en smeet het in de vleeschpot staende over ’t vuur, siende dat sijn Meester hem leem en aerde onder sijn voedsel mengde, en bedroogh alsoo hem die hem onrecht dede. Maer alle geloove gaet dit exempel te boven, dat Acosta verhaelt: en wy sullent op sijn geloove verhalen; hoewel dat dese geschiedenisse gebeurt is in ’t by-zijn van al het volck. Daer was in de stadt Cochin een Olyphant, aen wien op sijn gesette tijt geen spijse en wierd gegeven: hy klaeght, en janckte, op sijn wijse: De Meester ontschuldight hem, en toont hem sijn vat, daer hy uyt plicht te eten, geheel doorboort, en vol gaten, dit de oorsaeck was van dat men vertrouwde, dat sijn vat ’t eten niet houden konde, en gaf te kennen dat het vat tot de smit moeste gebracht worden, om vast te maken. Hy gehoorsamet, [p. 152] en neemt ’et met sijn snavel wegh, en levert het den smit over. De smit, ’t zy door onachtsaemheyt, of om met het beest te gecken, maeckt’et niet te deegh, noch stopt’et niet wel: de Olyphant brenght het wederom. De meester siet waer de faut is, en wert gram; en hy toont op den afwesende, en berispt den jegenwoordigen; en doet hem wederom gaen tot den smit, met het selfste vat. Hy doet het. En, als klagende, smijt het voor sijne voeten neder. Dese goede man meenende hen noch eens te bedriegen, neemt den hamer, en doet of hy de gaten toe klopte, maer en doet het niet; noch bedrieght hy hem niet: want den Olyphant neemt den ketel, en brenght hem in ’t water; vult hem met water, om te sien of het oock water houden soude: hy siet ’et uytloopen, en schreeut geweldigh vergramt: de buuren loopen toe, en onder anderen des Konings Stadthouder selfs. De smit geeft hem goede woorden, neemt den ketel, en maeckt hem te deegh soo als ’t behoorde: ’t Beest evenwel noch niet vertrouwende, brenght ’et al weder na ’t water en siende dat ’er ’t water in blijft, keert lustigh tot de Omstanders, en toont hen de saecke, als haer tot getuyge van ’t geene gebeurt is, roepende; en doe gingh hy na huys, den smit verlatende. Wat sal ick meer hier toe seggen? niet een woort: want ick sta over dese saeck als versteent. En wie sou Aelianus nu niet gelooven, die eer tweevoudigh het sulcke dieren toeschrijft. Doch ick keere weder tot Plinius, die hier veel toe-eygent [p. 153] Eene memorie of geheugenisse. ] En dese is soo groot in dit dier, dat het hierin de mensche evenadert, soo ’t niet overtreft. Een ander exempel wil ick geven, weynigh nieuwer. Michael Glycos, een oudt Griecx en geleert Schrijver, verhaelt, dat seker Olyphant in de kringh geleydt wordende, een Temmer of Meester der Beesten, aen de marckt sittende, ombrachte, uyt toornigheyt. En geen ander oorsaeck van dit gewelt en gramschaps des Olyphants sy ’er geweest, als dat even dese Meester, op dese selfde plaetse, desen Olyphant, voor thien volle jaren verleden, met een yser geslagen hadde. Dit ongelijck heeft dit beest soo veel jaren in sijne krop behouden, en nu eerst gewroken. Acosta verhaelt: Een soldaet hadde, in de stadt Cochin, een Olyphant met een noote geworpen, door boerderye, (verstaee een groote Indiaensche noote, die de Inwoonders Coccus noemen) den Olyphant neemt de noote sachjes op, en steecktse vergramt wegh: nae sommige dagen, soo siet hy dien soldaet wandelen op vryer straten; hy gaet nae hem toe en, werpt die selve noote wel scherplick met sijn snavel tegens hem, en verheught verliet hem weer, als quansuys sich wel gewroken hebbende. Noch iet anders. Een soldaet, in deselve stadt, ontmoette eenen Olyphant met sijn Meester: hy en wilde niet wijcken: de Olyphant neemt hem dese schande aen, als hem, en sijn Meester rakende: en de Meester verbied hem sich niet te wreken. Nae eenige digen, aen den oever van de riviere Mangat, (die dese stadt be- [p. 154] sproeyt) vind hy dese soldaet snappen, en ledigh gaen. Den Meester niet tegenwoordigh zijnde, vat hy terstont den man, en heft hem in de lucht; noch door vleyen, noch door het tieren der omstanders bewogen: hy doet hem meermaels in ’t water sincken; nam hem weder op, en liet hem wederom sacken. En als hy langh genoegh met hem gespeelt hadde, soo bracht hy hem weder om daer hy hem van daen genomen had. Doch dese exempelen van de Geheugenisse der Olyphanten, konnen tot arge wraeck getrocken worden. Siet hier oock een exempel van haere Geheugenisse, die wel ten besten magh geduydet worden: Deselve Acosta seght mede: [Dat ’er een Olyphant in de stadt Goa was, die, met dese jaerlickse en algemeene rasernye bevangen, de ketenen en banden scheurde. En wanneer dat alle menschen vluchteden, en wegh liepen, so was ’er onder anderen mede een knechtsken, die sijns meesters kindt op de armen had, en vluchtede oock in een huys; en in die vlucht een schrick kreegh, had hy ’t kindt voor de deure neder geleght, om dies te gauwer wegh te raken. Mit soo komt ’er den Olyphant aen: elck schrickten, en voorseyden ’t kinde de doodt: Wat doet hy in plaetse van hem te vertreden, soo heft hy ’t kindt sachjes op, en sette hem op een dacksken, dit tegen over ’t huys was; en sagh noch met voorsichtigheyt om, of ’t kindt daer versekere genoegh lagh, om van ongemack bevryt te wesen: en al rasende vervolght hy sijnen loop. Nu dese weldadigheyt van den Olyphant aen dit [p. 155] onnoosel schaep bewesen, wiert van elck een geduyt op d’oorsaecke, van dat deses kints moeder, die de vrouwe van dithuys was, dien voor by-gaende Olyphant, dickwils broot en vruchten toegereyckt hadde.] Ghy kunt ’er noch verscheyde andere dingen van desen aert, by dien selven Spanjaert, lesen, soo ’t u lust. Ick vaer met Plinius voort, dewelcke aenmerckt dat één Olyphant mede
    Liefde draeght.] En even dit is met reden verwonderens waert: want gelijck als de Spraeck en de Reden den mensche eygentlijck schijnen toe te komen, alsoo mede sekere affectien of genegentheden. Onder dewelcke uytmunt die begeerlijcke en wanckelbare liefde, die aen dit redelijck schepsel alleen, als tot een soete quellingh, is mede-gedeelt. Doch den Olyphant die seght neen daer toe: en oock in desen deele soo maeckt hy sich met den mensche gemeen; want hy lieft ernstelijcken. ’t is seer kenbaer en gemeen ’t geen Plinius van seecker Olyphant gewaeght in sijn 5.Capittel, (en Plutarchus, in sijn boeckxken, geintituleert, welcke beesten de uytmuntenste zijn,) die medeboel was van Aristophanes Grammaticus.
    [Want beyde, tot Alexandrien in Egypten, beminden een sekere Kroonemaeckster; en den Olyphant hadde wel soo veel geests en verstants, om sijne brandende vlamme te kennen te geven, en te versachten, als de andere, die scherpsinnigh en geleert was. Want hy wiste soo aerdigh dickwils nae de marckt te gaen, alwaer sy sat; by en [p. 156] om haer te staen, te suchten, appelen of bloemen aen te bieden, sijn hand in ’er schoot sachjens te drucken, en alle dingen te doen, die een dartele Venus-neefje soude kunnen doen.] Aelianus verhaelt oock verscheyde andere exempelen in sijn 7. boeck, in ’et 43. Capittel. [In Antiochien, een stad van Syrien, was ’er mede een Olyphant, die tam was, en nae sijn gewoonte, met d’andere, nae de weyde gingh; en, by geval, soo sagh hy een vrouwe die tamelijck schoon was, mede een Kroonmaeckster. Hy sagh haer, en verliefden daer op: hy was geduurigh om haer: met sijn snuyte leckten, en waschte hy haer aengesicht en handen, en overal waer hy konde bykomen, en liet hy niet af haer te vleyen, en te lief-kosen. Ja die vrouw selfs betoonde hem wederliefde, Kroonen en bloemen hem aenbiedende, met meer andere dingen, die tot aenlocksels van de minne verstrecken meugen. Dese minne van beyde kanten een tijt langh geduurende, siet, soo quam de vrouw te sterven; den Olyphant en kon het niet versetten, en sijns sins en verstands niet matigen, raeckte hy ten laetsten in rasernye. Evenwel soo ontbreecken my gene exempelen van trouwe en eerlijcke liefde des Olyphants. Siet ’er hier een van. [Atheneus in sijn 13. boeck, cap. 30. Aelianus lib. 10. cap. 14.] Den Koningh Antigonus hadde een wijfken van een Olyphant: ’t gebeurde op een tijt, dat, in de belegeringe der stadt Megara, de vrouwe van een Indiaensche Olyphant-meester een Soon baerde. Dese, in de dringende oorloghs-beroer- [p. 157] ten, beval het kindt, in sijne tael, aen dese Olyphant Nicaea, want dus was haer naem dese Olyphantinne, (indien men soo spreken magh) nam het terstont ter herten, en ernstelijcken aen; en betoonde aen dit kindt alle de diensten, die een seer getrouwe voetster, of moeder soude konnen doen. Het kindt moest voor haere voeten nedergeleght worden; en indien het niet en geschiedde, soo en wildese niet eten, en betoonde yder een tekenen van gramschap en droefheyt: in tegendeel, soo gafse klare blijcken van vreugde, als ’er kindt sachjes voor haere voeten nedergeleyt was; en sy plagh dickwils ’t kindt te wiegen, om het te vermaken, of om in slaep te doen raken, of de mugge van hem af te keeren, dat sy seer fraey en vernuftigh kon doen: een tack van een boom soetjens over de wiegh met haer snuyt doende waeyen. En dese diensten bewees oock somtijds het mannekens Olyphant aen ’t selve kindt. Plinius gaet voort, en seght dat een Olyphant mede is
    Eergierigh. ] En voorseker dese eygenste genegentheyt is der menschen eygen, en onder dese, aen die, welcke meest uytblincken aen geest en verstand. Exempelen van Eergierigheyt hebben wy aen dit beest verscheyden. Ick sal ’er u een out exempel van vertoonen uyt Plinius; ende een ander, dat van verscher geheugenisse is, uyt Acosta. Plinius dan verhaelt: [Den Koningh Antiochus, seght hy, hadde een Olyphant, die Ajax genoemt wierde: (want alsoo worden sy onderscheyden, nae ’t voorbeeld van de menschen, en [p. 158] van de honden,die mede haere eyge benamingen hebben.] Dese Olyphant dan was dickwils, en leyder en voorganger van d’andere hoop: hy was genereus en moedigh, hoogh, en als Koningh munte hy onder dese Koninghlijcke trop uyt. ’T gebeurde dat ’er een riviere door te waden was; den ongeluckige Ajax, tot sijn verderf en ongeluck, en dorst het niet wagen. Want ter stond wierde ’er van de Meesters uytgesproken, dat die d’eerste van d’andere was, die de riviere soude doorwaden, dat die het gesach over en op d’andere soude hebben. Patrochus (soo heete een ander Olyphant) die hoorden ’et, en wade de riviere door. Hy verkreegh dan ’t gunt hem toegeseyt was, en wierd met silvere panden çieraet versiert, (diese seer beminnen) en als in de besittingh van ’t Oppergesagh en Meester gestelt. En onsen Ajax wiert terstont van desen onsen Ulysses arghlistigh t’ondergebracht: daerom hy den ouden Ajax slachtende, verkorte hem selfs het leven: en niet willende spijse genieten, storf willens en wetens van honger; de schand meer achtende als de doodt. Acosta seght en verhaelt ons, hoe dat, aen den oever dichte by Goa zijnde, een groot Canon-gestuck moeste uyt weegh gedaen worden: den Olyphant tijt ’er wel aen, om ’et wegh te brengen, maer hy en konde niet. Den Olyphant-Meester spreeckt hem toe, om hem aen te moedigen, hem twee jonger Olyphanten voor oogen stellende, die het souden doen, in dien hy het selfs niet en dede; hy dan waeght het noch eens om ’t te doen, en toont sulcken kracht, [p. 159] dat hy midden deur scheurde.] Siet dan hier, hy wilde den anderen d’eer afsteken, en ondertusschen benam hy hem selfs jammerlijcken het leven. Doch Plinius gaet voort, en vervolght sijn Olyphants-Lof; en voeght ’er noch hoogere speculatien by. Want, seght hy, in den Olyphant steeckt ’er mede in, die selfs in den mensche selden gevonden wordt, eene
    Oprechtigheyt, vromigheyt. ] Sijn er dan oock deugden in den Olyphant? meught ghy seggen: ick segge, deughden zijn ’er in. Selfs de beste en schoonste, die in de mensche te vinden zijn. En wat ’er van sijn vroomigheyt is, staet ontwijfelbaer vast. Want den Olyphant is een onnoosel, beschaemt en kuysch dier; hy heeft een goet vernuft, en een oprechte mondt. Wilt ghy dat hy alle, wilt ghy dat hy niemant en beledige, hy doet het? komt hy een mensch tegen? [Plin. in sijn 4. boeck] hy en neemt hem ’t leven niet; daer tegens toont ’em een goet herte; ontmoet hy eenigh ander dier hy gaet het voorby: ja selfs in de Vecht- seelen en tonneelen soud ghy hem niet kunnen porren andere te beschadigen, ten sy saecke dat ghy hem terghde, en met gewelt aenhitste. Hy is wonderlick vroom omtrent sijne Meester en leyders. [Strabo 15.] dewelcke sy somtijdts, alsse door haer, in de woedende hitte en rasernye, waren ter doot gevelt, soodanigh hebben betreurt, datse sich selfs van honger lieten sterven. Soodanige Vroomigheyt betoonen sy oock omtrent haere jongen: dewelcke sy, [Aelianus lib. 6. cap. 15.] de jagers haer hart [p. 160] dringende en najagende, evenwel niet en verlaten, of sy willen selfs duysent-mael liever gevangen, en gedoot worden, als hare jongen. Voeght erby, datse den ouden eere en respect toedragen: en de jonge wijcken de oude aen plaetsen, en van spijs en dranck te nemen; hiertoe aengedreven door haere goede aerdt, veel meer, als door de wetten van Lycurgus. Noch set hy ’er by, haer schaemte en kuysheydt: want sy en paren haer niet t’samen, ten zy bedeckt, en in diepe bosschen, en dit noch seer selden. Want dat Plinius en Solinus verhalen, datse niet meer dan eenen baren, en maer een te gelijck; de reden is ’er hart tegen: want genomen, datter maer een van tween geboren wierden, dese soorten van beesten soude al over langh afgenomen hebben, ’t getal verminderende. Evenwel soo schrijft Aelianus in sijn 8. boeck, cap. 17. datse maer eenen ’t wijfken bespringen; echter hy en verstaet Aristoteles niet wel, of heeft hem qualijck gelesen: want in ’t 5. boeck van de Historye der Dieren, in ’t 14. cap. seght hy aldus: [Dat het manneken niet meer als eenmael ’t wijfken bespringht, dat hy eens besprongen heeft, maer dat hy echter een ander bespringht. De wijfkens dragen twee jaren langh, doch baren niet meer als een t’seffens.] Strabo schrift oock van hare bespringingen, en geboorte, met meer voorsichtigheyts, en waerheyts. Plinius doet ’er by, haer Vernuft. ] Ick breydtse hier niet wijder uyt, als genoeghsaem daer van geleert en geseght hebbende, toen wy van hunner scherpsinnigheyt en verstant spraken.[p. 161] Evenwel soo toonen sy deselve seer eygentlijck. in de toebereydinge van hare slachordeninge; en wanneerse ’t’water moeten doorswemmen, hare vervolgers met een tand uyt te breken, te doen staken: sier hier van Plinius, Philostratus, en Aelianus. Hier op volght hare
    Rechtveerdigheydt.] Dewelcke sy in haer, en in andere beminnen. Selfs ontdecken sy de schelmstucken, en wreken selfs het onrecht, anderen aengedaen. Ick en sal u de twee Historyen van Aelianus hier niet verholen houden. Hy verhaelt dan in sijn 10. boeck, cap. 15. Hoe te Romeņ gebeurde, dat, regeerende Keyser Tyberius, [dat de vrouw van den den Olyphant-Meester, ter quader trouwe, met eenen anderen de hoer speelde: den Olyphant siet het: hy en verdraegt niet het ongelijck sijnen Meester aengedaen: hy loopt ’er na toe, en met de tanden doorstoot hy se alle beyde onder hare omhelsingh; en voor sichtiger wijse, laetse beyde dus t’samen gekoppelt by malkander leggen: en daerna de Meester t’huys komende, ’t deken afgedaen, toont hy hem dit seltsaem spel, en hem, dat hy ’er de wreker van was.] Dit is wel tot waerschouwinge van eenen vroomen Meester: ’t is waer: Maer dien eygensten Autheur, in ’t 3. boeck, cap. 17. heeft ’er mede een exempel van eenen Olyphant, maer tot smaet des quaden Meesters. [Een Olyphant-meester is ’er geweest, die een hoeren-jager was; en hy en was niet vernoeght met de gestole minne; en da thy sijn eyge vrou om hals gebracht, en by de kribbe deses olyphants begraven had- [p. 162] de: hy trouwde terstont een andere. Den Olyphant hiel dese daer niet verborgen; hy trock ’t nieuwe wyf met gewelt daer na toe: met snuyt en voeten trapten hy, en vertoonde, hoe het lichaem van de begrave vrouw daer lagh; en met een, hoe, en aen wien sy gehouwt was]. Dit streckt immers over de mate, tot Lof des Olyphants.
    Religie:] Dewelcke alle de ouden aen den Olyphant toeschrijven. Met water gewijt, de opgaende Sonne van hem aengebeden te worden, getuyght Plutarchus in sijn boeck, welcke Dieren meest te achten zijn, en Aelianus in sijn 7 boeck, cap. 44. die ick als gewisse getuygen kan voortbrengen: Plinius, en Aeianus, lib. 3 cap. 10. schrijven, datse de nieuwe Mane aenbidden: Maer ’t gaet mede de Religie aen, datse de dooden van haer geslachte begraven, en, voorby-gaende, aerde daer op werpen. Die selve Aelianus heeft dit schriftelijck naegelaten in sijn 10. boeck, cap. 49. Siet daer, mijn lieve Haurenus, Menschen heb ick tot Olyphanten gemaeckt. Soo veele de Spraeck, de Reden, d’Affectien, en Deughden aengaet: Wat is ’er meer overigh, als dat tot d’Olyphanten schier voor Goddelijck uytmaeck? want sy konnen waerseggen: en Oppianus seyt van dit Dier:
Dat ’et een Goddelick hert in sijn borst heeft,
en voeght ’er noch by, datse van te voren kunnen weten hare laetste uuren, in ’t 39. boeck. Dion. Seght wat meerder; Dat de wetenschappen van hemelsche dingen haer verçiert: Want, seght hy, [p. 163] sommige seggen mede van haer, dat sy, behalven dat se de Landspraeck verstaen, oock selfs weten ’t geen in den hemel gedaen wort. Echter sommige seggen ’et; op dat ick u en mijn selfs niet en bedriege. Hier hebt ghy ’t spel, dat ick gisteren onder de wint, niet ongeluckigh uytwrochte: ick twijffel niet, of daer zijn er veele ernstige en waerachtige saken inbegrepen: doch sommige boven de waerheyt: en ick sal licht met u gelooven, dat de ouden met soo goeder trouwe zijn omgegaen, om de waerheyt daer van te hebben: dat stae ick u toe: want wie sou soo sterck zijn, om een pack te dragen, dat hy draeght, al ’t geene hem opgeleydt wierde? Doch is ’er soo veel quaets oock niet in bedreven, al komt ’er schoon iets onwaerachtigheyts onder; want het zijn kleyne, onnoosele vertellingen, en den hemel die duldende, uyt lacchen maer voortkomt, den welcke soo hy u niet aengesien heeft nu ter tijdt, dat ghy dit leest, soo belast ick u voortaen den toenaem van dien ouden Crassus te voeren. Vaert weder wel.
Continue
[p. 164]

Lof van het

SLYCK,

door

M. ANTHONIUS MAJORAGGIUS.

IN seer vele dingen kan men de onwetentheyt, en de duytsterheyt des verstants, in ’t onkundig graeuw, en in den meesten hoop der menschen, klaerlijck sien en bemercken. Mijne Heeren, en Toehoorders: want deselve zijn schier in alle dingen van een soo vermeten en behendigh oordeel, en laten haer hunne gedachten soo vervoeren, dat sy dickwils lasteren het geene het allerprijslickst behoorde te wesen; daerentegen keuren sy die dingen voor goet, en loflijck, welcke seer te misprijsen, en voor quaet te houden zijn. Waer wert ’er een gevonden, die liever de heylsaemste, als wel de lieffelickste dingen kiesen sal, en in die sich vermaken? of die liever sijne gesontheyt door ’t middel van de matigheyt; als de Sieckte door ongeregeltheyt, en een onmatigh leven, soeckt, en ’t sich selven aenbrenght? Soo gaet het oock met de opinien, of met het gevoelen en oordeelen der menschen. Elck wert getrocken na hem sijne gedachten en sinnen leyden; prijsende die dingen die hy acht heerlijck te wesen; en de contrarie lakende: doch seer weynige [p. 165] vind men van die, welcke te recht de natuure en eygenschappen der dingen insien, en doorgronden: siende alle na ’t gene hun nu schijnt nut en Voordeeligh te wesen, met alle kracht daertoe gedreven wordende; maer sulcke dingen, die verre uyt en van haer sinnen en gedachten zijn, sienze soo naeuw, en met sulcken yver niet in. Vermits dan de menschen met soo veelerley en verkeerde oordeelen ingenomen worden, en al soo licht bedrogen; soo hoort men niet van stonden aen een soodanige rede te verwerpen, en te verachten, welcke met het gemeen gevoelen der menschen strijt: want, alhoewel datse in ’t eerste beginsel, om haer ongemeenheyt, wat ongerijmt schijnt, soo valtse echter, ten meestendeel, seer voordeeligh en vermaecklick ruyt. Maer ick weet dat ghy mijner vermaninge niet van noden hebt, vermits ick bespeure, dat ghy al met verlangen verwacht niet sonder een blijck van een ongemeene lust en verheuginge te toonen, wat ick van dese nieuwe en wonderlijcke stof, dat is van ’t SLYCK, die verwerplickste en slechtste saeck, soo ghy die selve misschien houd, te seggen, en aen te mercken hebbe, om u ’t selve in deser uure voor te dragen. Want soo is ’t eygentlick by ons gelegen, dat een onverwachte groote nieuwigheyt gemeenelick onse gemoederen eerder oprecht, en aenlockt: dewelcke, indien sy soodanigh is dat sy, aengehoort wesende, deselve bewegen kan, soo wercktse in ons ofte een ongemeen groot genucht en vermaeck, of een diergelijcke droefheyt en smerte. En wat [p. 166] my nu tegenwoordigh aengaet, mijne Heeren, dit sal, by dese gelegentheyt, alleenigh mijn oogenmerck wesen, dat alles, wat ick voortbrengen sal, niet alleen tot vermaeck en lust, maer selfs oock tot verwonderingh strecken sal. Ben ick dan soo geluckigh, dat ick uwe genegentheyt en goedgunstigheyt t’my waert bespeuren sal, soo trachte ick, in waerheyt, daer heen, dat ghy verstaen sult, niets kostelicker, niets edelder, niets nutters, en eyndelijck niets nootwendigers te wesen, als ’t SLYCK: soo dat ick vastelijck vertrouw, ghy uwe eens gevatte en dus langh gehoude meningh, vrywilligh sult laten varen, hoorende, door wat wichtige reden en krachtige motiven, die my de waerheyt sal ter handt stellen, ick deselve om verre stooten, ja t’eenemael uytroeyen sal. Dit doende, sal klaerlick blijcken, dat veele treflicke vernuften, grootelicken te berispen zijn, denwelcken, hebbende konnen door hare welsprekentheydt, ’t menschelick geslachte van dese mislicke dolingh bevryden; dat alsoo een heerlicke saeck, als het Slijck is, niet verachtelick, nochte verwerplick en scheene te zijn, hebben liever haer tijd en uure verslijten en wenden willen in ’t prijsen eeniger kindtscher stoffe; den eenen de derdedaeghsche Koortse; den ander een kaleplatte, of een kael hooft; den derde de vliege of mugge; en den vierden wederom ick en weet niet wat belacchelijcx voortbrengende, en in openbare vergaderingen ten hemel toe verheffende. En nu onlanghs heeft men gesien, en gehoort dat [p. 167] eenen de Sotheyt: ja een peert, vliege, of torte, darde prijsen; ja selfs den Esel met lof verheffen. Dewelcke lof-tuytingen, over soodanige ongerijmde stoffen geblasen, onder den gemeenen man uytgestrooyt zijnde, soo was ’er een van den hoop die uytriep: Dan magh men met eeren oock het Slijck prijsen, want anders is ’er niet overigh als ’t selve. Dit woort nam ick op, als die doch overlangh des Slijcks deughden en nuttigheden by my overdacht hadde; en toe die goede man noch dese woorden byvoeghden; Misschien soude dit een redelicker stoffe zijn, om te prijsen: toe nam ick deses vernuftigen mans reden noch meer ter harten, en prees sijne meeningh, ja sijn oordeel, grootelicx. Want waer toe sijne welsprekentheyt of vernuft ten toon te stellen, waer het niet van nooden is? Daer hoort en moet men de krachten sijner welsprekentheyt toonen, al waer men onnoselen, en onschuldige zielen van onrechtvaerdige beschuldingen bevryden kan: of, waer dat quade, valsche en averechtsche meeningen en oordeelen uyt ’t herte der menschen kunnen uytgeroeyt worden: dewelcke somtijds groote onheylen baren, gelijck Socrates by Plato seer wijselick redenkavelt. Dese rede heeft my dan meest bewogen, om tegenwoordigh van dese stoffe te handelen, op dat dese valsche en oude meeningh, en dat onrechtvaerdigh oordeel der menschen, aengaende het noyt genoegh volprese Slijck, eens weghgenomen werde, en datse nu verstaen, dat dese stof, ick segge het Slyck, die soo langh verborgen gelegen heeft, in de [p. 168] gedachtenisse van alle eeuwen herwaerts, in nuttigheyt en voortreflickheyt, alle andere, die onder de Sonne gevonden werden, overtreft, en seer verre te boven gaet. Dit, hoewel het eerst ongelooffelijck ymand sal voorkomen, niettemin, als men mijne redenen sal naerstigh overwogen hebben, soo sal klaerlijck blijcken, dat yder een deselve, van selfs aennemen, en voor bondigh en rechtmatigh verklaren sal. Voor eerst dan soo sal ick des Slijcks heerlicken oorspronck tonen; Dan sal ick van sijn voortreffelickheyt, en eyndelick van sijn nuttigheyt handelen. Sijn oorspronck is soodanigh, dat het in outheyt en voortreffelickheyt overtreft alles wat ’er op aerden oock voor stoffen meugen zijn. In ’t verklaren van dien, soo ick wat van verre begin, ende geheugenisse der outheyt hervatte, ick bidde, mijne Heeren, my ’t selvige ten goede te houden; want de grootheyt van de saeck vereyscht sulcx, die niet toe en laet, dat ick mijne rede soo kort en make, of afbreke, als ick wel wenschte. Eer dat de ronde hemelen omdraeyden, en ’t menschelick geslacht voort gebracht wierden, en dat er noch geene dieren of beesten op aerden waren, nochte kruyden of boomen, eyndelijck selfs geene gestaltenisse of fame van die dingen, die uyt der aerden wassen; soo was de natuur en eygenschap van de vier Elementen, (die alle dingen voortteelen,) als Aerde, Water, Lucht en Vuur, gemeen, en vermenght; en konde ’t een voor ’t ander niet onderscheyden worden; hoewel sy in alle deelen [p. 169] veel van malkander verscheelden. Want: De koutheyt streed met de warmte; de nattigheyt met de drooghte; de weecken met de harde; de sware met de lichte. Doe sagh de oneyndelijcke en eeuwige Raedt Godts, na sijne ondoorgrondelijcke wijsheyt, wat heerlicker dingen in dese vier stoffen staken, indien ’er slechts een bequame en geschickte Werck-Meester by quam. En nademael Godt de Heere selfs de treffelijckste en bequaemste Werck-meester was, soo nam hy dese stoffe, welcke nochte stille, of rustende waren; maer, als stadigh swemmende, en sich boven- maten beroemden: en uyt onordertlijck, diese waren, maeckten en schickten hyse in bequame en noodige ordre: want dit oordeelden hy ’t voortreffelijckste te zijn. De bovenste, of hooghste plaetse gaf hy aen ’t Vuyr, siende dat het ’t lichtste van allen was; den naeste daer aen aen de Lucht; de darde aen ’t Water; de vierde en laetste, in ’t midden van de geheele werelt, waer alle sware dingen na hellen, gaf hy der Aerden in; alwaer, of liever, uyt dewelcke den oorsprongh van allerley levende, en oock niet levende, stomme en sprekende stoffe, en materyen spruyten; van hier komt het leven, en den ondergangh; hier verandert en verkeert ’t eene dingh in ’t ander, door een stage en geduurige verwisselinge, en veranderinge: Want alle dingen spruyten uyt der aerden voort, en keeren wederom tot aerde: en also dickwils verandert, vergaet, en wederom voortkomende, als door schielicke veranderingen, so duuren sy eeuwigh. [p. 170] Hier hoor ick yemandt tegenwerpen, waer toe dit verhael? waer toe gerept van soo oude saken, die ouder zijn als Saturnus? waer toe kan dit alles strecken tot Lof van uw’ Slijck. Echter, mijne Heeren, nu sult ghy hooren, dat ick sulcx niet te vergeefs gesprooken, ofte de saeck van hooger hand begonnen heb, als daer toe groote en wichtige redenen hebbende gehadt. Want die stoffe, die wy aerde noemen, en de voortteelster en moeder van alle dingen, aen dewelcke de eerlijckste plaetse van allen, namentlick, in ’t midden, gegeven is: die ons voortbrenght voedsel, en onderhoudt; dewelcke eyndelick, niet alleen der menschen, maer selfs der onsterffelicke Goden aengenaemste wooningh is, anders niet als Slijck is, en ’t uytvaeghsel selfs des Hemels, en aller anderen Elementen. Want Godt hem voorgenomen hebbende, de werelt met allerley goederen te vervullen, en niets quaets onder te mengen, en dat sy opgepronckt werde, soo heeft hy haer de bequaemste plaetse van alle gekeurt, namentlick in ’t midden, al waer de voort-teelinge geschieden soude; waer na toe den Hemel selfs, en alle andere Elementen, lichtelick haer goederen nae toe senden, en de voedtsels aengenomen, en wederom gegeven mochten werden. Deshalven is ’t, dat alle sware en vaste dingen door ingevinge ende ordre van de Natuur, de middelste plaetse der werelt soecken: en al ’t geene swaer is, kan nergens anders bestaen, als in ’t midden; want uyt de natuur, wort altoos, ’t geene swaer is, gedruckt: [p. 171] maer wie ontkent, dat het Slijck niet ’t allerswaerste is; en dat het daerom nootsakelijck in ’t midden des werelts geduurigh leggen moet? Dit dan d’eygenschap van ’t Slijck wesende, soo kan men lichtelick een besluyt maken, dat de aerde anders niet en is dan Slijck. Houdt het my ten goede, mijne Heeren, indien ick al teveel op sijn Philosoophs rede-kavele. Want hier in alleen leydt de heele saeck; waer uyt, of waer van het Slijck oorspronckelick voortkomt; of wat wy daer voor houden dat het zy: ’t welck eenmael terecht verstaen zijnde, soo sal al ’t geene daer aen-hanght, seer lichtelick kunnen begrepen worden. Doch laet ons tot de sake wederkeeren. Nademael dan de aerde, in de çierlickste plaetse, dat is, in ’t midden, is, als de Philosophen spreken; en alle de andere dingen rontom haer heen zijn, en haer, als hare wachters, (om soo te spreken) bewaren; en al wat sy voor gift en onreynigheyt hebben, haer overlangen, om te genereren, en voort te teelen. Soo en twijffelt niemant, of de aerde is in ’t geheel, of ten grootsten deele ’tuytvaeghsel de randere lichamen, en alsoo Slijck. Maer op dat ons niet ’t selvige gebeure, dat de Sophisten wedervoer, die uyt dingen die bewijslijck schijnen te zijn, en doch in der daet niet en zijn, haer reden soecken te beweeren, en vast te stellen; soo moet men uyt de allerbequaemste schrijvers soecken, en vinden, wat het Slijck eygentlijck zy ’t welck anders niet en is, als de natuur en eygenschap van een duystere, verwarde, of ingewickeld [p. 172] sake te verklaren: want, soo doende, sullen wy lichtelick vinden ’t geene wy soecken. Maer, van menschen gedencken af; wat treffelicker schrijver is ’er geweest, dan Plato? wie verstandiger? wie wijser? Ick houde daervoor, dat elck woort door hem geschreven, of gesproken, waerdigh is om met honderde van anderen vergeleken te worden. Dese dan, die wel de beste Meester is in de beschrijvingen van elcx natuur en eygenschap, in sijn boeck Thaetetus genaemt, in de persoon van Socratis, dien hy altoos, (als eenen der bequaemste) invoert; beschrijft het Slijck op dese maniere: Te zijn aerde met vochtigheydt doormenght. Dus sien wy de heerlijcke natuur van ’t Slijck te wesen, aerde en vochtigheyt; soo dat de vochtigheyt des Slijcks vader, de aerde de moeder is. Maer wie is ’er soo onwetend, onervaren, en soo plomp, die nieten wete of verstae, hoe voortreflick dat de aerde, en de vochtigheyt zijn? Want dat is dese vochtigheyt, de welcke Godt de Heere, na de scheppinge aller dingen, der generatie en voort-teelingh aller schepselen heeft voorgestelt, dat, sonder der selve macht en ontsach ter werelt niets voortkome: dewelcke niet alleen aen die dingen, die uyt der aerde wassen, maer oock aen die geduurige vuyren, die wy starren noemen, tot een voedtsel streckt. Want meest alle Philosophen zijn van dit gevoelen, dat de Son, Maen, en alle de andere Sterren, door de vochtigheydt gevoed worden. Wat van soodanige voortreffelickheyt is de vochtigheyt, dat de aenbidders Gode, [p. 173] door deselve alleene plegen te sweeren, vresen de deselve op haer verstoort te gevoelen: seer wel verstaende, hoe veel sy by Godt vermagh; als dewelcke haer soodanige een last en officie heeft gegeven datse alles teelt en voedt. Daerom oock den allerwijsten Man Thales Milesius, rond uytgesproken heeft, dat de vochtigheyt de vader is van alle dingen. Maer, wat sal ick van der aerde seggen? de welcke niet alleen der menschen, maer selfs der Goden moeder geseght wert te zijn. Hierom is ’t dat wy lesen, dat’er so vele Kercken doorgaens aen der aerde zijn gewydt geweest; en dat sy is van de hooghste Goden selfs ge-eert en in waerde gehouden geweest. Doch mijn voornemen en is niet alle de Loftuytingen en waerdye, soo van de vochtigheyt, als van de aerde, te verhalen; die ontallick en oneyndelick zijn, nochte u, soo ick meene, onbekent. Genoegh doe ick, voor dese reyse, als ick blijcklick toon, dat het Slijck van soo voortreffelicke en heerlijcke Ouders voortgekomen is, alsoo wy dat doorgaens in de heylige Schriftuur lesen; die lust, die ondersoecke deselve. Te recht magh sich het Slijck beroemen, uyt dit gestacht, uyt desen bloede sijnen oorsprongh te hebben. Laet ons nu oock sien de uytnementheydt en heerlickheydt des Slijcks selve; die soo groot zijn, dat het niet alleen sijne ouders, der vochtigheyt en der aerde niet en wijckt, maer dat het deselvige seer verre overtreft. Want schoon, als ’t geseght is, de vochtigheyt der teelingen der schepsels voorstaet, en sonder desel- [p. 174] ve niets en wort voort-gebracht; niettemin, soo soude hare macht niet veel gelden, indien, deselve met de aerde vermenght, niet eenige plaetse voort en brocht, van dewelcke dan alle dingen herkomen. Want wie en verstaet niet, dat er niets gevonden wert, of het wort uyt het Slijck voortgebracht? Neemt my het Slijck uyt dit wonderbaerlicke Geba des werelts; dat sal niet alleen zijn na ’t spreeckwoort, ’t jaer van de lieffelijcke Lente-tijt berooven; maer de Sonne uytdoen, of de Goden den Hemel uyt jagen. Want wat soud ’er wesen wat soud er voortgebracht werden? wat soud ’er geboren worden? Wie siet niet, dat alle dingen terstont, wederom, vergaen souden? Want, waer van daen soud’ ’t geslacht der menschen gegenereert worden? Van waer souden soo vele aerdsche dieren, visschen, vogelen, &c. voortkomen? soo veleboomen, kruyden, bloemen, planten, vruchten, en Kooren? Moetense niet alle aen ’t Slijck voor-eerst ’t leven, daer nae de macht om te leven, danck weten? Want indien alle dingen, gelijck de Philosophen leeren, in het selvige verandert, en verkeeren, uyt het welck sy eerst voort-quamen; en wy sien alle dagen, dat alles wat vergaet, wederom Slijck wert: voorwaer, soo moet ’er nootsakelick volgen, dat het Slijck het eerste beginfel is van alle dingen; waerover wy (voorwaer) niet twijfelen en moeten, ’t en zy wy t’eene-mael outaert, en verstockt zijn: Want wien is ’er onbekent het geene de wijsgeere soo dickmaels in hare schoo- [p. 175] len herhalen, en leeren, na dien grooten en scherpsinnigen Natuur-kundiger Aristoteles, dat den ondergangh en ’t verderf van een dingh, sy den oorsprongh en generatie van het andere. En hoewel de Philosophen in vele andere dingen oneenigh zijn, ja tot vechtens toe, soo zijn sy evenwel hier in dese maximen, en voorverhaelde stellingh, wonderlick eens, en eendrachtigh Nu dat den ondergangh en verderf van elck dingh, by ons Slijck genoemt wert, is niemant onbewust; uyt het welcke dat alles voortkomt, na dat de Philosophen getuygen: soo is ’et evensoo veel, als of sy met de helderste en klaerste stemme seyden, dat het Slijck de vader is van alle dingen. Wat kan hier tegens by gebracht worden? Wy en verçieren geen valsche argumenten, of besluyt- redenen, om soo een klare waerheyt te bewijsen. De natuur stelt ons de rede ter hant: die houdt ons wat te rugge, en wil dat wy hier wat blijven staen, en dese dingen wat naerstiger ondersoecken: sy wit desen misslagh uyt de gemoederen der menschen t’eenemael uytgeroeyt hebben; en dat de deughden en het lof des Slijcks, yder een bekent en ruchtbaer gemaeckt werde: dat men eens op houde qualick daer van te spreken: en de vader en oorsprongh van alle dingen, eeren, loven, en prijsen. Gelijck nu een Pottebacker uyt potaerde sijne vaten formeert en maeckt, even al soo de goede Natuur, die Godt selve is, gebruyckt het Slijck tot de scheppingh van alle dingen. Daerom soo seyde dien vroomen en [p. 176] heyligen man Agapetus, schrijvende aen den Keyser Justinianus, dat niemant hem beroeme van de edelheyt sijnes geslachtes, want in de geboorte en is ’er geen onderscheyt: want alle, seyt hy, soo wel Koningen als Keysers, en die van geringe en onruchtbare stam en bloede zijn, hebben alle eenen en den selven vader, namentlijck Slijck. Maer waer toe veeler getuygenisse by te brengen, nademael ons de heylige Schriftuer, Gen. 2. Helder en klaer getuyght, dat de eerste menschen van Slijck genomen zijn? ’t Welck insonderheyt van de mensche aengemerckt wort; niet dat sy alleen van Slijck zijn, maer om dat ’er niemant en ware, dien sijn oorsprongh onbekent en soude zijn: ’t welck Homerus, den vader aller wijsgeeren, seer wel schijnt begrepen en verstaen te hebben; die man segh ick, van den welcken alles wat nae geleertheyt en deught smaeckt, voortgebracht is; die in sijn sevende boeck van Ilias, Menelaus, der Griecken nalatigheyt en luyheyt bestraffende, dat niemant dorfde tegens Hector ten strijde gaen, die alle hooft voor hooft uytdaeghden, dese woorden spreeckende invoert: Maer ghy alle wort tot water en aerde. Want hy wenscht dat sy vergaen, en sterven sullen, en daerom wenscht hy haer, datse in aerde en in vochtigheyt veranderen, dat is, in ’t selvige verkeeren, uyt het welcke sy gemaeckt waren: want alsoo leyt die scherpsinnighste Philosooph Alexander Aphrodisaeus, de meninge van Homerus uyt: Uyt aerde en uyt vochtigheyt, seyt hy, komen [p. 177] alle dingen voort; en alle dingen veranderen wederon in deselvige stoffe. Van ’t selve gevoelen was mede Epicharmus Siculus, seggende: Hy is gegaen, waer van daen hy gekomen was: de aerde nae de aerde, de Ziele om hoogh. Endelick seyt Aristoteles, dat degene, welcke sich voor knechts en dienaers wilden uytgeven, aerde en water haren Heere en Meester plachten te langen, als dewelcke haer ontsloegen van ’t recht van alle dingen.
Dit alles soo gelegen zijnde, mijne Heeren, soo sien wy wat een wijt veldt sich ons open doet, om tot lof en eere van het Slijck, wijtloopigh, deftigh en heerlick te spreken. Want alsoo, gelijck alle de geleerde daer voor houden, alles wat kostlick, heerlick, nut, oorbaer, en uytmuntend is, uyt aerde en vochtigheydt gegenereert wort, en dat wy selfs (’t welck ’t meeste is) met de andere dieren, uyt aerde en vochtigheyt bestaen; en dat de aerde met vocht vermenght, Slijck is; wat voor soo een heerlick verstant, wat welsprekende tongen kan ’er gevonden worden, die het minste gedeelte, dat tot lof van ’t Slijck dienen kan, nae waerdye verhalen magh? Want, worden die geene gehouden iets groots verricht te hebben, welcke eenige kostlijcke saken, als-silver, gout, of yets diergelijcx, nae waerdye en heerlick uytgestreken te hebben; wort ’et voor een seer sware saeck geoordeelt, heerlijcke fraeye dingen, nae behooren en na de konst gepresen, en als uytgeschildert te hebben; wat sullen wy van die houden, welcke in ’t Lof van den Slijck [p. 178] de krachten hares verstands geluckelijck aengespannen hebben welck alleen alles t’saem vervat: Want alle die sijne voortreflickheyt by sich selfs overwegen sal, sal bevinden, dat het vry iets grooters is, als de menschen haar selfs van de saeck inbeelden: of, als eeniges menschen welsprekentheyt vatten kan, het Slijck, te recht, en na waerdye, fraey uyt te beelden, en te prijsen. Om dese saeck wel en volkomentlijck uyt te wercken, en is de lieffelicken Isocrates niet machtigh genoegh daer toe; nochte den scherpsinnigen Lysias; nochte de vernuftige Hyperides; nochte den luydsprekende Aeschines; nochte den krachtige Demosthenes: hier moet nootsakelijck eene Goddelicke kracht en welsprekentheyt bykomen, dewelcke noyt gehoort, noyt bekent, noyt uyt gedachte ofte sinnen geweest en is. Want wy en moeten tegenwoordigh hier niet alsoo handelen, als wel in andere reden kavelingen pleegt te geschieden: men moet hier sijn verstant wat hoger laten klimmen: wat wijtlopiger sijne reden uytvoeren, en met meer aerdigheyts. Andere Redenaers plegen, om hare reden eenige fraeyen schijn en glans te geven, eenige gelijckenisse by te brengen, om te toonen, dat die saeck, diese nu loven, vry wat meer en heerlicker als een andere, die oock evenwel pryselick is; door welcke t’samen, of liever tegenstellingh, hare rede vry wat weytscher en heerlicker schijnt te wesen. Maer wat dingen, wat saecken onder den Hemel, wort ’er gevonden, die soo heerlick, soo voortreflick, soo raer, en [p. 179] kostelick is, die met het Slijck konnen vergeleken worden; of vergeleken zijnde, niet terstont het allerslechtste en verachtste dingh moet gehouden werden? Stelt u voor oogen, wat oyt helder blinckt, en kostelick is: silver, paerlen, en edel gesteenten. Wat komt u niet terstont in gedachte van waer dat dese heerlicke dingen voortkomen? Hebben wy niet een weynigh van te vooren geseyt, dat alles wat op aerde voortkomt, uyt het Slijck voortkomt? Al ’t gene de menschen met verwonderingh aenschouwet, en lieven meerder als haer eygen leven, en datse met sulcke sorghvuldigheyt bewaren, haer geld, hun schatten, rijkdommen, middelen, &c. wie ’t alles wel overweeght, sal bevinden, dat het in waerheyt Slijck is. Hoe ongerijmt sal het dan wesen, soo ymant eenige vrucht uyt ’et Slijck voortgekomen, souden willen vergelijcken met het Slijck, den vader aller dingen selven: Ey wat! wie sou noch aen de uythementheyt des Slijcks willen wijffelen? Wie soud’ niet tot den Hemel toe willen verheffen hoorende, dat van het Slijck soo veele uytmuntende mannen, ja Keysers, Koningen, en soo veele heerlicke verstanden, soo veele Wijsen, soo veele Philosophen, voortgekomen zijn. Wat segh ick? souden niet soo veele fraeye gebouwen, groote steden, kostelicke en Adelicke huysen, t’eenemael niet ter neder leggen, ja men soude niet meer weten waer sy gestaen hadden, indien het Slijck niet en ware. Ja, dat ick oock de geringhste dingen niet voorby en gae; de Kruyden, soo heyl- [p. 180] saem voor des menschen gesontheyt : ’t Koren, de ooft en vruchtdragende boomen , komen sy niet alle van het Slijck? Hoe vele soorten van dieren, soo verscheyden, en soo fraeyen? hoe verscheyden is de Natuur? hoe veelerley aert en gestaltenisse van menschen? Alle dese dingen teelt het Slijck, voed en queeckt haer op, en verheugtse. O ondanckbare menschen dan! ô verfoeylicke trouloosheyt! ô t’eenemael verdoemelijcke sinnen! Soud ghy dan ’t gene u voortbrenght, voed, opqueeckt, en verheught, verachten, en met voeten treden, en over den necke aensien? Sonder dewelcke ghy niet eenen dagh soud kunnen leven; dat verwerpt ghy van u, als een seer verachtelicke saeck? ’t gene de oorsaeck u is van te leven, en dat gesicht, dat sult ghy niet lijden dat by u eens genoemt, of voorgestelt en worde? ’T gene u alle voordeel, alle wellusten verheuginge toebrenght, dat verwerpt ghy van u wegh; drijft het, ja roeyt het uyt: wat boosaerdigheyt? dwase menschen, het Slijck verachtende, soo en verstaet ghy niet, dat ghy alles, wat goet is in de werelt, veracht. Ghy en siet niet, dat ghy uwen vader veracht, als ghy het Slyck veracht. Ghy en denckt niet op uwe scheppingh, waer uyt ghy geboren zijt, uyt wat stoffe genomen. Godt formeerde, of maeckte den mensch uyt leem, of Slyck der aerde, seyt Moses Gen. 2. Siet dan hoe uytmuntenders, als ghy zijt, het Slyck is; en siet hoe lager ghy zyt, als het Slyck. Wat braveert, wat verheft ghy dan noch u kam boven het Slijck? Hoe doet ghy u hoorens voor den dagh? hoe [p. 181] pracht en praelt ghy dan noch? Ghy zyt uyt leem, uyt Slijck genomen. Verstaet ghy dit wel? overweeght ghy dese saeck te deegh? erkent ghy uwen vader? Ghy, hoovaerdigen, erkent nu uwen vader; veracht hem niet, van wiens geslacht ghy zijt: eert die u ’t wesen gaf. Houd ghy op u selven yets, gevoelt ghy eerlick van de generatie der dingen, en houdt ghy yets voor eerlick, en oirbaer in de werelt te wesen; waerom houd ghy niet dit voor het eerlickste en nutste, van ’t welcke alle dingen gekomen zijn? De menschen zijn van het Slijck gekomen, de beesten oock, de boomen, ’t koren, kort, alles wat ’er oyt in de wereldt gevonden wort. En soud’ noch yemant twijffelen, dat voor het kostelijckste te houden, van ’t welck alles wat kostelijck is, voortgebracht is? Wy komen van Slyck, wy leven in Slyck, wy worden van Slyck gevoedt, in Slyck sullen wy wederom keeren. En hierin en verschelen wy niets van de Scarbotsen, en evenwel erkennen wy de uytstekentheyt van ’t Slyck noch niet: ja wy verwerpen het als het onsuyverste dingh ter werelt. Waerom? om dat wy verleydt worden door onse sinnen, en onderscheyden niet nae behoorlickheydt, de dingen: maer wy omhelsen de andere dingen; als, goudt, kleedingen, koren, geld, &c. en bewarense met sorghvuldigheyt: waerom? Getrocken door de tegenwoordige nuttigheyt. Maer, van waer alle dese saken, die wy soo begeerigh omhelsen, van daen komen, daer op en denckt niemant. Wat is ’tgene, ghy in ukiste, met hondert sleutels voor- [p. 182] sien, bewaert? Slijck. Wat is, dat ghy soo sorgvuldigh in uwe schuuren vergaert? Slijck. Wat bewaertghysoovlijtigh inuschappraey, en in u vaten, of kelders & Slijck. Kort geseyt, alles wat ghy mint omhelst, en bewaert, waer van ghy gemaeckt zijt, waer mede ghy u kleet, en voed, dat is Slijck. Gaet nu, en ontkent, of verwerpt dan ’t gene, sonder het welcke ghy niet zijn kunt, ten sy ghy t’eenemael van hier na de andere werelt verreysenwilt. En in u selven, is ’er niets voor treffelijcker als het Slijck, behalven de redelijcke Ziele, door Gods genade de mensche medegedeelt: dewelcke soo sy goet is, en begaeft met allerley ware deughden; soo en is geen twijffel, of sy is Goddelijck, geluckigh, en gelucksaligh. Maer isde quaet, en vol lasters, soo isse niet alleen geringer te achten als Slijck, maerselfs ook minder, en ver beneden alle de verachtste en flechtste dingen. Alles wat ’er overigh is, alle andere saken veranderen, door een geduurige verwisselinge wordense voortgebracht, en vergaen wederom; en ’t is het Slijck alleen die alle dese veranderingen veroorsaeckt: Derhalven siet ghy, mijne Heeren, wat toegangh ick hebbe tot de verbreydinge des lofs, en der deught des Slijcks, en wat een wijden veldt sich open doet, daer in ick mijne reden vry kan uytbreyden. Evenwel om alles voor den dagh te halen, wat geseght kan worden, dese stoffe aengaende, en is mijn voornemen niet, en al was het, soo soude ick ’t doch niet doen kunnen, maer onder dese last moeten leggen blijven. Want die met alle [p. 183] volmaecktheyt het Slijck verçieren wilde, die soude moeten door alle de prijselickste dingen der werelt sijne sinnen laten gaen; het welcke niemant sich sal verstouten te doen, als die geen sinnen, en verstandt en heeft. En alhoewel die dingen, die uyt Slijck bestaen, seer loffelijck zijn; evenwel op dat ick niet al te langh in mijne reden en val, heb ick voorgenomen alles voor by te gaen. En voorwaer, ick weet, dat het u niet onbewust is, hoeveel ick ’t lof des Slijcks verkort heb: want ick sou Gout en Silver, Paerlen en Edel-gesteenten, en al wat ’er oyt kostelick kan zijn, prijsen; ja de menschen selfs, allerley soorten van dieren, kruyden, zaet, boomen, koren, &c. en alles wat ’er oyt wesen kan, soud ick onder den naem van Slijck, kunnen verheffen en prijsen: want alles, gelijck geseyt is, uyt het Slijck voortgekomen is: doch ick sal my wederhouden; want ick wil liever dat ghy seght, dat ick het Slijck niet genoegh gepresen heb, als dat ghy dencken sult, dat ick ’t selve boven sijn waerdye verheven heb. Dus soo laet ons het Slijck alleen, en voor sich selven eens overwegen; welckers deughden soo groot en heerlick zijn, dat Godt de Heere selfs meest geport wort om het Slijck boven en voor alle dingen te lieven en te beminnen. Doch op dat niemant moge dencken, dat dit een lasteringh of blasphemie, tegens Godes Majesteyt uytgesproken zy; dat ick geseght heb, dat het Slijck ’t seerst van Godt de Heere gelieft, en bemint wert; soo achte ick dat ick mijn meeninge maer goet en vastmaken, en allen [p. 184] hiermede een vernoeginge geven: om door dit middel dese dolingh aen alle te benemen en dan om alsoo de deughden en de schoonheden van ’t Slijck, die lichtelick ongeacht, en vergeten souden blijven, wederom ten voorschijn te brengen, en ten toon te stellen. Doch brenght hier aendacht toe, ooren en herten: want ick dingen, die anders noyt gehoort en wierden, op desen dagh wil bybrengen: want soo ghy eenighsins nu uwen yver en aendacht laet sacken en vallen, soo sult ghy dese dingen, die ick nu gae verhalen, niet kunnen te recht verstaen, en voor geheymenissen aennemen. Want, valt ’et u oock in, van wat hooge en groote saken ick nu sal gaen spreken: Ick sal van de hooghste eer en waerdye des Slijcks handelen; en die is soodanigh, dat niets hoogers kan geseyt, niets verheveners uytgedacht worden. Want nademael schier alle menschen seer onbillick het Slijck haten, en verachten: en hoewel seer weynige zijn, die te rechte verstaen en kunnen, hoe welgenegen Godt de Heere tot het selve Slijck is: wat meent ghy dat gebeuren sal, wanneer dat het de menschen eens in ’t herte ingeplant wort, en vast beklijven soude, dat het Slijck van Godt niet bemint en wort. Wie sou dat voor heerlick keuren, dat Godt niet en schijnt te beminnen? Wie sou niet eerder, dat voor Godt verwerplick is, niet vuyl en slecht achten? Indien ick dan bewijs, met seer vaste. en gewisse grond-redenen, dat het Slijck van: Godt bemint wert, en alle andere dingen, die oyt in de werelt zijn, voorgestelt worden; waer- [p. 185] om en souden wy dan oock niet het Slijck, om dese redenen, voor het allerheerlickste houden en oordeelen, dat ’er zijn magh. Wel aen dan spitse ooren, en opent uwe herten, ick voege my tot de sake selfs. Na het Slijck, of behalven het Slijck, is, buyten twijffel, op aerden niets heerlickers als de mensch. Dit moeten my alle vroome en goede menschen toestaen, dat, uyt alle schepsels en dieren, de Mensch, bovenal, van Gode meest gelieft, en bemint wert. De rede selfs dwinght ons om dit te gelooven. Want wy sien, dat alle ’t geene op der aerden voortkomt, ’t selve den mensche tot besten voortgebracht wort, en hem ten goede streckt. Wy sien en voelen oock, dat Gods voorsichtigheyt staegh bereyt is om de mensche te beschermen, en te hel pen. Wy weten, dat Godt de Heere sijnen eygen, eenigen, en liefsten Soon, den mensche ten goede, in dese werelt gesonden heeft, ten eynde hy deselve verlosse van alle aenstaende eeuwigh duurende qualen en pijnen, en haer van hare dolingen bevrijden; jae dat dieselve heylighsten Heylant, om des menschen wil, is geslagen, gebonden, geketent, en door een openbaerlicke vonnisse veroordeelt, ter doot verwesen, ja dadelick gedoot geweest. Maer, de teyckens van Godts liefde tot den menschen, zijn ontallick; als die hem oock heeft geschapen nae sijn even beelt, begaeft met raet en reden. Siet nu, uyt wat stoffe Godt dit dier gemaeckt heeft; dit dier, segh ick, Gode gelijck, redelijck, voorsichtigh, vernuftigh, scherpsinnig, verscheyden, gedacht- [p. 186] saem, vol raets, dat zeen, aerde, hemels, met sijne gedachten en sinnen vatten en begrijpen kan: ’t welck alleen, uyt soo veler andere soorten van dieren, Godt tot sijn gemeenschap heeft aengenomen, door de Reden, en Wijsheydt. Siet uyt wat stoffe Godt dit dan geschapen heeft. ’T is geloovelick, dat Godt de Heere dit heerlickste dier van allen, geschapen heeft van soodanige stoffe die hem alleraengenaemst was. Wat seght de H. Schrifture hier toe? Waer uyt is de mensche in ’t beginne geschapen? Niet uyt Silver, dat elck een soo kostelick oordeelt niet uyt Gout, dat van vele meer bemint wert, als Godt selve: niet uyt Smaragden, Robijnen, Chrysolithen, Edel-gesteenten, &c. maer uyt Leem der aerde: dat is, uyt de bloeme van ’t Slijck. Wat wilt ghy meer, ick bid u, mijne Heeren: dese wonderlicke daed Gods, overweeght die wat beter by u selven, dan sult ghy licht mercken hoe groot dat sy d evoortreflikheyt van ’t Slijck. Die grootste en die beste Godt, die aller dingen aert en natuur wist en kende, selfs eer dat sy in wesen waren; die seer licht oordeelt, en onderscheyt wat elck een het beste is; willende den menschen maken, hem gelijck, begaeft met reden en wetkundigh, heeft, voor alle andere stoffe, het Slijck gekeurt, van ’t welck hy dit dier scheppen soude, den welcken hy alle andere dieren en schepsels voorstellen wilde. Wat is ’er de Oorsaeck van geweest, anders als de wonderlicke uytstekentheydt des Slijcks, dat selfs Godt des Heere tot sijner liefde verweckte? Laet nu de [p. 187] stoute belacchers van onse rede-kavelingh, en dat van dien heyligen Koningh en Propheete David, Psalm 112. uytleggen: Den armen van ’t Slijck verheffende, dat hy hem sette met de Vorsten, en plaetse by den Vorsten sijnes volcks. Wat is dit dat hy de armen uyt het Slijck verheft? wat is dit, dat hy hem stelt by den vorsten sijnes volcks? als dat Godt seer groot vermaeck schept in ’t Slijck; en die boven al bemint, welcke ’t Slijck bysonderlijck en boven al eeren en achten? Wat sult ghy my hier antwoorden, ghy bespotters van Slijck? Komt hier in de vechtplaetse, spant uwe bogen, werpt uwe pijlen, en laet uwe quaet-sprekende tongen sich vry roeren. Wat vecht ghy tegens de simple muur? waerom vlucht ghy op sijn Parthisch, de pijl in den rugge al hebbende? waerom vreest ghy onweer, nu in de Haven zijnde? ’t is licht te beschuldigen, als ’er niemant tegenspreeckt: licht te schelden, waer alle man stil is. Komt hier aen, hebt ghy hert in ’t lijf, en schudder al uwe lasteringen op my alleen uyt, die het Slijck voor sta. Voorwaer ick sal maken, dat ghy sien sult, heel een ander dingh te zijn, yets tegens de waerheyt, sy tegenwoordigh wesende, sprekende, als woorden in den windt uytbraken, en den onnoselen, sonder reden of bescheyt, te vloecken. Waerom doch, seght my eens, verwerpt ghy het Slijck? waerin heeftse misdaen? waerin heeftse schuldt? Siet daer, sy staen verstomt, en verbleeckt. Lieve menschen, is het ock mogelijck dat men menschen vindt, met [p. 188] sulcke duysterheyt aen ’t verstant bevangen? met soo vele dwalingen omçingelt, datse verwerpen ’t gene Godt meest mint; datse dit voor ’t geringhste houden, wat Godt voor ’t kostelijckste keurt. ’t Is quaet, sich niet vernoeght houden met het oordeel eens vroomen mans: arger is ’et, ’t wel gegront oordeel eenes vriends, niet aen te nemen, het slimste is, de beste meeninge uwes seer goeden vaders niet willen aennemen. Wat sal ick doch seggen? wat groot schelmstuck is dit, t’oordeelen van dien onsterffelijcken Godt te berispen, en te laken. Doch genoegh der klacht: wy gaen voort gelijck wy begonnen hebben: Want hierin heeft Godt niet alleen sijn liefde en gunst tot het Slijck doen blijcken: Maer oock in vele andere stucken, onnodigh hier alle te verhalen. Ick sal noch mael blijcken van Gods genegentheyt tot het Slijck toonen, dan sal ick my tot andere proefstucken keeren. Als wy in de Heylige Boecken lesen, soo hadde de Soone Gods alreedts seer vele teyckenen en wonderen gedaen, tot bewijs van sijne Godtheyt; en toonde noch dagelijcx sijne onuytsprekelicke liefde omtrent de menschen, sommige besetene van den duyvel verlossende, sommige alreede gestorven, wederom ten leven verweckende, den dooven haer gehoor, de stomme haer sprake, den siecken hare volle gesontheyt wederom gevende: Maer dit scheen ’er noch t’ontbreken, dat hy eenigh teecken van sich gaf, en na-liet, van sijne gunstige genegentheyt ontrent het Slijck, den oorsprong [p. 189] van alle menschen. En siet, eens door seker Landt reysende, vindt en ontmoedt hy eenen mensch, die van sijn geboorte dagh af blind was; den welcken, als hy merckte, en achtende, dat nu de tijdt gekomen was, dat hy sich dien selven betoonde te wesen, die in den beginne des werelts den mensch uyt het Slijck geschapen hadde; en om aen yder een des Slijcks waerde te bewijsen, wat doet hy? hy spouwt op de aerde, en met eyge handen maeckter het Slijck af, en met dien bestreeck hy des blinden oogen; dit gedaen, verkreegh dien armen man aenstonds ’t gesicht, dat hy noyt van tevoren gehadt hadde. Wie en siet dan niet hier uyt, dat den beschermer aller menschen, de Heere Christus, hier door wilde te kennen geven, dat niets edelders als Slijck is, uyt het welck hy ’t gesicht, ’t uytmuntenste der sinnen, formeerde. Van te voren hadde dieselve Heer veel andere en Heerlicke daden verrecht, ontallijcke en verscheyden sieckten genesen, sonder eenigh recept, sonder kruyden of Medicijne te gebruycken, alleen met een woort, of met aen te roeren, verdreef hy de sieckte. Ten is mede geen twijffel, of hy soude desen blinden man, met een eenigh woort, hebben konnen genesen, hadd’ hy gewilt. Maer waerom dan bysonderlick met Slijck sijn oogen bestreken, en geheelt? Alleene daerom mijns oordeels, als daer mede des Slijcks edelheyt en uytstekentheyt te kennen te geven, en de sterffelicke hares oorspronghs te doen gedencken. Want hoe gelijck- [p. 190] formiger men het Slijck, ons Vader, wort, hoe geluckiger en grooter men wort. Maer wie wort er yveriger en heftiger van Godt bemint, als die soo vele doenlijck is, de natuur des Slijcks naekomt; en die wel weeght, en verstaet, in wat hoogen staet hy sy van rijcke schatten, of waerdigheden, dat hy tot dieselve geklommen uyt het Slijck, en dat hy kort hierna, deselve verlatende, weder tot Slijck sal keeren. Dit is ’t gunt Godt de Heere doorgaens beveelt, dat alle die de grootste en gelucksalighste wil worden, voor-al den verachtste en kleynste werden moet. Matth, 18. Wat wort ’er meer ons aenbevolen als onderdanigheyt, in de Schriftuur? Doorbladert de Goddelijcke boecken, naeulicks sult ghy ’er een blad vinden, of de nedrigheyt en geringhachtinge van sich selfs wort er aengepresen: En die alleen worde geseyt gelucksaligh te sullen worden, die erkennen sullen datse Slijck zijn. Wat reden sou men hiervan anders geven, als de bysondere genegentheyt Godts tot het Slijck? Wie is ’er oyt Gode aengenamer geweest, van menschen geheugenisse af, als den Hebraeus Juba? Job 1.en 2. en lesen wy niet in de heylige geschiedenissen, dat hy niet alleen in het Slijck, maer selfs in de onreynste vuyligheden plagh te sitten? De Sone Gods selfs wert van David alsoo ingevoert, Psal. 22. Ick ben een worm, en geen man, een smaet van menschen, en veracht van den volcke. Wat is de verwerpinge des volcks anders als Slijck? Soo roept dan de Sone Godts, dit ons [p. 191] aertsch en sterflick lichaem aengenomen hebbende, dat hy Slijck geworden was; ja, tot teycken van sijn vernederinge, noemt hy sich een Soone des menschen, dat is, den neef van ’t Slijck. Doch ’t is nu genoegh, mijns oordeels, bewesen, dat in ’t heele begrijp des werelts niets treflickers, niets heerlickers als ’t Slijck is, wiens authoriteyt soo groot is, dat sonder het selve, niets in de werelt en wert voortgebracht: dat alles voortteelt, voed, queeckt, en vermeerdert: uyt het welcke alle de grootste kostelijckheden haren oorsprongh nemen; en uyt het welcke wy selfs voortkomen: en dat eyndelijck van Gode krachtigh bemint wert. Nu is er overigh dat wy oock van ’t Slijcks nuttigheyt, en voordeel handelen. Dewelcke, schoonse uyt ’t voorseyde dadelijck blijckt, niettemin, sullen wyse helder voorstellen, op dat niemant aen deselve en twijffele. Ghy, mijne Heeren, vaert voorts, uwe aendachtige ooren en herten te leenen, tot besluyt van mijne Rede. Want ick en wil nu niet seggen, dat het Slijck aen ’t een of ’t ander lichtelick eenigh voordeel aenbrenght: ’t welck evenwel vele andere dingen seer hoge doet uytmunten, die dese deught hebben, slechts eeniger weynige nut en voordeeligh te wesen. Ick sal niets gemeens, noch nedrighs bybrengen: maer alles hoogh, en overtreflick. Soo segge ick dan, dat onder den Hemel, en in de werelt niet en is, kleyn of groot, dat slechts bezielt is, of ’t Slijck is hem in alle deelen seer nut en voordeeligh. Want nademael men houdt dat er driederleye [p. 192] zielen, of soorten van zielen gevonden worden, in soodanige dingen, welcke het leven hebben ontfangen, uyt een natuurlicke en naeuste beweginge; welckers eenen alleen mededeelt het leven dat voed, sonder gevoel, en de kruyden, boomen, &c. voort- brenght, voed, en doet aenwassen: de anderen niet alleen het leven, maer oock ’t gevoel alle dieren in-plant; en de derde, de allervolmaecktste en beste, alleen den menschen geest, de kracht om te verstaen, dencken, en te geheugen: soo sullen wy bewijsen, dat het Slijck aen alle dese soorten van levendige schepsels, tot ’slevens best, seer groote nuttigheden en voordeel aenbrenght. Doch op dat ’er in den naem geen dobbelsinnigheyt en valle, midts ’t Slijck veel bynamen heeft, soo moet ick de selve eerst verklaren, om alsoo dies te beter alle nuttigheden desselven leeren kennen. En dit dient voor-al geweten, dat wy alle verrottinge en corruptie, Slijck plegen te noemen, ’t sy dan dat het sy een onttreckingh van ingenomeen verteerde spijse in ’et dier, of dat het sy een vermenginge van vochtigheyt en aerde, of hoedanigh eenigh dingh verrot is: Wy noement oock gemeenlijck Mest en Leem; maer ’t gene pleeght in ’t Lichaem der dieren voort te komen, hebben wy, met verlof, dreck (doch het oock op Latijn coenum) genoemt; welck woort generalijck van een Griecx woort afkomt, soo veel als gemeen beduydende, om datter niets soo gemeens en is, en alle dingen soo voordeeligh, als Slijck. Want, voor-eerst, [p. 193] mijne Heeren, wie en weet niet, dat alle het zaet op het veld machtigh toeneemt, en verheugende aengroeyt, door het Slyck? De aerde selfs, de moeder van alle dingen, indiense niet door hulp des Slycks, hares Soons, onderhouden wierden, sou de volle kracht aen die dingen diese voortbrenght, niet verleenen kunnen: van daer is gekomen, dat door naerstigheyt der menschen, op dat de ackers, en ’t landt dies te vruchtbaerder soude wesen, sy deselve met Slyck mesten. Dat soo voordeeligh een sake is, dat, hoewel-men niet en weet wie de eerste is geweest die ’t gevonden heeft, niettemin hy, om die eene saeck, in ’t getal der Goden is gestelt geworden; Marcobius schrijft, dat Saturnus plagh van de Romeynen Stercutius geheeten te worden, en onder die naem voor een Godt is vereert geweest, dat hy gehouden wierde, de eerste die ’t Land-mesten opgebracht hadde. Maer Augustinus in sijn boeck van de Stadt Godts, seght dat Picus vader Stercos sy geweest, van de welck seer ervare Landbouwer, ’t selve soude uytgevonden zijn geweest, dat namentlick door het mest van de dieren, de Landen gemest, en alsoo vruchtbaer wierden. Evenwel soo getuyght Plinius, Dat t’Italien den Koningh Stercutius, (Faunus Soon) die daer heerschten, voor onsterflick hielden, om dat hy dit Land-mesten uytgevonden hadde. Andere zijn ’er, die ’t selvige den Griecken Koningh Augias danck weten; ’t welck naderhandt Herculus in Italien leerden, daer van gesproten soude zijn, dat Her- [p. 194] culus den stal van Augias hebbe gesuyvert. Dit weet men altoos voor vast, dat den eersten wijser en tooner van ’t Landt te mesten, van de Ouden afgedaelt is, en dat die niet sonder reden Stercutius geheeten wierd: want wat is er in ’t geheele Landtbouw voordeeliger als ’t Landt te mesten van ’t welcke die geleerden Hesiodus, (als Cato by Cicero seght) evenwel niet een woort heeft geschreven, handelende van de Land-bouwery: daerom hy van geleerden en verstandige seer gelaekt wert. Want Homerus, die my dunckt al lang voor Hesiodus tijden geweest te zijn, brenght Laertius by, sijn tijt te verkorten (al met verlangen ondertusschen op sijn Soon wachtende, en alsoo de tijdt en sijne sinnen wat vermakende) met het Landt te bouwen en te mesten. Daerom die allerwijste Cato, schrijvende van de Boeren wercken, heeft een seer goede lesse, aldus luydende, nagelaten: Siet met sorghvuldigheyt om, dat ghy een hoope mest hebt, en bewaert het selve wel. Hier blyckt de groote sorge, die desen allerwijsten Cato, om het Mest en Slyck gehadt heeft. Wie is ’et onbekent, hoe geluckiger dat zy ’t Zaet voortbrengen, Landen die wel gemest zijn; en hoe grooter dan den oogst is? Dit is het gene, dat de Landt-bouwers wetende, aen het Slyck toenamen hebben gegeven; en om dat het de Landen als verheugen doet, het selve, van een woort dat verheugen beduyt, Lactamen gebynaemt hebben. En sy houden oock seer veel daer op en nement voor alle dingen wel waer, ’t selve met [p. 195] vlyt vergaderende, om hare Landen en Ackers, op ’t best sy kunnen, daer mede te mesten. Wat meer is, sy soecken het Slyck elck om ’t seerst en neerstighst op, en dragen ’t in vaten nae huys, (’t welck ick-segge met mijne oogen gesien te hebben) en houden die voor den gaeusten, en naerstighsten, die ’er meest van heeft. En sy vergaderen niet alleen dat, ’t welck van selfs voortkomt, maer sy brengen ’er oock kunsten arbeyt toe, dat het, soo veel mogelijck, toeneem. Niet sonder reden dan, hebben de bouwluyden en Boeren, boven andere sterffelijcke menschen, ’t lof wegh van gerechtigheyt en heyligheyt, dat selfs de aller-verstandighste Poëten seggen, dat de Goden selfs soo lange tijdt haer by de Acker-luyden onthouden hebben, zijnde om der menschen gruwel en schelmstucken uyt de steden gejaeght. Daer mede sy anders niet willen te kennen geven, als dat de Boeren veel wijser zijn als de Borgers; want dagelijcx schier wert ’er Slyck uyt de steden op het veldt gevoert. Indien het spreeckwoort waerachtigh is, dat die, welck de sterffelijcke helpt, en bystaet, een Godt is; soo moet ’er niet aen getwijffelt worden, of het Slyck moet oock eenigh deel van de Goddelijckheyt toegeschreven worden, dat, uyt de steden verdreven, by de huysluyden op ’t Landt sich onthoudt. Maer, wat ’t zaet op ’t veldt voor nuttigheyts door het Slyck krijght, kan men in de Lente-tijdt, op het veldt, genoegsaem sien, als ’t schier tijdt is dat de aren sich beginnen voor te doen: want [p. 196] dan sult ghy ’er sien welgemeste Landen en Ackers, als in weeldige vreughde, ’t Koren hoog opgewassen, en door sijne groente als blinckt, met een langen halm, en dicke bolsters, de aren sich nu verlatende uytsien, en als-dan een ongetwijffelde en seeckere hoope geeft van een rijcke en overvloedigen Ooghst. Vergelijckt nu, dan eens met desen welgemesten Acker, eenen anderen, die niet gemest en is, terstont sult ghy sien als eenige treurigheyt in d’acker, schrale en dunne bolsters, neder-gebogen en verbleeckte halmen, voor de tijdt verdorven, geene of seer weynige Aren voortbrengende. Maer hier, siet ghy als eene groote vreughd, en daer een droevige schraelheyt; hier een groote hoope van een overvloedigen Oogst, in tegendeel wert eenen seer slechten en schralen belooft. Verstaet ghy noch niet, mijne Heeren, tot wiens geluck en besten desen overvloet van Kooren en Zaet is? Verstaet ghy noch niet de kracht van ’t Slyck in desen deele? Ick en geloove niet, dat ghy soo slecht van verstandt zyt, of ghy kunt lichtelijck afmeten al ’t geene ick segge? Onttreckt ’t Slyck niet meer aen uwe Ackers, dan soo sult ghy eerst tedeege sien wat de tegenwoordigheyt van ’t Slyck doen kan; en wat nadeels sijn afwesen bybrengen kan. Nu, soo is ’t Slyck niet alleen oirbaer aen het Zaet, maer oock aen de boomen. Want wie is soo onkundigh, die niet en weet, dat de Wynstock, om andere soorten voorby te gaen, hoe men die meer mesten, hoe een rijckelijcker oogst sy geven? [p. 197] Want dat levende en vette sap van ’t Slyck, den welcken die botte en onbedreve lieden, seer geringh en vuyl achten, verandert in die allerlieffelijckste geur en smaeck van wijn. En op dat ghy niet en denckt, dat ick dit verdicht: dien grooten Philosooph, en naeukeurighste ondersoecker der natuurlicke dingen, Empedocles, die bevestight dit selve als Aristoteles getuyght, welckers woorden overgeset, aldus luyden: De wijn is verrot water, gelijck Empedocles getuyght, een verrot water in ’t hout. Dat is, de wijn is anders niet als een verrottinge in den wijnstock. Maer wat is des waters verrottingh anders, als het sap van ’t Slyck? ’T geene wy dan met sulck een vermaeck en smaeck drincken, dat ons sulck een verheuginge aenbrenght, dat soo lieffelick, soet, smaeckelick, en gelijck Horatius seyt, de zorgen verdrijvende is, en dat met volle en rijcke hoope loopen, is endelijck sap van Slyck? Maer waerom hier des wijns deugden en krachten gepresen, seer weynigh menschen gevonden wordende, die den selven niet heftigh en begeeren, en met gulsigheydt indrincken? Want wat vreught, wat vermaeck, wat lust, wat scherpsinnigheydt soud ’er wesen onder de menschen, soo den wijn niet en was? Want selfs dien grooten liefhebber, en loftuyter des wijns Horatius, singht ’er van. De vruchtbrengende bekers, wie hebben sy niet welsprekende gemaeckt? De soete Zang-godinnen hebben al ’s morgens vroegh den Wijn-smaeck wech gehadt. Den wijnachtigen Homerus wordt berispt ’t Lof des wijns uytgebasuynt te [p. 198] hebben. En dien wijsten Cato hadde sulck een vermaeck aen den wijn, dat hy dickwils droncken wierde. Doch niemant, meen ick, onder u allen is, die niet en weete dat de wijn goet, heerlijck, en seer voordeeligh is, derhalven wie desen vryen Godt bemint, van wie wert hy niet wederom bemint? en des is ’t nootsakelijck, dat hy wederom integendeel het Slijck, sijn vader, lief hebbe. Hoe nut en voordeeligh nu het Slijck aen thuynen, kruyden, groenten, &c. zy, houd’ ick daer voor dat het onnodigh is eens daer van te reppen: niemant onbekent zijnde, dat eerst de thuyn vruchtbaer wort die maer kruyden teer en groot heeft, en dat groente lieffelijcken aengenaem is, die lustigh en dickwils gemest, en met Slyck overladen zijn. Wie en weet niet, dat de Thuyn-lieden en Hoveniers soo neerstigh zijn om het Slyck, datse selfs in de stadt omgaen met karren en spaden, en ’t selve seer sorghvuldigh vergaderen, en somwijlen geldt daer voor geven? Wie zou sich niet ten hooghsten verheugen, eenen vetten thuyn siende, van eenen naerstigen Hovenier wel gemest? Wat is ’er lieffelijcker als sulcke groente? Wat vermaecklicker als sulcke lieffelijckheyt? Hier sult ghy sien dicke Kools-hoofden, met vaste strengels, als sijne armen uytstrecken: ’t groene Loock met dicke hoofde, als boomen worden: de wijt-verspreyde Bieten, in weelde opgroeyen: ’t Salaet sich krullet: de sware Cawoerde haren buyck in de wijtte uytdoen: de Spargien, seer tenger, onder ’t Slijck haren wijden en breeden hooft voor- [p. 199] doen. Doch ick doe dwaeslijck, soo ick alle dese dingen een voor een soecke by te brengen. Kunnende dese heele rede met een woort besluyten: want, alles wat in Thuynen wast, dat neemt ’et grootste vermaeck aen ’t Slyck, voed sich daer door, en groeyt daer door langhs hoe meer op. Nu volght, dat ick oock toone, dat het Slijck allerley soorten van dieren seer nut, en oirbaer is. En dese rede dwinght my te gelijck van onredelijcke dieren, en met een van den mensche te spreken: siende dat geen van beyde, sonder het Slyck, eenen dagh leven of bestaen kan. Hier hoorde ick, op sijn Poëetsch, hondert tongen, en soo vele monden te hebben: en vereyschte dat ick eene ysere stemme hadde: want soodanige groote saeck kan door geen glans van woorden, geene aensienelijckheydt van spreucken, geene kracht van welsprekentheyt, en eyndelijck, de groote kracht van sinnen men daer toe gebruycken konden of wilden, dese sake, segh ick, kan niet genoegsaem verbreyt, en voortgebracht worden. My ontbreeckt het aen mijnen goeden wille niet alleen moet ick sien en trachten dat ’t geene ick voorstellen sal, heerlick, en de sake, en mijnes willens waerdigh, mochten gevonden worden. Want dese nuttigheyt van ’t Slyck die ick voorstellen sal, is soodanigh, dat, hoewel sy t’eenemael waerachtigh is, sy niettemin ongeloovelick schijnt; want wie soude soo licht gelooven, dat alle menschen, en soo wel de tamme, als wilde dieren, den danck van hunne leven aen ’t Slijck weeten moeten? Wat sal ick [p. 200] dan doen midts ick nu al een geruyme tijt van des Slycks deugden spreke, en nu byna alle mijne gedachten hier over hebbe laten uytgaen; en niet en hebbe gelet, om wat over te houden, om oock hier in dese plaetse, of deel deser reden, te kunnen bybrengen. Met wat woorden sal ick dan een soo groote saecke voorstellen? Want ick oordeele, dat het eene en deselve stoffe en reden is. Dese groote nuttigheyt des Slycks wil ick tegenwoordigh voor oogen stellen; die van selven soo klaer en helder is, dat geenes menschen wijtlustigh spreken, of redeneeren, hier toe sal van nooden zijn: ghy kunt selfs, na uwe wijsheyt, lichtelijck bemercken, hoe groot deselve is. Ten sy dat ghy hier in mocht komen te twijffelen, mijne Heeren, ’t welck, alsoo het seer weynige bekent is, oock van seer weynige in acht genomen wort: Dat den mensch t’eenemael niet leven kan, ’t en zy hy sijnen buyck losse, en ontledige, en daer by noch eete. Maer eyndelijck, waerom sie ick ’er een deel van u lacchen? Ick heb niet geseyt, dat ghy lost van uwen buyck, ’t selve moet op-eeten: maer recht averechts, ’t achterste vooren, op sijn Homerus heb ick gesproken. Want ’t is noodigh, dat alle Dieren eerst den buyck vullen, en dan ontlasten. Maer om dat ghy mijne sorghvuldigheydt niet langer en belacht, die dit heb uytgevonden: Siet hoe weynige dit in acht nemen; namentlijck, dat sonder Slyck, den buyck niet kan werden opgevult, nochte ontlast. Maer, sal ymant seggen, ick kan wel sonder Slyck leven, en ick hebbe noyt, [p. 201] door, of met Slyck, mijne gehoef gedaen. Wat en weet ghy dan niet, waer van daen dat is gekomen het geene ghy eet? hebt ghy soo licht ’t eerste deel mijner reden vergeten? En heught het u niet meer, dat het zaet, den wijn, en diergelijcke dingen, van het Slyck af-komen, die den menschen tot spijs en dranck gebruycken? Indien het Slijck niet en ware, hoe soud ghy spijfe, dranck, en leven hebben kunnen? Soud ghy wel eenen dagh sonder Slyck leven kunnen? Met wat soud ghy uwen buyck versaden? wy weten dat het broot van ’t zaet komt, dat sonder Slijck niet wassen kan: alle oosten, als Appels, Peren, &c. komen van ’t Slijck. Dan soud ick vleesch eeten, seght ghy. En waer van komen dan de Vogels, de Visschen, en de Land-dieren? wat dier is ’er van die alle, dat sonder Slijck leven kan? Ick laet nu van de andere te spreken; dit alleen dringe ick door, dat wel het grootste en swaerste is, hoe soud de mensch sonder Slijck leven kunnen? ’t Geen ick hier van gevoele, kan ick niet genoeghsaem met woorden uytten: maer hoe weyniger mijne geringe welsprekentheydt yets vermagh, hoe langer en heftiger wil ick doordringen, dat, wat ick sie en oordeel aen het Slyck, de grootste achtbaerheyt te kunnen geven. Doch ick en sal ’t oock niet doen. Ick en wil niet langer de ontallijcke en ongeloovelijcke krachten en deughden des Slijcks, door de onvolmaecktheyt van mijn welsprekentheyt, te kort doen: daerom soo sal ick dit laetste deel van dese rede, geheelick aen uwe stille gedach- [p. 202] ten en peynsingen overlaten. Ghy, al ’t geene treflijck, ’t welck kostelick in de natuur is, wijt, groots, en heerlick, stelt u dit altemael voor oogen: Dese groote verscheydenheyt der Natuur, hare wonderbaerlicke en schoone vruchten, soo veele soorten van dieren, soo veele diversche dingen, tot der menschen gebruyck voortgebracht en eyndelijck overweeght den mensche selfs: en alle deser schepsels heerlickheyt en nuttigheyt op het naeust overdacht hebbende, soo keert dan weer u sinnen tot het Slyck, en denckt, dat, indien het Slyck niet en ware, dat niet een, van soo vele geseyde heerlicke dingen, hadden kunnen voortgebracht werden. Dan soo sult ghy lichter, met my oordeelen kunnen, hoe Lofwaerdigh en prijslijck dat het Slijck is; en hoe ver dat de mensche haer, door hare averechtse sinnen, en oordeelen laten vervoeren, dan so sult ghy sien, en seggen, dat men niet lichtelick elck een behoorde toe te stemmen; siende klaerlick, in dese saecken, dat alle menschen seer bedrogen werden in hare oordeelen en gedachten.
Continue
[p. 203]

’t Lof der

LUYSEN.

Beschreven door den Hoogh-geleerden

Dr. DANIEL HEYNSIUS,

Professor in de vermaerde
Academie tot Leyden.

I. CAPITTEL.

Een Luys wort alleen door inbeeldinge veracht.

DAt de inbeeldinge is gelijck Lasery of een besmettelijcke sieckte (Eerweerdige Bedelaers) hebben de Ouders te recht geoordeelt: Want sy heeft soodanige krachten, dat sy den genen, die maer van verre van haer bewaeyt is, gebonden en als gekluystert hout, jae niet lijdt dat hy de oogen opent om de waerheyt te doorstralen: Dat dese droes haer in onse jegenwoordige saeck oock steeckt, is soo waer-schijnlijck, dat het niemant ontkennen kan. De Luys, het edelste dier, voort- gekomen uyt den mensch, van den selven opgevoet, der selver Goden, en soo daer eenige huyswetten zijn deelagtigh (maer u l. trouste metgesel) wort van alle menschen, soo veel in haer vermogenis verdruckt, en in kleyn-achtinge gebracht, so dat hem niet eenigh Lant of de Zee, maer de eenige plaetse [p. 204] sijns gelucx, die hy heeft, te weten het menschelijck lichaem ontseyt en verboden wort. Van welcke saecke, soo yemant de reden begeert te weten, sal deselve geen ander bevinden te wesen, dan de inbeeldinge: dat derhalven de selve u. l. uyt het hooft gejaecht wort is nootsaeckelijck. Om hier toe te komen, dunckt my dat ick voldaen sal hebben, als ick u. l. sijn lof en waerdicheyt bekent make.

II. CAPITTEL.

Oorspronck van der Luysen naem.

SY seggen voor eerst dat het een schandelijcken naem is, help Goden! daer sy nochtans sullen moeten bekennen dat de selve van haer eyge naemen een beginsel neemt. Wy weten immers datmen de menschen vaeck luyden noemt gelijckmen seyt, daer en daer zijn veel luyden vergadert, dat is, veel menschen. Nu om dat de Luysen den mensch aenhangen ende eeren, hebben de eerste vinders van onse tale, deselve Luysen genoemt, alleen maer een letter veranderende, te weten de d in f, so dat uyt luyden Luysen spruyt. Nochtans is onsen gedaeghden niet begaen, wat voornamen hem gegeven worden, welcke leer ick geloof dat hy uyt de baerden en wijnbrauwen (in de welcke hy eertijts gewoont heeft) der Stoicijnen, gesongen heeft.

[p. 205]

III. CAPITTEL

Vaderlant der Luysen.

VOorts, naedemael de Redenaers en werelt wijsen, in ’t prijsen van yemant, beginnen van sijn vaderlant, onsen gedaegden is nochte Athenen, noch te Roomen, welcke Steden hoochlijck vermaert zijn, geboren, sijn vaderlant is den mensch, die van niemant genoech gepresen kan worden, en naedien hy alleen met reden begaeft is, soo bewoont oock de reden het opperste deel des lichaems, te weten het hooft, ’t welck onsen gedaeghden als tot een Kasteel (geensins om te misprijsen) verkoren heeft. Hier wort hy geboren, hier wort hy opgevoet, hier besit hy al sijn goederen en rijckdom; tot sijn gebueren hebbende ’t verstant, de wijsheyt en wetenschap, wel wetende datter niet beters is als eenen goeden nabuer. Hierom heeft den Esel geen Luysen, omdat hy luy en bot is, den Hondt integendeel met de Nachtegael als voorsichtige dieren, overvloeyen van de selve: waer uyt men klaerlijck mercken kan de waerheyt van’t gemeen spreeckwoort, te weten dat gelijck met gelijck meerendeel t’samen gevoecht wort.

[p. 206]

IV. CAPITTEL.

Verscheyde wooningen van de edele en gemeene Luysen.

DEn Adel bewoont het hooft, daer sy haren Coninck in sijn Conincklijck Palleys voor alle boos-doenders beschermt. ’t Gemeene volck daer-en-tegen woont op verscheyde andere plaetsen, in de kleederen, in de wijnbrauwen, in de baerden, schoon sy niet al van eenen aert zijn.

V. CAPITTEL.

Haer Oudtheyt.

SOo ghy haer outheyt verlanght, ghy sult bevinden dat deselve Deucalions en Erichteus jaren te boven gaet, want soo haest als de steenen begosten warm te worden door een menschelijcke warmte, is onsen gedaechden stracx deselve warmte gevolcht, achtende dat hem daer veel aen-gelegen is de koude te vlieden, en de warm te t’omhelsen. Soo is dan den mensch uyt steenen, maer den Luys uyt den mensch voortgekomen, soo veel edelder zijnde van afkomst, als den mensch, ten aensien van de steenen.

VI. CAPITTEL.

Haer Geboorte.

ARistotelis meynt dat hy uyt vleys voort komt, uyt bloet seyt Theophrastus, welcke [p. 207] twee deelen de beste van het menschelijck lichaem zijn. Sy seggen, dat den Luys uyt verrottinge voort-komt, dit selve heeft hy met den mensch en alle dieren gemeyn, uyt verrottinge van ’t bloet komt het zaet, en uyt het zaet den mensch. Wat isser schoonder als een Pauw? Nochtans spruyt hy uyt de verrottinge eens Ey. De Byen komen uyt een verrotten Os. Want de natuer brenght noyt yet voort, ten zy door verderf van yet anders, nochtans soo, dat het verdorve in het voortgebrachte bewaert is.

VII. CAPITTEL.

Haer opvoedinge.

SOo haest de Luys begint het leven t’ontfangen, wort hy terstont in soodanige konsten onderwesen, die hy acht voor hem vorderlijck te zijn, hy leert niet swemmen: noch hy begeeft hem oock niet tot de geleertheyt, siende dat die den geleerden soo weynigh ter saligheyt streckt, maer in huys-saecken besich zijnde, besteedt hy den overigen tijt in genoechelijcke oeffeningen.

VIII CAPITTEL.

Haer manier van Leven.

HY heeft een stil en gerust leven verkoren, springende gelijck de Vlo: sijn tret is deftigh en geset, hy bout niet, noch hy ploeght niet, maer over al is sijn kost bereyt, waer hy gaet of staet [p. 208] sijn tafel is altijt gedeckt, en schoon hy der geleerden insettingen veracht, hy heeft nochtans de Pythagorise stilswygentheydt verkoren, de welcke hy oock vermeerdert, niet alleen voor een sekeren tijt, maer voor sijn gantsche leven deselve omhelsende.

IX. CAPITTEL.

Haer Getrouwicheyt.

MEt den mensch hout hy vrientschap, maer overtreft hem in getrouwigheyt. In tegenspoet verlaet meerendeel den eenen vrient den anderen, maer de Luys is volstandich, niet volgende het voorvluchtigh geluck, noch u (eerweerdige bedelaers) verlatende, meer behagen in armoede, als in overvloeyende rijckdom scheppende want.

        Hy mijdt d’huysen opgeblasen,
        En der Hoven woedich rasen,
        Hy verselt zijn huysweert, schoon
        Galch en radt hem wreed’lijck doen.


Voornemelijck is dese getrouwicheyt te merc ken in sodanige, die men Plat-luysen noemt, de welcke zelden de plaets, die zy eens ingenomen. hebben, verlaten.

X. CAPITTEL.

Haer Krijghsdaden.

DEr Luysen kloeckheyt, ten aensien van haer lichaem, schijnt gering en weynich te we- [p. 209] sen, maer men bevint die sodanig te zijn, dat de selve vele Helden overtreft. Wie heeft Syllam verwonnen? den Luys, wie heeft Herodes verovert? Den Luys, wie heeft Maximilianus gedoot? den Luys, hier siet ghy hare daden. Silla had Mithridates tweemael Marium geslagen, Athenen ingenomen, en Italien met bloet vervult. Herodes was een grooten Koning, en rijcke Vorst. Maximilianus was Keyser, zy hadden groote macht, maer de Luysen konden sy niet weder staen, die haer sonder sweert en geschut bestreden, en kloeckelijck overwonnen, ick swijge nu de andere Princen en gemeene Heeren van haer ter doot gebracht.

XI. CAPITTEL.

Sy doen den mensch genuchte aen.

HAer huys-heer zijn sy in geenigerhande manier pijnlijck. Sy quetsen niemant, maer kittelen hem soetelijck, ’t welck ick geloof u. l. (eerweerdige Bedelaers) soo aengenaem te zijn, dat het u. l. in u armoede een vermaeckelijcken troost is. Ick heb dickwils gesien, met groote genoegte eenige nu het hooft, dan den rugh krauwen, so hem daer ywers den Luys verroert mochte hebben, en dat meer is, hoe ghy langer kraut, hoe de genoechte meerder wort.

[p. 210]

XII. CAPITTEL

Sy sijn Genees-meesters.

SY bedienen oock het ampt eens Genees-meesters, welcke konst sy van de Egyptenaers geleert hebben ten tijde dat Moses het stof in Luysen deed’ veranderen. Tot velerleye gebreken weten sy raedt. Maer voornementlijck veroorsaken sy een wel gestelt en gesont hooft, niet door eenige drancken of pillen, die den mensch schier doen van benautheyt sterven, maer alleen, door een besondere en aengeboren eygenschap haerer lichamen.

XIII. CAPITTEL.

Haer Vruchtbaerheyt.

HEt is een gemeyn gevoelen, dat, die gene die veel kinderen krijgen en vruchtbaer zijn, geluckich zijn, so is dan den Luys wel thien dobbel geluckich, in vierentwintigh uren over oudt Bestevaer wordende, soo dat hy dickwils gantsche Steden alleen met sijn geslachte bewoont.

XIV. CAPITTEL.

Haer stantvasticheyt in de doot.

ALle menschen vreesen de doot, de Luys alleen vreest die niet, maer toont hem even hartich, soo wel in de doot als in ’t leven. O Go- [p. 211] den met wat een stantvasticheyt is hy begaeft! Hy is geensins verbaest, schoon ’t noot-lot hem boven ’t hooft hangt, op de kam, als een Schavot, daer hy gemeenlijck gedoot wort, gestelt zijnde, kan men sijn kloeckmoedicheyt bemerken, hy siet niet bedroeft noch treurich, maer behout het selve wesen dat hy, in voorspoet zijnde, gebruyckt heeft, om niet te begaen yet, dat tot verkleyninge sijns vorige weerdicheyt strecken soude mogen. Naevolgende, soo ick gisse, den wijsen Socrates, in wiens wesen noyt veranderingh, noch in tegenspoet noch in voorspoet, gemerckt kost worden.

XV. CAPITTEL.

Haer geluck in de doot.

DEn Keyser Augustus plag dickwils een haestigen doot te wenschen, die den Luys nae mijn oordeel, alleen bekomt. Hy wort immers met geen langsame pijn gepijnicht, hy voelt geen weedom der sijden, de pijne der nieren quelt hem niet, hy voelt geen benautheyt voor ’t hart, ja ten kortsten geseydt, hy is gantsch geen sieckte (dan de wreedtheyt der menschen) onderworpen, die hem met een omgekeerden duym ach! lyder! sonder eenige barmhertigheyt vermoorden en ombrengen.

        Soo dat ’t onnoosel bloet, den moordenaers ter schanden,
        Besmet de moort-plaets en de goddeloose handen.

[p. 212]
Soo dat hy alleen te beschreyen is om sijn onnoselheydt, hoewel hy daerom niet ongeluckigh is, want niemandt mach met recht een onnoselen en ellendigen ongeluckigh noemen. Dit selve seyde Socrates tegen sijn vrienden, om dat sy bedroeft waren, dat hy onnoosel gedoodt wiert.

BESLUYT.

XVI. CAPITTEL.

DErhalven vermaen ick u. l. alwaerde Bedelaers, dat ghy u niet soo wreet voortaen toont tegen dese achtbare dieren. Hebt ghy behagen in straf, verbant, versent haer: sy konnen immers of op der aerde gestelt: of yewers anders verbannen werden. Volcht de Indianen nae, die Bancane genoemt worden: Dese kennende de weerdicheyt van de Luysen, koesteren en verleenen haer mildelijck huysvestingh; en indien yemant eenigen Luys wilde dooden in haer tegenwoordicheyt, soecken dat te verhinderen, eerst met tranen, so die niet helpen, koopen sy sijn leven om gout. Laet u dit, ô bedelaers, tot medelijden bewegen, weest haer barmhertich en staet nu toch eens af van u vorige wreetheyt, ick bid het u om der wil der vermoorde te schouwen. Houd af van wreetheyt, spaert die onnoosele, die ootmoedige, die ellendige, die schamele dierkens, die u soo getrou, ja tot de strop toe zijn, die u bloet-verwanten en waerde [prent] [p. 213] vrienden zijn, die uyt u geboren en van u opgevoet werden, die u volgen, eeren, by-blijven, en een het selve geluck en ongeluck met u deelachtigh zijn.
Continue
WonderenZwaan1664UBA

’t Lof van den

SWAEN.

Door
ULYSSES ALDROVANDI.

VErmits ick nu van de Water-dieren schrijven moet, van de welcke dat de menschen schijnen en swemmen, en t’scheep te varen geleert te hebben. So moet ick yets van den Swaen bybrengen, een Vogel, aen Venus en Apollo toegewijt, die van Jupiter af haren oorsprongh hebben, en dewelcke met niet mindere deughden, als den Arent en Paauw begaeft en verçiert is. De oude Griecken, gelijck mede de Romeynen, die aen sommige Schepen den naem van Stieren, Bocken, Rammen, &c. plachten te geven, om dat hare figuren op of aen deselve afgebeeld, en waer mede de stevens verçiert waren; hebben onder andere mede den Swaen daer toegekeurt, als sullende tot het fraeyste en bequaemste çieraet strecken; getuygende dat de [p. 214] menschen meest van dese Vogel de volmaecktheyt een Schip op te bouwen, en de kunst te varen, geleert, en na geyvert hebben. Want uyt of van sijnen halse en borst, hebben sy de steven; van den buyck, de kiel, of schipbodem; van den steert, het achter-kasteel; van de vleugels de zeylen; van de voeten de riemen gemaeckt en verbeeld. En de Ouden hebben seer wijslijck, mijns oordeels, eerder een Swaen gevoert, als andere water-dieren, niet soo seer om sijne groote kunst in ’t swemmen (want hy swemt machtigh geswindt, als geseydt sal werden) als dat hy de schoonste en aensienlickste van allen is, en den Zeevarende geluck-brengende, geacht wiert te zijn. Want om sijne schoonheyt-halven, waer mede hy de varende scheepjens ophield, is hy altijds in groote waerde gehouden geweest: en hy wort oock nu noch by de Grooten, en Vorstelicke Hoofden, in Nederlandt, Vranckrijck, en Engelandt, doorgaens in loopende waters en vloeden, rontom hare huysen of Palleysen, op gevoedt: en die hem yets misdoen, worden seer daer overgestraft. Ontallijcke zijn ’er in de Tenueische wateren in Angoulesme, in Vranckrijck, na’t getuygenisse van Johan Bruverino: en wierden opgequeeckt door de last, en sorge, van de grootste der Koningen, Franciscus Valesius, den eersten van dien naem: Men seght dat die van Agrigentum, door ongelooffelicke on kosten een seer heerlick en kostelicke schoone en groote Vyver, ter eeren van den Oversten Gelon gemaeckt; en in ’t selvige seer vele Swa- [p. 215] nen gedaen hebben, als zijnde de edelste en schoonste van alle de Vogelen; om sulcke plaetse daer mede noch meerder te verçieren. Want onder de waterdieren is den Swaen de allerschoonste Vogel: dit wort genoegsaem waer gemaeckt daer uyt, dat Jupiter in een seer witte Swaen sich verandert hebbende, dat is, een seer witte en heldre verwe aengenomen hebbende, de schoone Leda verleydde, en besliep; die daernae de allerschoonste dochter ter wereldt bracht, Helena, door welckers liefde de Griexsche Helden, en Vorsten, ontsteken wierden: en dewelcke nu daerom seyt, dat Leda haer uyt een Swaens Ey uytgebroeyt, dat sy van den byslapende Jupiter ontfangen hadde: en datse voort hare leden met die Swaens çierlicke witheydt allenskens verçierdde. Lucianus brenght mede Venus in, alsoo sprekende, wanneer sy van Paris gevraegt wierde, hoedanigh Helenaes gestaltenisse was? Wit, gelijck men vermoeden moet die te zijn, die van een Swaen voortgebracht is: en teer, of tenger, als die in een Ey uytgebroeyt en opgequeeckt is. Gallus van deselve Helena sprekende: Ick hebbe eene gesien, die een witten en langen hals heeft, en die daerom geseyt wort van een Swaen voortgeteelt te wesen. Onder andere deughden, die seer veele zijn in dese Vogel, wort seer veel gewachs gemaeckt, soo wel van de Poëten, als, Orateurs, de soetigheyt en aengenaemheyt van sijn gesangh: soo dat selfs all’ soet geluyt, en lieflicke over-een-stemminge, en de Zangh konst selfs, een Swanen-gesangh genoemt wordt: al [p. 216] waer ’t om niet anders, soo verdient de Swaen alleen daerom, den voortocht voor alle andere Vogels te hebben: terwijl dat hy alleen, na ’t getuygenisse van Albertus Magnus, een seer wichtigen Philosooph, onder de groote, en water-dieren, een Musijck-sanger is. Oppianus getuyght, dat zingende een Swaen, de rotsen en dalen weergalmen; en dat hy alleen singht onder de Vogelen, en daerom oock aen Apollo toegeëygent is: maer sijn gesangh en is niet bedroeft of nae rouw hellende, gelijck de Ys-vogels; maer lieflijck, en honigsoet, als oft ghy vedels of cythers hoorde. Doch niet alleen om de Musijck-halven, zijn de Swanen aen den vinder der Sang-konst Apollo toegeëygent; maer ook, alsoo Cicero, Socrates, en andere het selve toonen, om datse haren aenstaenden doot door haer lieflijck gesangh kunnen voorsien, en te kennen geven. Maer hoe datse het selve doen, alhoewel het fabelen schijnen, verklaert Oppianus, die Poëet en Philosooph was, aldus. De Swaen, sullende nu sterven, begeeft hy sich in een sekere plaetse, daer hy van geen ander Vogel kan gehoort werden, als hy singht, en alwaer hem andere Swanen niet mogen beletten met hare tegensangh, soo ’er sommige mochten wesen, die mede haren aenstaende doot mochten komen te mercken. Socrates getuyght, dat de Swanen dan lieffelijcker singen als anders, en meerder, alsse gevoelen datse sterven sullen, als of sy God dancken, dat hyse uyt dese werelt wilde doen scheyden. En voeght ’er noch by, dat de menschen, die [p. 217] doch voor de doot schricken, valschelick de Swaen betichten, als of syeen graf, of een liet songhen, om datse sterven sullen maer Socrates wederlegt dit te rechte daerom, dat sulcke menschen niet en moghen, dat gheen Vogel zinght als ’t sorghen heeft, of konde gevoelen, of anderfins gesterckt wort: selfs dat de Nachtegael, noch de Swaluwe, zingt als uyt droefheyt: en dat daerom de Swaen oock anders nieten zinght, als omdat hy bedroeft is, om te sullen sterven. Daer sy daer en teghen zinghen, om dat sy door Phoebus geest, de goederen van d’andere werelt voorsien, daerom zinght hy lieflicker als anders. En Pythagoras heeft gelooft, dat de Swaen een onsterffelicke ziel heeft, daerom sich verheught als de doot hem naeckt.
    Alle de Ouden schijnen van dat gevoelen geweest te zijn, dat de Swaen door sijn gesangh voorbeduyt, dat hy sterven sal. Chrisippus by Alferist verhaelt in sijn Boeck. van de wellust van den Haes, dat Solenesch, sullende nu van de Schepiste verkocht werden, al boertende en schersende seyde: dat hy sterven wou, dan als hy gelijck een Swaen, sijn gesangh gesongen sou hebben. Ick weet dat dit vele belacchelick sal voorkomen: maer daerom van oude wel geacht worden, dat de Swaen sijn doot als voorsiet, en dat hy door sijn lieffelicke sang deselve bitterheyt als versoet: maer dat hy oock anders gemackelick [p. 218] sijn leven soeckt: want selfs oock vraghende de ouden Myselasyen, en insonderheyt Aelianus,die ’et dan in twijffel treckt, dan als twijfelde toefent. Ick sal de waerheydt van dese saack namaals uytvorschen, met goet genoegen van mijn Leser, als ick vertrouwe: maer alsoo seyt Aelianus. Den Swaen (dewelcken niet alleen dichten, maer selfs andere schrijvende dienstboden Apollo noemen), wat nu in de zanghkonst komt, vernoeght weet ick niet te seggen. De Ouden hebben echter daer voorgehouden, dat de Swaen haren gedaght zijts, sy kort daer na sterve. Indien dat sijnen schreef de Natuur dese beesten mede begunstight, als vroome en eerlicke menschen; namentlick, andere hem dese lof om romlacht, tot de doodt; maer de Swanen selfs singhen sock in haar doot, of beklaghen haar selfs al stervende.
    Op andere plaetsen seyt hy dat de Swaen beter sy als een Mensch, om dat hy niet alleen weet wanneer dat hy sterven sal; maar dat hy ook en seer sachte doot heeft, en daar om van de Natuur een seer lieflick geschenk ontfangen heeft want hy geeft hem selven dese hoope, dat in de doot niets lichter en is: maer den menschen verschricken voordat sy niet en kennen, en houden ’t voor ’t grootste quaet. Maer een Swaen is in sijn uyterste eynde so stil en welgemoet, dat hy hem selfs een liet toesinght. Soo singht dan de Swaen hem [p. 219] selven een gesangh of lof-zangh, de Goden of sijn eygen lof, sich bereydende tot de doot. Behalven dit, so sijn ’er in de Swaen noch andere ongemeene deugden: de gemeene Leeraren der Wysgeeren, Illisaecken getuyght, dat de Swaen een sober en matigh leven leyt, zeedigh is, de kleyne lieft en meer en oudt wort. De starckte en kloeckheydt, beyde in Lichaem en gemaecksel, seer in de menschen gepresen: maer meest in die, dewelcke dat niet en misbruyken, dat is, welcke kunnende ’t selve doen, niet te min andere niet onder druckt, noch soecken te doen: maar getergt van andere een arger kiest, haer dan dapper quetsen om haer te beschermen, en te wreecken. Hierin is meede, de Swaen seer te prijsen, als zijnde een Voghel die seer starck en kloeck is, en soo geen andere zijns ghelijck, soeckt te veronghelijcken of gheweldt aen te doen: daerom noemt Niers desen Voghel, met een aerdig bywoort Onnoosel, Daer weyden breet en zijts de Onnoosele Swaen. De Swaen voert een geweldigen Oorlogh en Strijt met den Arent, de Coningin maer de Wolfgierighste onder alle Vogelen: doch evenwel so en beledight hy sijn tegenpartye noyt als geseght, en tot strijden arghlistigh; en somwijlen valt het geveght niet alleens gelijck uyt maer meestendeel soo overwindt de Swaen, ghelijckse aerdigh ons te selve van meerghemelde Aelianus voorgestelt werdt; die hem [p. 220] selfs niet en voldoet met het lof te uyten van desen Voghel; want selfs, seydt hy, is den Swaen niet alleen kloeck ter doot: maer ook wel-ghemoet tot den strijdt; doch hy en verweckt niet eerst den Oorlogh: even als een matigh en gheregelt mensche, en een voorsichtigh man; doch gheterght zijnde, soo en laet hy niet sijne kloecke krachten te toonen. Andere Vogels leven in vreede met hem, en als in een verbondt; doch wordt hy dickwils van den Arent vyandigh aengeranst, gelijck Aristoteles seght, doch en wort niet verwonnen: maer overwint die vyant door sijn kloekheyt en stercke kracht. En Scaliger schrijft, dat, indien den Arent geslagen wert met des Swaens vleughel, dat het dan met den Arent gedaen is. De Swaen is mede schaemhaftigh, gelijck Albertus Magnus getuyght, en dat in de liefde. Want soo dickwils hy d’vrack bespringht, soo treurt hy als bedroeft, en onthout hem t’eenemael van de spijse, tot soo langh hy sich in een loopende revier ghewasschen heeft, als of hy wiste datter yets verborgen leyt in ’t volck, wanende sijne sonden konnende afghewasschen worden: siet hier van M. Antonius Marsilius van Bononie, Aertz-Bisschop van Salerne. Nu soud’ ik ook wel deses Voghels verstant verheffen; doch dit stel ick uyt tot aen sijn eygen plaetse: een weynigh sprekende van sijne kostelickheydt in de kost. Men mochte dencken dat een [p. 221] Swaen, om sijn swacke huyt en hart vleesch, dat niet wel te duwen is, niet behoorde ghestelt te werden boven de hare, wiens vleesch beter en ghesonder is. Echter soo lesen wy, dat vele, selfs onder de Oude, het vleesch van de Swaen, soo wel als dat van een Gans, hebben hoogh geacht, als Plutarchus seght; en daerom so setten wy billik de Swaen voor de Gans, dewelcke dese en vele verre te boven gaet. Alsenor in sijn heerlijke Maaltijt, laat de Swaen op dischen, als mede Alexandrides doet doen, hy op de maeltijt des Conings van Throyen geweest hadde, selfs sommige van de Nyerlingen, die houden sijn Vleesch onder de leckernyen. Platina segt dat de Swaen geset wort op de tafel der rijksten. Sigismundus Baer, verhaelt, dat de Hertogen van Moscovien, so dikwils sy vlees eten, hare gasten gebooden Swane-vleesch voor te setten. En men leest by den Miesologon, dat een wilde Swaen plach vijf silvere dragons en een derde deel te kosten. Maer dat vele sijn Vleesch verachten, komt hier van, als ik gis, dat sy tot ons overghebracht werden, als sy al te oudt zijn. Daer sijn dan de Enden, waerom wy onder de Water-dieren de Swaen de voornaemste plaetse geven, ’t welk Petrus Bellonius in sijn Historie van de Volgels mede doet, die ik dog niet kan prijsen, om dat sy de Water-dieren den Aertdieren voorset, want dese sijn beter en gesonder als de Waterdieren, om t’eten.
EYNDE.

[p. 222, fol. K3v: blanco]
Continue
[fol. A1r]

WonderenHarpocrates1664UBA

HARPOCRATES,

OFTE

DEN SWYGAERT.

Eerstelijck by een vergadert in ’t Latijn,
door
HIPPOLITUS a COLLIBUS;
Ende nu uyt het Latijn vertaelt
door
CHRISTIAEN POELHUYS.

Waer in de nootsaeckelijckheyt van Swijgen,
ofte om wel te seggen, van niet ontijdigh te spreken, seer
klaerlijck door vele, soo aengename als droevige
toevallen, worden aengewesen.

[Vignet: persoon gezeten op een anker]

t’AMSTERDAM,
By Samuel Imbrecht, en Adam Sneewater, Boeck-
verkopers. ANNO 1664.



[p. 2 blanco]
[p. 3]

AEN DEN
E. Heer myn Heer
JOAN ELISON,
Vermaert Koopman en Ouderlingh der Gemeente
Christi binnen der Stadt Amsterdam.



MYN HEER,
DE weldaden, waerdoor ons huys in ‘t gemeen, en ick in ’t besonder, aen UE. verbonden zijn, perssen mijn aen UE. schuldige danckbaerheyt te betoonen, edoch, alsoo mijn onvermogen, niet mijn wil deselve te bewijsen, verhindert heeft, hebbe mijn selven echter niet konnen gerust stellen, voor en eer eenige gelegentheyt hadde uytgevonden, waer door ick, als een algemeene schultbekenningh, mijn selven ten deele mochte ontlasten. Hier op is mijn voorgekomen, dit Boeckxken, Harpocrates of den Swijgaert genaemt, uyt de Latijnse spraecke, te vertaelen, ‘t welck aenstonts dacht, UE. tot teken van danckbaerheyt, toe te eygenen. Maer laes wat doen ick? meynende de schult te minderen, werde ick niet gewaer, dat ick deselve hier door vermeerdere! UE. verplichtende, dese mijnen geringen arbeydt, tegens de snappers en lasteraers, die geswore vyanden van desen Swijgaert zijn, te beschermen.
[p. 4]
    Maer vast vertrouwende, dat U E. dese weldaedt, uyt aengebore beleeftheyt, tot soo vele andere, sult believen toe te voegen, soo sal mijn op die hope gerust stellen.
    Ontfanght dan, mijn E. Heer, in U E. bescherminge mijnen Harpocrates ofte Swijgaert, die het sich wel licht mochte belgen, dat ick met te veel spreken, U E. soeckt te Loftuyten, en sijn wetten overtradt; soo sal dese laetste weldaedt, tot soo veel andere, waer van de geheugenis noch soo varsch is, toegevoeght, mijn verplichten te blijven


                                            U E. Erntfeste, Wijse, Voor-
                                                    sieniges verplichten Die-
                                                    naer,

                CHRISTIANUS POELHUYS.
Continue

WonderenHarpocratesp5UBA

[p. 5]

HARPOCRATES,
Ofte om recht te swijgen.

HEt zijn nu achtien jaren verleden, dat ick om mijn saken te verrichten, naer het Landtschap der Grisons verreysende, de Alpes overtogen zijnde, omtrent Clavenna (een Stadt seer dicht aen Italien gelegen) mijn vaders vriendt, doense in ‘t Hof van den Keyser t’samen wel eer verkeerden, hebbe ontmoedt, een man van onstraffelijcke leven, ende met wetenschappen sijn Adeldom betamende, verçiert. Hy wandelde by geval, in ‘t vallen van den avont, omtrent een beeck, die met sijn silvre golven dartel door de blijde beemden stroomde. Wilt ghy sijn naem weten, het lust my hem Pomponium te noemen; want hy leefde seer gelijck dien Atticus, in overvloet bequaem, niet uytstekende; çierlijck, niet overdadigh: ende socht met allerernst de sindelijckheyt. Hy was mildt tegens alle menschen, voornamentlijck de geleerde; de droefheydt en hooghmoet bande hy ver van sich, so nochtans, dat hem niet ontbrack het gene Tacitus van Agricola sijn schoonvader verhaelde, dat sijn gemeensaemheydt sijn aensien, ofte strengheyt de liefde te hemwaerts verminderde. Ende datmen swaerlijck konde oordeelen of sijn vrienden hem meerder ontsagen dan beminden. Desen Pomponius, segge ik, my kennende, omhelsde my seer lief- [p. 6] lieslijck: want ick was nu op de aerde gesprongen, ende heeft ten eersten dusdanigh tegen my gesproken: dese mijne wandelinge is geluckigh, welcke my sodanigen gast verkregen heeft: wien ick antwoorde, het soude te grooten misdaet zijn, mijn vader, sonder u te besoecken, uyt dit landt te vertrecken: ja antwoorde hy, oswel hier voor by rijsende, tot mijn huyse niet t’huys te leggen. Maer welck is de oorqaeck van uw’ rijse? de pleydojen, ô wrede pleydojen sech ick met recht! Die van de surien en hel geteelt zijn. Hier op seyde hy meesmuylende, is uw’ het vaersjenvan Martialis vergeten?

        Ellendig is de geen die twintig jaren pleit,
        Daar hem, in het begin, de winst niet wierde ontzeit.

    Maer ick ben daer blijde, dat indien sy geen andere vrucht mede, ghy my ten minsten besoeckt. Gaet kint, en bootschapt u Moeder, dat wy inden tuyn sullen avontmalen. Waer op ick seyde, mijn dunckt dat ick een Lucullum hoore: Want de Juffrouw maer alleen vanden tuyn horende, sal alle gerichten opschaffen die u l. begeert; maer ick bidde u, laet ons doch sober zijn mijn Vader, ghy kent dit spreeckwoort van Seneca, Datter niet schadelijcker is als een overdadigh avontmael, ende uwe redenen alleen gaen die van Tarenten ofte de Sicilise wellusten te boven. Om sober te zijn, sprack Pomponius met een blydere gelaet, heb ick het avontmael inden hof doen bereyden, dat is, heel van aerdtvruchten en ongekoockte gerichten: ghy weet dat den hof [p. 7] der armen Vleeshal is. Altijt heeft my seer behaeght het seggen van Africanus de jonghste, welcke soo lange hy geleeft heeft, gekocht noch verkocht, noch gebouwt heeft, alhoewel ick hem in geen van desen alle sal konnen naervolgen. Terwijl wy dese en andere reden wisselen, komen wy aen ’thuys van Pomponius, voorwaer heerlijck, en niet tot verçiersel ofte nodich gebruyck ontbrekende. My hier een wel-beschilderde kamer,daer hy mijn packen hadde laten inbrengen, gewesen hebbende, ende mijn Paerdt, door de jongens, belast als sijn eygen te versorgen, heeft hy my tijt gegeven my van het stof te reynigen: Maer niet langh daernaer weder komende, seyde hy, het avontmaeltjen wacht u. Ghy seyt te voldoende tegen my, mijn Vader, ick volge: maer hy mijn by de hant vattende, leyde my inde tuyn die aen het huys vast was, met verscheyden priëlen, daer men uyt de binnen-kamers konde in gaen, verçiert. Daer sagh men een wegh die rondtom den hof gingh, en dan noch andere, die haer in ’t midden doorsneden, op verscheyde wijsen, ende aengename wandelingen gaven.

Hoe heerlik zijn te zien de gryze Beukebomen,
Geplant in ‘t groene Veldt, oft langs de waterstromen,
Oft daar een zevenstraal uit Hydraas halzen schiet,
En met zijn zilvre stroom door gras en bloemen vliet,
Wiens Kristalijne vocht verweckt, in ‘t nederbruischen,
Een aangenaam geluidt, een zoet en lieflik ruischen.

    Als ick dit eerst aensagh, ende de Huysmoeder gegroet hadde, met die woorden die men in de eerste ontmoetinge de Huyswaerden plach te [p. 8] doen, word’ ick onder een schaduwrijcke galdery gebracht, alwaer alles tot het avontmael bereyt was welck avontmael wy met verscheyde genoegelijcke redenen en scheutjens eyndigden. Doen de handen gewassen, en de tafels wegh-genomen waren, keerde sich Pomponius tot my, en vraeghde of wy een weynigh wilden wandelen, of wel in dese grasige plaetse neder-sitten? Naerden avontmael moet men staen, of soetjens wandelen, leeren ons de Heelmeesters. Laet uwe Hoven sien, seyde ick, eer het nacht werde.
    Wy zijn derhalven opgeresen, en dewijl ick met een naerstigh oogh de verscheydenheyt der boomen, en selfs Indische bloemen, naerstigh besagh,

Want gene boom oft plant, schoon z’aartig is en net,
Is heuchlik, zo zy is t’onrechte plaats gezet.

sprackick, men mach, ô Vader, van u Hof seggen, het geen seker Spanjaert van Caesars hoven wel eer gesongen heeft.

Wanneer de vruchtbre Nijl u winterrozen bracht,
Stondt den Egiptenaar van zinnen en gedacht
Verrukt: want naauweliks hadt hy uw hof betreden,
Of lachtte Menphis uit, niet zonder grote reden.
’t Is hier een misdaat zorg te dragen:
De zorge, en wat de ziel kan plagen,
Moet gy verbannen en verjagen.

    Hier op antwoorde Pomponius, soetelijck lachende: Ick bekenne u mijn Soon, dat ick dese uytheemse planten met groote naerstigheyt en [p. 9] kosten vergadert hebbe, ende de selve met sulcken groote geneuchte gebruycke, dat ick my niet verwondere dat den Keyser Diocletiaen, de Hoven boven den Scepter geacht heeft: hy is geluckigh die zich buyten alle sorgen daer verhouden kan. De rest weet ghy: als dat Attilius tegens sijn danck de Ploegh tegens het Veltheerschap verwisselt heeft. Ende Symmachus seydt: Ende heeft in ‘t midden van ‘t gesaeyde de heygende Ossen gestelt.
    Cicero komt my menighmael in gedachten, welcke seyde, dat hy uyt de stadt, als uyt de banden naer het Landt uytvluchte.

Wijze en geleerde liên ontvluchten grote steden,
Om in het groene bosch hun zinnen te besteden.
Geen Roomsch Rijmschrijver denk aan my in zijn gedicht
Stads zorgen krenken brein en zinnen: daarom zwicht
Ik uit de steden, en verkies tot wagenborch
Het stille en rustig veldt, en schuw aldus de zorg;
Ik voeg my tot de rust op Rom’les heuvel neder,
En sla op d’Aventyn mijn oog by helder weder.

    Ende meent ghy dat de edelste geslachten van Romen te vergeefs den naem van het lant-leven, als een groote eertitel haer Nakomelingen naer gelaten hebben? Als de Saby, Lentuli, Pisones, Serani, Agricola, Lactucini, Stolones, Rustici, ende andere: als de Cicerones ende Caepy.

Deez’ Ieidden op het landt een vroom en rustig leven,
Geniettende overvloedt van als wat d’aardt kan geven.
[p. 10]
Natuur verschaft hier drank uyt eenen watersprong:
Men hoorde in Tempe nooit een vogel die zo zong:
Hier loeyen d’ossen: hier teelt bosch en beemdt de dieren,
Die, na hun drift, door ‘t bosch en ruime weiden zwieren:
Men slaapt hier veylig, daar de beek door ’t landt heen speelt,
De zorgeloze jeucht een vreuchdig veldtliedt kweelt:
Hier pleegtmen Godsdienst recht: Rechtvaerdigheit ontvluchte
Hier d’aarde, en kwam ter woon in deeze landgehuchte.

    Ick antwoorde hier op, Vader houwt doch op met reden, want het Landt-leven dus prijsende, ontsteeckt ghy mijn lust te seer, ende voorwaer ick ben wel sot, die

Het Koningklikke hof en zalen
Zo yverig soek t’achterhalen.

    Hoe veel beter was het geweest, een hoeve kopende, sonder eernaem op ‘t Landt te leven: de sware stormen waer mede het Hof-leven geslagen wort, treffen hier niet. Augustus Caesar, welcke boven alle menschen het wel geluckt is, en heeft niet naergelaten van het gemeene best oorlof om een Lant-leven te leyden, aen te houden, ende verhaelde dickmaels, dat hy eenmael voor sich selven leven soude. Laet de Koningen dan haer Scepters houden. Die Lantman is geluckigh, welcke met de ondergaende Son vrolijck, naer den gedaenen arbeyt moes en andere aert-vruchten eet, welcke geen konstigh Hof-meester, maer den honger smaken doet, veel soeter dan een Koningh der Koningen, om wiens tafel te versien, bergen, bosschen en zeen doorsocht worden, genieten kan.
[p. 11]
Men ziet den disch van arme liên,
Daar wy nocht gout, nocht purper zien,
Gerust en zonder zorg geschien.

    Die naer hoge dingen tracht, staet naer quaet; die naer rijckdommen, naer groote sorgen.

Door rijckdom wort ‘t gemoet hier niet gerust gestelt
Noch neemt de zorgen wech der Perzen schat en gelt;
Noch Crassi rijcke Schat kan u gerustheyt geven.

    Pomponius op de wijse van die niet toestemmende, het hooft schuddende, seyde, dat is een drift vande Jeught, mijn Sone, ick verbiede u het Lant-leven te aenvaerden, voor en al-eer ghy het Hof-leven, de groote rijckdommen en de wereltse eer, wel beproeft hebt; want hy sal vande aengenaemheyt van dit leven niet oordeelen konnen, die van het ander niet versadight is, ende het selve haet. Terwijl het gemoet door de roock van het Hof noch vervult is, (het is eygen aen de Siecken (seyt Seneca) niet lange yets te konnen Lijden, ende de veranderingen als hulpmiddelen te gebruycken) ist ongeraden dit leven te beproeven nochte het is yder niet gegeven Vaciam Servilium naer te volgen. Ghy schept nu vermaeck nu ghy dese dingen hoort in een sacht en vrolijck leven, om dat ghy door geen sorgh en ontrust soudt werden: maer niet lange hier naer souden daer meerder moeyelijckheden te verwachten zijn. Ick heb gesien (seyt dien selven wijsten man) op een aengename, genoegelijcke Hoeve, die bedroeft waren, ende in de grootste eensaemheyt die besich schenen; welcke
[p. 12]
Nocht Sisiljaansche lekkernyen
Nocht zang der vogelen, die in de bomen zweven,
Nocht Veel, nocht Cimbaalklank de zoete slaap kan geven.

    Ick beken wel dat het borgerleven, voornamentlijck van ‘t hof, vol tweedracht, twist en strijdt is; daer toe heerscht daer de nyt en achterklap Maer wanneer ghy dit leven omhelst hebt, ende uwe saecken soo gestelt zijn, dat ghy niet terugh kont naer u believen; soo moet ghy als door dese deur inde haven van dese ruste inzeylen. Weet dat het geval noyt enckelijck sulcx toelaet. Recht, recht u oogen op naer de heerlijcke beloningen van eer en staet.

Ga voort, laat u geen moeit oft arrebeidt verdrieten,
Om zulk een groten staat en eere te genieten.
Geen zaak zy hinderlik aan uwe blyde vreucht.

    Demetrius noemt het sorgeloos leven, en sonder eenige aenstoot des gevals, een doode Zee. Niet te hebben, seyt Seneca, waer toe ghy verweckt wort, of uw’ selven aendrijft, door welcx aenstoot ghy de vastigheydt van u gemoedt besoeckt, maer in een ongemoeyde ruste leght, en is geen ruste, maer quaedtaerdigheyt.

De uitgehouwe deugt van de begraven slossigheit ontstaet Paulum.

    Waer op ick suchtende sprack: voorwaer Pomponius, uwe vermaningen zijn heerlijck: indien ick uyt den aerdt ende hulp van ‘t geval versterckt, dese loopbaen met die uytslagh konde ten eynde komen, die ghy wel eer, [p. 13] doen ghy in het Keysers Hof verkeerde, volbracht hebt. Ick heb van mijn Vader verscheyde mael verstaen, dat ghy de wijsheyt, die men niet als door het langh gebruyck plach te verkrijgen, voor de jaren hebt vertoont,

Toen u het witte kleedt wel eertijds wierdt gegeven.

    Daer toe dat ghy, in saecken uyt te voeren, ende de genegentheyt vande menschen aen u te verbinden, seer geluckigh zijt geweest. Maer om dat wy in die reden vervallen zijn, soo bidde ick u mijn Vader, Vader segge ick, en door ouderdom, ende door veel eer-ampten overladen, naerdemael ghy het grootste deel uwes levens in de bestieringe van het gemeene beste versleten hebt; soo dat ghy door vele en heerlijcke gesantschappen, een uytstekende kennis der wereltse saecken bekomt; dat, gelijckerwijs ghy oordeelt, dat ick in het gene begonnen hebbe, soude volharden, ghy my den rechten wegh, die ick houden moet, ende van welcke slibberwegen en heuvelen ick my moet wachten, belieft te onderwijsen ende te bestieren: aengenamers kan ick daer qualijck byvoegen, ende ‘t geen my nutter is op dese tijt. Want ick ben.

Gelijk een kleine boot,
Die, door een grote storm zich vindt in zware noot.

Of als een ongepluymt Vogeltjen, dat sijn nest noch niet kan uytvliegen.

In Theben zomen zeit in zware Lucht geboren.
[p. 14]
Hierop antwoorde Pomponius: Ghy spreeckt naer uuytmuntende genegentheyt die ick over langh bevonden, altijt van my heerlijck; Maer nu maeckt ghy my schaemroot, door dese grooten Lof, welcke niet mijn verdienste, maer alleen de liefde uwes Vaders te my waerts heeft doen uytdrucken.
    Wat van de rest is, brave ziel, naerdien ghy veel heerlijcke saecken weet, den willigen is niets swaer, nochte yets soo gemeen: om welcker oorsaeck, men in het begin, soo veel verdragen moet, ja oock eenige dingen tegen sijn gemoet doen.

Gy draagt geen Beyen, nochte zult genen Honing eeten.

    Daer zijn sware steenklippen; ick ontkent niet: maer die door een middelbaer oordeel ontweken werden, en voornamentlijck door die sich naer de genegentheyt en aert van vele menschen kan voegen: Maer ghy dwinght my, dat ick u voor de voornaemste waerschuwe: ick ben die gene niet mijn Sone, die yets waerdigh uwe verwachtinge sal konnen voortbrengen; niettemin, naerdien ghy soo openhartigh met my gaet, wil ick gehoorsamende, liever mijn onwetenheyt voor den dach brengen, als weygerende, u onvruntschap doen. Naerdemael dan een bequaem persoon, inde Hoven van groote Prinçen, soeckende met eenen uyt te komen, dese twee dingen, noodigh zijn, te weten; Wat hy omtrent den Prins, en wat hy omtrent de andere waernemen moet; het zy sy u meerder, gelijck, of minder [p. 15] zijn; aleer ick dese dingen in ‘t besonder sal aenroeren, ist noodig eerst een grontslag te leggen.
    Om de tongh door ‘t gebidt der wijsheyt te bestieren, ’t welck niet recht geleyt zijnde, soo sal al hetgene ghy daer op lecht, door de kleynste bewegingh nederstorten; Maer hier vanmorgen: want den bestierder des slaeps Mercurius, roept ons, en voornamentlijck u mijn Soon, die ongetwijfelt vande wegh vermoeyt zijt.

Nu heeft den Harder ‘t Vee in zijne stal gedreven,
De nacht ter slaap geleidt al ’t geen men ’s daags ziet leven.

    Weg met de slaep, seyde ik: Terwijl wy van dese saecken handelen, leven wy soo veel meerder uuren: want voorwaer het leven is een wake, als Plinius recht zijt. Dit is heerlijck van Ariston geseydt, dat den mensch maer een kleyn leven toegeleyt is, om dat den slaep als een tollenaer de helft naer sich sleept. Indien ick nochtans slapen moet, soo wensch ick door u woorden als door een soete Harmony daer in te vallen.

De stemme van een vriendt is zoeter dan eenige zoete overstemminge.

    Maer ick moet sorge voor u dragen. Laet ons gaen. Derhalven naer huys keerende, heeft hy my, die sulcx tegenstont, aen mijn slaepkamer geleyt, ende goede nacht gewenscht, en is wech gegaen. Ick sliep tot den dach gerust. De nacht verdwenen zijnde, als nu uyt de Oost-Indische Zee,

De Gulde dageraat aanbrak met zijne straalen.
[p. 16]
    Uyt den slaep, en bedt, met der haest verresen, my de geheugenis van de reden, die wy ’s avondts gevoert hadden, in gedachte schoot, en begeerigh het geene te weten, dat Pomponius soo mildelijck belooft hadde, naer dat ick den eeuwigen Godt, als een Christen ge-eert hadde, gae ick naer sijn kamer toe; maer van de knechts onderwesen zijnde, dat hy nu al in de Hoven was, gingh ick van stonden aen daer naer toe, vindende hem wandelende ick groet hem, hy my weder. Hier naer seyde hy, het is de manier der reysigers mijn sone, soo vroegh op te staen, maer hier in mijn huys behoorde ghy gerust te hebben. Waer op ick antwoorde, ick hebbe seer wel gerust, ende dat my aengenamer wesen sal, dan alle ruste: (mijn Vader) ick versoeck, ghy u belofte volbrenght. Pomponius antwoordt met een vrolijck aengesicht: ghy bent een scharp maender ick wil nochtans geen schuldenaer van gisteren blijven, ick bemin u te seer. Geseten zijnde, begon hy aldus te spreken:
    In het burgerlijck leven, naer het gevoelen der wijste mannen, en is niet grooter noch heerelijcker, dan van alle saecken grondigh en klaer te spreecken: maer mijns oordeels, is het geen minder lof, wel te swijgen; dit seyde hy hebben wy van Godt, het andere hebben wy van de menschen geleert, wie twijfelt, of de wijs- [p. 17] heydt van swijgen, is een van die deughden, welcke der menschen manieren beheerscht, ende een bewaerder des menschen leven is? Noch huys, noch deur, noch stadt, noch poorten konnen yemandt verseeckeren, ten zy deuren tijdigh geslooten en geopent werden. Soo mede is der tonge gebruyck onnut, ten zy ghy de konst om de mondt te openen ende te sluyten vast hebt, dat is, dat ghy weet wat ghy spreecken of swijgen sult. De Romeynen offerden wel eer de Godinne Angeronae, niet verre van den Tempel Minervae, in den Tempel van Volupia; gelijck de Aegyptenaeren Harpocrati, de Griecken Sigalioni: Desen Godt was vol oogen geschildert, heel vol ooren, met een Wolfs-vel half omgordt, met een hoet op de Lacedemonise wijse gedeckt, met wolle schoenen geschoeyt, met een gebonden en geseegelden mondt. Die aen dese niet geoffert hadde, wiert tot den Autaer der wijsheydt niet toegelaten. Want niemandt is wijs die niet en weet te swijgen. Democritus verscheyden-maele gevraeght zijnde, of hy uyt sotheydt of wel gebreck van woorden sweegh; antwoorde, een sot kan niet swijgen: Het welck met duysendt kan bewesen worden, welck de tongh haer verderf veroorsaeckt heeft. Hoe veel menschen meent ghy dat haer woorden door de strot gegaen zijn.
[p. 18]
    Den Keyser Valentinianus heeft Erechtio en Aristomeni de tonge doen afsnijden, alleen om dat sy wat hatigs geseyt wierden, voortgebracht te hebben. Ick slae over de Romeynse Statery, en de Lacedemonise Pausanias en andere, welcke ons tot het soo niet dwingen, ten minsten aenmanen konnen. En voorwaer, indien de wilde beesten door swijgen haer behoudenis soecken, hoe veel te meerder zijn de menschen, door de reden bestiert, sulcx gehouden te doen.
    Men schrijft dat de Oost-Indische gantsch om de groote hitte naer ‘t westen vluchtende, als sy den bergh Taurus, die met veel Arenden, (haere vyanden) vervult is, sullen overvliegen, haer becken met stenen sluyten, op dat de hoogste noot selfs, haer geen geluyt, dat is haer verderf, uytpersse. Maer dese toppen met een snelle vlucht overvlogen zijnde, werpen sy die stenen weder uyt, en vervolgen haer wegh. Ach of die gene, welcke inde Hoven der Prinçen verkeeren, dit naerstigh bedachten, dat sy op den bergh Taurus vol lageleggers, yder woort in een schael wegende, verkeerden.

De vyandt naardert vast, en zwait in zijne handen
Het zwaardt, om hem, daar hy op toelegt, aan te randen.
   
    De Amandel-boomen, om datse de eerste van alle stammen bloeyen, worden van de rijp bedorven; soo oock mede de Hovelingen streckt de stoutheyt en losheyt vande tongh dickmaels tot verderf: wat sal ick meer seggen, onder soo vele, en vremde misslagen, van die onvoorsich- [p. 19] tigh leven isser geen misslagh bykans swaerder, als datmen op zijn tijt niet weet te swijgen. Als Pomponius dit geseght hadde, sweegh hy een weynigh: maer ick verstae dit, mijn Vader, seyde ick, dat een wijs man, niet beter als het swijgen nut is: maer den tijt van swijgen of spreken te onderscheyden, daer leyt de knoop: Pomponius hier op lacchende seyde, ick sal met weynigh woorden u hier op dienen. Socrates stelt twee tijden van spreecken, of als ghy een saeck grondigh weet, of wel als het nodigh is te spreken; in andere saecken moet men swijgen, oordeelt hy:

Zwijgt als het u niet schaat, en spreekt als het u baat,

    Verstaet ghy het? noch niet sprack ick: want nademael de rechte konst van swijgen, van die soorte der wijsheydt is, welck door langh gebruyck van saken, dewijl wy onder de menschen verkeren, verkregen wort, soo moet men wat wel of qualijck geseght of gedaen is, van ons en anderen aenmercken, wat ghy daer omtrent, door het verloop van so veel jaren, ondervonden hebt, moet ghy naerstigh waernemen, op dat ghy u daer naer, als een richtsnoer kont bestieren.
    Ick sal doen dat ghy begeert, sprack Pomponius, niet soo seer door ‘t vertrouwen dat ick hebbe om te volbrengen het gene ick belooft hebbe, als wel door schaemte van te weygeren. Dit geseyt hebbende, ginck hy dus voort. [p. 20] Die wort niet geseght wysselijck te swijgen, die alleen sijn tongh weet in te tomen, maer selfs al zijn bewegingen en handelingen weet te bedwingen. Hier op seyde ick, mijn Vader, ghy spreeckt onwaerschijnelijck, als of de tongh geen eenigh Instrument van ‘t spreecken ware. Pomponius zijn reden vervorderende, let maer naerstigh op, seyde hy, ick sal niet alleen maecken dat ghy verstaet ‘t geen ick geseyt hebbe, maer dat meer is, dat wy door het swijgen dickmaels klaerlijck spreken. Want het is seker: Eerstelijck, wat de Mensch aengaet, dat de geheymen der Ziele, door uytterlijcke tekenen, aen ‘t verstant bekent gemaeckt worden, te weten, door het wesen, beweginge, ende andere gestalte des Lichaems: hier byvoeght de verwe, schriften, schilderyen, en de diergelijcken.

Het aanzicht geeft dikwijls ‘t verborgene te kennen.

    Ghy ziet my, (seydt Satyricus) nochte ick kan niet voorseggen, nochte ick let niet op den hemel der Mathematiciens: ick oordeel alleen uyt het wesen vander menschen manieren: en als ick een wandelaer zie, weet ick wat hy denckt. Laet dien bootsemaecker van Lucianus voor den dach komen, welcke voor Demetrio het overspel van Venus en Mars; Vulcanus van de Son vermaent zijnde, ende haer beyde lagen leggende, deselve door dat wonderlijck net beklipt; de daer omstaende Goden, Venus, met schaemte overgoten, den Oorloghs- [p. 21] Godt vreesachtigh biddende, en alles wat die sabel inhoudt, alleen door beweginge ende gebaer des lichaems, maer soo klaerlijck vertoont heeft, en met sulck een aerdigheydt, dat Demetrius gedwongen was uyt te roepen: Ick hoor het geen ghy doet; noch ick en sie het alleen niet, maer ghy schijnt door u handen te spreecken. Diergelijck leeftmen van Neroos potsemaecker, welcke den Grieckschen Regulus, om geen andere oorsaeck van Nero gebeden heeft, als om dat hy met de naburige Barbaren, met welcke hy geen reden konde wisselen, door gebaer soude konnen spreecken. Het neergeslagen hooft, beteeckent ootmoedigheydt. Het opgeheven, opgeblasentheydt. Op de zyde hangende, flauwigheydt. Stijf en uytgestreckt, wreedtheydt. Seecker Cimber, tot Cajum Marium, doen hy te Minturnen gevangen was, om hem te dooden, gesonden zijnde, wiert alleenich door het wreedt opsicht van desen grooten man soodanigh verschrickt, dat hy onverrichter saeck, gedwongen was te vertrecken. Onse winckingen geven mede onse meeninge te kennen, ende is soo veel als haer spraeck.
    De groetenisse seecker dickmaels sonder woort wordt verstaen, en neemt yemandts gemoedt in ende uyt, het wesen en ganck wordt dickmaels den drift van het gemoedt bekent; ja self der dieren reden ontbreeckende, de toornigheydt, blydtschap, pluymstrijckery, kan [p. 22] men uyt de oogen ende andere teeckenen des lichaems sien en gewaer worden. Catullus heeft gewilt dat de winckbraeuwen op te slaen, een teecken was van een toornigh man, en die yemant dreyghde: Hier op past dit schimpdicht.

O Cata! waarom staan uwe ogen
Zoo straf met opgespanne bogen?

    Als Nero sonder onderscheydt de beste om ’t leven bracht, heeft hy Paeto Thraseae verweten, dat hy een droevigh wesen als sijn meester vertoonde, om dat hy quansuys sonder niet soude schijnen wreet zijn. Met beyde handen het hooft te onderschragen, beteeckent droefheydt: Daer om is Marcus Antonius van Augusto verwonnen, doen hy van Cleopatra in haer schip ontsangen was begaf hy sich aenstondts naer het voorschip, ende hielt al daer een wij lange sijn hooft met beyde sijn handen, soo als van hem geschreven wordt. Met de handt wordt oock het volck het swijgen geboden:

Hy heeft met zijne handt en wezen stilt’ bevolen.

Maer als Tiberius Gracchus sijn welvaert het volck beval, heeft hy sijn handt aen het hooft geslagen. De ophessinge der handen beteeckent toestemminge. De handt een minder te kussen geven, is een teecken [p. 23] van toegenegentheydt. De handt van een ander vatten en kussen, een teecken van nedrigheydt. De handt van den Prins te raken, was eertijdts een teecken van seeckerheydt.

    ’t Geeft rust aan mijn gemoedt zo ik zyn handt mach raken.

    Het gebaer van knien en voeten, in openbare so wel als besondere gebeden, is seer gebruyckelijck van oudts. Als de Oude yemandt wilden verbidden, so omhelsden sy de knien, en dachten, dat alhier den setel, en yets verborgens van barmhartigheydt beslooten was, welcke manier heden by vele gebruyckelijck is, beteeckent nedrigheydt, die staende aenbidt, als nu vergissenis verkregen hebbende. Een hangende baert en hair, dat is, so wanneer yemandt sijn hair en baert niet scheert, is een teecken van droefheydt van oudts. Seneca seydt, ick ben met een hangende baert en vuyl tot uw gekomen. Iulius Caesar gehoort hebbende de nederlage van Titurius, heeft sijn hair en baert laeten hangen, ende niet eerder verholpen, eer hy die neer laegh gewroocken hadde. Augustus is door de nederlage van Quinctilius Varus so verslagen geweest, dat hy sijn baert en hair heeft laeten hangen, ende buyten op de straet dick maels uyttoogh.

Ziet hem met nederhangent haar,
De wys der droeven volgen naar.

[p. 24]
Op deselfde wijse de ogen nederslaen, betekent een bovenmaten schaemte. By Euripidem dorst Hecuba Polymnester door schaemte niet aensien, sy schaemde haer in so elendigen stant gesien te worden, van die gene, van welck sy in haer heerlijckheyt was begroet. De Romeynen by de Surcas Caudinas vande Samniten door ’t juck gejaeght, alhoewel sy van die van Capua haer bontgenoten des nachts vriendelijck wierden ontsangen, dorsten echter van schaemte en toorn de oogen niet opslaen. Het is oock een teken van schaemte, een deel van ’t lichaem decken, het welck niet ontdeckt mach worden. Caesar en heeft door drie-en-twintich wonden niet konnen afgeschrickt worden, of hy heeft noch sorgh voor de schaemte gedragen; want hy heeft sijn tabbaert met beyde sijn handen nedergestreken, op dat het onderlijf bedeckt soude sijn. Op dese manier (voeght daer Valerius by) so geven geen sterfelijcke den geest, maer nemen de onsterfelijcke Goden haer plaets weder in. Het hooft te smijten, herwaerts en gints te draeyen, is der rasende manier, ofte die in Bacchus-seesten de rasende, door uytgenomen blyschap, uytbeelden. Tacitus seyt: Sy liep met het hangende hair den Bacchusseest bevlochten, stockschuddende; ende hier by was Silius met ‘t lijf omwonden, op hooge schoenen gaende, het hooft schuddende.
    Als men de vingers gedruckt, worden wy, door het spreeckwoort, selfs gedwongen die person gunstigh te zijn; teeckens van versma- [p. 25] den zijn yemandt uythouwen, uytstampen, in sijn reden vallen, op de tanden bijten, uytbarsten.

De Dardaners al t’zaam verwekten een gedruisch.

    Ick blijve misschien langer als het behoort op dese dingen staen, van het verschieten der verwen, waer van verhaelt is, moet ick even wel wat byvoeghen, want daer door worden de bewegingen des gemoedts te kennen ghegeven. De gele coleur was de bruyloft toegeeygent, ende de rode trippen droeghmen in vrolickheydt, maer oock de gele schoenen. De witte verwe was een teken van de suyverheydt des gemoedts, de swarte van droefheit, de purpere en rode schoenen een teeken des gebiedts. By de Romeynen was een hemels blaeuwe banier, welcke uytgesteken zijnde, was het een teecken,dat de soldaten als yets schielicks en oproerigs overkomen, sich sonder naer ordre te wachten, in de wapens begheven moesten. Plutarclius schrijft dat het purper kleedt een teecken des strijdts by de Romeynse Velt-heeren was; of om dat dese bloedige verwe den soldaet gewoon maekte, het gestorte bloedt te verachten, of wel om datmen des ghequetsten Veldt-heers bloedt niet soude konnen mercken, wegens de purpure verwe. Maer het beteeckenen der verwen, is by verscheyden Volckeren verschey- [p. 26] den. Hier op invallende, seyde ick, het schijnt voorwaer dat wy de gheheymen onses ghemoets, dickmaels sonder spreken ontdecken, maer wat leydt daer aen? Geeft u aen mijn over sprack Pomponius ende ghy sult het verstaen. Dit begeer ick voor al dat die de wijsheyt van swyghen begeert te verkryghen niet alleen een ghebit in sijn mondt leyt, maer oock alle delen sijns lichaems ende bewegingen wel bestiere op dat,

De woorden niet tegen de daeden stryen.

    Men bevint gheen minder misslach inde beweginghe als inde reden, alsser yets anders door de stem yets anders door het wincken ende handt te kennen ghegeven wordt. Alsmen eenmael te Smyrne de Olympische spelen vierde, waer in Polemo voorsat; ende een ongesouten speelder de handt ter aerden streckende, O Jupiter uytgheroepen hadde ende [Grieks] dat is O Hemel, opwaerts siende ende sijn handt ten Hemel streckende, so heeft Polemo de onwetenheit van die mensch vervloeckende sich van ‘t Tonneel begeven met dese woorden, [Grieks].
    Indien het wesen of ghebaer van de reden verschillen, droevighe blygheestich spreecken sommighe dinghen, hackelende bevestigen, so beneemt ghy niet alleen [p. 27] het aensien maer selfs het gheloof aen u reden.
    Het aensien komt oock vande bewegingh en gebaer, seyt Quintilianus. Derhalven plach Demosthenes in een grote Spiegel siende sijn wesen vast te stellen. Als Herodos Atticus een vermaert Sophist, de doot van sijn huysvrouw Regilla, daer hy oorsaecke van was te onmatigh beweende, in ’t swart sijn huys en sich selfs bekleet hebbende, maer onderwyllen witte wortelen at, gaf gelegentheyt aen sijn benyder hem een schimpdicht toe te duwen seyt Philostratus. Dit kan

        Hy die zijn liefde in ’t asgraauw kleedt,
        Ofte in het donckerverwige besteedt;
        En ’t gloênde Purper hoont en lastert;
        En die het draagt voor een verbasterd’
        Van hunne uitscheldt en ‘t Vrouw-gewaadt
        Beschimpt, als of het kwalik staat;
        Maer schept alleen in ‘t zijn’ behagen;
        Volherde vry in’t zwart te dragen.

    Wilt ghy van yder vriendelijck en beleeft geacht worden, waerom treet ghy so hovaerdich? en veracht alle die u teghenkomen, bemerckt ghy niet dat oock daerom de groote Prince gehaet worden? Tiberius Caesar wandelde eer hy Keyser wiert [p. 28] altijdt recht open met een gestreckten hals, en met een straf wesen, welcke dingen als onaenghenaem ende vol hooghmoedt, als Suetonius verhaelt, Augustus in hem bemerckt en ghesocht te verschoonen heeft; dickwils by den raedt openbaer belijdende, dat het gebrekender natuur, niet des gemoedts waren. Datmen de pluymstrijckery, waerdigh de slaven van ’t Hof, boven welcke niet ver achter is, verre van ons werpen, sodanigh de Kocks, dickmael, door de soetheydt der gherechten de Princen bederven, sodanigh wordt mede door de pluymstrijckers, haer lusten voedende het gemoedt van de deught afgeleyt. Daer werden smmige gevonden, welcke terwijl sy beleeft willen geacht zijn, ende het lacchen nae-apen, om gunst te winnen, sich als guychelaers, toneelspeelders, ja als schavuyten met haer manieren, omtrent de tafels der Princen aenstellen, maer meerendeels so ongherijmt, dat het my verwondert hoe het de Princen konnen verdragen.

        Het welk Sarmentus zels nocht Caesar sijn dagen,
        Nocht Galba aen sijn disch van niemandt had verdragen.

    Het is te vuyl, om een ander te behagen, u selfs veracht te maken. Anacharsis den Schijt in een gastmael ghebracht zijnde, daermen wonderlijcke belacchelijcke kluchten uytvoerde, sagh die sonder lacchen aen. Daer na [p. 29] alsser een aep ghebracht heeft hy gelacchen ende heeft de oorsaeck geseght, te wesen, om dat dese van naturen belacchelick was, en den mensch het slecht versiende. Hier by noch, Wat baet het dat de mondt, naer zedigheydt schijnt te swijmen, als u daden het tegendeel bewijsen: Ghelijck als indien ghy met onkuysche omgaet.

Zo ik uw makker kenn’ zal ik uw inborst meten
Een medebroeder is uw schaduw’ moet gy weten.

Of indien ghy op verdacht plaetsen gaet, ofte in oneerlicke schouwspelen lust schept.

Meêr strafheyt is te lezen,
Wanneer de Renbaan dreunt in Romens Vaders wezen.

    Wanneer Marcus Portuis Cato, de bloemspelen, die Messius den Kerckmeester aenstelde, aensagh, so heeft het volck stilswijghende versocht, dat de guychelaers naeckt mochten ontkleedt worden, het welck als Sanonius sijn beste vriendt, die by hem, sat merckte, is hy datelick van ’t toonneel ghegaen, waer op Martialis songh,

O Kato! waarom bleeft gy op ‘t toonneel niet staen?
Oft kwaamt gy slechts alleen om weêr naar huis te gaan?

    Wat baet het ten laetsten datmen de matigheydt so seer looft, indien ghy u een [p. 30] dronckaert aen tafel vertoont als ghy niet allenich u selven vol suypt maer selfs andere die moeyelijckheyt aendoet, dat sy so veel moeten swelgen als het u goet dunckt.

        De glaasjes, die gedroncken zijn,
        Zijn vijf gevuldt met goeden Wijn.

Daer schiet noch over datmen van die gene spreeckt welcke nieuwsgierich sijn ende geensins andermans geheymen schynende te willen weten, nochtans indien, twee by gevalle, wat gheheyms onder malkanderen sien verhandelen, haer nieuwsgiericheyt niet konnen bedecken, of sy moeten haer terstont daer byvoeghen, ende yverich naer u reden luysteren.

        Als gy twee lieden t’ zaam ziet kouten,
        Zo wilt u by hen niet verstouten.

    Of indien yemandt sit omtrent een die by gheval brieven leest sijn hooft buyght om te sien wat die inhouden, sy schroomen niet haer oogen op alle papieren te slaen, niet sonder het grootste misnoeghen der toesienders ende van die geene ten laetsten welcke de brantmerck van qualijck spreecken verre van sich soecken te werpen, maer ’t elckemael de tongh op de wijse alsmen yemant uytlacht, uytsteeckt, dat alhoewel sy haer tongh bedwingen, de neuse nochtans Rhenosters ge- [p. 31] wijs opfronsen ende met andere ghebaeren sich de snootste uytlachgers betonen, ick wenschste liever dat sy so qualijck spraken,

Een matige lach staat deftig.

    Maer ick soude den regen met mijn handt schijnen te willen vanghen, indien ick alle soorten van dit volck wilde ten toon stellen. Daer sijn soo veel proeven van,

Als koren airen staan op het gezaide Lant;
Oft als ’er bomen zijn in ’t woeste Bosch geplant.

    Dit sal derhalven genoech sijn: want hoedanich soudemen maet in yeder handelinghe te houden konnen keren, seer swaerlijck, so het niet onmogelijck is. De ampten worden verandert door personen, tijden, jaren, de natuur der saecken, de maniere der menschen, ghewoonte der plaets welcke veranderingh, op een hair te weten, dit behoort tot de kennis van het aldersnedighste verstant.
    Hierop slaet de hele saeck; datmen niet alleen alle woorden maer oock daden, die ons tot laster strecken mochten, moet schuwen, ende voorsichtich te voorsien, dat onse gebaren, beweging, gangh, standt, sitten, aensittinghen, handen, oghen, stem van alle quade. achterdocht vry sijt, dat is dat als ons doen naerde rechte reden gericht zy,

        Een lieflijck wezen maakt aanminnige manieren:
        Noch beter kan de deucht het hele lichaam cieren.

[p. 32]
Homerus, heeft dien alderwijsten Ulisses, de hooghste maeticheyt in alle saecken toe gheschreven; alles gehoorsaemde de reden; hy konde sijn aensight bedwinghen, dat het niet veranderde, sijn ogen datse niet weenden, sijn hart dat het niet beefde, sijn tongh datse niet en sprack. Ick bid u hoe komt het dat dat eerlijck spreeckwoort van Galba, dat de Soldaten van hem verkoren niet gekocht wierden, hem twijfelachtich afgenomen is? Om dat seyt Tacitus, alles naer het behoren niet was. Hy sal noyt nuchteren geacht worden, die de Curios wil gelijck sijn, ende Bacchus seesten vieren.

Als Pomponius dus verre gesproken hadde, heeft hy zijn rust gemaeckt van deeze schoone reden:

    En heefter bygevoeght. Op dat ghy het geene ick geseyt hebbe niet gheveynst besit mijn Sone, so moet ghy voor al u ghemoet suyveren. Want daer leyt aen gelegen, wie ghy zijt, niet waer voor ghy gehouden wort. Geen volck is schadelijcker als die gene, welke met haer aensicht en droevich wesen, een ernsthaftigh person uytbeeldende, de vuylste en snootste soutten bedecken, van buyten een bedriegelijcke schijnheylicheyt vertonende; het welck nochtans merendeele haer verderf is, omdat haer bedroch ontdeckt is. Gelijck by aldien yemant een kleet, aentoog van een ander die van een ander gestalte was, [p. 33] niet licht door konst te weegh sal brengen, dat het hem wel passe, als mede die op sich neemt de plichten van een wijs man, van wiens mannieren veel verschilt, die sal ghemene lieden, en dat alleen voor een tijt misschien konnen bedriegen, maer die snedigen van verstant sijn, sal hy noyt misleyden. Dit de natuer van de onwillighe selfs uytperssende, dat haer door sotheyt ontvalt, welck meer haer verstant als person eygen is.

Als ’t hert bedroeft is kan men zwaarlick zich verblijden:
Oft boerten als het lijf bevochten wordt met pijnen.

    Ghy moet derhalven u gemoet suyveren: want hier van gaen de ghedachten en woorden uyt, hier uyt heeftmen ‘t wefen, ghelaet, gangh, wanner het gesont en starck is so is mede de reden en bewegingh starck en mannelijck. Indien hy komt neer te storten alles volcht sijn ondergangh: ‘t gemoet seyt Seneca, is onsen Coningh, dese behouden sijnde, blijven alle andere leden in haer plicht en gehoorsamen, als die een weynich waggelt so knicken sy; maer als sy sich tot de wellust overgeeft, so verwelcken al haer bewegingen. Een oprecht ghemoet onderwerpt sich alles, sich selven niemant.
    Alhier, wedertusschen sprekende, seyde ick, mijn Vader ghy maeckt my tegelijck geluckighen bedroeft door u reden, het is veel [p. 34] te swaer sijn gemoet en lichaem sodanich aen te stellen en te besnoeyen, ghelijck ghy leert sijn leven te betomen, sijn handel te besnoyen datmen doen of laten moet te weten, en door die steyle baren een goede haven te beseylen. Het is voorwaer moeyelijck seyde Pomponius voor veele gheweest, die sonder eenich hulpmiddel of richtsnoer, dese slibberwegen doorwandelt zijn;

En die, door lang gebruyck van ondervonden saacken
En jaren, deze klip te boven moesten raacken.

    Want deese hebben dees wijsheyt, door veel leets te verdragen, hitte en koude te lijden,door leren en af te wennen verkregen.

Den tweeden dagh is leerreling van d’eerste.

    Het is met u een andere saeck, wiens gaven vande natuur, de naerstige opvoedinghe geholpen ende de gheleertheyt verciert heeft? Maer laet ons voortgaen ende aleer wy om de tongh in te tomen yets seggen, slaet ons dit met weynich woorden verklaren, op wat wijse, als ons tonge ende beweginghen swijgen, wy verstaen worden te spreken. Dit sult ghy uyt der rechte geleerden boecken lichtelijck bekennen: Ghy weet wanneer daer een sware twedracht is dat die swijght, verstaen wil werden. Derhalven seyt hy: Het stilswijgen is een soorte van bekennen de reden sijns regenstrevers.
    Byvoorbeelt, indien een Soon, inde tegen- [p. 35] woordicheyt sijns Vaders Corporael ghemaekt wort, ende de Vader swijght, so schynt hy het toe te staen. Heliogabalus plach de stemmighste der Raedts-heren te vragen, of hy tot Venus spel niet bequaem was? als de Raedts-heeren door schaemte sweghen, riep hy, hy is roodt gheworden. De saeck is goet. Somtijts geven wy door ’t swijghen onse halstarckigheyt, somtijts een naerstigh toehoren te kennen. Ick beelde my in seyt Plinius, wat t’samen loop, wat verwonderingh, wat geroep, wat gheswijgh daer mede is: dat ick als ick spreecke of swijge, niet minder al door gheroep vermaeckt werde: laet daer maer een doodt swijghen sijn, ende yemant die de rest begeert te hooren.
    Door ‘t swijghen eysschen wy somtijts wraack. Het is seecker (seyt Valerius Maximus) datter een jongeling op de recht-plaets gebracht wiert, sijn ogen ter aerde neder geslagen hebbende, ende met een schaemachtich swijgen, de wraack die versocht, daer door veel ghevordert heeft. Het swijghen is somtijts een teecken van grootmoedicheyt. De Huysvrouw van Arminius, seyt Tacitus, en wilde noch door ootmoedich versoeck, nochte verwonnen door tranen, de handen voor haer borst gevouwen houdende, sach sy haer swangere buyck aen..
    Een seecker teken van wreede ghedachten is het in een toornige, indien hy door swijgen [p. 36] sijn gramschap verberght. Maer die de verborgen aenslagen teghens sijn Prince aengeleght helpen oft verswijgen, sijn beyde even schuldich; Indien in des Princen Raadt yets oneerlijcks ofte het ghemene beste niet nut, voorgestelt wort ende ghy swijght, gevraegt wesende, so is daer niet aen te twijfelen of ghy stemt de saecke toe. Ten laetsten die een vrient met brieven of wel mondelingh ghewoon is geweest aen te spreecken, en hy laet het selve naer, die heeft de vruntschap (so het schijnt) afgesneden. Het verbont der gemoederen verouwt als door een roest van swijghen seyt hy. Dese woorden voerende, quam daer een kint, uyt last vande huysmoeder bootschappen, dat het ontbijt op haer lantwijse toebereyt, vaerdigh was. Ick sprack tot Pomponium, die mijn aensach laet ons het ontbijt voor de kinderen ende siecken laeten, dese uwe reden, seyde ick, is my aengenamer dan alle spijsen, ick bidde u dat wy se niet afbreecken. Hy heeft derhalven (het kint afghevaerdicht hebbende) sich een weynich bedenckende, dusdanich sijn reden vervolcht.
    Laet in u wesen een vrolijckheyt met waerdicheyt vermenght uytschijnen; laet daer geen nedrige vleyery by sijn; op dat wy ons gesach niet verminderen, laet u stuursheyt niet droevig sijn, sijt niet uytgelaten vrundelijck, opdat daer uyt geen haet, hier uyt verachtinge ontsta.
[p. 37]
Ontsanght het woordt uws vriendts met eenen blyden schijn,
Op dat uw trouw by hem geensins verdacht mocht sijns
En uw bywesen hem geen hinder doe nocht pijn.

    Wilt ghy ghespraecksaem geacht worden, ende ghy moet met moeyte gesproken worden, voorwaer dit komt niet over een. Derhalven spraken de ghesanten der Lacedemoniens heerlijck, welcke aen Lygdamo den Tyran ghesonden sijnde, dickmaels versocht hebbende tijdt, om haer last te openbaren en tot antwoort ontsangende dat den Prins niet al te wel was, toornich te rugh toghen seggende, dat sy niet om met hen te worstelen, maer te spreecken ghekomen waeren. Hoeveel beter dede Trajanus, van welcke Plinius seyt. Een yeder die tot u komt hangt aen u zijde, ende het endt van yders reden is sijn schaemte, niet uwe hovaerdye: ick ga voort. Wat sal het u baten dat ghy in geen tale welsprekende sijt? Indien ghy in u reden, elckemael het hooft schut, de mont treckt die geene waer mede gy spreeckt, in het aensicht spuwt, ofte so met u handen schermt dat ghy de vlieghen schijnt te willen weghjaghen.

Want dese dingen sijn de redenen te schadelick.

    Wilt ghy sedigh en stemmich gheoordeelt werden, hoe komt het dan dat ghy toneel- [p. 38] speelders klederen gebruyckt of de kleur de lichtheyt uws ghemoets te kennen geeft, gy soeckt nedrich te sijn ende munt uyt in kleederen, huysraet ende maeltijden.

’t Is dolheyt datmen all’ zijn inkomste aen het lijf hangt.

    Maer ghy seght ick ben rijck, en die mogen het weldoen, andere sijn rijcker als ghy, die sonder gherucht, matich ghekleet, haer middelen verswygende, grote rijckdommen sonder pocchen en hovaerdye besitten, onder schijn van middelbare lieden. Wilt ghy een man gheacht worden, en kleet u op der Vrouwen wijse; krult ghy u hair naer ’t gebruyck der vleyende Vrouwen; vermindert ghy u stem ende strijt in teghenheyt van lichaem met de Vrouwen: Want waer henen strecken (spreeckt Satyricus) dese ghevlochten hairen, waer henen dese gemaekte gang, en dese treetjens niet een hair uyt de schreef gaende.
    Een middelbaer kleet geeft de menschen (als het Grieckse vaers seyt) aensien, maer een vrouwelijck en dartel verciert het lichaem niet, maer ondeckt het ghemoet seyt Quintilianus, siet de huysmoeder, welck boven alle huys wil gheacht sijn; daer nochtans haer ghebaer dartele ooghen ende [p. 39] overdadighe kledinge, haer van oneerbaerheyt overtuygen.

Op dat zy voor onze ogen, zonder klagen,
Den roof van het verwijten henen dragen.

    Ofte ghebruyckt (seyde hy) de kleederen van een huys-moeder of leeft als het kleet. Men moet geen blancketsel sien op een huysmoeders rijn aensicht, geen smeersel of instrument in haer cabinet, dese huyt haer sachtheyt, en stal van wesen en koleur worden so vermeerdert, dat sy den goeden naem verminderen, welcke van de deught niet van het schoon aensicht en krullen gepresen worden. Siet wederom desen Cato aen; welck men voor alle menschen grootmoedich en waerlijck Cato geacht heeft. Siet dese is door een kleyn ongheval, dat hem van besyden trof, als door een blixem so ter neder geslaghen, dat de droefheyt op sijn aensicht was, op welck dese vaersen van Zurkon lichtelijck gelesen worden.

Och my ellendich mensch, och my ick ben verloren
Voor mijn sijn moyelijckheyt en tranen maer geboren
Dees dach heeft honger en elende my gebaert,
En acht my selven d’ongeluckighste van d’aert.

Indien u eenigh slinx gheval over komt bedeckt het wysselijck: op dat ghy u vyanden tot gheen seeckere spot streckt. Laet ons ons selven nu eens een Palatinum [p. 40] voorstellen welcke al sijn krachten inspande, om sijn Prins die hy diende te doen bekennen dat hy van hem bemint wiert, op dat d’een liefde de ander baerde; hy nochtans bleef, het zy dat de Prins loegh of droevich was bars als een Sicilische Steenrots welcke door geen ghesangh der Syrenen, nochte gehuyl bewogen wort.

Ghy hadt gewaant dat hy was een,
Seer harden gladden Marmersteen.

    Wat doet gliy elendighe, siet ghy niet dat dese barsicheyt naer vyantschap swijmt? welke den Prins in sijn voorspoet geen gheluck wensch maeckt sich verdacht, en welcke wanneer sijn Prins bedroeft of sieck is blyschap toont, lacht, of maeltyden aenricht, is die straffe waerdich, waer mede den Roomschen Raet L. Sulvium Argentarium ingedoemt heeft. Hy heeft soo langhe inde gevanghenis moeten beslooten blijven als den oorlogh duerde, om dat hy inde twede Punice of Africaense oorlogh uyt sijn venster bekranst met roosen op de marckt op den middach hadde uytgesien, op dat sijn ontydighe vreucht, welcke hy inde uytterste noot sijns Vaders uytte, door de moeyelijckheyt vande gevanghenis vergeeten soude. Dit moetmen nochtans soo verstaen nadien ghy het alsoo begeert, mijn Sone, soo vereyscht de tijdt dat wy vande middel om sijn tongh te betomen [p. 41] een weynich reden voeren. Het kleet der siele, sijn de woorden, met welcke sy verciert sijnde voor den dach treedt: want uyt de stem kanmen de man, alhoewel men sijn aensicht niet ghesien heeft: ghelijck als Protogenes Appellem alleen uyt een eenige treck kende, so kanmen mede alleen uyt een eenigh antwoort ymants kennis en verstandt onder scheyden of van sijn onwetenheyt oordelen, soveel woorden derhalven als ghy spreecken sult, so denckt dat ghy soo veel getuygenissen van u geeft om van u manieren te konnen oordelen. Soo menighmael (seyt Cicero) als wy yets segghen of spreken, soo menichmael wort daer van ons geoordeelt. Dit selve maeckt Cato vermaent, dat hy van hem ghetuyght, dat hy noyt eenich woort gesproken hadde dat hem leet was. Voor al moetmen weten datmen voorsichtich een swijgher en voorsichtich van een spreecker moet oordelen, het een kan sonder het ander niet bestaen.

’t Gedurigh swygen is gewis,
Soo quaet als ‘t altijdt spreecken is.

    Ja voorwaer dickmaels wort een swijgher meerder gehaet, want gelijckmen alwaer een frissen dronck omgaet de stommen wegh wijst, soo mede worden sy uyt vrolijcke geselschappen ghebannen.

Weest schuw voor die, te droef, noyt eenig woordt verkonden;
Want sulke menschen zijn als mieren sonder gronden.
[p. 42]
    Laet ons nu naerder tot de saeck komen, men moet in ‘t algemeen, als een vaste regel, hier opletten, dat een man in Lantbestier ervaren, alhoewel hy veel weet, nochtans niet veel woorden moet gebruycken, gelijck de lege vaten het meest bommen, soo mede ratalen die de minste kennis hebben het meeste. Sodanich bevintmen het gemenelijck dat die het meest stameren het meeste spreecken (seyt Symmachus) ende door de losheyt van haer tongh, soecken verstandich gheacht te worden; ende op een ander plaets seyt hy, ick hate in een kort lichaem lange klederen, dat kleet past best, dat gheen stof opwerpt, nochte daermen door sijn langhte op treden moet.
    Als een seecker blygeestich speelder Meandricum sach aen kostelijck op de aerde slepende sach aen hebben riep hy uyt hoedanigen kostelijcken rock bederft hy dwase. Te recht: Want dat is de beste maniere van spreken, welcke met weynich woorden veel sins bevat, ghelijckmen die munt, de beste oordeelt welcker deucht en waerde van ’t metael niet de grote prijsens waerdich maeckt: daer en teghen die de slechte die de meeste plaets beslaen. Pindarus, Epaminondam prijsende, seyt dat hy nauwelijx yemant ghevonden heeft, die meerder wiste ende weynigher sprack. Daeromme dede Theodorus Koninck der Gotthen seer wel, als hy aenden [p. 43] Roomschen Raadt schreef. Het beurt te selden (seyt hy) ghy Raetsheren datmen gegront spreeckt ende dat die het nodich is langhe reden te voeren, niet en hapere. Van oudts hadden de Lacedemoniers dien lof, in weynich woorden, veel sins te besluyten.

Wanneer ’t gemoedt de zaak alreê heeft aengenomen,
Is ’t ydel datmen met veel reên te berdt wil komen.

    Gelijck als het Yfer door de Portugesen naer dat sy het selve inde aerde ghegraven hebben, van sijn vuylicheyt ende aerdtachticheyt gesuyvert wort: soo spraecken sy mede van de Lacedemonise Tael, datse met geen schorssen omhanghen nochte overtollicheyt verciert, die proef hadde datse de kracht der saecken op het beste uytdruckte.

Want kort en bondigheit is aangenaam in’t spreken.
De Saam zeit dat het aan Pythag’ras is gebleken,
Die, als de klappaarts, met hun twijfelachtigheên,
Een zaak bewimpelden, niet als met ja, en neen
Antwoordde tegen al de voorgestelde zaken.
O zekre regel! hoe zoudt jemant korter maken,
Oft krachtiger vermits ghy vaste dingen straft,
En d’onvaste omstoot, en verwerpende ondergraaft?
Veel kreghen, door hun stilfte en zwijgen, gheen behagen.
Veel hebben lof, door hun kort spreecken, noch gedragen.
[p. 44]
Datde Vorsten het kort spreecken betaemt wijst Homerus aen, als hy Menelaum scherpsinnich, maer kort spreken doet. Tacitus schrijft van Galba, dathy in een grote krijgsvergaderinge, met een korte Veltheers stijl dusdanich gesproken heeft, dat hy Biso verkoos, naer het voorbeelt vanden Godlijcken Augustus, ende het krijgs ghebruyck op dat een man door een man verkooren werde. Phocien op een tijdt gevraecht sijnde wat hy overdachte, antwoorde dat hy daer naer trachte, om sijn reden die hy teghen ’t volck voeren soude te besnoeyen. De selfde deucht wort Keyser Carel de V. mede toegeschreven. Het is ongerijmt alsmen tegen het volck, in den Raedt, of daer den Prins yets besluyten sal, al te lange ofte te wijt gesochte reden te voeren, of spreucken en redenen die te duyster sijn ofte van te onbekende plaetsen bygebracht worden, uyt te soecken. Augustus Caesar heeft naer het ghetuygenis van Tranquillus een treffelijcke en ghematighde manier van spreecken, schuwende beuselachtige spreeckwoorden ende de onsuyverheyt der verborghen woorden; en heeft voor al sorge gedragen sijn meninge klaerlijck uyt te drucken. Dit nu so gestelt sijnde, sullen wy eerst spreecken, van die dingen die men over al en by alle swijgen moet, daer naer watmen inde reden schuwen moet, van desen aert sijn, alle die woorden die de Goddelijcke Maje- [p. 45] steyt in het minste ofte maer by ghevolgh schijnen te quetsen, als by voorbeelt indien yemant den alderheylighste blasteren, om te lacchen derf misbruycken welcke manier van doen de Hovelingen meer als gemeen is, of die de Leraren schavuytachtich uytflitst. Want om vande Goddelijcke straffe niet te segghen die dickmaels lancksaem, maer met een gewisse tret komt.

De straf, die langk wordt uytgestelt,
Den zondaar zoo veel zwaarder knelt.

    Het is seecker datmen de oore van vroome lieden door dese en diergelijcke redenen dapper ontstelt. Vande Princen: Magistraten ende andere machtighe grooten, alhoewel sy quaet en niet teghenwoordich sijn, moetmen niet als heerlijck spreken. Indien men dit met waerheyt niet doen kan, van haer swijghen,

Soo gereet als het is een Prins te prijsen,
Soo veylich is het te swijgen.

    Het is het doen van een al te laetdunckent persoon van soodanige groten te oordelen, waerdoor u veel quaets kan toekomen.

En weet ghy niet dat s’ Heeren handen,
Uytstrekken tot in andre landen?

    Gants gheen voordeel. Indien ghy by u Prins van andere Grooten te los spreeckt, so sal hy lichtelijck vermoeden, dat hem het sel- [p. 46] ve nu of dat van u ghebeuren sal. Indien ghy by uws ghelijcken sulcke reden uytslaet, sy sullen het selfde besluyten,dat die tongh welke de groten niet en spaert, de kleynen oock niet verschonen sal. Dit moetmen soo verre uytstrecken datmen oock teghen haer gants geen jockernyen moet uytrallen. Welckers gedachtenis beyde groote lange duurt: seyt Tacitus. Als Telesophorus een machtich man, op een maeltijdt teghens Arsino en des Coninx Lysimachi huysvrouw, scheltwoorden uytgebraeckt hadde, heeft hem Lesimachus aenstonts in een kevie laeten sluyten, ende als de wilde beesten doen omvoeren ende tot sijn doodt daer in doen voeden. Sotades den Cretensis is om de selve oorsake in een loden vadt ghesloten en in Zee verdroncken. Dit segghen van Tiberius is seer wel bekent, welcke als hy uytstelde aen het Romeynse volck die gifte die Augustus, haer ghemaeckt hadde, te behandighen, ende by gheval een doode voorby hem ghedraghen wiert, soo riep een seecker potsemaecker den dooden quanswijs, toe roepende, bootschapt aen Augustus dat sijn schenckagie, aen ’t Roomse volck noch niet betaelt is, soo heeft hy desen potsemaker sijn deel wel doen betalen, maer korts daer aen belast hem te dooden, op dat hy Auguste bootschappen soude, dat sijn gifte nu begonnen was voldaen te worden. [p. 47] Van alle logenen moetmen sich wachten, ja van alle onwaerschijnelijcke reden.

Van’t geenge onkundig zijt wilt geen verhaaler zijn:
Want eenen logenaar is ‘t allerbitst’ venijn.

    Van pluymstrijcken voornamentlijck, de slimste en schadelijckste soorte van logen, die gebruyckt wort om de Princen te behaghen ende daer door wat eerlijck ofte oneerlijck is haer aen te prijsen hebt een gruwel.
    Wee haer seyt de Heylige Schrift, die lenden, en hals kussens voor de Vorsten nayen: Want voor haer worden kussentjens ghemaeckt, op dat sy te sachter mochten rusten: Een yegelijck daerom die de quaetdoenders pluymstrijckt leyt kussens onder het hooft of elleboogh vanden leggende, soo dat die om sijn schult met recht mocht bestraft worden, op de selve rustende door loftuyten sachtelijck in slaep gewieght werde.
    Maer dese logen kan niet lanckdurich sijn,

De vleyder is een bloem die in sijn Lente staet;
Maar als zijn hair grijst wordt hy van elck een versmaet.

Het gebeurt somtijts alsmen de Princen aen ons soeckt te verbinden, datmen haer alsdan op het hooghste vertoorent, weten door soo openbare pluymstrijckeryen, datse belacchelijck sijn, als soo wanneer ghy een vreesach- [p. 48] tige by Achilles of Hercules vergelijckt ende beroemt onrechtvaerdich rechter boven Aristidem stelt. Dit loon (seyt Tacitus) heeft Gallio, voor sijn versierde pluymstryckery gekregen, dat hy aenstonts uyt het Raedthuys, daer naer uyt Italien is verdreven. Ende omdat hy beschuldicht wiert dat hy sijn ballinckschap mackelijck soude verdraghen, in Lesbos een vermakelijck en plasierich Eylant, is hy weder inde stadt gehaelt, ende inde huysen der Magistraten bewaert. Van alle dreygementen, voornamentlijck ydele ende ontydige moet ghy u onthouden,

Zoge yemant dreygt en ghy uw dreygen waer konde maken,
Is ‘t beter zo gy wilt die drygementen staecken:
Maar drygtge, en kondt gy ’t niet volbrengen, zijt gy zot,
En wordt met recht en reên, van yder een bespot.

    Mijdt oock die scheltwoorden, die op vele passen als by aldien heele volckeren, of standen, of den handel van veele ghelastert wort, niet kan der hatelijcker sijn, dit is oock seer schandelijck datmen het geene yemant verweten wort, in den verwijter selfs bespeurt, van welcke saeck wy een weynich hier naer spreecken sullen.

Veele, als zy een ander schelden
Zelf hunne eigen’ feilen melden.
[p. 49]
    Met ellendighe de geck te scheren is onmenschelijck, ofte omdat sy geen schult en hebben, ofte om dat het den verwyter selfs kan over komen.

Ghy doet niet wel zo ghy d’elendige belacht:
’t Geen hem te beurt valt kan u worden toegebracht.

    Hier behoort mede toe datmen ongherijmt spreeckt sonder twist met yemant te hebben. Ende men moet niet alleen oneerlijcke woorden schuwen voort te brenghen, maer oock selfs die van andere niet vertellen, want alhoewel sy ons duysentmael wijs willen maecken.

Schoon of ons schrift mocht dartel zijn,
Ons hart heeft daar van gene schijn.

    Men sal gheneusde lieden nimmer wijs maecken dat de reden gheen teecken van het ghemoet zy, sodanich de man is, is oock silm reden.

Het vat geeft
‘t Geen het heeft.

    Den Vader Seneca, andersins een seer wijs man, als mede Suetonio wort dit verweten dat sy de schelmstucken somtijts sodanich beschryven, datse die eerder schijnen te belaçchen, als te haeten, te leren als te vervloecken. [p. 50] Sodanighen schandelijcken redens loop vint men by Seneca van ‘t gebruyck der spiegels, ende by Suetonium van de versoeyelijcke liefden van Tiberius Caligula, Nero en Domitianus, sodanigh dede Virgilius niet inde ongeluckige beschryvingen der versaminge van Aeneas en Dido.

De Vorst van Troyen, en vrouw Dido vluchtgemeen,
Geraken in een hol, in een Spelonck by een.

    De schaemte verbiet verder voort te gaen, hetselve kan van Homerus gesecht worden, die alles kuysch en eerlijck. Indien wy dan gehouden sijn een anders doen en spreecken, dat van de sedigheyt aswijckt te verswijgen, hoe veel te meer moeten wy onse eyghen schande bedecken, soo dat die met recht te versoeyen sijn, welcke haer hoereryen en overspelen als heerlijcke daden verhalen naar het voorbeelt van Keyser Proculus, welck doorgaens plach te roemen; dat hy hondert Sarmatise maeghden gevangen hadde, ende uyt die selve tien op een nacht bekent ende dat hyse altemael binnen vijftien dagen tot vrouwen hadde gemaeckt. Of van dien Tyran van Milanen welcke de Edelste Jussrouwen verkracht hebbende, met die selve onbeschaemtheyt sich van die daedt beroemde. Apuleius verhaelt erghens. Ick sal seker naer mijn verstant spreken dat een vry- [p. 51] geboren en openhartich man niet minder als een vuyle mont betaemt. Wech met die ghene welcke haer in haer eyghen dreck wentelen. De Katten sijn gewoon haer dreck inde aerde te verberghen: ende ghy slimmer als beesten soeckt de selve te bedecken. Daer is in dit leven en in de manieren niet beminnens waerdiger als de eerbaerheyt,

De redenen, die gy gewoonlik komt te spreken,
Bekleden u, het zy met deuchden, oft gebreken.

    De eerbaerheyt der woorden bestaet of in haer geluyt of beduydinge want daer sijn woorden een eerlijcke saeck beduydende, die nochtans uytgesproken yets oneerlijx in haer uytspraeck of gheluyt mede brenghen. So wanneer daerom sodanighe woorden u voorkomen; moetmense meyden, ofte eerqt oorlof versoecken. Wat sullen wy vande hartneckicheydt en yver om te twisten spreecken.

Behoedt u voor krakkelig kyven:
Want scha zal voor den winnaar blyven.

    Alcibiades is gepresen, om dat hy de fluyt, welcke sijn aensicht, daer op blasende mismaeckte wech wierp, Minerva hier in navolghende welcke als sy by een spiegel op de fluyt speelde heeft die aen stucken gesmeten, over de lelijckheyt haers aensichts vertoornt sijnde, hoeveel te meer sal dan een staetkundige sich wachten welcke het voor al betaemt, naer den richtsnoer der wijsheyt sijn [p. 52] manieren te richten. Het is onbetamelijck, in dien by gheval yemant van de dienqtboden u met een onnosel woort of yets onregt te doen vertoornt, datelijck als van sinnen berooft, schandelijck de lippen een knorrende hont als een mensch, ghelijcker de lippen op te schrimpelen te rasen, schelden, dat niet alleen het hele huys, maer de gantsche buert daer van klinckt. Niets is swaer (seyt Seneca) dat licht opghenomen wort, niets om sich over te verontwaerdigen, als dat ghy u verontwaerdighende, sodanich opneemt. Dit spreeckwoort is bekent, die sijn slaven wreet is, dat die de wil, maer de macht om teghens andere sodanich te sijn, ontbreeckt.
    Niet minder moetmen schuwen om kleyne oorsaecken eden te sweren.

Zweert niet lichtvaerdigh noght by Godt, noch yets hier boven.
Uw woordt zy ja, en neen, schoon ’t niemant wou geloven.

Ende alle verwijtingen.

Zo gy een weldaadt hebt bewezen,
En gy zulks namaals gaat verwijten,
Zal uwen lof daar van verslijten,
Daar ge andersins wel wierdt geprezen.

Weet ghy dit Vaers mede:

Gy moogt, ô Posthume! vry groote gaven schencken:
Maar zo gy het verwijt zalm’ uwer niet gedencken.
[p. 53]
    Wat is hier meerder van, dat schandelijck om doen is, is schandelijck om van te spreken, alles met swijghen voorby te gaen en is mijn onderwysinge, noch oock meninge niet. Het sal dan ghenoech sijn dese dinghen als met de vinger aengewesen te hebben.
    Een ouden Man alhier een weynich swygende; Ick voel (seyde ick) mijn de oghen openen ende bedenck hoedanich ick my in tijdt en wijl my dit mach toepassen. Maer daer is een saecke overich die ick wenschste dat ghy aenroerde: Vande geheymen, Ghy vermaent my te recht (seyde Pomponius) dit hadde ick voor. Hout u of een anders geheymen u toevertrouwt, verborgen:

Wilt uwen vriendts geheim aan niemant openbaren,
Nocht aan een twede vriends, hoe trouw hy is, verklaren.

    Augustus is berispt, van wijse lieden sijner eeuw, dat hy de onkuysheyt van sijn dochter Julia, ende also de gheheymen van sijn huys openbarende, sich selven en schande en kinderloosheyt ghebaert heeft. Want hy is gedwonghen sijn eenige dochter te versenden, welcke by swijghende door huystucht dat is sorgh en naersticheyt, behoudens sijn eer hadde konnen bedwinghen. Het heerlijck spreekwoort van Marcellus is noch in wesen. Indien dese mijn rock mijn geheym wi- [p. 54] ste, ick soude hem van stonden aen verbranden.

Mijn hemdt zal nimmer doen vermaan
Het geene ik heb den rok gedaan.

    Ende dat ghy wilt dat andere niet sullen verhalen swijght dat selfs eerst. Want ghelijck den Philosooph seyt, gelijck als [Grieks] dat is eensijn palen niet te buyten gaet maer [Grieks] dat is twee, is van onbepaelder onderscheyt want het wijckt datelijck van sich selven af, door de verdubbelinghe tot een menichte opklimmende, van ghelijck is een reden die van een niet verbreyt wort, waerlijck verborgen, maer indien het aen andere vertrouwt wort, soo wort het aen ’t gherucht gewijdt. Gelijck als die een steen geworpen heeft alhoewel hy de macht van wech werpen heeft gehadt, soo heeft hyse nochtans niet van weerhouden, so mede die oyt eenich gheheym sich heeft laeten ontflippen, kan noyt teweegh brenghen dat het selve weder terugh kere. Te vergeefs sult ghy haer dit voorsinghen, die ghy yets vertrouwt hebt ick segge u dit alleen, ick bid’ laet dit by u blijven gelijck de dienstmaecht van Apuleius: Alles wat ick aen u geheylicht ghemoet toevertrouwe, wilt dat al daer ghetrouwelijck bewaren bidde ick, want ghy weet de trouw van swygen.
    Want hy sal het selve op die voorwaerde [p. 55] aen anderen vertrouwen; ende soo ghy u selven niet kont ghebieden, hoe sult ghy van een ander het swijgen verhopen. Dit in ’t besonder so in u eyghen als andere saecken, waerby ick voege,

Zijt niet te vaerdig in ’t vertrouwen:
Want die gy waant uw vriendt te zijn,
Zou uw geheimenis ontvouwen.
De vrientschap is somtijdts maar schijn.

    En hetghene u vanu overicheyt belast is, moet ghy geen minder, maer meerder sorge dragen, Cassiadorus seyt, een man wort verheerlijckt door het gheheym van sijn Prince, dewijl sy gheacht worden datmen niemant dese nootwendicheden mochte toebetrouwen, als die door vaste trouw onwrickbaer stonden. De Wet der Egyptenaren geboot de tongh die gene af te snijden, die de gheheymen van het gemene best hadde geopenbaert.

Die het vertrouwde niet kan zwygen,
Moet billick schande daar voor krygen:

    Van welcke grote saecken niet konnen onderstut worden. Dit heeft onder allen Examinondas den Thebaen verheerlijckt, seyt Aemilius Probius dat hy de gheheymen wonderlijck verborgh.

Wilt het geheim getrouw bedekken,
Oft uw gehoor daer toe niet trekken.
[p. 56]
    Pompejus deucht wort verbreyt, welcke als hy door den Coninck Gentius onderschept was, als hem belast wiert de aenslagen vanden Raedt te openbaren, sijn vingher in een brandende kaers hielt, met die lijtsaemheyt heeft hy den Coninck niet alleen doen wanhopen, door pijn yets uyt hem te trecken, maer oock een grote begeerte verweckt de vruntschap van het Roomse volck te begeren. Valerius Maximus seyt, Het was een trouw, en geheym gemoet voor het gemene beste, met sorge ende gesontheyt van swijgen gesterckt en van alle kanten versorcht: over wiens dorpel tredende men de eyghen liefde aflegghende die van het ghemene best aentrock. Derhalven segge ick dat het niet eene, maer niemant ghehoort hadde, dat soo veel ooren toevertrouwt was. Ick gae willens veele andere, die de geheymen verswijghen konde, voorby.
    Wyders, omdat het ghemoet door dronckenschap overwonnen, niet by sich selven is, so moetmen sich van ’t wijn-suypen naerstich wachten; ghelijck door den nieuwen wijn de vaten stucken springen ende alles wat onder is boven werpt door de kracht van de hitte; also mede de wijn werckende, soo wert alles wat in ’t hart verborghen was, uytgesproken. Het is een oudt spreeckwoort, dat het op de tongh vande dronckaert is, het geene in het hart vanden nuchteren was. Seneca seyt [p. 57] Gelijck als die door wijn overladen sijn geen spijse konnen binnen houden, de wijn uytgulpende, also mede konnen sy haer of een anders geheymen niet verswijgen.

Wanneer de geesten van den Wijn zijn opgestegen
Tot in het brein, is ‘t lijf bezwaart, vermast, verlegen;
De benen wankelen; de tong verstomt, ‘t verstandt
Verdwijnt, het oog verblindt, de twist neemt d’overhandt.

    Maer door de geheymen u toevertrouwt, versta ick niet alleen die geene, welcke verborgen raetsslagen betreffen, maer oock die alle, welcke buyten den Raadt, den Prins, ofte een ghemeen man neemt u buurman of vrient waerlijck wilde verborgen houden.

Verberght zeer wisselijck een ander mans geheymen

    Hebt gy noyt daer op gelet dat het spogh van groote Heeren vande bystaende kinderen datelijck met voeten vertreden wort? sodanich gaet het met haer toe. Wat derhalven u Prins in sijn eetsael ofte u buurman te vry gedaen of ghesproken heeft, indien ghy dat sonder onderscheyt vermaeck schept te verhalen; (gelijck veele hovelingen) die haer tongh niet de ooren mosten doorboren; die oock het derde woort inde mont hebben. Onse Prins, doen hy oprees heeft heden dit geseyt, dit heeft hy van daegh gedaen, dit is [p. 58] sijn voornemen, soo sult ghy met recht ghehaet worden ende sult den naem van een vuyle snappert niet ontvlieden, want snapachticheyt wort niet soo seer ghenoemt ten opsien van vele woorden, als wel het voorwerp waer van het niet behoort; ofte wanneer het niet behoort, waer uyt so op de trouwe siet dickmaels dat ontrouw voortkomt: indien om het gheselschap moeyelijckheyt. Alhier segge ick, eer ick andere dingen over loop sien ick een saecke die niet minder vol gevaer sterckt, soder Veltoversten en Princen geheymen te doorsnusselen, als die te ontdecken, het gene die twee Soldaten van Maximinus om haer nieusgiericheyt voor de deuren van den Raadt gedoodt en meer andere getuyghen. Otho spreeckt heerlijck by Tacitum; Het betaemt de Soldaeten soo wel, yets te weeten als niet te weeten, de krijghstucht (spits broeders) wort meerder door gehoorsaemen, als naer het gebiet der Veltoversten te vorsschen, bevesticht. Nochte niet minder treffelijck spreeckt Paulus Aemilius by Livium. Hy seyt, dat een Soldaet dese drie dingen moste waernemen en dat sy een starck en snel lichaem hadden, bequaeme Waapenen ende een gemoet tot haestige bevelen op sich te nemen, dat sy de rest van Hem weeten souden, en dathy ende Goden voor de rest sorghen souden. Dat in wat Legher de Soldaeten, Borghemeester en [p. 59] Veltheer door het gerucht van ‘t Grauw om ghevoert wierden dat aldaer niet heylsaem was. Dat hy ’t geen tot een Veltheers ampt vereyscht wiert soude besorghen dat hy haer geleghentheyt om wel te doen soude verschaffen dat sy niet ondersoecken souden wat te ghebeuren stont; als het krijghs-teecken gegeven wiert datse dan haer treffelijck quyten souden. Dat wy vande Soldaeten gesproken hebben segghen wy mede teghen de Hovelinghen, opdat sy van ghetrouwe dienaers gheen verspieders schijnen gheworden te sijn. Tacitus seyt, de verborghen meninghe des Princen ende wat hy heymelijck toestelt te willen door snusselen is ongeoorloft en gevaerlijck, derhalven tracht daer niet naer. Het welck hy met het voorbeelt van Asinius Gallus bewijst. Tiberius Caesar was over gheen saeck bedroefder als wanneer hy bemerckte dat sijn gheheymen ontdeckt waeren. Der halven waeren de Vaders daer maer alleen bevreest voor, dat sy niet en souden schijnen sijn gheheymen verstaen te hebben, en voorwaer hy heeft een Vis schier welcke als hy meende een Harder te vangen, en by geval een grote barbeel vingh met de vis in het aensicht doen vryven Want (bid ick u) meent ghy dat hy ghedaen soude hebben indien hy ydelheyt van [p. 60] eenige Hovelinghen ghesien hadde, welcke nieusgierich sijn te weten wat den Koninck de Koningin in het oor geluystert heeft, wat Juno met Jupiter gepraet heeft. Voorwaer die versieringhe van dien grooten man was prijsselijck, welcke een nieus-gierige, die hem vraeghde wat den Keyser hem in het oor met soo lange reden geseyt hadde, antwoorde dat Caesar verstaen hadde, datter eenighe nieuwsgierighe waeren die sijn gheheymen sochten te weten, dat hy die wredelijck wilde strassen, en nu de soorte van straf overleyde. Den anderen verstomde en liet af daer naer verder naerstich nieuwsgierich te sijn. Ick hebbe noyt getracht (seyt Apuleins) het quaet doen van andere te weten, mae rick hebbe altijt beter gheacht mijn seylen te bedecken als een anders te ondersoecken. Men mocht hier vraghen ofmen alle woorden van pocchen behoorde te schuwen. Hier wordt ghetwijsselt, om dat machtighe lieden dickmaels van haer en haer daden gheroemt hebben. By Livius vintmen de reden van Scipio Africanus. Desen dach (seyde hy) Wijckmeesters ende ghy Roomsche Burghers, heb ick met Hannibal ende de Carthaginiensers in Africa geluckich gestreden. Derhalven naer dien men heden over twisten en schelden moet sitten, sal ick van hier aenstonts in het Capitolium tot den Grootsten en besten Jupiter, Juno en Minerva en andere Goden, [p. 61] welcke het Capitolium, ende Casteel in bewaringe hebben, te begroeten ende sal dese bedancken, datse mijn op desen selven dach ende op veel andere tijden meer, het verstant om yets treffelijx voort gemene best uyt te richten hebben ingestort. Die het van u heden gelegen komt ga met my (Roomse Burgers,) en bidt de Goden dat ghy Princen mijns gelijx verkrygen moocht: soo als ghy van mijn seventien Jaren tot mijn ouderdom toe altijt my met eer voorkomen sijt, soo heb ick om u eere, als daer eenige saecken te verrichten waeren, altijt voorgegaen.
    Wie heeft oyt van sich selven heerlijcker gesproken, nochte het is Scipio ten quaetsten geduyt, oswel dat het een heerlijck man die groote diensten voor het gemene beste ghedaen heeft, indien hy onwaerdich gehandelt wort, sijn daden voor het gemene best te verhaelen niet misstaet, ghy kent het spreeckwoort. Neemt een hovaerdye aen die door u verdiensten verkreghen is, ofte om dat hy den rechtdach die hem geleyt was, door dese loosheyt soude te leur laeten gaen, om so veel te beter te Linternum komen mochte, vast gestelt hebbende in rechten niet te verschynen. Hy was groter van ghemoet (seyt dien selven) en moedigher van aerdt, als om een misdadiger te wesen ende sich te vernederen tot die kleynachtinghe van sich in rechten te verweren. Derhalven moetmen niet alle [p. 62] roem, maer die gesocht en onnut is schuwen welcke in grote ghemoederen gheen plaets heeft. Een eerlijcke roemen wort verschoont eenigsints door den ouderdom, waerdicheyt, gesach, welcke nochtans in yemant qualijck soo groot geweest sijn. Voorwaer dese woorden vanden redenvoerder worden niet berispt: Wat soude ick menen? ben ick veracht? ick en sie het niet noch in mijn leven, noch aende gunst, noch in mijn daden nochte wat Antonius in mijn middelbaer verstant berispenmach.
    Maer Antonius Primus, andersints een heerlijck Veltheer, dat hy breedt, weyde in’t verhaelen sijner daden. Cicero naer dat hy Catilinam onder gebracht hadde, was gedurich, het sy inden Raedt, het sy in vergaderinghen, het sy inde rechtplaets inden mondt.

Geluckig was de stadt en Burgery van Romen,
Toen ‘t Burgermeesterschap van my wierde aengenomen.

    Door welck gehaet pocchen hy den wrock van yder op den hals haelde. Daer is in wesen diergelijck gedicht van Martialis.

Ik wenschte dat ik hebben konde
Mijns Vaders ogen, neus, en monde;
Beneffens ook mijns Moeders zeden,
Doch geen van hare lichaamsleden.
[p. 63]
    Dit is een beuselachtige ende moeyelijcke ghewoonte van die lieden welcke haer ofte andere lieden schriften of rymen ghedurich verhaelen, lof daer uyt soeckende. Wat sullen wy van die ghene segghen, die niet inde mant hebben, als haer Adeldom, haer Eertytels, Kinderen en Vrouwen rijckdommen te roemen.

d’Eergierge snorker laat baarblijkelikken weten
Door zijne reên, dat hy met dwaasheit is bezeten.
Zo lang hy zweeg was ‘t duister om te raân;
Maar toen hy sprak was ‘t met zijn roem gedaan.

    Soo ghy u beroemt by die soo Edel soo eerlijck en so kloeck als ghy sijt, wat doet gy anders, als u tegen haer op te stellen? soo by u minder wat anders, als haer slechten stant en ellende verwijten? het welck gheen van beyden behagelijck kan sijn. Ons verstandt (seyt Quintilianus) heeft uyt der aert wat hooghs en verheven in sich ende mach sijn meerder niet lijden: derhalven so konnen wy die in geringe stant, en sich ons onderwerpen gaern te hulp, omdat wy dat als meerder als sy doen: ende soo menichmael den naer yver wijckt, krijcht de beleeftheyt plaets. Ons selfs te verklenen, en is so ghehaet niet, men moet nochtans schuwen waer door men te kennen geeft datmen de deughden niet en kent ofte versmaet sich selven slecht te kleden (seyt Apuleius) baert verachitinge, het is een schant andere te lasteren. [p. 64] Agricola dede wijselijck welcke sich niet heel vernederde, nochte sich te hoogh prees, hy schreef een veltheer als een uytvoerder en dienaer, het geluck van het gheval toe, sodanich bleef de deucht in het ghedienstich sijn, de eerbaerheyt in het verhaelen buyten nijdt en bleef niet buyten roem. Ende dit sal genoech vandie dingen ghesproken te hebben welcke een man, tot groote dingen geboren altijt en over al moet verswijgen, want vande rest als van ongelijck, spijt en andere saecken welcke ons of een anders eer of Godtvruchticheyt quetsen of sijn ydel, bedrieghelijck, belacchens waerdich, dubbelsinnigh langher reden te voeren is nergens toe nut. Doet die u de grootste schande (seyt Medaurensis) niet aen welcke denckt dat ghy in ’t lasteren van goede lieden vermaeck schept? ende dat ghy de ondeugende woorden niet verstaet, ofte ten goeden duydt.
    Wy sullen derhalven tot die dingen komen welckmen inde reden waernemen moet: waer wy dit in ‘t begin moeten verhaelen. Dat niemant den lof van swijgen verdient, de welcke de wijsheyt van ‘t spreken ontbreekt. Dit is seer ghemeen, ende hier niet over te slaen, want noyt wort genoech gheseyt, dat noyt genoech geleert wort. De natuur heeft aen den mensch een eenige tongh ende twee oren verleent opdat hy verstaen soude, dat hy tweemael meer moste horen dan spreken, [p. 65] welck spreeckwoort, niet seer onghelijck is dit gedicht van Theognidis, te recht over de sotheyt der menschen klagende: naerdien sy veel meer hebben te verberghen als te openbaren en dat van dese lieden, gheen wervel voor haer mondt ghesloten is; hy heeft den wervel der tonghe sonder twijfel, of de wet om sich te matigen en sedich te sijn, ofte van de eerbaerheyt en schaemte, welcke vrye luyden sich aenmatighen, opdat sijn gemoet dat te voorburch is, en met woorden buyten de Bolwercken der tanden vliegende, de wieken uyt treckende bedwinghe ende de reden doe ghehoorsamen. Want indien ghy yets inden boesem verbercht, hetgeen gheopenbaert sijnde schaden kan, so behoortmen het selve in een diep stilswijghen te begraven; maer indien daer saecken sijn die men prijsen moet, soo ist te hopen hoe minder men het selve hoort, hoe waerder en kostelijcker het geacht sal worden. De manier van die lieden is belacchelijck welcke de vragenden antwoorden, al eer dat hy ophoudt van spreken, door welcke haestigheyt men dickmaels ongerijmde dingen, dat ick niet anders segghe (om datse de voorgestelde saeck niet begrepen hebben) ghedwongen is voor den dach te brengen. Gelijck als die van een steylte afloopen, haer niet konnen vast stellen daer ’t haer belieft, maer door het gedreven gewicht sijns lichaems vervoert wort, [p. 66] verder als hy begeert ende daer hy niet begeert.

Gelijck een steen die van een hogen heuvel steygert,
Tot datze rust ter plaats die haar geen ruste weigert

    So mede is defe haesticheyt in ’t spreecken niet in sijn macht noch eerlijck. De ouden seyden seer wel dat de reden niet inde tongh, maer in het hart most geboren worden, Op dat wy eer wy den mont openden alles bedachten, hoorden, ondersochten, op dat wy niets yetter saecke ondienstich, ofte onnut voor den dach brachten. Gelijck als een ervaren schutter noyt pijl uytwerpt, voor en eer hy sich selven besloten heeft waer hy schieten sal, sodanich moet niemant mede spreken voor en al eer hy weet en bedacht heeft tot wat eynde en wat uytslach sijn woorde nhebben sullen, naer dien het seker is datmen die niet herroepen kan, ende wat quaet endelijck daer uyt te verwachten staet.

Laat noit uw woordt te vaerdig slippen.
Maar sluit het binnen uwe lippen
Tot uw verstant verleent zijn stem.
Maar zo gy wilt mijn raadt nakomen,
Dan moet gy uwen mondt betomen,
En ‘t oor niet houden in de klem.

    In alle saecken voornamentlijck van groot ghewicht, is het een nutte saecke sich vande menschen af te scheyden, op dat gy het gene u of het gemene beste voorderlijckst is uyt- [p. 67] vint ende het geen ghy bedacht hebt te voorschijn brenght. Dien Groten Africaen voor den dach op ‘t Capitolium klimmende bedacht in Jupiters Tempel wat hy segghen of doen soude.

Hebt gy aan yemant wat te zeggen?
Wilt zulcks by u eerst overleggen.

    Naer het voorbeelt van die geene, welcke (als Varro spreeckt) alleer sy op de speelplaets op de fluyt speelden ’t haren huyse de noten plegen te stellen.
    Maer om weder tot de bysondere redenen te keren, so moetmen waernemen, waer dat yemant, waer om, wanneer, by wien en wat hy segghen sal. Hy is niet wel by sinnen die sijn Huysvrouw, of eenige Soon doodt sijnde van een Huwelijck spreeckt.

Wie kan een Moeder, die haar Zoon verlooren heeft,
Verhinderen in rouwe en tranen uit te spatten.
Het schijnt natuur daar toe haar brakke tranen geeft.
Een Moeders droefheyt kan een ander niet bevatten.

    Noch het is niet minder ongherijmt onder een gastmael, het gemoet van die om vrolijck te sijn by malkanderen komen, met droeve leertellinghen te ontroeren, te weeten met straffen, pijnigen, droevige toevallen en vreselijcke spoocken.

‘t Was eertijdts, op maeltyden en banketten,
Een náár gebruik, zich te verheugen in
Een Schouspel daar men ’t leven moeste opzetten;
Eu daar Belloon, de moordt en Schrickgodin,
[p. 68]
Het laauwe bloedt, door ‘t strijdend’ staal, verplengde,
Daar ‘t yselik tonneel van wierdt bekladt,
Zodat het bloedt zich met den wijn vermengde,
En over al in kroes en schalen spatt’.

    Weynighe sijner soo vast van ghemoet, die haer daer in niet ontsetten. Men vint veel heerlijcke redenen welcke op haer tijdt en plaets niet uytgesproken, of belacchelijck of hatich geoordeelt sijn. Derhalven heeft Tiberius aen de geqanten van Ilium, hem over de doodt van sijn Soon Druqus troostende, gelijk als of hy nu de gedachtenis sijns droefheyts vergeten hadde, niet sonder lacchen geantwoort, dat hy van ghelijcken bedroeft was over de doodt van haren vromen burger Hector. In alle ghemene ommeganghen isser niet ghevoeglijcker als de wissel-reden, welcke in vraghen en antwoorden bestaet, maer indien, ghy vraeght dat een ander schaemte aenjaeght, sult ghy seer onaengenaem sijn, als by aldien yemant door sijn versuym yets ongeluckich verricht heeft ор dat ghy niet schijnt hem het selve te verwijten, ofte het genomen vermoedt, een ander verborgen wil houden, ofte waer van hy onwetende en onervaren is, gelijck het tot lof van een schoen streckt datse wel aende voet past, so mede voegen de woorden wel die ter saeke dienen.
    Een richtsnoer van Goudt, indien hy niet [p. 69] recht is, is wel een kostelijcke saecke maer kan geen richtsnoer verstrecken: want men kander het werck waer toe sy ghemaeckt is niet mede uytvoeren: In tegendeel so hy recht is alhoewel uyt noch soo slechte stoffe ghemaeckt is een saeck van gheen waerde nochtans sal het een richtsnoer sijn soodanich, is het met de reden.

Indien een winckelhaak, richt-snoer en maatstok niet
Rechtmutig, effen is, zult gy er valsch mee meten;
Maar is uw meetuig recht en effen, dan geschiedt
Het lichtelik dat gy de breette en lengt kondt weten.

    Men vint een quaedt slach van volck welke niet wil gedencken datse verdragen hebben of over gekomen sijn, soo dat hy alsmen haer daer naer vraeght, niet minder toornich worden als in het quaedt selve. Als by den Poeët, Dido Aeneam den ondergangh van Troyen te verhaelen versocht, antwoorde hy,

O Konincklikke vrouw!
Gy heetme mijnen druk en ontspreekbren rouw
Vernieuwen;

    Die vermaeck inde jacht heeft moetmen naer de groote van ‘t Bosch, naer de omwegen, naer de honden en uytkomst vande jacht vragen. Ende hem dickmaels tot het vertellen aenmaenen (seyt Anienus by Macrobium) die door het verhael gunstich ontsangen is, ofte die sijn ghesantschap gheluckich vol- [p. 70] bracht heeft ofte die vanden Keyser vriendelijck en beleeft ontsangenis, ofte so yemant de hele Vloot door de Zeerovers ingenomen sijnde ofte door sijn verstant of kracht ontkomen is. De Rechts-gheleerden scheppen vermaek datmen haer naer de wetten vraegt, de Poëten naer Rijmen, de Musijckmeesters naer soet geluyt. Het is vermakelijck dat gy ymant het schielijck gheluck van sijn vriendt doe verhaelen, het welck hy van selfs niet dors te segghen of swijghen, dit uyt vrees van te snorcken het ander uyt quaedtaerdicheyt nochte het is niet te twijfelen, dat die nieuwe Eylanden besocht hebben, seer blijde sijn, als sy van yemant daer onbekent, naer de gelegentheyt van t’ Lant, of boesem der Zee gevraecht worden en het selve gaerne beschryven, somtijtds met woorden somtijts met krijt, haer een groote eer achtende dat sy veel toehoorders hebben naer haer reden luysteren.

Ik heb kloekmoedig Zeen en Landen door gezworven

    Het komt derhalven geleerden lieden toe, so wel te vraghen als te antwoorden. Vande aswesende, daermen geen deucht van spreken kan, moetmen (als het gheseyt is) met lichtvaerdich spreken, indien daar een ander van een vuyl of schelmachtich mensch verhael gemaeckt wort, moetmen naerstiger int horen als spreken sijn. De muren, de vloer, [p. 71] de schoorsteen ende alles wat ongevoeligh is horent en klappen het dickmaels. Maermen moet oock een yeder niet prijsen.

Wat of een goedt mensch toch vermag,
By die men nooit verbolgen zag?

    Men moet de vremden niet lichtelijck aen spreken.

Nooit vraagde een reiziger oft eenen vremdeling
Aan my, van waar ik kwam, of waar ik henen ging.

Wat meer en ontijdighe wijsheyt, is dickmaels sotheyt en schadelijcker, ghelijck de schilderyen op een beguame plaets ghestelt, vermaecken ende selve op een licht dat minder bequaem staende mishaghen, so mede ist wonder hoe onse reden ende alle handelingen door de bequaemheyt gepresen worden, soo dat het somtijts meerder aende tijdt als reden selve hanght.

Waar toe van Methridaarsche en Cannasche orelogen
Zo breedt gesproken? meldt ons nu, na u vermogen,
Het groote geiten tal.

    Inden Burghertwist van Vespasianus en Vitellius, sont Vitellius tot Antonium ende het Leger van Vespasianus om Vrede te maken hadde sich onder de ghesanten gemenght eenen Musonius Rusus van Ridderlijcke stamme, de wijsgeerkonst naer het ghevoelen der Steicieens naervolgende, en onderstont het gewapent volck onder de benden vermengt, [p. 72] vande nutticheyt der vrede ende onheylen der oorloge reden voerende, te bewegen, dit heeft vele belacchelijck gedachten wiert van vele soo euvel opghenomen datter waren die hem voortstieten ende onder de voet traden. Ten sy hy door vermaninge van de sedighste ende andere hem dreyghende (seyt Tacitus) van sijn ontydighe wijsheydt afghelaten hadde.
    Het is mede ontydich inde teghenwoordicheyt van die wy oppassen, met bittere scheltwoorden sijn huysghenoten over te halen; want ghelijck hy recht seyt, indien ghy sure dingen van een ander siende eten u tanden mede als stomp worden, soo worden wy mede door de moyelijckheden van andere ontroert. Niet minder ongerijmt is het, inde teghenwoordicheyt der kinderen te vry te spreken.

Laat nooit een dartel woordt uit uwen monde slippen
Voornamelik indien ’er kinders zijn omtrent
Schuwt vleider, hoerewaardt, want zy zijn steyle klippen,
Op wien de Deucht zeer licht, door Schipbreuk, wort geschendt.

    Men moet oock inde teghenwoordicheyt van andere sijn vriendt niet berispen. Als Socrates over tafel een bysonder vriendt te hart overhaelde, heeft Plato sich tot hem kerende gevraecht, of het niet beter geweest hadde [p. 73] hem aen een kant te vermanen. Waer ор Socrates en ghy soudet beter ghedaen hebben, indien ghy my dit heymelijck ghesecht hadde.

Bestraft uw vriendt, doch laat het niemant zien nocht horen:
Maar alsg’ hem prijst, zoo doet zulcks vry voor yders oren.

    Aristomenes wiert ter doodt veroordeelt om dat hy den Coninck Ptolomeum inde tegenwoordicheyt van eenige ghesanten, ontwaeckt hadde. Voorwaer te swaer een straffe, alhoewel hy den Coninck niet inde tegenwoordicheyt der menschen, maar alleen behoorde te vermanen. Men leest een aerdich spreeckwoort van den Keyser Ferdinandus, want als seecker Bisschop, hem Latijn spreeckende seyde, O Keyser, dit is welsprekens konst niet al te wel naer de Grammatica, Ferdinandus hier op lacchende ende dese uwe vermaninghe is niet al te seer naer de Ethica dat is wel- levens konst uytgesproken. Daer sijn (seyt Macrobius) saecken welcke indien sy ons inde teghenwoordicheyt van vrienden verweten worden wy gaern horen, maer wy willen niet dat in ’t bywefen van onse Vrouw, Ouders, ofte Meesters ons yet verweten werden. Het jocken derhalven is somtijts geoorloft, gehate saecken moetmen met jockernyen dickwijls vervrolijcken.
[p. 74]
Het spreekwoordt, lachchen, boert en spel zijn aangenaam,
En om het zacht gemoedt te neigen zeer bekwaam.

    Alhoewel ghy vol oogen sijnde, alles hoe kleyn het waer besorghde, so worter nochtans swaerlijck yets moeyelijcker of konstiger gevonden, als sodanighe boerteryen uyt te vinden, die niemant en quetsen, maer een yder vermaecken.
    Ghelijck het Sout (spreeckt Quintilianus) inde Spijse ghestreyt, indien niet onmatich, yets vermakelijx medebrenght, soo hebben oock die jockernyen yets, dat ons ghehoor kittelt L. Quintus Pretor, onder Domitiano van het Lant-bestier dat hy losselijck bediendt hadde, sijnde wedergekeert: en sieck sijnde tegen sijn by hem sittende vrient seyde, dat hy koude handen hadde; so heeft den ander soetelijk lachende hier op geantwoort, ghy hebtse nochtans een weynich tevoren, warm uyt u Lant-bestier gebracht. Quintus heeft gelacchen en schiep daer vermaeck in, want hy gants van diefstal onverdacht was. Dit selve schrijft Plutarchus Ausidio Modesto toe. Dat een bequame jock het gemene best dickmaels vorderlijck geweest leestmen. Als Gisco een der vermaerste Carthaginensers, seyde, dat hy verwondert was, dat soo schonen Romeynschen Heyrlegher omtrent Camias in slachorden stont, ende dese verwon- [p. 75] deringe de Soldaeten sach vrees aen te jagen, om hem uyt te lacchen, sprack Hannibal seer wel, maer hier over sult ghy u meer verwonderen, dat onder so groten ghetal Soldaten, niet eene is die Gisco ghenoemt wert. Dese spotterny heeft de bystaenders tot laechen verweckt, welke door het vertrouwen haers Veltheers aengemoedicht, een groote hope om de overwinninghe te bevechten bekomen hebben. Door een quinckslach is de haet en gramschap dikmaels ter neder gelecht. Als de Tarentynse jongelingen vele dingen over ’tavontmael te vry ghesproken hadden vanden Conciel Pirrho, ende reden van die saeck geeyschst wiert, die niet ontkent nochte verschoont konde werden, sijn sy door een belacchelijcke quinckslach het gevaer ontkomen, want een van haer lieden sprack, so daar meer wijn inde vles gheweest waer wy souden u gedoot hebben: en door dese vrymoedighe Bekentenis is haer die misdaet vergeven. Ick hebbe een weynich te voren ghesecht, dat men groote omsichtieheyt omtrent het jocken moet ghebruycken, niet sonder reden opdat het ghene ghesproken wort niemant schaemte aenjage, ofte tot laster strecke, of wel tot verachtinge van die jockt en keere, ghelijck elders gheseyt is (seyt Cicero) ‘t geen ghy een ander bestraft, moet ghy selfs naerstich myden.
    Want niet alleen staet geen beschuldiger maer [p. 76] selfs geen berispen te lijden welck in een ander bestraft daer mede hy selfs besmet is. Ten tijde vande Burger-krijch tusschen Caesar en Pompejus, heeft Cicero Pompejo vragende waer sijn Swager Dolabella was, geantwoort by u Schoonvader, want Caesar was Pompeji Schoonvader. Neemt ghy dat soo waerdich dat Silius, een jonghelingh, een liefste heeft, daer ghy twee wijven hebt, (seyt Chremes)

Wanneer dat Maevius gingk zijn vergift uitbraken
Op Carpium, die daar niet by was, sprak een vriendt:
Wat meentgy, lasteraar, ons hier toch diets te maken?
Wy kennen u. Sa, voort! want gy by ons niet dient.

    Het is seer ongherijmt, soo menighmael u een kluchtwoort in valt, dat sonder onder scheyt uyt te lappen ende liever sijn vriendt als een steeckwoort wil verliesen, dat dick maels gebeurt. Dit spreeckwoort van Ennius is bekent, datmen lichter de vlam met een koele mont kan verdoven, als sy goede woorden te weten die gesouten sijn, kan binnenhouden inde Emiodius. Het is lichter het vuur (seyt hy) in een vlam opgesteghen met sijn tongh te verdoven, als het stilswijghen, daer het vereyscht wort, waer te nemen, Want sy vliegen vruchtbaer ten monde uyt; Wat indien daer van een wreede saecke of een ellendich toeval reden valt sult ghy dan steeckwoorden gebruycken.
[p. 77]
Hier door zal mijn gemoet zo weinig zijn ontstelt,
Als of gy over ’t graf eens dooden vloeckt en scheldt.

    Het ghebeurt somtijts dat het gene ghy u tegenstrever verwijt, andere bysitters mede treft, en daer door niet alleen den haet van eene, maer vele op den hals haelt, waer uyt dickmaels sware vyantschappen ofte schandelijcke voldoeningen spruyten seyt Quintilianus, alles wat een eerlijck man spreeckt moet met sedigheyt ende schaemte toegaen: Want de prijs van lacchen is te dier indien men die met verlies van sijn vroomheyt hopen moet. Cicero ghebruyckte te veel spotredenen, so dat hy der Raetsheren spotboef, van Vatinio genoemt wiert. Als hy Borgermeester sijnde Muraena, die van Cato beschuldicht wiert, verweerde, heeft hy sich by de omstanders dickmaels een groot lacchen verweckt, so dat Cato hem ten laesten dit gedwonghen was toe te duwen. Goede Goden wat een belacchelijken Borgemeester hebben wy, Philippus was praetachtiger als het een Koninck betaemde, (seyt Livius) niet konnende selfs omtrent ernstighe saecke sich van lacchen onthouden: Met welck gebreck Seneca mede swangher gaet, Portio Catoni, anders een onstraffelijck man, wort verweten dat hy te stekende tongh ende al te ongetoomt hadde. Den Rhinoceros (seyt Plinius) draeght den Hoorn op de neus, so mede sijn sommige haer aerdige redenen getant en ge- [p. 78] anghelt ende elders. Een Tonneel-speelderesse sal haer doornen niet doen steecken, ten sy datse beroepen wort: maer een schavuyt schiet sijn pijlen op yeder een uyt.

Wat wreetheit ist met u te jokken?

    De spotreden van Laberius wort verworpen die hy teghen Cicero uytschoot, als hy hem gheen plaets om te sitten byschickte, en Cicero seyde, ick soude u plaets maecken, by aldien wy niet te nauw saten, hier op schoot hy te bits uyt, dats waer ghy pleecht twee plaetsen te ghelijck te beslaen. Verwijtende hem van wanckelbare trouw sonder oorsaek, want dat Cicero gesproken hadde, ten sy dat wy te nauw saeten, most van Caesar verstaen worden, welck soo veel Raetsheren ingevoert hadde; datse op veertien trappen niet konden sitten. De spotredenen worden der halven gepresen, welck beleeft sijn, en niet ontydich, noch dartel noch hovaerdich, noch voorbedacht, soo datse van huys schijnen gebracht te sijn, het sy datse van anderen ontleent sijn of dat wyse uyt ons selven, ofte door andere middel hebben. Sabius seyt, wy berispen anders redenen, of wederleggense, of helpense, of wederstaense, of lacchense uyt en maecken de onse tot spot en ongherijmt, want wat redenen u onvoorsichtich ontvallen, worden sot gheoordeelt, indien [p. 79] wy die veynsen, aerdich gheacht. De darde soorte is in yemants hoop te bedrieghen, de woorden te duyden ende wat meer een afsijnde betreft, derhalven wordense geensydighe ghenoemt, ten laesten doen of segghen wy dat belachelijck is, ende mijn dunckt (mijn Soone) dat ick hier mijn schuyt van swijghen, in d’een of ander Haven gebracht hebbe.

Mijn Schuytjen, uit een snedig hout,
Nu hoog in Zee de golven bouwt.

    Alles onderscheydelijck te verhaelen is, hier de plaets niet, noch gheen een maer veel daghen werck, jae een groot boeck toe van noden dit sal dan ghenoech sijn.

Een die verstandig is wordt haast genoeg gezeit,
Wie kloek is van begrip wordt wijs door zijn beleyt.

    So ghy hier een kort begrijp van maeckt, sult ghy bevinden, dat die naer grote dingen staet, sich soo moet aenstellen, dat hy sich selven en sijn reden bedwinghe, datse vande beleeftheyt niet aswijcke, maer altijdt vol sorge ende naerstich waecke, ghelijck die Palinurus,

Hy bleef volstandig aan het roer, al was het spade,
En sloeg de starren aan den hogen Hemel gade.
[p. 80]
    Laet hem oppassen, dat hy noyt yets onbehoorlijcx doe of segge, en dat hy somtijts by de ouden oudt, by de jonghe jongh schijnt te sijn, niet nochtans sonder stemmicheyt. De scherseryen (seyt hy) moeten niet onder sok noch boven de laers gaen, dat is middelmaet houden. En dat soodanich dat de welsprekentheyt (het gene noyt door eenige regels is voorgestelt tot heden toe) met de konst van swijgen strijde. Al eer hy dan yets aenvangt, doet of spreeckt, moet hy op het geringhste omsichtich letten. Anders inde Kerck, anders inden Raedt, anders inde kroegh spreken, als mede verscheyden in tijdt van droefheyt, of weelde, ander met sijn Vrouw, Kint, Geleerden, Ongheleerden, Rasende, Medestrever, Prince, Gemeene lieden, Vriendt, Laghenoot, Vader, Moeder, Buurman, Vremdelingh, meerder minder, sijns ghelijcken, een uytlaggher, dronckaert, wijs man of kakelaer, reden voeren.
    En dese voet moetmen niet alleen in sijn reden, maer in alle sijn handel houden, dat wy altijt de eer betrachten. Derhalven wel aen (mijn Sone) dese grontslach geleyt sijnde, begeeft u, met Godt, op soo een heerlijcke wegh, als dat Edelmoedich Veulen van Virgilius, het welcke was,

Van eenen trotsen aart afkomstig, steekt zijn kop
Terstondt in d’open’ lucht: rent steile bergen op:
[p. 81]
Draaft voor zijn Moeder heene: en durf zich in de stromen,
En over eene brug begeven zonder schromen.

    Maer ghy secht dit sijn sware saecken laetse het sijn, alle heerlijcke dinghen sijn swaer, want wie derf heerlijck noemen dat yder gemeen is. Maer dat prijsselijck ende met waerdicheyt vermengt is, alhoewel het seer moyelijck is, plach het nochtans moedighe sielen seer licht te vallen. Door den arbeyt, als een stormwint te rugh ghedreven te worden, is een teken van een traegh gemoet, qiet gy niet dat den Coopman geen onstuymige Zee ontsiet? dat hy niet schroomt over steenrotsen en doo rvuur te vlieghen, onbekende Landen te besoecken, op dat hy een kleyne winst, die doch haest verdwijnt, mach bekomen, en ghy sult ghy eenige onghemacken vresen om het ghemene beste, naer het voorbeelt uwer voorouderen dienende u en u huys te vorderen, jae groote eer (dat ick van ganscher harte wensche) te verkrygen;

En dat u naam, en eer, en lof,
Veel eeuwen duur, en nooit neem of.

    Laet hier geen plaets hebben, dat alle heerlijcke mannen, niet van moeders buyck maer door sware arbeyt en moeyten plegen voort te komen.
[p. 82]
Waar door u wordt een prijs getoondt
Maer dik wordt gy met veel geloondt.

    Pomponius hielt nu op: als ick hem vervangende, seyde; ick kan met woorden nauwelijx uyt drucken (mijn Vader) hoe begerich ick uwe woorden, gehoort hebbe; voor welcke ick

Nocht ‘t geen ons d’Arabier, nocht Afrikaan kan brengen.
Nocht al de schatten, die in d’Oceaen zich mengen,
Zou kiezen.

    Ick sal vryelijck uytspreecken ’t geene ick gevoele, dat dese uwe beleeftheyt, mijn gemoet so verplicht dat ick niet vinde, waer mede ick bewijsen kan, hoe seer ick schuldich en aen u verbonden blijft, ten sy dat ick trachte te betonen, dat ghy van my in u hoop niet bedrogen werde en dat dese heerlijcke leringen die ghy my ingescherpt hebt niet vruchteloos sijn. Maer ick verlate u noch niet: Want buyten de andere saecken eens hoofs leven betreffende, het welck, so het uw niet moeyelijck valt, ick naer den middach verwachte, soo ben ick oock seer begerich van stuck tot stuck te weten, wat de Hovelingen in het spreken met Princen naerstich moeten waernemen onderscheydelijk door u hulp te weten. Voeght dit (bidde ick u) tot de voorgaende gunst, mijn Vader,

Ik bidt dat gy in deze zaak
My zy te wille, en gunn’ ’t vermaak.
[p. 83]
    My docht dat Pomponius op dese woorden sijn voorhooft door een onghewone ernsthafticheyt (om met Plauto te spreken) op fronste, als hy daer by voeghde. Het meerendeel is nu van my ghesecht en ick hebbe u (mijn Sone) soo ghy daer opghelet hebt, u voet op den wegh ghestelt de andere dingen sijn te swaer en vol ghevaers, daertoe is oordeel en gebruyck van saecken van noden, nochte die dinghen worden door enckele voorschriften soo weynich als het schermen gheleert maer omdat ghy mijn niet te vergeefs sult schijnen ghevraecht te hebben, so ontsanght, tot het gene wy alrede vermaent hebben, dit mede.
    Voor al moetmen kennen het leeven aert en manieren vanden Prins, waermede men omgaet: naer het voorbeelt der voorsichtighe Genees-meesters. Anders moetmen met een Jongelingh, anders met een Grijsaert, anders met een middelbaren ouderdom omgaen. Anders met een besadicht, anders met een oprechte, anders met een veynsaert. Men bevint dat de jonge, eerder toornich werden, lichtelijcker verandert worden, liever schencken begerige ergens naer trachten, hitsiger beminnen: lichter gheloven en hopen. Maer dat de ouden meerder twijfelen, dickwils vol quaet vermoeden sijn, meerder spreecken stemmigher yets segghen, swaerder tot medelijden be- [p. 84] weeght worden en de miltheyt weynigher oeffenen,

Het koude bloedt stremt hen in d’aderen
En grote zwackheit koomt hen naderen.

    So dese en deesgelijcke saecken ymant onbekent sijn, die eyschst te vergeefs een voorschrift, maer hier is verstant van noden, want daer worden sommighe ghevonden, die verscheyde geneghentheden weten aen te doen. Van Avidius Cassius den Veltheer schrijft Vulcatius, dat hy van dien aert was, dat hy somtijts wreet en bars scheen, somtijts sachtmoedich en goetaerdich, dickmaels seer Godtsdienstich, andermaels een verachter van Godtsdienst, somtijts tot de wijn genegen,somtijts sober, seer begerig tot spijse, dan weder seer wel den honger verdragende, dan begerich tot het minnespel, dan weder sich scharp daer van onthoudende en een beminner van kuysheyt. Datmen dit eerst in het spreken met Princen moet waer nemen, hebben ons vermaent alle die met groote Vorsten oyt omginghen. Ick sal wat anders hier byvoegen. Naer dien daer toe soorten sijn van redenen om teghen een Prins te ghebruycken, te weten van ernstige of boertige saecken, so moetmen mede op twee saecken letten, om in die selve, behalven dat wy aen gewesen hebben, dit waer te nemen, dat wy [p. 85] ons noyt, door de vrymoedicheyt van ’t spreken der Princen als door een Zeegolf, in te diepen gemeenschap laeten inwickelen ende door te groten gheluck achteloos werden, want onder de gediensticheyt van ‘t geval is het leven der menschen niet al te seker.

Die al te graag gaapt naer de gaven van ‘t geluck.

    Men sal beleeft en sachtmoedich toeganck tot haer versoecken, indien hy wat te seer ontroert is, sult hem niet aenspreken, ten sy dat sijn gramschap verkoelt is.

‘t Is zwaarlik aan een Vorst ‘t betamelikst’te raden:
Want zulck een goedt werck kan zomtijts zijn meester schaden.

    Seyt hy, in beyde de soorten van reden, moetmen sich van overdraghen, ende hoe kleynen achterklap het sy, onthouden, waer door die daer niet van en weten verraden worden ende de onwetende bedrogen openbaer te prijsen,

Zo gy een zwaarte van een ander op u treckt,
Zo veel te meerder last het zelve aan u verstrekt.

    Dit geschiet met groot ghevaer ende geeft een quaetwillich nijdich mensch te kennen welcke die gene waer mede hy sich niet kan vergelijcken, soeckt soo veel als het hem mogelijck is onder de voet te drucken, ende hem [p. 86] also den selven geiijck te maecken. Het is al te gehaet daer een ander schande van toegekomen is, daer uyt sich selven eer te soecken. C.Tacitus schrijft dat Seranus, wiens ellendig eynde een yder bekent is: Een stout bedecker sijns selfs, en beschuldigher van anderen gheweest is. Men moet mede sorge draghen datmen vanden Prins niet ghevraecht sijnde, ten sy om grote reden, spreke ende soo mede naer wien men gevraecht wort, en dat ghy u aensicht en woorden, als eenighe eerbiedigheyt betuygende de betuygende aenstelt sonder de minste vleyery.

Eert hen die u zijn van Godt tot Overheên gestelt:
Want hy onteert zich zelf die hen veracht en scheldt.

    Hier by voege ick sommige vuyle en toornige woorden. Men moet de reden des Princen in ’t goede opnemen, dit oudt spreeckwoort is bekent: [Grieks] ende dan op ‘t meeste als ghy het niet kont beteren. Ende ghy moet noyt tot verwijt komen gelijck die by den Blyspeelder:

Ick hebbe met den Wijn, hoe rijklik ingeschoncken,
’t Ontsach, dat ick u draeg, noch geensins uitgedronken.

    Het is een soort van wijsheyt te wijcken ende onder te legghen: want in dese saecken brenght de overwinninge dickmaels het verderf mede.
[p. 87]
    Derhalven antwoorde Savorinus scharpsinnich, als door den Keyser Adrianus berispt was, ende hy hem weeck: sijn vrienden hem daer over kleynachtinghe aendoende om dat hy Caesar in sijn onghelijck gheweken was, heeft hy door het woort dat bequame Schryvers hadden gebruyckt dit lacchen verwekt. Ghy raedt mijn (seydt hy) niet recht, besondere vrienden, want ghy wilt niet lijden, dat ick hem wyser dan alle kenne die dartich legioenen in sijn gewelt heeft.
    Men verliest de vrucht van sijn dienst, wanneermen, niet anders als de artssenyen die gheene wiens ghesontheyt en leven verloren gegeven wort, voorschriften der wijsheyt aen die wil geven, welcke haer ooren teghen de vermaningen ghesloten houden. Ende Callisthenes heeft geen andere doodt, als die hem Aristoteles voorseyt hadde, bekomen; welcke plach te seggen, dat de vryicheyt van qualijck te spreken die gene welck om de selve te verbeteren of wech te nemen geen raet wist geensins den persoon van een wijsgierige betaemde: Derhalven heeft den alderwysten Thrasea sijn Schoon-Soon Rusticum Arulenum Wijckmeester des volcx bedwongen, op dat hy, (seyt Tacitus) niet ydels den beschuldighden niet moghen baeten, en den voorbidder schadelijck begon.
[p. 88]
Tart niet te reukeloos Rodanus in het zwemmen,
Die u te vlot is; nocht waant niet lichtvaerdelik
Dat gy den Noorden windt verblazen zoudt en temmen;
Den bruischende Oceaan, dien aller vloeden schrik,
In ‘t razen, bulderen en tieren zoudt versagen;
Nocht wilt geen schermkamp met Syraan, die tuk is, wagen.

    Dese dinghen worden daerom van my geseyt niet om de vryicheyt om met de Princen te spreken wech te nemen, want daer is dickwils niet nodiger. Want Plinius seyt seer wel, de trouwe sonder ‘t welcke haer in teghenwoordicht tegen streeft, daer naer wort hy daer door gepresen. Maer men moet sijn reden besnoyen, en dit en wort voor de Oude niet gheseght welcke lange inden raedt der Princen hebben geseten, welcke de vryheyt van Pupinianus toekomt maer u,

Wiens kin en kaken noch schaars met
De zachte hairen zijn bezet.

    De vryheyt van een groote geest (seyt Valerius Maximus) in ‘t spreecken, ghelijck ick die niet sal nodighen soo moetmen die mede niet uytsluyten, die dinghen welcken tussen de deucht en ondeucht staen, indien ghyse heylsaem maticht geven lof, indienmen die niet gelijck het behoort en gebruyckt verdienen berispinge. Het beurt dickmaels dat de groten haer dienaers soecken te beproeven, [p. 89] te weten haer tot oneerlijcke ofte onrechtvaerdighe dinghen versoecken onder ‘t schijn van recht, haer moetmen mede voorsien dat men niet verstrickt en wort. Dit bedroch wort lichtelijck ontdeckt, indienmen met een wel ghesult oor hetgeen u ghevraecht wort aenhoort ende met den aert van den vragher vergelijckt: als mede uyt sijn ghelaet manieren aert en uytslach der saecken. Als den Mathematica Thrasillus vanden Keyser Tiberius Caesar ghevraeght wiert, wat jaer, en wat dach dat het was? so heeft hy niet uyt de stellingh der starren, als wel uyt den klip waer op dat hy stont ende uyt den aert en manieren van Tiberius, sijn aenstaende gevaer, dat hy niet inde ondergelegen Zee gestort wiert, begrepen, derhalven eerstelijck sich bedenckende; daer naer bevende, eyndelijck uytschrewende dat hem een twyfelachtich ghevaer en hy naer het uytterste dreyghde, is hy ’t gevaer ontkomen. Indien Asinius Gallus dit voorsien hadde, als Tiberius, veynsende inden raedt sprack: Dat hy als allenich te swack den last van ‘t gemene best te draghen, dat deel dat hem aen bevolen wiert, op sich soude nemen (soude hy geensins geantwoort hebben). Ick vraghe o Caesar wat deel van ’t ghemene beste ghy bestieren wilt; welcke onvoorsichtighe antwoort hem daer naer de doodt heeft toeghebracht, onaenghesien hy uyt des Princen gelaet, sijn misnoeghen mer- [p. 90] kende, vergissenis gebeden hadde. Die vreemde Jonghelingh welcke Augusto soo wel geleeck, van hem gevraecht sijnde of sijn Moeder oyt te Romen geweest hadde? Soo heeft hy niet so seer uyt de reden, als wel het gelaet van Augusto ghemerckt, wat sijn meninghe was, derhalven antwoorde hy dat sijn moeder daer noyt, maer sijn Vader dickmaels daer geweest hadde, Pomponius was noch spreeckende als den Huysman uyt het Bosch komende,

Wiens schouderen waren met velthoenderen bevracht,
En op zijn rugh hadt hy een Haes, eerst omgebracht.

    Bootschappende dat mijn voorspraeck aende deur was welcke my, van de twist die ick in rechte hadde, wilde spreken; van hem afscheyt ghenomen hebbende, naer dat wy des naermiddachs, een uur, om by een te komen, vast ghestelt hadden, kere ick weder tot den Ouden man. Seggende ick wort van het middachmael geroepen (mijn Vader) tegen mijn wil voorwaer om dat ick u ontberen moet, maer nochtans vol van goede hoope om morghen, op dese plaets weder by een te komen ende wat meerder een Hovelingh nodich te weten is van u te verstaen.

Wy zullen morgen ons op d’Oceaen begeven.
[p. 91]
    Als hy dit beleefdelijck toegestaen, en een weynigh gewandelt hadden, gingen wy (geroepen sijnde) middachmaelen, want

De gulde Zon hadt onderwijl om hoog
Doorlopen zijne onmeetelikke boog.

    Naer dat wy hier niet alleen onse licha men, maer oock onse gemoederen met veelderhande redenen ghespijst hadden, ben ick naer de Schout, ende hy naer sijn naermiddaghse oeffeningen gegaen.

[p. 92]
BESCHRYVINGE
DER
STILSWYGENTHEYT,
Door
CAELIUS CALCAGNINUS
Beschreven.

Ick sat by geval inden Tempel vande Fortuyne van Preneste ledich, en vermaeckte mijn in het verschiet der Beelde en Schilderyen, welcke aldaer, door wonderlijcke konst uytgewerckt, te sien waeren. En als ick ter rechterhant mijn oogen geslagen hadde, vertoonde sich een Tafereel, door de wonderlijcke konst sijns Meesters verwonderens waerdig. Daer vertoonde sich een steyle bergh, op wiens effen ende blootende top, een Vrouwe Konincklijck ghekleet ende met veel Gouts verciert neder sat. Ende tot haer was gheen toegangh, so groot was de slibberachticheyt, by haer waeren twee eerwaerdige Vrouwen, verscheyden ghekleet sijnde, maer doch niet verscheyden van wesen, met Arents ooghen van wacker opsicht en onvermoeyde krachten, de eene van haer onwont een langhe gedraeyde kettingh, de andere op een vierkante [p. 93] steen leunende vlechte kranssen. In een grote menichte volck saghen met open monden de Konincklijcke maecht aen en veele steunende op haer krachten pooghden, meer stoutelijck dan wyselijck boven op den berg te komen, maer haer lot was ellendich. Want sodanich was de swaricheyt dier plaetse dat vele inden aenvanck, andere naer groote moeyten van boven neder rolden, weynighe ende die selfs van Jupiter gheboren door behulp des groten Godts wiert het gegunt boven op dien bergh te komen. Desen Godt was heel vol oogen. Dit dede my verwonderen dat ick gheen mont en sach, en hy scheen my geheel gelijck te sijn, als die de Griecken sonder mont noemden. Aen dese offerden die heerlijcke mannen, geen wieroock, geen slachtoffer maer een vogheltjen dat de Griecken [Grieks] ende wy een Lyster noemen. Op wiens autaer geschreven stont, vertrouwt de Godtsschickingh. Dewijl de offerhande geschiede, soo loofden de tongen hem ghedurich. Naer dat eenige geoffert hadden, soo liet die eerwaerdighe Vrouw den riem aen wiens eynde den steen van Obsivius doorsteken was, los. Dan soo stelde desen man de losen Godt een merck op haer mont, ende haer lippen toe nypende versegelde hy die. Daer naer voerde die Goddelijcke Vrouw haer allenckx op den Bergh: en by aldien door gheval haer monden ontsegelt wierden, [p. 94] O wat ongeluck dreygde dees ongeluckighe, want wat weten sy door soo veel moeyte gewonnen hadden was verloren. Maer indien sy door beter gheluck ghedient boven quamen wierden sy ghekroont en droncken uyt den beecker, die de Conincklijcke Vrouw haer toebracht met groot ghejuygh, en leefden daer naer ghedurich sonder sorghen gheluckich. Als ick dese Schildery naerstigher besach, soo komt den Koster by my. Gast (seyde hy) de saeck die gy siet is wel waerdich om op te letten. Maer op dat ghy over de nieuwicheydt deser saecke, niet langher in twijssel soudet sijn, aenhoordt den inhoudt van dit heele Tafereel. Ghy siet (seyde hy) die Vrouwe in Konincklijcke klederen, op den top des Berghs, op een gouden stoel sittende.
    Dese is het goede geval welck de Griecken [Grieks] anders [Grieks] wy somtijts, goede Geest, somtijts heylsame Goddinne, by wijlen het geluck noemen.
    Van de twee Vrouwen, is de een Phronesis, welck wy wijsheyt noemen: De andere Pistis dat is onkreuckbare Trouw, welcke het gheluck in gheen deelen wijcken. Want haer afkomst is uyt de Goden, en indien wy de waerheyt willen belijdenten sy dat dese waeren, souden wy te vergeefs naer de andere trachten. Maer veele heyghen om tot haer te ko- [p. 95] men. Want wat wonder is ’t dat alle menschen naer gelucksalicheyt haecken, maer wie de selve sonder hulp van dese twee verkreghen heeft, en is noch niemant ghevonden. Maer die welcke ghy sonder mont siet, die de Grieken Astomon, wy sonder mont heten; is dien Godt welck de Egyptenaeren Harpocratem, de Griecken Sigaliona, de onse den Swijgenden hebben ghenoemt, en (ghelooft my) ghy sult noyt tot de ghelucksalicheyt komen, vooral eer ghy hem gheoffert hebt. Want wien is niet genoech bekent datter in de wereltse saeken niet heylsamer noch menschelijcker als het swijghen is, en niet snoder als snappery noch ghevaerlijcker? Pindarus Epaminondam lovende, seyt dat hy niemant oyt ghevonden hadde die meerder wist en weynigher sprack. De natuur heeft dit mede opentlijck te kennen gegheven, ons twee ooren en een tonge toevoegende, welcke (gelijck den Blyspeelder schrijft) meerder betaemt te horen als spreecken: Want datmen seyt, dat de Amiclie door ’t swijgen sijn verloren gegaen, alhoewel het seker is, dat sy door de slangen sijn omgebracht, en noch naerder dat het door de onachtsaemheyt der wachters is toegekomen, kan ons hier in niet tegen sijn. Xenocrates gheboot datmen eerder de kinderen als de worstelaers sluyt-kappen aende oren moste doen, op dat sy het gheluyt van die vervloeckte menschen niet [p. 96] souden horen, en naerbootsen, Bius Prienius, van de Egyptische Amasis gheboden sijnde, het slimste en beste deel des offers tot haer te schicken, verkoos de tonghe: Jae de Ouden kusten niet alleen den mont maer oock de ooren der kinderen, als te kennen gevende, dat sy door die delen, soo wel als door het ander voordeel bequamen. Daerom is den den vingher de wyser ghenaemt, heylsaem geheten, omdat door de selve der menschen, het swyghen betekent wiert: En de nacht door de Griecken [Grieks] ghenaemt, omdat men door de stilte des nachts-wijser en beter by sijn sinnen is. Als Alexander in een slach Darium verwonnen hadde, en naer wat lantschap hy sijn vlucht ghenomen hadde naerstich ondersochte, heeft hy het selve niet konnen uytvinden, door de ghewoonte der Persen gheheymen haerer Coninghen, door een wonderbare trouw verswijgende, gheen vrees, noch hope kan yets geheyms uyt haer trecken. De oude tucht der Coninghen heeft het swygen, met ghevaer haers levens in haer bevesticht: en de tongh wiert swaerder ghestraft, als eenighe misdaet, en gheen saeck van groot belangh kan uytgevoert worden, door die niet te swijgen weet.
    Het geene de natuur den menschen seer licht om te volbrengen heeft willen sijn. Sodanich is het oock voorwaer, want de Griecken seggen [Grieks] datter [p. 97] niet nutter als het swijghen is ende [Grieks], de tonghe heester veel in ’t verderf ghebracht. Want hoe veel menschen hebben de woorden den hals afghesneden? Wat de Lacedemonier heeft Staterinum den Romeyn, wat Pausanias anders verdorven als de dartelheyt haerder tonghe, en wat heeft integendeel Leona die een hoere was tot eere gebracht ende te weeg gebracht dat haer een openbaer eerteecken by die van Athenen is opgherecht, te weten een Leeuwinne sonder tonge, als alleen het swijghen? wat heeft Hercules de overwinninge teghen de Trojanen anders toegebracht het swijgen voor waer. Hier over wort den uytsteck Sigeus noch vermaent. Hier om heeft Pythagoras, kennisse van dese nutticheyt hebbende vooral gewilt, dat sijn leerlingen het spreecken souden verleren, ende heeft haer een geset swijgen opgeleyt welck hy [Grieks] genoemt heeft hier uyt ontstaet het gheheym vande Swaluwen uyt te werpen, om datse snaterachtich sijn, alhoewel hy de tydelijcke vrienden van sich te bannen, hier by willen verstaen. Dit vaersjen der Griecken is seer vaermaert [Grieks], dat men een beuselaer van sijn huys moet jagen. Een seecker persoon ghevraecht sijnde, wat hem de wijsgeer konst ghebaet hadde, antwoorde dat ick wilde en konde swijghen. De nature heeft onse tonghe door de tanden en [p. 98] lippen bebolwerckt, op dat de woorden die wy onherroepelijck Homerus ghevleugeldt noemt lichtelijck ten monden uytslippen.
    Den Poëet Plautus om te toonen dat men het swijgen, door ‘t swygen moste ghebieden heeft een ghelijckenis van een woort sonder klincker uyt twee medeklinckers bestaende, oft versiert Appius Caecus is van sijn ooghen beroef, om dat hy de gheheymen van Hercules heylighdom aende slaven hadde bekent gemaeckt. De oude Romeynen wetende hoe veel dat het snappen schaede, hebben niet ghewilt dat het stadts woordt soude bekent ghemaeckt worden, omdat de vyanden het selve wetende de Goden tot haer hulp konden uytroepen Valerius Soranus dervende dit selve openbaeren, is aenstonts daer over gestraft. Dit is het dat men omtrent het plegen van het heylighdom met de mondt gunstich te willen sijn, versoeckt, want de reden moet niet op de tonghe, maer in ‘t harte geboren worden. Hierover staet het beelt van Angerona, met een ghebonden mondt, als een voorbeelt van de oude Godtsdienst en teecken van swijghen, aen wien men den een en twintichsten van January offerde, om deselve reden, wiert te Athenen een Altaer geeert, welck de onbekende Goden was toeghewijt.
    Dit is het dat voor de goede te swygen even [p. 99] sooveel als sijn tongh te voeden. Teghen de snappers hebben de ouden meer als ses hondert spreeckwoorden in ‘t licht gebracht. So oock mede als der vertaelder der waerheyt, Homerus willende Thertiten op het hooghste verachten noemt [Grieks] dat is onmatighe woorden uytklappende. Hier over seyden de Griecken dat alle klappers de punt van haer tonge doorboort is: die soort van kakelaers [Grieks] dat is snapachtigher als een Tortelduyf ghenoemt, en daer is geen snappert die niet ghehaet is, en noem dese [Grieks] een Dodoneische ketel, om dat by Dodonaeen koper kindt door de windt omghedreven te ghelijck op twaelf ketels slaet. Treffelijck en seer treffelijck, segghe ick, heeft Melissius Maecenas sich selfs een ghewillich swyghen van drie jaren opgheleyt, niet minder wysselijck wort van hem gheseyt een sot sal mede wijs geacht worden indien hy swijght, ende al die swyghen sijn wijs, en dit spreeckwoort van Pythagoras is over al ghemeen [Grieks] dat is; yder hoe onwetende hy sy is wijs indien hy swijght. Dese selve als hem naer eenige geheymen ghevraecht wiert antwoorde, ik soude mijn rock verbranden indien ik wiste datse van mijn voornemen kennisse hadde. Als een sone, een ander vraeghde, wanneer hy sijn Leeger soude opbreecken, seyde hy [p. 100] sult ghy alleen de Trompet niet hooren, soo hoogh was het swijgen by hem gheacht. Xenocrates ghevraeght sijnde waerom dat hy sweegh, antwoorde, om dat het mijn somtijts berouw heeft ghesproken, noyt geswegen te hebben. De Lacedemoniers scherpten naer kinderen dit voornamentlijck in, hier door verdroegen sy de slagen en pijnen geduldich.
    Dese als hy een Vos gestolen hadde welcke hem de hele zijde bykans verscheurt, so heeft hy die pijn seer verduldich verdraghen. Sy schreven mede op de deuren van haer Eetsalen. Laet hier geen woort uyt gaen. Derhalven als dien treffelijcken Schilder een Godt afmaelde, heeft hy hem met een hoet op de Lacedemonise wyse ghedeckt, het welck men uytleggen moet dat die dinghen moeten verborgen sijn, welck u in ’t gheheym sijn toevertrouwt.
    Ofte om dat het in het vermoghen van een yder is, door de miltheyt vande natuur te swijgen, en niet even geoorloft te spreken of om dat het kakelen een slaefse soute is en vry geboornen het swijghen vereerlijckt. Want pluymstrijckers en quaetwillige en vrouwen, sijn van dit euvel het meeste sieck. Waer door dit spreeckwoort van Plautus in ’t licht gekomen is, datter noyt een stomme Vrouw ghevonden is en dat het geroep een vrouwelijck huysraedt is. De pluymstrijckers en lasteraers [p. 101] swygen niet maer verswaren de saecke, dese dewijl sy de oren der toehoorders met loftuyten vol blasen, de andere om datse de selve met schelden en lasteren vervullen. Hier uyt ontstaet dit spreeckwoort. Daer is gheen nieuwsgierighe of hy is klapachtich. Daer is oock een spreeckwoort, van die weten te swijgen [Grieks] dat is, hy heeft den wolf eerst gesien, om dat hy aen die hem eerst siet heeschheyt en bekommeringhe in ’t spreecken veroorsaeckt. Hier om ist datmen een Godt met een wolfs-vel omhanghen siet. Want dit dier op roof gaende en kickt niet, daer de andere door haer gheschreeuw haer blyschap gewoon sijn tekennen te geven, het welck Esopus heerlijck door het voorbeelt der Raven heeft uytgebeelt. De Goden worden van ghelijcke wolle voeten toegheschreven, om datse voet voor voet en sonder gerucht, om de bosen te straffen voortgaen, naer dit voorbeelt heeft een Schilder den Godt met wolle schoenen afgemaelt. Vande wijse luyden pleeghmen oock dit te segghen [Grieks] een Vos snatert niet. Want de de wijse lieden sijn in alles omsichtich, horen en doorsnusselen alles, en versorghen, dat sy geen dingh buyten reên en weynich nut uytspreken. Jae sy verwijten een ander, [Grieks] dat is of seght yetwes dat beter als swijgen is, of houwt u mont.
    Het is gheen wonder derhalven dat den [p. 102] Godt geheel gheooght en gheoort uytghebeelt wort, maer die van Iupiter gheboren sijn doen aen den selve offerhanden, want alle heerlijcke mannen heeft de outheyt gelooft van de Goden geboren te sijn. Hier van daen komt, en mijn geslacht is vanden Groten Jupiter en [Grieks] dat is sijn waerdigheyt komt van Iupiter en [Grieks] dat is seyt ghegroet ghy booden der Gooden, als vande Laethybo en Surybate sprack en dat [Grieks] dat is wien Iupiter waerdicheyt gegeven heeft. Hierom wort Iupiter gheseyt [Grieks] dat is Vader der menschen en Gooden. En soodanighe uytsteeckende mannen worden Diogenes, dat is van Godt gheboren, van Homerus genaemt, en om de waerheyt te spreecken [Grieks] van Iupiter komt alles goets als Orpheus spreeckt het welck oock Plato, kennisse van Godtlijcke saecken hebbende, mede ghemeent. Maer sy offeren een lijster te weeten een dier aerdigh Swijgenden Godt seer aenghenaem: om datse niet en quettert. Waer van Subolus een spreeckwoort ghemaeckt heeft [Grieks] dat is swyghenden als een Lyster.
    Want die het weynighste snappen worden Lysters geacht, ghelijck van [Grieks] dat is een Icanthynsi staper ende kickvors [p. 103] van Gyrina worden geacht stom te sijn. Maer men offert by den Autaer, waer van het opschrift is,

Vertrouwt de nootschickingh.

    Want wy eeren den Swyghenden, niet die vande verwonderingh gheboren is, waer uyt de wijsheyts kavelingh geboren is, maer dien seer heerlijcken ende alle groote Goden en menschen aengenamen, die de ongekreuck te trouw ghebaert heeft ende over het gheheym gestelt heeft. Dit is den selven, welcke als de menschen geoffert hebben, haer een steen van Obsidius swart van coleur, welck Obsidius van Aethiopia ghebracht heeft, in den mondt steeckt, welcke sodanigen kracht heeft, naer het ghetuygenis van alle tovenaers, datae de menschen stom maeckt. En om dat, om tot de ghelucksalicheyt te raecken, het stilswyghen alleen niet ghenoegh is. So komt de Wijsheyt en treckt haer met de kettingh voort, de kettingh segghe ick die door het getal der deughden aen een geschakelt is. Want de deugden houden sich onderlingen vast en volgen malkanderen gelijk die veelvoudighe rijgh van schakels welcke Plato seyt van den Magneet ghetrocken te worden.
    Sodanigh is mede den omvangh vande Griecken Cyclopaediam genaemt. Indien het door eenigh quaet gheval by komt, [p. 104] dat haer mondt ontsloten werdt, soo hanght haer aenstonts een swaer ongheluck over het hooft, want het is niet genoech begonnen te hebben het welck ghy wel hebt aenghevanghen. Maer indien sy door de gunst der Goden boven komen soo is de trouw daer vaerdigh, welck haer arbeyt beloont en haer, met onstersselijcke kranssen gheciert, tot den Autaer vande heylsame Goden opvoert. Welck haer den beecker van Nepenthes te drincken geeft, sodanighe als Telemache alle sorghen verjaeght heeft, en sy leyden daer naer een geluckich leven naer datse alle swaricheden doorgestaen hebben. Sodanich leyde my den Koster den inhout vande Schildery uyt, maer ick dit selve by mijn overleggende, bemerkte datter de Goden en menschen niet aenghenamer als het swijgen was. Hier uyt verstont ick alle de geheymen van Pallas en Drichtonius, hier door het dansen der Corybanten hier uyt de Thyrsen van Bacchus, hier door der Aegyptenaren geheymen Carbasine ghenoemt en [Grieks], dat is niemant het gheheym der Godtsdienst openbarende. Hier door bekende ick de Hieroglyphische dat is heylighe teken beduydenis der beelden, hier uyt begreep ick de verborghentheden van Isis. Hier uyt het beduytsel van ’t lijm, maer boven met heyliger by de Fransche Priesters was, hier door de versierselen der Poëten van dien onbegrypelijken Protheus en hierdoor [p. 105] de Cyfertalen van Plato die noch niet beduyt sijn, hier uyt de vier slachordens der Samothracen, Axiousan, Axiorsum en Casmilon welcke een sekere Ceres, Persephone en Pluto te sijn, uytleyt; want Dionysidorus oordeelt Casmilium Mercurium te sijn en de andere tweden oudtsten Jupiter, en den jonghsten Dionysium. Hier door begreep ick de hoornen van Mithrahier uyt de geheymen vande goede Godinne Hieram hebben de Godes door de Godts-spraeck gheklaeght, dat haer heyligdom veracht wiert, hier door den hont op ’t kussen. Hier uyt de t’samensweringh der Esseniers, en hier bekende ick den naem van het gheheym selve, datmen behoorde [Grieks], dat is den mondt te snoeren. Sodanich beproeven de Koninghen welck sy tot haer geheymen willen gebruycken. Hier over heeft Numenius straffe geleden, om dat hy de gheheymen vande Eleusme ontdeckt hadde, welcke de Godinnen inden droom geklaecht hebben dat haer heylighdom veracht wiert. Sodanigh vermaent Ulisses Telemachum by Homerum [Grieks] dat is swijght verbergt het in u verstant en spreeckt niet. Sodanioh spreeckt hy [Grieks], de Barbaren komt het schreeuwen de Griecken het swijghen toe. Ick weet dat sommighe volckeren in plaets vande stemme met tekenen onder malkanderen spreecken.
[p. 106]
Als een afgerechte tong:
Want nooit dwingelant bedwong
Soo straf sijnen ondersaten,
Als een tongh die, in het praten,
Lastert, hoont, beschimpt, en scheldt.
Laster tongen doen geweldt.
Maar hier tegen is ’t waarachtig,
Dat er niets zo zoet, en krachtig,
En aanminnig wezen kan,
Als een zuivre tong, die van
Wijsheit overvloeit in ’t spreken,
Met Welsprekenheit bestreken,
En kort, bondig is van styl:
Aangenaam is zy, dewijl
z’Oor en hart tot zich doet buigen,
Die haar mogentheit betuigen.
Zeker, wijs is zulk een man,
Die zijn tong bedwingen kan.


J. STAATS.
Den 11 van Lente-maandt, 1664.

[prent] [p. 108 = blanco]
[p. 109]
ERYCIUS PETEAMIS
VASTEN-AVONTS
PRAATJE, ⠀⠀
Van DEMOCRITUS,
Of den
LACH.

Hier kom ik nu tot de kortswylligheden, en vroolijkheyt mijn goede toehoorders, om nu met een zoetraapighe aentreckkelijckheyt te bestrijcken, al wat te vooren van mijn te hart, en bars scheen voor den dagh te koomen: want mijn wil en meyningh is tegenwoordigh, u.l. wat bleyder nae huys te doen vertrecken, als ghy hier gekomen zijt, of op u ghemack geseeten. Nu sal ick door mijne volgende reeden, en stof soet sijn, en u l. sodanigh oock maecken, dat gheen kreuck in u tronyen meer te vinden sal sijn; maer dat die soo glat, en gespannen sal staen dat ick mijn selfs daer in sal kunnen spiegelen. Ten zy nu de bevalligheyt, en vroolijckheyt u aller ooren door swerven soo jock en boert nu niet wel te deeg haer vlecken uyt komt spreecken, en u gee- [p. 110] sten met een deughtsaeme wellust op zetten gaet, wil ick seecker wel, al dat ick heb gheseyt, en noch sal seggen, vlack uyt gaen wraacken, en alles voor een wijsheyt reeckenen, die haer teghen de soet gheoorloofde vreught is kantende. De moeyelijckheen van dees leer-stoel, is andersins ghewendt u. I. toehoorders, wat treffelijck, en statighs voor te houden, en te leeren: Maer nu sal het haer beurt sijn, om u eens te deeg te vermaecken. Niemandt hoeft hier voor schaade, of schande te vreesen, aengesien ik hier sal alleen spreecken van den lach: niemandt hoefde zich arremoede of andere leevens swaerigheen teghenwoordigh te kreunen, aenghesien men in alle Fortuyn’s ghelegentheen vryelijck mach lacchen. De Oude Griecken plachten haer slempdaghen die zy Diondria noemden al lachende te vieren soo sullen wy nu oock eens voornamentlijck dees onse Vastehavont doen. Ick sal u hier een man voor brengen, wiens gelijcks leeven t’allen tijden is gheweest: Ick sal u hier een wijsgeer voorbrengen, die soo doorlughtigh van naem was dat onder des selfs schaduwe sigh vry vermaecken magh, al wie van vroolijkheyt houden wil zelfs onder het verhaelen van sijn staeticheyt en wijsheyt, sal yeder vry mogen lacchen. Het gheen men op dees plaets gewoon is te doen en nu om des gheests vermaeck [p. 111] niet eeven eens en schijnde, is maer om een eerlijcke vroolijckheyt: derhalven sal ick dit booven alle schuldt alhier ghestelt willen hebben dat ick nu aen sal vanghen teeghen, het verlof der Oude Athenienser Academy: want daer was al het lacchen, eeven als op lijfstraf, verbooden, volgens Eliaens ghetuyghen in sijn derde boeck der verscheyde Historyen in het vijf en dertighste hooftstuck, luydende, Want zy deeden haer best om die plaets suyver, en onaenkomelyck te houden voor alle krakkelen, en boert. Maer willen wy dit werck nae recht vereysch uytlegghen, moet men weeten, dat die mannen altemael die daer daeghelijcks verkeerden, soo ernstig, en staetigh wesen wilden, dat sy hierdoor heel mal wierden: en nae zy door haer treck van tronyen al te wijs daer uyt wilde sien, saeghen zy daer uyt dat zy nae gheen menschen en gheleecken. Wy zijn aen so sturse tugtaresse niet gebonden, die by de wijsheyt niet gaet stellen, en voeghen d’aentreckelijcke vroolijckheyt, die het lacchen, en het boerten bemint. Nu voorder tot de saeck selfs ghetreden. De Lach komt van de vroolijckheyt, en vreught, en die wederom koomen van het gheen klughtigh, en vermaeckelijck is. Want soo haest yets kittelijcks ten boesem inglipt, spalckt het herte sich hier door uyt, aldus met een aengena- [p. 112] me troni-trek sijn blijschap uytende. Het wesen geeft de bewegingen des geest te kennen, dat eerst gheschiedt, met een ontroeringhe en beweeging van ons ingewant, by naamen dat tussen de ribben leydt beslooten, daer de tronijs teecken stracks nae ghetrocken worden. Hoe zoet, en keetelagtigh de natuur door ons weet heen te spelen, kan niemandt onbewust weesen, die van binnen niet vereeldt en is. Niemant mag een wijs man van vreught, en vroolijckheyt beneemen: en diesvolghende oock niet des zelfs vruchten, dat den Lach is, even de tranen desghelijcks zijn van de droefheyt. Waer toe de vrught verbannen, als men de boom wil laeten staen? Niemandt sal altoos de tranen verachten! wel waerom den Lach dan? Ummers heeft Ulysses dat voorbeeldt van rechte wijsheyt menigmael een reghen, van tranen gestort, sietmen te mets niet dat in plaets van tranen den lach uytbarst? volgens Homerus getuygen? Want die herts-toghen, soo haeft de natuer yets gemeldighs port, barsten wel ten averechsten paede uyt, te weten vreughden tot traenen, en de schrick, of de droefheyt in het lacchen Gelijck Apulejus verhaelt van Aristomenes die onder de voet, en van boven neer sijnde gevallen, soo sijn bedtsteedtje om viel, of brack en hy daer booven op sat en keeck, uyt wiens woorden niet te raeden is, of hy lachten, of huylden doch laeten wy [p. 113] hem eens hooren: Want ghelijck het dickwils gebeurdt, dat de traenen yemandt door vreughde uytbarsten, soo was het hier oock in dees al te groote schrick gelegen, daer ick my van lacchen niet kost onthouden, sittende op Aristomenes te kijcken of ick schiltpadt onder mijn hadt. Zoo is de lach te mets een ghemeen teycken van vroolijckheyt, en droefheyt, even als de tranen oock sijn, door dien de bleyde dickwils soo wel, als de droeve traen-ooghen, en haer natuyr een geest laeten vlieten. Xenaton verhaelt in sijn 7. boeck, van de grieckse geschiedenissen, hoe al de Burgers van Sparten, dat gheweldighe staetigers waeren, om seeckere blijde bootsschap van een groote leeger reegen, die my nu niet voor en komt, met een vaerdt so verheught wierden, dat haer de traanen uyt-borsten, daer hy dees reden van geeft, zoo sijn de traenen dan ghemeen voor de droef-heyt, en blyschap. Hier hoeven wy ons niet over te verwonderen, maer wis genoech houden, dat de vreughde de traenen oock bemindt, door dien de lach dickwils met traenen voortkomdt: en is te weeten, dat het hier om is, om dat die oock uyt het herte voortkomen, als uyt haer bron, en Fonteyn, daer sy van heer-koomen, en uytborlen waer nae zy ten ooghen uytvloeyen, en ghelijck een beeck maecken, daer de herts-tochten van vreughde, en [p. 114] droefheyt op dobberen, en dryven. De Artsen, of Eskulapius kinderen dryven dat daer driederley vastigheen in een menschen lichaem sijn, die yeder van soo veel oorspronghe trecken van binnen nae de uyterlijcke leeden, of soodanighe schuylvaeten, als de naetuer daer toe verschafte, dees binnenste oorspronghen zijn de Maegh, Lever en Hert. De Maagh is d’oorspronck van ’t snot, en quijl, dat sy ter neusgaten uyt laet loopen, uyt de Leever neemt die vuylicheyt haer oorspronck, die men door de oorgaeten lost, en van het Herte koomen de traenen voort die ten ooghen uytbigghelen. Soo dit alsoo is, soo laeten de aldertreurigste menschen eens te deegh sien, en overlegghen, dat zy van vreughde geen droefheyt en maecken, soo sy de vroolijckheyt doch haeten willen. Soo de Lach ten boesem, en troonie uyt wordt gheschopt, worden de traenen daer gelijckelijck oock mede uyt gebannen, door dien die selve daer ghelijck twee vrienden aen vast hanghen. Al is een man noch soo wijs, en staetigh, het is maer een mensch. Een en selfde natuer die den mensch de vreught, en vroolijckheyt schonk gaf en gunde hem den Lach met eene, besiet vry te deeghen yeders trony, en weesen, en ghy sult seggen, dat sonder Lach het selfde te houden, eer een misstandt des lichaems, als een welstandt is. Wie de oudt- [p. 115] heyt ons dusdanigh beschreef, waeren eer stuers en bars, als staetigh, en hier by nors, en onlydelijcker, als recht wijs, en verstandigh: Want een siel kan niet helder zijn, en opgheset, als de trony betrocken is, en bedwelmt, gelijck als daer het gestaedig vriest, en alles stijf van vorst staet, het aerdtrijck aldaer gheensins lieffelijck van weesen kan sijn. Heraklitus is het hooft, en Capiteyn der lachgheloove, die den Lach soo averechts was, dat hy staagh aen schreyde, daer van men sey, dat het wonder was, waer sijn ooghen soo veel voghtigheyts van daen haelden, als haer wel ontliep, zoo zijn eyghen waeterachtigheyt daer hy aen sturf, het selfde niet verschafte. Dit was seecker een wijsaerdt die seer van de swarte gal was ghequeldt, nae Theophrastus schrijft. Hier booven vondtmen noch pruylaerdts, die door menschen haet soo veer ghedreven wierden, dat zy in het onbegankelijck Gheberghte vervlooden, en haer in de woeste wildernissen verstaecken, om haer selfs soo buyten haer selfs te bannen, en door alle vreughde te willen mijden, alle menschelijckheydt af soude legghen. Raeck ick hier de prentse pratheydt oock? Denckt eens hoe wijs die gheweest is, die selfs stel de voor sijn ghever, en oorspronck van sijn wijsheyt. Dat de Heraklitus, en soo een [p. 116] dringher, en barse most het zijn, die noyt en lachte. Maer maller was daer niet, als daer hy oudt zijnde op dorst roemen, doe hy seyt, Dat hem niet onbekent was, daer hy niet geweten hadt terwijl hy jonghman was. Sijn rechte aert sal ick eens met een woordt uytten: Om dat hy mal was, daerom en wilde hy niet lacchen ghelijck hy een geck was, doe hy wilde staven, dat hy alle dinghen wist. Die sich alleen hoogh, en wijs acht, moet nootwendigh veel dingen onkundig zijn; en tot sulck een malligheyt was Heraclitus vervallen, dat hy hier door yeder een geheel verachte, en versmade, de welcke die Goddelicke mannen Homerus en Hesiodus achten voor schavuyten, die men openbaer behoorde te geesselen, en die uyt alle geleerde dingh-talen behoorde gheweert te worden, ghelijck Laërtius dat beschrijft. Dees dan die laccheloos was, was meteen aen veel ergher quael vast, en die de statigste van alle wilde zijn, maeckte dat hem weder een uyt joude. Eliaen in het VIII Boek van sijn verscheide Historien in’t 13. Hooftst. verhaelt hoe Ananagoras Klaromenius noyt is gesien geweest dat hy lacht, of maer grimlachte: Dus was Arestozemis oock sodanig een, dat hy evenals een schrik van ’t lacchen hadt: Doch die waren misschien soo veel te beter als Heraclitus, als sy altoos niet en huylebalkten, soo schrijft Eliaen oock van den Siciliaense Tyran Dionijs in sijn 13. Boeck, 18. [p. 117] Hooftst. Dat hy de Treurspeelen beminde, en de Blyspeelen op treurklompen verhief; van platschoene, en Blyspeelen een afkeer hadt, om dat by tot geen lacchen was geneghen. Dit heb ick nu van die Tyran verhaelt: Aengaende voorder sijn Groot-vader Marcus Lucinius Crassus, daer verhaeltmen van, nae hy in de Parthise oorlogh was verslagen, dat hy, nae sommige eens, en na sommighe, niet eens in sijn leven en lachte, volghens Plinius woorden in sijn VII. Boecks 19. Hooftst. luydende, Men seyt dat Crassus den Groot-vader van desen Crassus die te sneuvelen quam in een veldtslagh teghen de Parthen, noyten lachte, en derhalven den laccheloose wierdt geheeten: Welcke schier eygentlicke woorden van die selfde sin staen by Solinus in het 4. Hooftst. doch met een byvoegsel, het eens slechts gheschiede, daer Sidonius dus van neuriet,

Hy was soo bars niet alsm’ hem hiel
Die eens om d’een aen’t lacchen viel.


Men was wel eer van ghevoelen dat die daar door laccheloos wierden, als sy in Trotons hol ginghen Godts-raedt houden, waer van het spreeckwoordt noch is over gebleven, Hy is om Godts-spraeck in Trotons hol geweest, alsmen een suurmuyl, een stuursen en barse vent wil noemen. Dat is wat kluchtige, het geen Athemeus vertelt in sijn 14. Boeck en 11. Hooftst [p. 118] van eenen Parmeniskus Metapontimus na dees in Trotons hol al sijn lacchen vergeeten hadt, gingh hy Apollo vraghen, wat raedt hy hier voordoen sou, waer op Apollo hem tot antwoort gaf, Dat hem sijn moeder het lacchen sou beschaffen, weshalven hy die hertelick sou eeren en vieren. Als hy nu wederom t’huys was, en by sijn moeder ghekomen, en evenwel niet lacchen en kost, beelden hy sich in, dat hy van die Godt bedroghen was. Doch hoe liep het met hem af? Na verloop van eenighen tijdt, ghebeurden het dat in de stadt Delus quam, daer Catona Apollos moeder bysonderlik geëert wiert: terwijl hy alles in haer tempel seer naeuwkeurigh bekeeck, gheraackten hy ten laetsten by haer beelt het geen hy siende van hout, en slordigh ghemaeckt, begost hy sonder eenigh vermoeden wederom te lacchen, wordende aldus van sijn quael wederom genesen. Daer sijn wel eenige die noyt gelacht en hebben; doch dat is al te maels een deel volkje, die met haer voorbeelt, of liever misstant geensins schorte kunnen, noch oock en hooren onse vreught.
    Hier stae ick en kijck, met vrees afwachtende, of ghy onsen Saligmaker, de fonteyn van alle wijsheydt en deught, jae van alle vreughde, en saligheyt, my niet tegenwerpt, die men wel leest dat onder de menschen schreyden, maer nimmer dat hy lachte. Wat sal ick hier op segghen? Ick beken dat hier [p. 119] Godt en mensch te saemen waeren gevoeght, soo dat daer niet als heylicheyt, en Goddelijckheyt in sweefde. Het schijndt dat hy dat niet en wilde ghebruycken dat den mensch van natueren weeghe ghegundt was, en dat hy yder hadt ghegeeven, heeft hy zigh selven willen ontneemen. Hy die ghebooren tot pijn, en moeste hoon, en spot, hevig lijden, tot het kruyce toe, en doodt ten laetste, heeft in sijn leeven wat bysondender willen verrechten, als een ander mensch, waer onder was, niet te Lacchen; op dat men voorder sou weeten, en bekennen, van wat ghewight, en ghevolgh het was, het menschelijcke gheslacht Zaeligh te maecken, heeft hy gheen vermaeckelijckheen jae selfs geen teyckenen daer van in zijn Lichaem willen laeten huysvesten. En sekerlijck, daer Godt een mensch hadt aenghenoomen, en dat hy zijnde de luyster, en glans van de eeuwighe goedtheyt, en wijsheyt, nae hy omtreckken wilde zijn door de geringheyt des duysternisse, en pasten hem het lacchen geensins soo veel hy yet naetuerlijcks oover sigh hadt, als van binnen alleen, daerom, dat zijn natuerlijckheyt zijn Goddelijckheyt omvatte: so dat dan dat geene, dat de eenigheit noyt de, heeft de sterkelijckheit wel kunnen doen, om dus daer na in de enige smaeck van blyschap op te springen; seeker is het, een [p. 120] stem van een Engel, of Geest, tot de herders quam, als nu Christus gebooren was, luydende, siet ick boodtschap u lieden een groote vreught, die alle volcke sijn. En dat die blijschap de herten, en sielen der menschen meer op sou wecken, geloof ick dat met lacchen oock, het eygen, en bysonderlijck teycken van blyschap, afgebeeldt wierdt, zelfs in het gebaer der Patriarchen. Doch Christus wiert gebooren, om voor sijn Vaeder een slacht-offer te verstrecken, van welck geweldige, en schrickelijcke verburghentheyt, Isaack wel eer een voorbeeldt was, die Godt, als die een eenighe gebooren sijns Vaders was, eyste dat sijn Vader hem die selfde ten brantoffer slachten sou, weshalven Tertulliaen aldus teghen de looden schrijft in sijn 10. Hooftstuck. Als Isaack nu van sijn Vaeder heen wierdt geleydt om gheoffert te worden, en hy het houdt selfs aen torste, beelde hy doe Christus komste al voor of, die sijn Vaeder oock ten slachtoffer al hadt toegheschickt, maer in hy oock het houdt sijns kruyces sou moeten dragen. Maer wat is Isaack doch te segghen? niet anders op het Chaldeeus als den lach; op welcke sinnen Saphas woorden moet verstaen, die in Gen. 21. hooftstuck staen, als Abraham sijn Soon nae vereysch wilde doen noemen. Godt heeft my een lach ghegeven, en al die dat hooren sullen moeten met my komen lacchen. Silo den Ioode, in sijn Boeck van, Dat het arghste het beste sal bedrieghen, haeldt dees [p. 121] haalt dees plaats van de Heylige Schriftuur ook soo op, en leydt die eeven eens uyt, dat ick om kortheyts wil dus slechts wil seggen. De uytmercker van goede Lach, en vreughde is onsen Godt: want soo Isaäck soo veel als Lach te seggen is, en Godt den macker van den Lach is, na het getuyge van de H. Schrift, sal hy dan oock met recht de Vader van Isaäck geheeten mogen worden: Voorder soo seydt hy noch: Dees bynaminge wort den wijsen Abraham ook deelachtigh, die tot vreugde geschoncken wierdt een Soone des wijsheyts, afgesondert van alle droefheyt: Die selfde Schrijver in sijn boek van Straf, en belooning, seyt, de Chaldeen seggen Isaäck, daartegen doen wy duytse Lach tegen seggen: want de Lach is een teycken, daar een geschickte vreughde des ziels haar door komt uyten, welke sucht, en hertstocht de eerlijckste van alde andere is, de geheele ziel vervullende met gerustheyt, en seeckerheyt. Dat Christus dan niet gelacht en heeft, deed’ hy, dat by de menschen blijven sou al de geheele oorsaeck der vreugde. Maar laat ons nu uyt de heylige boecken tot de wereltse ons eens begeven, om soo door het toestemmen der Heyligen den Lach voor den mensch goet, en prijsselijk te maecken. Hier wil ick van een wijs Heer beginnen: Demokritus lachte, en bleef daar gestadigh by; des niet tegen staende beroofden hem niemant van het lof des wijsheyts, en statigheyts: jae wierdt Demokritus daerom [p. 122] wijs genaemt, om dat hy lachte; soo reedeneerde hy, soo leerden hy, soo speelden hy den wijsgeer: Neem nu den Lach eens weg, en daar mee zijt gy Demokritus ook quijdt: noch een reys, neem den Lach maar wech, soo sult gy daar mee met eene het oovertreffelijke licht des Wijsheydts uytdooven. Of hy meer geschreeven, of gelacht heeft, daar is aan te twijfelen, als meede, met welk van tween hy het menschelijk geslagt meer nuts heeft gedaan. Hy was het, die door het roemrijk toestemmen van Anaxagoras verklaardt wierdt de oovertreffelijkste der vijf verschillen: En dusdaanig wordt hy ook van Laërtius beschreeven: Dus kost hy ook lacchen die alles wist; en die het lacchen niet laaten en kost, stelden het eynde van alle dingen in de ruste des gemoedts, die hy vondt in een goede, en eerlijke Lach, weshalven seeker Poëet dus opsingdt,

Nu sie ik wel dat gy moet prijsen
Dat daar ook een van de twee Wijsen
Soo dikwils lachte als sijn been
Was oover drempel effen heen.


    Naa dees wijsgeer sal ik nu soo braaf een dichter laaten volgen, dat Homerus sal zijn, die alleen schier voor al de andere kan vertrekken: Dees of sijn vergoede helden, of andere menschen niet genog en lachten, [p. 123] voegden dit vroolijk, en aantrekkelijk mont beweegen de Gooden ook toe, jaa soo seer, dat het selve schier boovenmaaten gaat, volgens sijn deun,

De Goôn maakten ’t nooyt soo grof
Dat nooyt daar mogt een lachjen of
.

    De blijde, en vroolijke Gooden kosten soodanig niet zijn, soo sy niet lacchen en mosten, en den stemmigen Iupiter maatigde sijn staatigheydt met een soet grimlachje. Aldus gheraakten den Lach in den Heemel, en wierdt hierom op der aarde als een Godt geëerdt, soo dat sy mee haar Tempels, Altaaren, en Beelden verwurf; jaa selfs dat onder die alderstaatighste Spartaanen, daar men uyt besluyten mach, dat haare vroolijke Godtheydt van hoogher achtbaarheydt zijn moet. Van haare Tempel maakt Plutarchus gewag in het leeven van Egis, en Kleomenes; en van haar bysonder beeltenis in het leeven van Lykurgus, dat van dees inhoudt is. Seekker Lykurgus en was de alderhardtste, en barste niet: Want Sosibius verhaaldt, dat hy de Lach haar beeltenis oprechte, op dat de gastmaalen, en diergelykke vroolikke by-een-komsten haar om hulp zouden aanroepen, als zy haar eens burgerlijk, en geschikt wilden vermaakken, om met die lieffelijkke saus te bestrijkken haar moeyelijk kost-gewin. [p. 124] En wie sou nu niet liever willen lacchen met Lykurgus, als schreyden met Heraklytus? En sou niet liever willen de menschen haer te rouwe vreden en manieren verbeteren, of ten rechten schicken, als die heel verwerpen, en in de windt slaen? En de Lacedemoniers, als die selfde Plutarchus dat getuyght, waeren waerdigh soo een Wetgever te hebben, en met sulk een beelt te proncken, sijnde soo vrolijckachtigh statigh, dat sy alle boosheyt afschaften, en soo staetighlijck vrolijck, dat sy door geen dartelheyt van laf boert haer te buyten ginghen, De Sparteanen waeren om haer Lach soo wel door oorlogh voor dappere mannen vermaert, als in vreede voor vroome luyden. In haer Tucht en Klap-schoolen, die sy Leesche noemden, daer waren sy ghewoon met ghemaeckte, en naegebootste vroolijckheen haer tijdt te verslijten, en aldus doende haer vernust braef te scherpen, het gheen Plutarchus aldus beschrijft. De voornaemste handel die aldaer om gingh was door gewoonte soodanigh, dat sy de eene, of de andere deucht preesen, of de eene sout, of andere verachte, en uytschelden, met een treffende boert en lach, ingestelt om yemant tot het eerste aert te prickelen, en van het laetste af te wennen. Hiervan moet ik u l. nu een staaltje of twee van de gemeente voorhouden. Daar was een zeekkeren Klaudius, die nu zoo veel moeds gegreepen hadt, dat hy zig ten oorlog [p. 125] uytruste: men lagte hem hier oover uyt, om dat het de man niet en leek die daar toe was geschaapen, door dien hy quaalijk ter been was, waarop hy uytvoer, Men heeft geen loopers in den Oorlog van doen, maar volk die stal kunnen houden. Een andere hadt zijn helm booven laaten vercieren met het beeldt van een Vlieg, men wreef hem dan hier oover in de neus, dat hy zig zogt te ontschuylen, en zoo te verbergen dat hem den vyandt niet in het oog zou kunnen krijgen, die zoo kleyn een kenteykken op zijn helm hadt doen stellen waar op hy tot antwoort gaf, Dat doe ik om zoo veel te beeter bekendt te zijn: want ik meen mijn vyandt zoo na te koomen, dat zy mijn kleyn Vliegje klaar zullen kunnen bekennen. Og! Sparta, wat waardt gy een gelukkig landt, die u inwoonderen zoo treffelijk oefenden! Wat waardt gy zoet en aangenaam, die met een Lach soo treffelijk de deugdt oefende. Dat boerten, en kittelig scheeren, schilferen als haamerslag van een gloeyende borst, als die eens beroerdt wordt: want alle vroolijkheyt bemindt de woelery: want dat is slegts een verkoude ziel, die slegt, en stil blijft leggen: en alle gedagten versterken, worden die niet door eenige warmte op gewekt: en die warmte dat is de Lach, of de Lach komdt van de warmte; weshalven Homerus haar een onuytblusselijk vuur noemdt, en de taalkenders geeven haar de naam van [p. 126] warmte of straal. Wilt gy haar te deeg met het vuur doen gelijkken, soo let te deeg eens op haar wacht: naa des troonys treeken, die de Lach veroorsaakt, schieten de traanen daar naa toe, sonder sy nochtans de vlammen daar van uytdooven, als die herstocht eens gaande is. Als nu de Lach aan het kookken is, drijft sy die vochtigheen naa buyten toe, die sy gaande heeft gemaakt. Wat ik seg, dat doet de warmte, die uyt de kolk des boesems, om soo te seggen, opstijgdt, en trekt op naa het kasteel van den Mensch, dat sijn hooft is, als die nu om de hersenen heen is geslaagen, brengdt sy den Lach gelijkkelijk, en de traanen voort. Van haar Tempel, en Beeldt is nu genog geseydt: Laat ons nu haar Godtheyt eens besien: want de Lach en kan onder de menschen in geen grooter achtbaarheydt gesteldt worden, als dat men een Godt daar af maakt: Dees deeden de Hypatenses in Thessalien naa Appulejus schrijft, bysonder offerhande aan: Haare voornaamste Ceremonien bestonden in eenig boert of kluchtige bedriegery te bedenken, daar sy een onbedachte soo mee bestrikken kosten, dat die ieder een hier door aan het lacchen maakten: en die sulk een pots aan hadt gerecht, die dees vroolijke Godtheydt op haar Tooneel soo hadt gezeegendt, dat die na wensch uyt was gevallen, die waande, en hiel men daar naa voor soo een, daar naamaals geen droefheyt [p. 127] of herten-wee op sou kunnen hechten, volgens het voorgeeven der Hypotensers, dat al dus luydt: Want, dit Blyspel, ’t geen wy in ’t algemeen, en oopenbaarlijk speelen, om daar door op onse vaste jaargetijden staatelijk te vieren onse aantrekkelijke Godt des Lachs, steekt staags, en schietbloeyende wederom op, door de nieuwigheydt van eenige aardige verziering. Die Godt sal sijn dichter ooveral behulpsaam zijn, en vriendelijk versellen, noch sal ummer toelaaten, dat hy eenige herten-weegevoel; maar sal sijn voorhooft met een beuchelijke schoonigheydt gestaadig verblijden. Onse jaarlijkse School-oeffeningen, verscheelen daar niet af, als alleen in die ydele Superstitie, en Afgoodery: want wy soeken ook na alle jaars verloop naa vroolijkheyt, en Lach, doch sonder hinder van onse eer, en achtbaarheydt; behalven dat men met handige klap, of met gestamp uyt, die daar haar Lach mee helpen uyten. Wat valter nu meer? Wy zijn vroolijk, en leeren hier mee daar by, wy leeven in dit School, als in de oude Leschie, gaande met boert dus tot de waare deugdt. Tot slot dat de Lach een eerlijke saak is, en voor een staatig, en wijs man wel staat, kunt gy u selven aldus wijs maken. In dees Kapel van Minerva wordt sy gevierdt. Maar mits ik van de Lach een Godtheydt hebt gemaakt, schey daar mee heel en al.
Continue
[p. 128]

GUILJELMUS MENAPIUS
INSULANUS
Lof van de
DERDEN-DAAGSE-KOORTSE.



HOewel ’t gevoechelijk schijnt, dat zoo een, de welke wil zoodanig iets voorstellen, dat in der daadt wel waar is; dog zoo wonderlijk, en vreemdt daar booven in zig zelven, dat het ongeloofelijk schijndt, als zijnde te weer geleegen, booven de zin, en meyning der gemeene man; en wie hier door die zelfde nog zoekt uyt te maakken aantrekkelijk te weesen, het geen zy door haare gemeene menschelijkke driften gelijkkelijk haaten, hoe wel zeg ik, dat zoo een, die dat voorhaalde doen wil, een man behoordt te zijn, die begaaft is met eenige byzondere uytsteekkende kennis van verscheyde zaakken, en alzoo gaau daar by dat hy zijn kennis, en wetenschap, vereysselijk op het papier weet te stel len, op dat by gheval zijn vreemde reedeneering door haar schijnelijkke afkeerelijkheyt, voorder heel en al de afkeerelijkheyt, die zulke ongeloofelijkke wonderen in de gemoederen der gemeene man plante, niet [p. 129] heel aan het hollen te helpen, door dien hy dus niet genog op en paste om de aantrekkelijkke zoetheydt, en bevalligheydt, die zulk een reedeneering vereyst, zoo die klem zal hebben by zijn toehoorders, die zonder dat een walging haar lie baardt, en een geheele verwerping van al zijn voorstellen, die hy haar zoekt in te planten. Dit niet teegenstaande heb ik zoo veel op my in dit nieuw slag van stof, betrouwen durven, zoo op mijn taamelijkke aanmerkingen, die ik in mijn leezen uytpikte, door welkers vrugte, gelijk ik beken, ik my zeer verbly, zoo heb ik my staag ook met wat weynigh, en goedts willen vernoegen: Hier en booven bekoomen hebbende een reedelijk kragt om net vereyselijk te schrijven, de welke gestrafdt zijnde naa haar vereysselijkke wetten, en behoorelijkke gebruykkelijkheen, kunnen somwijlen wel maakken, dat iemandt, al is hy juyst de aldergeleerste niet, welspreekkende genog, en door dringende zijn werk zal voorstellen: Waar by gevoegdt mijn braave yveren naarstigheydt, die ik mogt neemen om alles te deeg te beschouwen, en te doorgronden, de welke zoo zulk een zonder slof heydt is, aanwendt, is die menigmaal genogsaam gewoon verscheyde bedenkingen, die in haar zelfs veel nuts bevatten, uyt haar te schieten, als men te mets mag in eenige eenzaame leedigheydt een poosje tijdts verslijten. Vertrou- [p. 130] wende my, wil ik seggen, op al die voorhaalde hoedanigheen, heb ik vast voorgenomen, naa uyterlijk vermoogen, mijn voorgenome stof af te handelen: niet dat ik vertrou, dat dit selfde van my alleen uyt soo veele, op sijn alderbequaamste sal kunnen begonnen, en voleyndt worden, als het selfde sou moogen andersins voorgesteldt worden, en dat ik niet eer achte, dat het niet beeter en sou zijn, dat men een ander uyt soo veel oovertreffelijkke geleerde luyden hier toe koos, die tegenwoordig dees weereldt bewoonen: Maar ik begin sulks, om dat de goede hoop die ik stel in de rechtmaatige billikheyt der oordeelen, mijn geest, en gemoedt hier toe stout, en staaft, die my soo veer brengt, dat ik my vast inbeel, dat het anders niet kan gaan, of de goede voornemens, en heerlijken yver, wanneer die vallen op een ongemeen swaar werk, een goet loon daar moeten behaalen, waar door soodanig een werk aldus begonnen niet anders als treffelijk moet eyndigen. Ik en heb van den beginne aan nooyt soo stout durven zijn, dat ik my de beste uytkomst op mijn stijl my vast dorst toeseggen, om daar door te maken dat ieder een, die my souden komen aan te ransen, haar wensch, en verlangen hier in sou kunnen ten vollen krijgen: nog ik en geloof niet dat soo een vermetele; en onbehoorelijke ten voorschijn sou kunnen koomen, dien, soo hy in mijn plaats wil staan, betrou- [p. 131] wen sou durven, dat hy dit selfde sodanig sou kunnen beschikken: Maar ik stelde een vast vertrouwen, dat ik mijn ampt hier genogsaam sou voldoen, soo slegts, na dat de natuur en stant van dit voorwerp in sig eygentlik is, te weten seer schraal, e nmagertjes ten minsten eenige dienst, en voordeel door mijnen yver den leser sal kunnen aanbrengen. So daar nu iemant onder allen is, die het beloop van dit werk ligt, en klaar schijnt te zijn, wil ik mijn lamp wel over doen, en gaarn lijden, dat hy sijn nayver mijn meester hier in zy. Hoewel het hier gewonnen te hebben, een bysondere glory den winnaar baren sal: Soo mach hem den overwonnene daar by ook noch enigsins beroemen, omdat een overtreffelijke voorvegter, tegen hem aan wilde gaan, die hy dus porde so een overtreffelijk, en roemrijk werk tegen hem aan te vangen, en te vervoorderen tot het betreffen van dees kampzegen. Want noyt mocht het iemant gebeuren, dat hy beschonken en verheerlikt wiert door een Laurier van enige uytstrekkende glory, daarom de eer niet eerstelijk gekibbelt wiert, en gestreden, en daar geen brandende min-yver tussen quam, die sulk een heerlijke strijdt gaande maakten. Onderwijl iemant die iets het eerste begint, en aanvangt, als seker braafschrijver wel seyt, doet eerlijk en heerlijk, dat hy staan blijft, en ophout daar de twede, en derde haar begin nemen: so nu, als ligtelik kan gebeuren, [p. 132] eenige koomen, die mijn voet zullen willen volgen, geloof ik niet, dat my iemandt zoo zeer in de weg zal zijn, en teegenstreeven, of hy zal, koomende aan de rou, en hardigheydt die in dit stof steekt, waar door hy het zelfden zoo zal vinden, dat hy daar met zijn stijl, en voorneemen zeer zwaarlijk door dit zelfde zal kunnen geraken; naa die selfde dus dit selfde door zijn eygen ondervinding, en voorbeeldt is geleerdt, zal hy hier door my ten deelen in mijn werk, van alle blaam bevryden, en ten deele mijn heerlijk inzigt wyzen: Mijn werk, omdat het zeer hoog, en steyl loopt, en mijn voorneem, om dat het zelfde heerlijk is in der daadt, en vol alderley goeden hoop. Maar ik gaa misschien vrugteloos dus voorder aan, die my zoo zeer uytslooft, om aldus smeekkende alle haat en nijt te weeren: eeven eens of haat, en nijdt daar plaats kost grypen, daar geen opgeblaazentheydt, of vermeetelheydt en huylt: Of, door dien ik bevreest most zijn, dat ik my inbeelden, dat ik hier een zwaar oordeel van een strenge regter uyt most staan, dat veer van daar is, aangezien, wie diergelijk werk onder handen zal willen neemen, hier door terstondt een minnelijkke zugt, en hertelijkke geneegentheydt tot ons krygen zal. Al dit geneutel, en hayrklieven aan een zyde gesteldt, en alle vreeze afgeschaft, zoo zullen wy ons voorneem met wakkere, en onge- [p. 133] kreukten moede af handelen, en die Koortse nu haar beloofde Lof-Reeden toevoegen, die de oude, omdat zy naa haar reekkening, op elk een vierde dag begon, de Vierden-daagse-koortse noemden, en wy nu gemeenelijk, door onze verscheyde reekkening, de Derden-daagse-koorts. Terwijl ik mijn geest voeg tot het slag van Derden-daagse-koorts, en te deeg gaa letten op haare geheele Natuur, en byzonderheen, kan ik anders niet bevroeden, of zy is daarom zoo in de haat der menschen, en wordt daarom zoo van haar uytgescholden, dat zy zoo lang iemandt byblijft: dat daarom nootwendigh niet anders zijn en kan, als, om dat zy groeydt, en bestaat, uyt zeeker stof, dat zeer vast, en taay is, en dieshalven quaalijk te verteeren, of uyt te dryven, en dat is de zwarte gal, die geensints gesteldt is, om makkelijk, en draa gedundt, gescheyden, en afgedreeven te worden: Dog dit voorhaalde is alles quaalijk genoemt en geduydt, door dien men dat zoo slegts neemen moet, dat alles, dat moeyelijk, en pijnelijk in dees Derden-daagse-koortse zit, eer voortkomdt van de teerigheydt van onze zielen, en gemoederen, die niet verdraagen kunnen die walging de welke die langhduurigheydt met haar sleept; als dat de ziekte, in haar zelfs, daar schuldt toe heeft, of ’t gevoel van haare pijnelijkheydt, die zeekker geensins het hertste [p. 134] treft: Want ik en weet niet hoe het door seker misstandt, en gebrek der natuuren met ons soo is geleegen, of liever om de verkeerdigheyt van ons oordeel, dat onse gemoederen meer getroffen worden, jaa meer als dat in der daad behoort, door het aanhouden van die langduurigheit, als dat die niet meer door een goede hoop vertroost worden, mits die nergens van gequeldt worden, dan dat men het gewenste goet, wat te lang af moet wachten. Door welke redekaveling men sien kan, dat, soo men kiesen mocht, wy eer souden wenschen haast gedaan te hebben met eenig groot onheyl, als dat wy af souden moeten staan een lanksaame sleep van eenig kleyn, en leste rampen, dat wy aldus een kort, en vinnig lijden graager souden willen uytstaan, als een lang, en moeyelijke quelling, ’t geen wel overgeslagen een bedorve meening is. Maar soo wy de Derder-daagse-koorts met een rechtmaatig oordeel wilden overweegen wy souden daar door getroffen, so niet kreunen, en klagen, of de gevoelikheyt van onse smerte sou voor wis, door een groot en vast betrouwen, wy ons lijf, en leeven seker waaren, voor ’t meeste deel verligt, en gematigt worden: Want soo wy die oovertreffelijkste, en grootst Arts Hippokrates geloven willen, sullen wy het selfde aldus ook geloven moeten, wiens woorden, die in sijn boek van de Algemeene siekten staan, aldus luyden. De Derden- [p. 135] daagse-koorts, is de rechte, en veyligste van allen: welke brave spreuk, van die uytstekende man voortgekomen, genogsaam bewaarheit wort, door een ontallijke hoop voorbeelden, die onse eeuw ons dagelijks beschaft, hoewel het daar soo wenschelik nu niet mee en gelukt als wel eer, ’t welk komt, door dien de overdaat nu te seer by van outs toe heeft genomen. So wy ons selven in onse noot niet en willen verlaten, maar onse vereyste matigheyt van leeven te deeg willen onderhouden, na dat een goede, en wijse Arts ons aanbeveelt, so mogen wy ons op die veyligheyt vry versekeren, dat den derde-daagse-koorts ons niet haast, en spoedig sal uit de werelt rucken, nog door sijne gewone aankomsten ons om den hals sal helpen. Dit sluyt ik hier buyten, dat er geen uyterlik, en te hevig een toeval by kom, gelijk ’t selfde wel is aanghemerkt van Hippokrates in sijn boek, dat hy geschreven heeft van de natuur des mensch, waarvan wy op vereyste plaatse hier na breder sullen spreken. Soo men nu de Derden-daagse-koorts eens stellen wil, en vergelijken, by d’andere soorten van koortsen, sal men bevinden, dat sy onbereekelijk veyliger, en verdraagsaamer is, als een van de andere: by namen soo wy spreeken willen van Koortsen die de Doctoren Vinnige noemen, of scherpe, om dat die geweldige pijnelijkheen met haar brengen, en verdraachelijck niemandt aanvatten, wiens oordeel tijt, by de Artsen Crisis [p. 136] gezeydt zeer kort is, en in weynig tijdts een mensch helpen moet op de been, of op de baer: waar door het nootwendig gebeuren moet, dat de ziele der ziekken, in sijn aanstoot, heel verwerdt staat, door ten twijfelachtige hoop, en pijnelijke sorgvuldigheydt, waardoor die selve wonderlijk schrikt, en benaaudt wordt, soo dat den kranke door dees ziel-ziekte, gelijk een tweede, booven de lichaamelijke, onderwijl alsoo seer beswaardt wordt, aldus verdrukt wordende door een duppelde ramp. Wat onse Koorts aangaat, door dien men daar in, op groote seekerheydt, en veyligheydt mag betrouwen, is men van sulke moeyelijke herstogten niet gequeldt, daar wy ons met regt seer oover hoeven te ontstellen: Weshalven dan wy vereyselijk, en wel, dat wy alle vrees van de toekoomende verderving of doodt van ons verbannen, aangesien daar geen oorsaak van te vreesen oover is: Daar men dit ook by moet reekenen, dat eeven, als daar veel oorsaaken zijn, waarom de geplaagde vastelijk hoopen mag dat alles wel sal met hem gaan, soo hy maar een wel gereguleerdt, en maatig leeven leydt, daar by geloovende dat daar alsoo groot een gevaar van ons eyl soodanig een oover het hoofdt hangdt, die in dees koorts een ooverdaadig, en slordig leeven wil met eenige ongereegeltheydt leyden. Dog in dees onse kan men geensins stor [p. 137] ten in soo groot een gevaar, als in die andert scherpe koortsen: Weshalven men dees laatste ook aanbeveeldt, wy niet en sullen nuttigen, als dat seer ligt valdt te verteeren, om dat het leeven en sterven, aldaar eeven eens, als aan een zijden draadt hangdt, daar de Derden-daagse-koorts niemand wegsleept, als die haar door sijn onmaatigheydt te onverdraachelijk lang by sig voedt: Want soo sy door die sout, of ander ongeluk der sieke, al te lang volherdt, of een dubbelde haars gelijk aanlokt, gelijk de waaterzugtigheydt is, volgens Galeenus getuygen in sijn uytleg op de elfde Spreuk van Hippokrates, in het 3. vaers, of blyvende by haar selfs, een ooverlangen tijdt iemandt queldt, eevenwel is het nog niet wis, en noodig dat men daar aan moet sterven: Want men leeft dat daar sommige geweest zijn, die aan een Derden-daagse-koorts geheele twaalef jaaren vast waaren, volgens het getuygen van Avicenna, en Marsilius Sicinus, dees in het Boek van het Dryvoudig leeven, en geene in sijn 4. Boek 1. Hooftst. Waar uyt te besluyten is, dat de Derden-daagse-koorts onder het tal der langdurige, de voornaamste is, door dien sy door het gevolg van soo veel jaaren, selden geen andere siekte tot hulp, of geselschap trekt. Dog dat moet hier by zijn, dat de sieke sijn kragten hier by niet heel weg gaan: want zijn die heel, en al vergaan, is alle hoop van [p. 138] opkomst niet als enkel vruchteloos: Waar by ik dit ook noch wil hebben gesteldt, dat voorder van nooden is, soo lang een mensch sijn leeven duurdt, dat den sieke een vereyst, en maatig leeven leydt. Doch of iemandt ongeloofelijk mocht schijnen, dat een Derden-daagse-koorts sommige jaaren achter een kan duuren, aangesien alle pijnelijkheydt een mensch sijn krachten wech neemt, en verteerdt, soo moet hy dit daar by weeten, dat het selfde soo gebeurdt, als op sijn goede, en vrye daagen, sijn krachten die vervallen zijn, soetjes, en sachtjes weederom worden opgeholpen. Om dees twijfelachtigheydt noch meer weg te neemen, moet men onderscheyt maaken tussen pijn, en pijn, soo dat men verstaan moet, dat alle pijn die geweldig, scherp, en geduurig is, alle krachten verswakt, en verteerdt, wesgelijks niemant gewaar wordt, die met een Derden-daagse-koorts is gequelt. Doch soo wy dryven willen, dat soodanige ook een swaare, en moeyelijke pijn gevoelen, blijkt het dat die eer soodanige heel door het lijf heen rijdt, als dat seer steekt, en quetst, mits koomende uyt een lanksaam, en taay stof, die gewoonelijk sulke weedommen veroorsaakt; waar uyt de leedemaaten der sieke kort daar aan zijn, of sy gebrookken, en stukken waaren geslaagen; soo moet men weeten, dat alleen sulks voorkomt door het medelijden van het voornaamst pijnelijk [p. 139] lidt, daar voornamentlijk die swarte Gal in huysvest, en dat dies te meer, om dat het leedemaaten zijn, die van dat stof voornamentlijk op zijn geleydt. Die aldus teegen my sal willen dichtaalen, moet ik op sijn teegen stel antwoorden, dat het selfde niet als tot onser hulpe strekt, en ter eere van onse Derden-daagse-koortse en diendt, door dien men niet als alleen sulk een weedom gevoeldt, die wel eenigsins treft, maar men siet die nochtans soodanig, dat sy niet machtig is om de natuur hare krachten, die haar gestaadig saamen houden gespannen, en in standt blyven, onder de voet kunnen werpen, en geheel verwinnen weshalven my vryelijk mogen reekenen, dat de pijnelijkheen die uyt de Derden-daagse-koorts rijsen van een ander slag sijn, als die iemandt doortreffen, en dat door een bysondere gaaf, en gunst der nature, die met alle magt, als doenlijk, soekt een mensch by levendige lijve te bewaren: en in plaats veel andere pijnen een mensch op sijn leven aan leggen, dees haar aan begin ’t gemeen een gewenst eynde neemt. Maar wat sou men hier roemrijk kunnen spreken, en seggen, van dat men siet, dat de Natuur te sterk zijnde om te beswijken en niet kragtig genog om haar te redderen van sommige scherpe, en dwaalkoorsen, alsmen die noemt, datmen siet dat dan die selve, aangesien sy met geen mogelikheit in al te korten stont kan geraken van ’t een tegen- [p. 140] strijdige, tot het andere, dat sy luy gebrek van dat, haar toevlugt neemdt, of dat de uyterste hulpmiddel was, tot onse Derden-daagse-koortse? Daar en valdt niet tegen te seggen als dat de schrandere Natuur het beste uyt pikt, ’t welk is, onse Derden-daagse-koortse. Galeenus heeft treffelijk aangemerkt in 1. Boek van de Genees-konst, het welk hy aan Glauko schreef, dat ook van Hippokrates is geleerdt in het derde Boek van sijne Voorseggingen, dat alle Dwaal-koortsen, of die geen vaste streef en hielen, gemeenelijk haar tot een derden-daagse sette, waarvan Galeenus ter selver plaats de reeden en oorsaak met eene geest. Want, seyd hy, als de swarte Gal te deegen haar in sommige deelen roerdt, en in andere wederom heel stil, en loom blijft leggen, in andere aan het rotten tijdt, en in andere van het aanbranden, soo is het noodig, dat daar door verscheyde Dwaal-koortsen ontstaan: maar als die quaal al die andere doorslaat, door die oovertolligheydt van de swarte Gal, groeydt daar een Derden-daagse-koortse uyt. Dat zijn sijne woorden. Want wil iemandt de Natuur haar vereyste beweeging, en schikking hier in schelden, als of die haar niet haalt genog van die oovertollige quaadtheeden redderden, en suyverde, maar dat juyst van die Dwaal-koortsen, smijt op een derdendaagse soo durf ik wel seggen, dat dit onreedelijk klaagen is, en nergens als van tegroot een [p. 141] knorre-pot van daan komt: Want, even als de kragt, die de siekte is gegundt om ons daar mee aan te ranzen, onmijdelijk is, soo hooren wy hierom meer niet te wenschen, als in des Natuurs magt geleegen is welke, als dat doet, dat sy kan, moet dat selfde ons lief, en aangenaam zijn, door dien sy ons minder niet, als weldaadig soekt te zijn, soo veel aan haar kant is geleegen: Weshalven wy de Natuur mildt, en goedtdaadig genog moeten agten, als sy dat geen, het welk sy nog haast, nog anders doen kan, een weynig op haar rust, en luym hebbende geleegen, haar versterkt, om de siekten haar aanvallen braaf te kunnen wederstaan, en die selfde heerlijk te bevegten, hoe sterk die ook teegen haar aankomdt dringhen: Derhalven hoordt men haar voor een braave weldaadt te bedanken, als sy een gevaarelijke Koorts, in een veylige weet te veranderen, meenende dat de Natuur haar tot ruste steldt, het geschiedt om dies te beeter die quaadtaardige vochtigheen te kunnen verkooken, en schraadeloos maaken: niet dat sy haar lichaam stondts helpt in een gestaadige aangenaame rust; maar in soo een, die sulke vinnige aan stooten niet en lijdt, als andere quaalen wel meede brengen: Weshalven die gelijkenis wel slaagdt, die de Derden-daagse-koorts vergelijken by iemandt die een bysondere, en groote sprong wil doen: want de sulke zijn [p. 142] gewoon wat achter uyt te deynzen, en met haar slinger-armen haar meer gewichts te doen aangroeyen, om hier door te kragtiger, en doordringender tot haar geset park toe te springen: Soo dunkt my dat dees koorts ook aangaat, hoewel sy vry wat meer tijds neemt, schijnende dus achterwaarts te schoorvoeten, om daar door beter af kunnen staan, de gewoone aanstoten, daar de siekte, na gewoon haar meede aanranst. Voorder wat aan gaat het rechte opsoeken, en vinden van de Derden-daagse-koorts, die valt seker seer kort, en licht, hoewel dat een saak is, die naa ieder eens voordeel kan helpen, tot de lichtigheydt, en vaerdigheydt van des selfs geneesing: Want daar hangt seer veel aan, soo tot eer der Artsen, als heyl der sieken, datmen de quaal te deegen is kennende, om dees tot sijn gesontheydt, en geene tot sijn gloory te helpen. Want dan verheft haar vry grooter gevaar, als de siekte haare hoedanigheyt onbekendt is, omdat men dan haar, der Artsen konst, en siektens eygenschap in de waag schaal stelt: Weshalven Platoos Timeus niet te onrecht bevreest en is, datmen lichtelijk een sout begaan kan in het opsoeken, en aantreffen der tweede oorsaaken, eer men daar door tot de eerste te deegen kan geraaken: Waar by hy seydt, dat hy daar ook bang voor is, dat de Artsen geen teegenstrijdige oorsaaken neemen, als die wel is, [p. 143] daar de siekte uyt spruydt, het welke soo dikwils als het geschiedt, is het helpen, en geneesen van soodanig een sieke vol alle gevaarelijkheeden. Doch onse Koorts is buyten al die voorhaalde gevaaren, aangesien sy ontwijfelbaare wisse teykens van haar geeft, omdat haar gesette tijdt en uur gestaadig is houdende, die haar gequelde soo vast in het hoofde hebben, dat sy geen aanmaaning daar toe behoeven; waar by ook dit gedenkwaardig is, dat de Ouden een wondere verburgen kracht, jaa superstitie, of wangeloof trokken uyt het vier, en sevental, daar sy in het eerste stelden onse Derden-daagse, die sy de Vierden-daagse-koortse noemden, en die twee voorhaalde ghetallen stelden sy tot vaste scheypaal der wonderbaarelijkste saakken, gelijk dat Plato in sijn Timeus treffelijk aan roerdt, en Makrobius in Scipios Droom. Wat mensch ik nu hertelijk, dat ik hier by my had eenige van Platos naavolgers, het waar dan Makrobius, Marsilius, Sicinus, den Veneetsiaanse Leonikus Thomeus, of diergelijke, op dat wy eens uyt mochten leggen de kracht, en gevolgh der getallen, naa Plato die ons leerden: Lieven Heer wat souden sy daar bovenmenschelijk van redeneeren, hoe souden sy het Hemels met het Wereltse schikken, en voegen, hoe treffelijk souden sy der Sterrenswier, en loop vergelijken met de aanstooten, en oovervallen der menschelijke siekten. [p. 144] Maar om in ons voorstel te blyven, men vind het vier, en seeven tal net geschikt in onse Derden-daagse-koorts: Want booven sy haar oordeel dag heeft, die op de vierde, en seevende dag vervaldt, gemeen met sommige andere siekten, soo men eevenwel dry ommeloopen teldt van het eerste begin der siekte of eerst quaaden dag af, namen die noemt, sal men daar vier vrye daagen in vinden, en dry sieken (te weeten volgens de Oude haare reekening) welke aanstooten gestaadig met haar duuren: soo dat men daar soo lang het vier en seevental in uyt-vindt munten. Aangaande dat hier iemandt teegens sou willen inbrengen, dat die loop niet noodtwendig in alle Derden-daagse-koortsen gevonden wordt bestandt te blyven, aangesien sy altemets op de vijfde, seste, jaa langer dag eerst stuyten; daar teegen diendt eerstelijk geantwoort, dat voor eerst sulk een voorval seer selden gelukt, of voorkomdt: Ten tweeden, dat sulke maar basterdt Derden-daagse-koortsen zijn, en voor het meestendeel veel strenger, en gevaarelijker als de regte, en dat om de boovenmaatte dikte en raauwigheydt van de swarte Gal, die soo wel van haar plaats niet is te dryven, als aan het dunnen, en kooken, soo dat sy haar hulpmiddelen heevig teegen kandt. Hoe wel die basterdt vry oover een komdt met de regte, als men te deegen letten wil op de selfstandigheydt van ieders stof, [p. 145] soo is het zeeker, dat sy te wonder veel verscheeldt in wat daar buyten die zelfstandigheydt is. Maar laat ons nu voortgaan in het verhaalen van de Derden-daagse-koortse haar roemreeden; waarender die van de minste niet en is te reekenen, datmen altoos meer vrye daagen vindt, als koortsige: Dat de andere-daagse-koorts niet gebeuren mach, die niet meer vrye als vaste daagen heeft: Voorder die Koortsen, die ons onofhoudelijk byblyven, ons geen rust laatende, of aademschepping, en gelijken nergens in naa onse Derden-daagse-koorts, die ons een goede poos rust, en uytspanning gundt, waar door wy dan zonder toeven onse zaaken kunnen verrechten, in stee in die scherpe, en geduurige ziekten, en in sommig andere, die af, en aan koomen, zoo stip ons oover al moeten afhouden, dat het leeven ons begindt meenig maal te verdrieten, reekenende aldus te moeten leeven, voor een enkele straf. Nu moet ik hier eens eenige vaersen van die kluchtige Martiaal invoegen, om dat sy zoo çierlijk zijn, en recht alhier passen, en slaagts koomen. Dees beklaagt met een groote moeyelijkheydt zijn spits-broer Martiaan, dat in sijn hooge ouderdom een leeven most leyden, dat vol quellingen, en pijnen stak, houdende hem dus voor een die de rechte leeven niet meer over zich en hadt: Sijn vaersen gaan omtrent aldus.
[p. 146]
Indien men reekendt onze paaren
Daar wy met Koorts belaan in waaren,
Of andre ziekte, ofte pijn,
Wat kunnen wy doch anders zijn
Als leevendt doodt? Wy lijken Ouden
Schoon men voor kinders ons mach houden.
Die Nestors leeven, of Priaam
Van lang en oudt hier geeft de naam
Is mal, of gaat zich zeer verzinne:
Mits waar geen frissigheydt mocht binne,
Geen leeven weezen kost - -


Indien ook in de andere menschelijke saken, zoo vast geluk niet en steekt, of daar is wat onheyls mee vermengdt, zoo de droefheydt de blyschap het naaste is, en de walg de wellust, en volgens het Griekse spreekwoordt,

De rechte moer is d’eene dag
Die d’ andere voor Stiefmoeder zag.


Wat zal men nu zeggen, dat wy zoo deerlijk klagen, en kreunen, dat ons een slag van een Derden-daagse-koorts treft? Ummers is het tal der rampsaalige daagen vry grooter, en meerder als die van de gelukkige; Want tusschen elck een aanstoot van onse Koorts, hebben wy twee heele vrye daagen: Waar by haar noch een andere gevoegelijckheydt verheft, die een hoopen helpt tot verlichtinge van onse smerten, dat de [p. 147] sieke sijn vaste dagen wis, en zeeker kan tellen, en verdeylen, en sich daar na menschelijk schikken: Al wie nu zeekerlik weet, wanneer hem een onmijdelijke plaagh zal aantreffen, verset haar smerte, en moeyelijkheydt veel lichter, als die zulk een ramp onverwacht op den hals komdt: En dat hier om, na Plato heerlijk leerdt in sijn Timeus, dat alle qualen, die ons onvoorsiens op den hals koomen, de beroerende geesten straks ter needer veldt, en eeven als verstikt: welkers bewys wy nergens beeter als van ons leeven kunnen haalen, en van onse gevoelijke ondervindinge die ons daagelijks voorkoomen. Voorders laaten wy nu onse sinnen eens laaten daalen, tot de voorseggende teykkenen die de Artsen van het ghevolg deeser sieken maakken, en met een eens ondersoekken of daar uyt een goede hoop, en op-komst is te beraamen voor de Derden-daagse-koorts, Hippokrates spreekt aldus in sijn 33. Aphorism. tweede Deel: Het beste teeykken is, dat een sieke by sijn verstandt blijft, en met goede kennis aanneemdt dat hem voorkomdt, aangesien dat een wis teyken is, van starke hersenen, senuwen, en voornaamste deelen, als zijnde hert, leever, en nieren, te weten dat die noch vast zijn, ‘t welk Galenus treffelijk bevestigt, door de uytlegging die hy op die plaats is maakende. Dit aldus zijnde, gelijk wy het selfde met recht, en reden soo achten, [p. 148] wat is daar dan, waarom wy zeer bekommerdt hoeven te zijn oover een die met de Derden-daagse-koorts gequeldt is: Aangesien nu, daar geen verbijstering in het verstandt gewaarwordt, of (om haar woorden te gebruyken) een warring van reeden, weshalven de Natuur, of sy dit alles wist, houdt sy haar in veyligheyt, en door verscheyde wisse en zeekere aanstooten geleerdt, eer de tijdt van haar aanstoot gekoomen is, houd sy haar buyten alle ontsteltenis, door dien sy gestaadig voelt, dat haar quaal noch te groot, noch te vinnig is. Hier en booven blijft in een, quijnende aan de Derden-daagse-koorts, een gelijkke lust, en trek tot eeten en drinken; jaa haars lichaams gestalte blijft by naast in een doen, om dat de hette daar zoo lang, noch ook zoo heevig in steekt, dat sy maatig het vleys veel te verteeren. Men steekt ook van binnen niet vol onlesselijke dorst. Of loopt daar zoo iets onder; steekt in zulke eenige verbrande Geele Gal, die dan dees ziekte veroorsaakt: Dees dorst eevenwel, en queldt een mensch zoo niet, als die iemandt lijdt, en gevoeldt, in die men heete koortsen noemdt. De maag is ook zoo slap niet, dat sy veel gequeldt wordt met walleging van koft, gelijk gemeen is voor Gal, en bloedtachtige koortsen, waar in men de lust met de eene, of andere versnaapering gaande moet maaken, of aantrekkelijke saussen: Het [p. 149] welk, zoo noch niet wil gelukken, moet men het op een argje aanleggen, of met kracht iemandt het eeten in het lijf dwingen, of met dreygementen, seggende dat het met sijn leeven is gedaan, zoo sy geen spijse en wil nuttigen, datmen in verscheyde koortsen moet waarneemen, soo men verhoeden wil, dat de kranke sijn krachten niet geheel wech sinken, om welke krachten in weesen te houden, of te deeg op te wekken, de Artsen haar grootste zorg, en vlijt besteeden. Het geen ik hier zeg, moet verstaan worden, van de Natuur, en eygenschap, van de enkele Derden-daagse-koorts, zoo als die alleen is, zonder de kranke eenig ander zoo boos toeval met eene op den hals stoot, dat hy daar door uyt de weereldt wordt gerukt: Want een goeden Arts die hier oover gaat zal voor eerst groote, en goede zorg draagen, dat daar geen verstopping in de Mildt en groeydt. Want daar zal suure Gals genog van de Mildt naa de Maag kunnen trekken door die aader, die men daarom de Melkende Aader noemdt, dat de Maag haar lust daar door ghenoghsaam werde verwekt, voor zoo veel onderhoudt sijns lichaams: Zoo een Arts hier in wat te krachtig aangaat, door dien hy te groot een toevoer van zuure Gal daar naa toe lokt, waar toe den sieke al te graatigen honger krijgt, zal die aader hierin weynig verbeurt hebben, als hebbende alleen gesondigt in een [p. 150] deel daar het minste verbeuren aan was: Want dat quaadt is lichtelijk te helpen, of met braken van booven, of losse van onderen; en hierdoor de krachten te starker hebbende gevonden, sullen de volgende hulpmiddelen haar vereyste werkingen dies te beeter kunnen doen? Want alle hulpmiddelen zijn zoo veel te wisser, en te veyliger, als de lichamen te haastiger kunnen opgevoedt, en geleedigt worden. De manier van leeven die men haar ook voorschrijft, is mee eeven eens schier, als die men de gesonde opleydt, waar uyt het blijkt, dat daar weynigs warigheydt moet steekken in de Derden-daagse-koorts: Want de Artsen leggen haar maar op, sy geen kost hoeven te eeten die heel, of passelijk dun maar is, om daar haar lijf by te houden, door dien haar dat te weynig sou kunnen voeden: Men verbiedt haar ook geen Wijn, gelijk in andere koortsen, behalven die swaare Roode Wijn. Galenus in sijn Boek van de Genees-kunst aan Glauko, steldt haar vry om lichte witte Wijn te drinken, al valdt die schoon wat warmjes, om oorsaak die licht te raden is; te weeten, door dien men het lichaam moet zien te bevochtigen, daar te hettige Wijn teegen is strijdende. En hoe wel ik weet dat de drift, daar men oover kibbeldt, of de wijn drooger of vochtiger is te noemen, noch onseeker hangdt, by sommige hou ik het liever met [p. 151] die, de welke de wijn voor vervogtende houden; doch door eenige toevallige aanhangsels droog, omdat de warmte, die een werkende hoedanigheydt is, die staag soo werkt, dat sy verdraagt: de al te groote vochtigheyt wee maakt soo een sijn lichaam met lankheyt van tijden koudt, volgens Galenus seggen in sijn Boek van de Tempering. Men gundt dan de Derdendaag-koortsige den wijn, op dat die de Melancholijke vochtigheen mach temperen, en dun maken, voor de stramme, en droge leedematen voor dou en bevochting verstrekken, het bloedt mach stooken, de krachten verquikken, en versterken, en de bedrukte Natuur dus vervroolijken. Wat haar kost aangaat, na ’t voorschryven van Galenus, dees kranken verbietmen het Verkens-vleys, taye, en slijmige kost, en al wat men acht dat ’t lichaam kan uytdrogen, of verkoelen: men schaft haar graag en prijselik alderley kost die veel voetsel geeft, van goede selfstandigheit, en ligt om te verkoken dog alles in matigheit. onder sulk slag van spijse worden gereekent alderley wildt gevogelt, en niet in koyen gemest, of Watervogelen: Klipvissen zijn voor haar de beste: alle vette vis, en die seer slijmerig vallen en deugen niet voor haar. Vleysnat van vee, of huysvogelen is ook seer goet, als mede een slurpeytje: ’t soute vleys is haar niet stip verboden, ja volgens Galenus gevoelen, guntm’ haar vryelik starke en soute kost als sy [p. 152] in haare daagen zijn, en dat, om sekere kragt die in haar sit, waar meede sy de taaye Melancholy kunnen dunnen: Het welke Avicenna besnoeydt hier meede, datmen toe moet sien, datmen hier door de hette niet te zeer en verwekt. Om kort te maaken: Men mach onse kranken alderley kost geeven, die van gemaatigde vochtigheydt, en warmte is, die wy haar nummer weygeren, als op haare quaade daagen, daar men die haar noch wel op gunnen mach, als daar tijdtsgenog is tussen haar maaltijdt, en de Koorts haar komste, dat die daar in verteerdt mach worden die men op het korste, op ses uuren tijdts reekendt. Haar past een getemperde lucht, die een weynigh naa de warmte heldt: Zulke moeten alle swaare, en gestaadige sorgen afschaffen, en wat langer slaapen, als na gewoonte; doch niet veel booven de middelmaat. Het is niet quaadt, datmen sich ook maatelijk op sijn goede daagen tot sijne gewoone oefeningen voegdt, doch op de quaade is de grootste rust de alderbeste. Uyt welk voorhaalde altemaal, zoo blijkt het genog, dat een die met de Derden-daagse-koorts is gequeldt in een groot gevaar en steekt, daar sy by naast een en zelve spijse moogen gebruyken, die zulke nuttigen, wiens gesontheydt maar een weinig buyten maat is gesprongen. Nu alles wel verstaan hebbende, dat hoorde tot het bysonder slag van eeten en drinken; [p. 153] Zoo laat ons nu eens voorder gaan, tot de ander hulpmiddelen, die men Apotheekeryen noemdt, om voorders ook te weten, hoe konstig, en verstandig men daar meede leeven moet. Zoo wy de waarheydt willen bekennen, moeten wy ook seggen, dat in haar gebruyk, en bereyding ook geen gevaar en steekt, wel verstaande, als daar een goet meester voorsichtig heeft omgegaan, en het selfde tijdelijk en spoedig gebruykt wordt. Wat Plato aangaat, Plato zeydt, in sijn Timeus te weeten, dat hy acht dat de Derden-daagse-koorts swaar, en quaalijk te geneesen is, heeft hy,naa ik hem zien, dus gedaan, om de achting die hy nam op de meenigvuldigheydt des swarte Gals, daar het van daan komdt, mits die geensins gesteldt is om licht, en draa van haare ingenoomen plaats gerukt te kunnen worden, of dun, en loops te maaken, om naa Kolumellas zin te spreeken: Maar my aangaande, ik ben door verscheyde, en met een door zeer gewichtige oorsaaken hiertoe gebracht, dat ik durf staande houden, dat, zoo het t’eeniger tijdt duydelijk was verbooden, of by eenig toeval zoo veer gekoomen, of dat de hooge Schoolen te saamen het zoo gestemdt hadden, datmen niet seekers van Plato uyten en zou, ik alleenig eevenwel zou by die meening volharden, dat ik hem zou durven roemen geweest te zijn een van de alderuytsteckenste wijsgeeren des weereldts. [p. 154] Waar by ik dit noch voeg, dat het een man was, die met een Goddelike geest was begaaft, waar door hem alles bynaast kundig was, die tot noch toe geen andere menschelijke vernusten kosten doorgronden, en moogelijk noch nooyt voor iemandt zijn te doorgronden. Zoo graag, en overvloedig ik hem dien lof schenk, even noo, en karig wil ik aangaan in hem te verheffen dus hooch in de kennis, en ervarenthentheyt des Genees-konst. Want dat staat vast by ieder een, datmen ieder konstenaar in sijn konst gelooven moet, en voor hem wijken: Soo wy nu seeker willen letten op de Genees-konst, sal men veel dingen vinden, daar de Wysgeeren, en Artsen geheel in verscheelen: Want men vindt een bysonder boek van Hippokrates, daar in hy de meninge der Artsen, en Wysgeeren vergelijkt, en ook van een deylt. En hoewel ik Plato daar al wat gelijk in geef, dat hy in die zelfde Timeus drijft, datmen de swarte Gal met geen starke genees-middelen en moet gaande maken, of hy seggen wilde, dat de saak en ondervinding ons hier in leeren, dat wat sout daar omtrent geschiedt, voortkomt, door een zot misverstant, en onbedachte stoutheyt der Artsen: Doch die leer, aangaande men de swarte Gal juyst alsoo niet moet handelen, en hebben de Artsen haar vergadering noch niet gekeurt voor doorgaans, en sonder onderscheyt waar te zijn. Schoon onse koorts in hare eerste be- [p. 155] ginsel vereyst sagt, en verdragelijk gehandelt te zijn, en men veel daar in de kust beveelen moet: als men evenwel daar na aan ’t heelen en helpen is, en men eenige teykenen heeft vernomen, dat de swarte Gal begint te koken, en gaar te worden, soo mach men, volgens onse Artsen, haren Raat, vryelijk een harder voet houden, en de sieke met dryfdranken te hulp komen, tot braken toe, die dan meenigmaal groote baat doen: Om dees Apotheekeryen te kennen soo neemen sy Aloes, Boomvaren, Appelen Koloquinte, Mirabolanen, Epithymum, of Thymbloem, waar by sy diergelijke dingen mengen, die hare krachten wat temperen, soo om haar smakelijker te maken, als ook om haar veyliger te doen ghebruyken. Met sulke Apotheekery verlichten wy de swarigheyt van onse sieken, na de siekte haar dan toedraagt, en dat te mets met eens, te mets anderwerf, te mets dikwils te gebruyken, in dien het selve soo gelijkt te behoren. Wy gebruyken ook aaderlaatingen, soo in ’t begin, als volharding van dees siekte, met een goet opset, en vertrouwen van beterschap, soo de kragten slegts stark genog bevonden worden, dat meer geschiet soo men een onder handen krijgt, die wat swaarlijvig valt: doch ’t aldermeest, als daar een voortkomt, die vol bloets, en zap zit. Derhalven moet men niet denken dat Platos leering, aangaande men de swarte Gal niet veel roeren en mach, soo heel [p. 156] vast, en gestaadig niet is te volgen. Maar, zou men moogen vraagen, waar in heeft dan zoo wijs, en geleerdt een man sich versindt? Hier in, dat te sijner tijdt de geneeskonst van rouwe, en ongheschaafde beginselen haar oorspronk nam, en noch zulke Artsen niet en waaren, die op alle omstandigheen acht naamen, die men Empirici noemdt, of men Ondervinding-volgers wilde seggen. Maar aangesien de heele konst van dees ziekte te geneesen, hangdt aan het bequamelijk dunnen, gaande maaken, en afdryven van de swarte Gal, zoo heeft Plato, die sijn vernuft maar hadt laaten daalen op de swaarigheydt die hy vondt om dat stof uyt sijn plaats te rukken, doe noch dees konst niet gesien, te weeten, op wat manier, en door wat middelen het zelfde most bearrebeydt worden, dat wel zou geschiedt zijn, zoo hem hadt moogen gebeuren Hippokrates tot sijn meester te hebben, dat een man was die in schranderheydt voor hem niet en hoefde te wijken: En zou hier noch wijser in geworden zijn; en veel gaauwer, hadt hy Galenus, die Hippokrates boeken zoo treffelijk heeft uytgeleydt, hier van eens moogen hooren redeneeren. Evenwel Plato wanneer hy zeyde dat de Derden-daagse-koorts quaalijk was te geneesen, gaf hy daar door te kennen dat sy te geneesen was; weshalven hy met die uytspraak te kennen gaf, dat hy niet heel van de onse was ver- [p. 157] vreemdt. Aangesien voorder, het gevolg der saaken ons vervoerdt hadt tot de laating toe, zoo zal men noodtwendig daar noch van dienen te weten, dat het best, en seekerste Aderlaaten dan geschiedt, wanneer de krachten der naatuur noch in vollen standt zijn, zonder der Arts hoeft te schreumen, of te vreesen, dat hier een herde loop zou uyt moogen ontstaan, gelijk wel gebeurdt, als men in de Andere-daagse-koorts een aader oopendt, of ook wel in andere heete Koortsen, noch men hoeft meede niet vervaerdt te zijn dat hier door eenige raauwigheydt ontstaan zal, gelijk soodanige te mets by dees geleegentheyt wel ooverkomdt, die met raauwe fluymen, sinkingen zijn gequelt. Zoo seeker men met het aaderlaaten aan mach gaan, mach men het zelfde ook doen met dryfdranken, zonder te vreesen voor eenige Aposteun, of geswel, zoo men slechts toesiet, datmen die raauwe tochtigheen met eene uytdrijft: Het welken schoon in andere Koortsen ook wel plaats heeft, mach men daar, in de Derden-daagse, vry veyliger meede voortgaan, om dat de swarte Gal door de hulp van haar in gebooren koude, en droochte, niet licht aan het vatten en tijdt, door dien de rottingen ontstaan uyt oovervallige vochtigheen beset met vereysselijke warmte, zoo het zeggen van verschey willen volgen, daar onder Aristoteles de voornaamste wel is in sijn boek yan [p. 158] de Voortteeling, en Verderving. En seekere alle siekten, die ons geduurig by blyven, gelijk als rottige koortsen, en wie haar gelijk zijn, komen voort, uyt een rotting die het aaderen bloedt besmet: Of is daar warmte gebrek, en dees rotting haar ontsteekt ontrent de voornaamste deelen, zijn sy in der daadt te vreesen, koude slijmsiekten, gelijk popelesy, vallende siekte, waterzucht, en diergelijke te baaren, volgens het geen ik beschreeven vindt by verscheyden, doch by namen Galenus insonderheydt in sijn vierde Boek van de manier van wel te geneezen, als ook in sijn uytlegging op het 16. Aphor. Hippokrates in het Derde Deel. Van die gevarelijkheeden is men altoos vry in onse siekte omdat de oorsaak van het quaadt buyten de aaderen sit, weshalven men voor geen sweeren, noch geswellen en hoeven te vreesen. Voegt hier nu noch by de goedtgunstigheydt, en voorsichtige wysheyt, die de Natuur gebruykte in het schikken van de swarte Gal, en eygentlijke stof daar dees koorts uyt groeydt, en bestaat, die, na de drift der Wysgeeren, verspreydt is het gantsche menschelijke lichaam dcor (hoewel sy haar, tot haar voornaamste onthoudt, de Mildt toevoegden) op dat die zelve, indien sy haar hadt moeten onthouden in een enkel deel des lichaams, daar sy haar vast in hadt gepakt, blyvende haar geheele Massa aldus aan een hangen, souden alle [p. 159] quaalen, die haar oorspronk daar uyt neemen, op dat eene deel koomen te storten; waar door noodtwendige groote pijnen, en smerten zouden ontstaan hebben, en veel siekten, en sucht daar uyt gevolgdt. Maar ik moet eens weederom keeren tot de wenschelijkheeden die haare geneezingh verzellen, daar dit niet by en diendt vergeeten, dat de ghemeene sleur, die men daar in houdt, niet lichtelijk hoefdt veranderdt te worden, en dat men sich nooyt te zeer hoefdt te haasten, aangesien men haar geneesingh zachtjes mach beginnen, en vry zoetjes mee voortgaan: Dat in veel andere siekten in het teeghendeel vereyscht wordt, (hier sluyten wy buyten geneesingh die de Artsen opgeeven, daar nooyt braaf man onder haar handt zal aanslaan, om niet te maakken dat hier door andere sijn konst en weetenschap bespotten) maar haastighe, en scherpe siekten, daar zijn de Artsen gewoon zeer stoutelijk de handt aan te slaan, door dien, naa sy staag in de mondt hebben, het beeter is een haastighe, en twijfelachtige hulpmiddel te gebruykken, als geen: Doch van sulk een euvel zijn wy bewaardt, vry, en seeker; aangesien by ons de geneesing noch hoopeloos is, noch te swak, noch te twijfelachtig, door dien de quaal van een kleyntje begint, soetjes, en sachjes voort gaat, en op gelijke voet eyndigdt; hierom [p. 160] is dit vereysselijk van de wijse voosichtigheyt eenes Arts, die de naavolger van de Natuur hoordt te zijn, dat sy niet al te haastig voort gaa, maar de geheele saak bestier door de tijt lanksaamelijk af te wachten, beginnende van de lichtste hulpmiddelen, en te mets in sijn werkingen wat veranderings maakende. Dan eens de kranke sijn Natuur helpende aan het kooken, en gaar maaken der quaader humeuren, en dan eens ty aan die zelfde uyt te dryven, ter tijdt toe hy de beste verandering gewaar worde: Zoo dat den Arts vryelijk mach lanksaamlijk sijn sieke zoo koomen besoeken, dat hy enkel siet hoe hy nu gesteldt is, zonder hem iets voor te schrijven, en dus besoekende naa vereysch iets voorschrijven: Wat sou men soeter, seekerder, en beeter manier van geneesingen kunnen bedenken, als dees is? Nu meen ik hier niet langer in te hengelen, dat ik met groote moeyten wil bewijsen, en leeren, dat een kranke gemakkelijk sijn Genees-heer in alles kan gehoorsaamlijk volgen, zonder hy ook veel hoeft te knorren of morren op sijn bewaarsters, of diergelijke, om niet te schijnen dat ik van stuk tot beet alles op wil haalen: Schoon men hier ook geen kleyne achting van maaken moet, datmen hier een sieke voorheeft, die sich lichtelijk laat handelen: Daar men door den bant met meenigte sieke siet, die wonder moeyelijk vallen in haar ommegang, [p. 161] onlijdelijk in haare quaalen, en onverdraagelijk boosaardig, als haar quaal wat bysonderlijk haar begindt te verheffen. Nu eens te deeg gesien hoe haar die gemeenelijk draagen, die aan de Derden-daagse-koortse vast zijn: Aangesien de stof, en oorspronk van dees siekte lanksaam, en taay is, en baardt sy hier door geen dol, en uytgelaaten driften: Voorder door dien de Melancholy iemandt geestig, en konstig maakt, naa het getuygen van alle wijsgeeren, zoo kunnen al sulke haar driften toomen, en temmen, zoo dat sy haar niet heevig zullen kanten teegen haare oppassers, en hulpers, die naerstig, en trou op haar passen, die alles in rep, en roer niet en sullen stellen, met haar raasen, tieren, bulderen, en dolle verwoedtheydt: Daar zulke veele tijdts mee beseeten zijn, die aan eenige rottige, hettige, en neevel-koorts leggen, daar men voor schrikken mach en beeven: Doch onse kranken, steunende op een over groote veyligheydt (die hy op ons aanmaanen, en raaden vryelijk ter herten mach neemen) schijndt aldus alle moeyelijkheydt ten sinne uytgesmeeten te hebben: Het welk, schoon wy van alle diergelijke dryven, kan men van die voornamentlijk dat wel staande houden, wiens leelijke Natuur van swarte Gal, getemperdt wordt, en gemaatigdt door de liefelijkheydt van een braaf deel goedt, en wenschelijk bloedt, die selfde soet- [p. 162] jes omwazemt, en hier door zoo matigdt, en temperdt, dat haar, die sy bloedige Melancholijke noemen, nooyt arge parten beginnen: Of zulke, die men bloedtryke noemdt, om dat dit vierde bysondere humeur daar bysonderlijk doorspeeldt, vervallende door eenig toeval in een Derden-daagse-koorts. Maar waar toe ons veel uyt te slooven, dat wy onse sieken een vaste hoop, en onversettelijke moet in spreeken, dat sy haast weederom ter been zullen zijn? En is dit Hippokrates zeggen zelfs niet Aphor. 34. Part. 2. Men heeft in al die ziekten minder waarigheydt te verwachten, die met de natuur, ouderdom, tijdt van ‘t jaar, en des kranken zijn gestalte oover een koomen, als die in het tegendeel in eenighe siekten stooten. Laat ons die oovertreffelijke spreuk in al sijne deelen te deeg eens uytleggen, en wy zullen hier door bevinden dat de minste, ja geen vrees ons kan knellen, of eenig achterdocht of onheyl. Want willen wy de Natuur besien, die Galenus in sijn uytlegging op dees plaats noemdt ieders getemperdtheydt; zoo seg ik dat de Natuur met de Derden-daagse-koorts een groote oover-een-komst heeft, en dat om de swarte Gal, dat dees daar ook bevestigt. De ouderdom waar in iemandt dees quaal meest krijgdt, is in het gemeen omtrent die tijdt van iemants leeven, dat de swarte Gal gemeenelijk in sijn meest, en krachtigste is, welk Hippokra- [p. 163] tes in sijn Boek van de Natuur der Menschen, begindt van onse 25. jaar, en eyndigdt die om ons 45. bewijsende dat de meeste Derden-daagse-koortse haar dan verheffen: En komdt die een vroegher, of laater op den hals, drijfdt hy, dat het gebeuren zal, dat die met een kort eynde, ten aansien van de andere, eyndighen zal: Doch Galenus begindt die zelfde van ons 45. jaar: Dit zy soo het wil, hier in koomen sy altoos beyde oover een dat de Derden-daagse-koorts ons het minste hinderdt omtrent ons vijf- en-veertigstejaar, en dat sy de swakke, en teere jaaren van kindtsheydt, of hooger ouderdom zelden zullen quellen: En als dat al gebeurdt, dat dan de geneesing te dichter voor handen is: Soo moogen wy dan met recht reekenen, dat de Naatuur zelve eenige hulpmiddelen ons beschaft heeft, zoo wel wanneer dees koorts ons aankomt ransen, als terwijl men haar zoekt te verdryven, om dat sy dees selve geen tijdt noch plaats en gundt, dan als sijn kranke op sijn krachtigste is, eeven of sy al willens de teedere, en swakken spanen most: Hier by moet noch gevoegdt worden een andere wenschelijke zaak, te weeten, dat dees koorts ons in ‘t gemeen aan begindt te ranzen in de Herfst, die in een veel gesonder tijdt veranderdt, te weeten, de Winter die weederom in noch getemperder, dat is de Lenten, dat wy vry reekenen moogen voor [p. 164] een groote weldaadt, om hier mede aldus te bewysen, dat het voornoemde Saisoen of tijdt des jaars ons wenschelijk te baat komdt, om anderwerf ons heyl, en geluk te beeter te bedenken. Hier diendt dit noch noodtwendig bygevoegt, dat dees koorts die met den Herfst begindt, in ‘t gemeen tot de Lente toegeduurdt, willen wy Korn. Celsus gelooven, die dit zelfde bewijst in sijn 3. Boek van de Artseny. Galenus seydt dat soo effen niet als Celsus, hoewel ik niet anders en kan bevroeden of sy zijn hier in beyde van een meening. Want de reeden geevende van 25. Aphor. Hippokrates tweede Deel, waarom de koortsen die in de Herfst ontstaan, lang vallen, by namen die ontrent de Winter ontstaan, schrijft aldus. Gelijk des Soomers de vogtigheên of humeuren, en krachten gemeenelijk verminderen, zoo gebeurdt in de Winter het zelfde averechts; want dan zoo worden de vochtigheên binnengehouden, en geslooten, eeven of sy dan haar eygen hoolen mosten bewaaren, en de krachten dan versterken. De ziekte eyndigen niet, soo lang de vochtigheên in iemandt blyven die daar oorsaak van zijn, en de kranken zullen nooyt sterven, zoolang haar krachten in weesen zijn. Dat zijn sijne woorden, waar door men de reeden siet waarom de Lenten de schadelijke vochtigheên ten lichame uytdrijft, te weeten, na Galenus noch eens bewijst in sijn uytlegging van de 20. Aphor. Hippocr. 3. Deel. [p. 165] Het is de eygenschap des Lentens de zeer geleegenste hindernissen ten lijve uyt te dryven. Nu is dit ook sijn verhaal waardig, indien moogelijk de dagelijke ondervinding dit mirakuleus werk verminder, dat Plinius van de Derden-daagse-koorts schrijft in sijn 7. Boek van sijne Natuurlijke Historien 50. Hooftst. De Natuur, zeydt hy, heeft sommige ziekten hare vaste wetten opgeleydt, waar van een is, dat de Derden-daagse-koortsen in de Winter-maanden niet en moogen beginnen: Maar dat ik schier vergeeten hadt, moet men weeten dat de Herfst de beste, en liefste tijdt is, die de Derden-daagse-koorts kan hebben, die haar, en de Melancholy zeer gaande maakt, doch moet men daar by acht neemen, dat geen van beyden gevaarelijk zijn. Aangaande dat hier iemandt zou teegen mogen seggen, dat des Soomers haar ook wel zulke koortsen verheffen, dat mach men seekerlijk booven lof, noch tot groote hulp, en baat voor de Derden-daagse-koorts reekenen: Aangesien de kragten dan op het slapste vallen, maar de locht daar soodanig by, dat sy niet weynig kan helpen tot het kooken, en dunnen der swarte Gal: Daar het ook van daan komdt, dat die Derden-daagse-koorsen die des Soomers opkoomen, voor het meerendeel van weynig duur zijn, gelijk Hippokrates dat voorstelt in sijn 25. Aphor. tweede Deel. Maar laat ons nu tot het ooverige koomen. Hippokrates schrijft voorder, dat soo- [p. 166] danige siekten minder gevarelijk zijn, die oover een koomen met iemandts lichaams gestaltenis: Dees gestaltenis noemt Galenus een zeekere hoedanigheydt die iemandt vast, en gestaadig by blyfdt: Met soo een gestaltenis hoeven wy alhier ons weynig te moeyen, om dat een Derden-daagse-koorts vereyselijk geneesen zijnde, daar mee haar eynde neemdt, in plaats die gestaltenis iemandt geduurig by is blyvende. Dees koorts is noch van sulk een ongemeene veyligheydt, dat volghens Hippokrates zeggen, het welk Aetius Amidenus in sijn vijfde Boek van de Gheneeskonst ophaaldt, dat nooyt geen een en zelfde mensch tweemaal de Derden-daagse-koorse zal krijgen, noch eens gekreegen heeft, noch het ook gebeuren zal, dat hy die twee maal zal krijgen, waardoor Platoos spreuk by my in minder woorden is gheraakt, die welke die Prins der Artsen Hippokrates bevestigdt: Want Aulus Gellius in sijn seventiende Boek van de Attische nachten, steldt Plato voor de eerste Meester die dorst zeggen, dat die geen die van een Derden-daagse-koorts te deeg geneesen was, en sijn krachten ten vollen weederom ghekreeghen, namaals veel vaster, en beeter vaaren zou. Alhoewel sulke uytsteekkende mannen haar zegghen by ieder een in hooger achting hoorde te zijn, gelijk die in der daadt ook is: Soo wilde ik eevenwel noch gaaren weeten de reeden, [p. 167] en oorsaak van zoodanig een weldaadt, die de Derden-daagse-koorts, ons gundt naa mijn naerstigheydt, en yver tot leeren het zelfde heeft kunnen opspeuren. Soo ik nu met goedt verlof van andere hier van een eygen uytlegh mach maakken, en na mijn eygen zin iets beschrijven, zou ik getuyghen van dit gevoelen te zijn, dat hierom een Derden-daagse-koortse en oorsaak is waarom sijn geweese krenk, naa hy vertrokken is, veel welvaarender als te vooren blijfdt, om dat de swarte Gal hier recht vereyselijk door wordt gedundt, en bereydt: By welke reeden ik dees noch schik, dat men siet dat een Derden-daagse-koortse onder dat tal niet en is, onder welk de Artsen die reekenen, daar men kort uytgekoomen haastig weederom in kan storten. Voorders sal ik nu hier mijn voorgenome saakten einde afhandelen. Hoe eenige vochtigheyt dikker is, en tayer, hoe die selfde swaarder valdt te dunnen, en uyt haar ingenoome plaats te dryven: Maar als die nu dun, en driftig is, is het waarschijnelijk dat de natuur daar van op het minste zal houden zoo het zelfde hem kan schadelijk zijn; daar nu voorder uyt te besluyten valdt, dat het stof, daar de siekte uyt bestondt, wech zijnde genoomen, geen instortingh voorder te voeren is; om welcke klaarder te bekennen, zullen wy een sluyt-reeden maakken getrokken uyt diergelijkke voor- [p. 168] beelden, inhoudende. Al wat gladt, kleeverig, en vasthoudendt, (en om kort te maken quijlagtig is Pituitosum by de Latijnen) sluypt licht in de lochtgaten, en dekvellen der binnenste leedematen, bynamen soo der in eenige naauwe, of kronkelige vaten gesakt is, die sy Villi en wy niet qualijk lellen en vellen noemen, als men verscheyde in de pens, en meenigsout of boek siet sitten, daar veel van die quijlachtighe vochtigheen garen willen huysen: Waar uyt het volgt dat die siekten die uyt zulk quijl haar oorspronk neemen eer weederkeeren, als die van de swarte Gal komen, om dat dees haar stof eerst gedundt, dan loops gemaakt wordt, en dan met gemak uytgedreeven: En geene haar stof wordt eerder waar eeven als afgeveegdt, als daar schoon afgeschraapt. d’Een reeden en heeft haar ondervinding niet gebrek: Want lette wy eens te deeg op de vallende siekte, en komdt die eygentlijk niet van de oovertolligheydt van sulk slijn? En in wat siekte stort eenig mensch meerder als in die, die elk een keer in kort oover gaat? En wie heeft vinniger aanvallen als dees? Waar door wy weederom een ongemeene ruyme baan krygen om de Derden-daagse-koorts sijn lof te verbreyden, daar men sich wel te deeg in kan wenden, en omkeeren. Daar zijn noch verscheyde herde, en vinnige siekten, die de mensch niet en verlaten, sonder met een een [p. 169] teyken te vesten daar men uyt kan bekennen hoedanig die daar huys hebben gehouden, zoo buyten, als binnen, gelijk Galenus dat treffelijk leerdt in sijn Eerste Boek van de quaalijk-gestelde plaatsen, daar het van daan komdt dat zulke siekten niet te onrecht geschroomdt, en gevreest worden, dat sy weederom iemandt eeven gevaarelijk zullen aanranzen. Heel averechts gaat het met de Derden-daagse-koorts. De Vallende-siekte met al haar gelijk dreygen ons gestadig met gelijke oovervallen; daar, de Derden-daagse-koorts haar sieken een vaste hulp, niet alleen van beschut, en zeekerheydt beschaffen, maar ook waarschijnelijk beloofdt dat haar verkregen gesondigheydt namaals veel vaster, en gestadiger zal zijn, als ooyt te vooren. Veel siekten hebben hare trappen, waar door sy langs kleyne tot zeer groote toe klimmen, eeven als de duyzeling, en swijmeling die men te mets in het hoofdt gevoeldt, dees is gemeenelijk een voorboode, en rouwe schets van de Vallende-siekte, Soo groeydt te mets uyt oopenlijvigheydt een graauwe loop, en van die een Roode-loop; Die in een teering leggen klimmen dikwils van de eene beroerdtheyt tot de andere: Maar onse koorts neemt eens een eynde, zonder men arger in haar plaats een te wachten heeft; ja keerdt nooyt zelver weederom, noch laat sich ooyt van sijns gelijk volgen, eeven als wy dat dadelijk [p. 170] verhaalden: En door dien de Artsen ’t meeste wenschen, dat sy haar kranken van het sterven moogen bewaaren, als sy hem niet heel gesondt, en fris kunnen maken, en achten sy haar ampt voldaan hebben, als sy voordeeliger, als schadelijk zijn geweest, meer verlichting, als beswaarenis by hebben gebracht; zoo gaat het met onse kranken haar recht na wil en wensch: Want onse gesontheydt en welvaarentheydt wordt, zoo haast de Derden-daagse-koortse wech is terstondt in een beeter, en veyliger standt gevest, waar door men niet en raakt in een korte, en swakke gesontheydt, maar wel in een onverzettelijke, en dat meer niet door de naerstigen yver, en treffelijke gaauwigheyt der Artsen als door een bysondere weldaat, en vaste hulp middel die de Natuur ons hier door beschaft, gebruykende de Derden-daagse-koorts hiertoe als een waare middel, en treffelijk gereedtschap. Een Arts volgdt de Natuur zoo net na, als hy kan; en zy en volgdt niemandt tot haar leydsman. Een Arts ordonneerdt de Apotheekeryen of genees-dranken, die hy zoo mengdt, dat sy na eysch, en behooren sijn getemperdt: En dees doet de Natuur haare werkingen doen, bestierdt haar, en helpt haar te deegen voort, blyvende zy haare eygen leydtsvrouw, meesteresse, en alderbeste wet, die wy volgende op haar voet, zullen het hier zoo door maken, dat wy niet licht [p. 171] verdwalen en sullen. Hier by moet ik voegen. dat ik niet ontkennen mach, dat, daar verscheyde siekten zijn, die ongeneeselik souden blyven, liet men de Natuur alleen begaan, sonder haar te helpen met bequame geneesmiddelen, die de Natuur schijnt zelfs bedagt, en opgebracht heeft, tot hoop, troost, heul, hulp, en behoudenis van het menschelijke geslacht: Zoo het vast, en goet betrouwen van een kranke veel helpen kan tot het verdryven van sijn quaal, en dat sy dikwils niet alleen gestrekt en heeft door hare bysondere vertroosting tot stantvastigheydt van een wankelende ziel, en ook tot een doordringende hulp tot verkrijging van sijn vervalle gesontheyt, gelijk de Artsen haar schriften getuygen, en de zaak in sich zelfs klaar betoont: Zo mach onse kranke wel een onkreukbaare, en vast betrouwen hebben, jaa zoo groot een als in eenig boesem huysen mach, steunende daar mede vast op sijn ervare Genees-Heer, en gunstige Natuur: Op sijn Genees-Heer, om dat die, als wy te vooren betoondt hebben, om dat die luttel noodt heeft om hier in verleydt, en bedroogen te worden, mits de teykenen hem klaar zijn, en de genees-middelen heel gewoon; op de Natuur om dat die gewildt, en het zoo geschikt heeft dat de Derden-daagse-koorts maar iemandt ooverkomdt niet om hem hinderlik te zijn, maar tot meerder heyl: Zoo dat Korn. Celsus alleen onder [p. 172] andere in sijn derde Boek van de Geneeskonst heeft durven zeggen, en verweeren, dat noyt iemandt door de Derden-daagse-koorts om den hals en gheraakten, een Schrijver die recht waerdig men hem lees om sijn uytsteekende, en geleerde gaauwigheydt, en zuyverheydt van woorden, en van stijl; en met eene waerdig men sijn getuygenis geloof, om sijn oo vertreffelijke ervarentheydt in sijn konst: Soo het nu eens gebeurdt, dat uyt zoo een ontelbare meenichte, een eenige te sneuvelen komt, mach men eer rekenen, dat dit niet en komdt door de strafheydt des Derdendaagse-koors, maar door de heevigheyt van eenige andere vinnige toeval die haar mogelijk hier meede vermengde: Aangesien onse leeven t’elk een ommesien alderley aanstooten, en veranderingen onderworpen is; waar door een gaauw, en naerstigen Arts behoedt is van alle opspraak, te meer om dat alle konsten maar slagen op algemeene dingen, en op zulke die dikwils, of ten meesten tijdt het menschelijke leeven kunnen ooverkoomen. Dit ons voorstel dan, dat wy stoutelijk met de waarheydt dryven, moet zoo verstaan worden, dat de Derden-daagse-koortse uyt haar zelven, of haar innerlijke Natuur heylzaam is, booven alle andere koortsen, waar van de Artsen haar goedt gevoelen is, dat de meeste ons oover koomen, om ons teegen iet erger te beschermen, en daar van te bevry- [p. 173] den: Welk voorrecht, en voordeel, des Derden-daagse-koorts my in den zin brengt, nu ik alles wel bedenk, een zonderlinge verwondering, waar het van daan komdt, dat de Latijnse taal, die andersins zoo oovervloedigh rijk van woorden is, geen eygen, en bysondere naam haar heeft toegevoegdt, maar onder het tal der koortsen reekende. Dees verwondering verdwijndt weederom als ik bedenk, dat daar ongelijk meer zaken in de wereldt zijn, als woorden, wiens gebrek men met de gevoechelikste uytting moet boeten, als hier geschiedt is: Om, dat nu de Derden-daagse-koorts door haar geset koomen, en gaan, een groote gelijkenis, en oover- een-kooming heeft met de Andere-daagse-koorts, schijndt sy hier door de naam van Koorts behaalde, bysonderlijk verscheyden door haar eygentlijk wis koomen, en gaan: Waar mede hoewel wy door het onverzettelijk ghebruyk te vreeden moeten zijn, heb nochtans iets bedacht, waar meede ik zou moogen klaagen teegen die oude Konst-vinders, en Naamgeevers, daar ik de Latijnisten mee verstaa, door dien ik haar woord Febris, by ons koorts eygentlijk uyt wil leggen: Dit haalen sy afkomstig van het woordt Ferbeo door het verstellen van de r. en b. de eene in des anders plaats, dat is, ik ben seer heet, soo dat het ongemeen, en geweldig is, doch Nonius Mercellus trekt het van Feritas, dat is, wildt en [p. 174] woestheydt, en hier zoodanig dat het schendt, en verbreekt daar het vat krijgt: Welke laatste afkomst zoo wel gereekent is, moet men alle overswaare, en geweldige siekten ook koortsen noemen, gelijk zijn het Kolijk, Keel-euvel, Roode-loop, en diergelijke: Des niet tegenstaande zullen wy die eer aan Nonnius Marcellus laaten beklyven, om dat hy een van de oudtste, en braafste Latijnisten is, dat wy sijn afkomst ook aan willen neemen: Maar nu eens gesien wat dolle verwoedtheyt, of geweldige hette in de Derden-daagse-koorts sit, datmen die daarom febris op het Latijn zal noemen? Is het dan een koorts, zoo is het een van de zachtste, en zoetste, en gesondtste die daar zijn, gelijk den leeser uyt het voorgaande genogsaam heeft verstaan, heeft hy te deeg geleesen het geen wy daar van geschreeven hebben; waar by dit noodtwendig diendt gevoegdt, dat de Derden-daagse-koorts geen besmetting oover haar heeft, daar verscheyde koortsen zijn, die eenige rotte, en pestilentiale dampen van haar uytschieten, soo dat u vinger, als gy die op haar pols leyt, so sal kloppen, en slaan, dat het seer sal doen: Zoo gy op diergelijke haar oogen de uwe te deeg laat staaren, sult gy voelen hoe daar uyt sommige uytscheuten de uwe koomen binnenschieten, het geen komt van de geweldigheyt der dampen die na boven toe setten, en het geheele lichaam door dwalen. Doch [p. 175] dees koorts, omdat sy van geen rottinghen weet, door dien sy een bysondere kou, en droogte by haar heeft, is sy suyver, en vry van alderley besmetting. Zoo wy nu ons eens in beelden dat dees koorts de arbeydende wijn slachte, die onverwacht haar oude krachten weederom kreeg, was dat al soo quaalijk gedaan? Ik vertrou van neen. Want den wijn houd sijn moer, als men zeyt, gelijk het bier haar gest, hy haar, die op haar gront zakt, so zit in het bloedt ook een dik, en gestadig gedeelte, welke gestigheyt zoo van de wijn, als het bloed van Galenus by de Melancholy vergeleeken wordt: Hoe de wijn dikker is hoe sy eer aan het arrebeyden zal geraken; en hoe iemants bloedt dikker is, hoe hy de Derden-daagse-koorts ook nader is. De wijn die men niet aan het arrebeyden helpt, en daar zelfs niet toeslaat, raakt daar het lichtste in de soomer aan, wanneer de wijngaardt in sijn bloejen staat: De Derden-daagse-koorts komt iemant over als sijn swarte Gal te seer gevoert, en aan het al te heet zijn geraakt, dat in den Herfst, en mannelijke jaaren het meeste geschiedt: De arrebeydende wijn zakt op sijn swaarte zelfs met een gedruys na de grondt, als de kranke dees koortse krijgdt, seydt hy, zoo langh sijn plaagh duurdt met een groote swaarte door al sijn leeden gevoelende, in het bedde: De wijn blijft dik, en droesig tot hy aan sijn verhaal is; zoo lang te groote [p. 176] taayigheyt in de swarte Gal blijft gaat geen Derden-daagse-koorts oover. Als den wijn heeft uyt gearrebeydt, wordt een hoopen beter, en klaarder, als hy ooyt te vooren was: Als de Derden-daagse-koorts oover is wordt een mensch een hoopen gesonder, en starker, als hy te vooren was, en dat door dien hy sijne swarte Gal na vereysch gedundt, en geheldert heeft. Siet gy nu wel hoe treffelijk dese gelijkenis is uytleyt? Hoewel daar eenig onderscheyt valt aangaande het bekomen stant, en geleegentheydt: Want daar zijn weynig menschen die de konst vast hebben, om den wijn wel te bereyden, die mits sy geen kleyn voordeel daar uyt kennen, haar konst zeer geheym houden: Daar de Artsen gheneesmiddelen by menigte voor de Derden-daagse-koorts hebben, en de Natuur, niet weynigh vaerdige gereedtschappen. Dat sou ummers een werk zijn van een gek, en ondankbaar mensch, dat hy de Natuur, vruchtbare moeder aller dingen, zou willen beschuldigen, om dat sy ons de siekten haar genees-middelen wel getoondt hadt, en daar by niet de gebreken die de wijn, vruchten, en anders dat uyt de aardt mach spruyten, met eene niet mee gheleerdt: Want men moet weeten dat de Natuur meer gemeenschap wil gruden met ons menschen, en is aan ons noodtwendiglijk met vaster banden verknocht, als met eenig eeten of drinken. Ons heeft sy voorsien [p. 177] met beweegingen, vijf uyterlijke sinnen, innerlijke geest, en duydelijke kennis van hare milde daaden die sy ons schenkt: Daar wy alhier haar dies te dankbaarder voor hoorden te weesen, als wy ons souden moogen kreunen, dat sy ons geen raadt hadt leeren doen om de gebrekkelijke wijn te hulp te komen, en hier teegen ons onthouden de kennis van de genees-middelen teegen onse quaalen, en dat op zooveel na, als ons liever behoort te zijn de behoudenis van ons lichaam wel vaaren als die van onse goederen, van onse gesontheydt, als onse andere weereldtse voorspoedt: Doch al deese breede uytleggingen oovergeslaaghen, zoo laat ons tijden naa de staert, en laatste van ons werk: Eer wy nogtans tot het rechte besluyt koomen, zal het dienstig zijn dat wy noch een weynig toeven in het prijsen, en roemen van de Derden-daagse-koorts: Daar mijns oordeels dit het grootste,en oovertreffelikste wel is, dat haar quaal ons verlost van veel geweldige andere siekten: Want dat is een van Hippokrates spreuken in sijn Boek van de Algemeene ziekten, die Galenus ook bevestighde, en Avicenna in sijn 4. Fen. 1: booven andere bevestigdt: Aangesien daar twee reeden zijn, die ons vereyselijk leyden tot de genees-konst, door welcke eerste wy een mensch buyten quaal, en siekte soeken te houden, en door de tweede een die daar buyten is geschooten, [p. 178] daar weederom binnen te helpen, zal men na goedt ooverslagh bevinden, dat den Derden-daagse-koortse dit alle beyde verrecht. Men moet dan weeten, dat de algemeene oorsaak, daar de gheneesingh hier uyt is spruytende, het vereyselijk verdunnen van de swarte Gal, en haar aldus loops, en gaande te maaken, dat sy met gemak sakt naa eenige deelen en leedematen, daar sy minder schaade doen kan, als daar sy haar gewoonelijk onthoudt, dat is de mildt, en daar omtrent, haar dus dryvende na de laeger vaaten, om haar zoo te doen loozen: Door welck toedoen de Derden-daagse-koorts iemandt verlossen kan van dolle, en raasende Melancholy: Welk voorstel my dunkt dat vereyselijk kan beweesen worden uyt Galenus woorden, getrokken uyt sijn Uytleggingh op de een en twintighste Aphorism Hippoc. seste Deel, daar hy leerdt, en bewijst, waarom een dolle by sijn zinnen gheraakt wanneer iemandt speenen, en Ambeyen te deegen aan het vloeijen raken, uyt de monde der aadertjes, die de Artsen Hemorrheides noemen: En luyden sijne woorden aldus. Men noemdt by ons Varia een ziekte, wanneer die aaderen die langhs de dyen, en kuyten heen loopen aan het swellen geraakken, het geen van dik, en Melancholijk bloedt komdt, het geen de Natur dus drijfdt naa de slechter, en oneedeler deelen, dat eygenlijk die vochtigheen zijn, die iemandt krankzin- [p. 179] nig maakken, by naamen als die wat dik, en melancholijk in haar zelfs vallen, maakken sy die voorhaalde misstandt in die voorzeyde aaderen, waardoor alle krankzinnigheyt daar mede ophoudt. Soo dan door het versetten van de swarte Gal, de kranksinnigheydt vergaat, eevenals wy uyt Galenus hier betoonden, zoo kan sy om gelijke reedenen zelfs de lazery wel geneesen, by naamen als die eerst begindt, want na mijn onthoudt, hebben Hippokrates Avicenna, en Bertruelus van Bononien dus geleerdt, hoewel sy de reden daar niet by en setten. De Derden-daaghse-koorts is goet met eene die veel met de kramp ghequeldt zijn, het welk schoon sommighe andere koortsen met de derdendaaghse ghemeen hebben, klaardt sy dat veel treffelijker, als een van al de andere: Waar-en-boven Galenus noch aan heeft gemerkt, dat dees op gheen ghemeene trant, als andere koortsen de kramp verdrijfdt, maar zelfs een mensch daar naamaals van bevrijdt: Waar uyt men met een kan afneemen de eedelheydt die in haare gheneesingh zit; Want ghenees-middelen zijn die gheen de welcke een sieckte, met al sijn aanhangh kunnen verjaghen, weshalven Galenus al dus spreekt in sijn Uytlegging op de seventighste Aphorism. Hippocrat. vyfde Deel. Een kramp die volgt naa een groote loozing, de vinnighste, en de ghevaarelijkste wel. Maar die [p. 180] hier door dat de zeenuachtige deelen al te vol zijn, en ooverlaaden, gelijk in de Vallende-siekte geschiedt, die en is van de geweldigste niet, noch ook zeer gevaarelijk: De eerste oovergeslaaghen om sijne swarigheydt zullen wy de laatste maar verhandelen, die onse koorts niet alleen in haar komste stut, maar is sy haar voorgekoomen, de gequelde daar van verlost: En dees komdt van eenige taaye, en quijlachtige vochtigheen, die haar pakken, en zetten in de zeenuwen, en zeenuachtige deelen. Aangesien men dees vochtigheen helpt op tweederley manier, te weeten door die te kooken, en uyt tedrijven, verrecht de Derden-daagse-koorts dit alle beyde: Haar koortsige warmte kookt die vogtigheen gaar, en haar schudden en beeven, is door haar beweegingh genogh om haar daar meede wech te dryven. Het zal moogelijk onnoodig zijn alhier weederom op te haalen, dat wy voorseyden, hoe dees onse koorts een mensch oock verlost, van die quaadtaardige Binnen-koortsen die men Dwaal-koortsen noemdt, die om haare veranderingh, van de Griekken met een genoemde worden, Planeetige-koortsen: Haar geven aan te roeren, maakt gy weederom op haar denkt, om zoo te beeter te verstaan, het geen aldaar voorseydt wierdt, ook hier vereyschelijk geplaatst, en te pas kan gebracht worden. Ten laatsten bevrijdt sy iemant veel tijt van eenig aanstandt geswel, en dat geheel [p. 181] en al, zoo men onderwijl wat dikwils uyt de Neus bloedt, volgens het zeggen van Hippokrates 6. Boek van de Algemeene ziekte. Tot hier en toe hebben wy verscheydingen van de Derden-daagse-koors gehoordt, aangaande haare teykenen hoe die zelve noch gevaarelijk, noch schrikkelijken waaren; maar heylsaam al te maal, en geheel vol goede hoop, en veyligheydt: ’t Welk zoo zijnde (daar geen teegen zeggen aan valdt, voor wie dat het voorsien, en vereyselijk oordeel der brave Artsen wil aanneemen) wat hoeven wy onse geesten, en ghemoederen dan veel te quellen, en te ontstellen, dat wy om beeters wil een kort stootje wat hartjes moeten door staan? Ummers moet in der daadt ons dat al te maal kort, en kleyn maar gelijken; het welk in kort oover zijnde, ons helpt aan onse gesondtheydt, veyligheydt, en gerustigheyt. Laat het niemandt verveelen, dat ik om mijn koorts halven daar een voorval, of twee van alhier zal mogen bybrengen. Daar is iemant die sich in sijn vroolijke jaaren zeer zuynig, ja armelijk behelpt, om hier door te maken, dat hy de overige tijdt sijns leevens, in pragt, heerlijkheydt, mildaadigheydt, en achtbaarheyt mach ooverbrengen: Andere swerven te lande, en te water, door duysenden van gevaaren, om bequaame hulpmiddelen te hebben daar haar hooge ouderdom makkelijk op kan rusten: Een ander begeefdt sich ten oor- [p. 182] log, of hy Hemel, en Aarde wilde oover eynde setten, door hoop, en meening van hier door te sullen genieten de vruchten, en inkomen van een vreedtsaam eyndtje leevens: Om kort te maken, die altemaal steeken haar willens, en weetens in veel, en groote moeijelickheen, gevaren, verdrietigheen, en quellingen, om hier door ten laatsten tot haar wil, en wensch te geraakken. Sal dat nu moochelijk iemandt al te lastigh moogen vallen, dat hy de aldervroolijckste gaave van gesondtheydt bekoomen kan met een kleyn koortsachtighe quellaarijdtje? En die hem noch maar om de derden dach eens aan treft? Jaa die hem niet langh quellen zal wil hy maar die wijs van leeven leyden die ick zorghvuldighlijck hem hier te vooren heb geleerdt, en met eene naa een gaauwen Arts om siet? Ick zou alhier noch veel kunnen toedoen, waar door ik mijn zieke wondere troost, en dappermoedigheydt, in het midden van haar quaalen zou kunnen inblaasen: Doch die alderuyterste naerstigheydt en is hier niet noodtsaackelijk; Aanghesien wy alhier niet welspreekender willen schijnen, alhoewel wy zoo danigh gaaren waaren, als van den Leeser een goeden dank behalen voor wy haar soo wel onderrichte. Wy willen hier ook die gunstige toestemmen niet, daar men ons mee toe sal laten, tot onse saaks voorder be- [p. 183] scherm verscheyde Wysgeeren hare zeede-stichtende spreuken, die in alle lijden kunnen te pas koomen, op te haalen, waar van den eerste is, dat alle onheylen de inbeeldingh vinniger treffen, als zy in der daadt zijn, het tweede, Datmen het Noodtlodt in alle waarigheeden, daar men niet teeghen en kan met een lijdtsaamelijck gemoedt, uyt diendt te staan, en lijden, en wat al meer de Wysgeeren bedacht hebben om in lijden, troost aan te brengen, en door een deel zoete woorden, de zaaken haar vinnigheydt te versachten. Wech met zulke hulpmiddelen van vertroostingen, men bestee die, als daar niet als te vreesen oover is, en de doodt op de lippen zit, die zy dan waerdt, of onwaerdigh: Men mach haar gebruyken in scherp rechten, in hoopeloose sieckten, in Weeduw, of wees-wordingh, in ballingschap, in schrikkelijke sonde, en misgreepen, in uyterste gevaaren van al sijn have, en eere te verliesen, daar moogen sy soo veel helpen als sy kunnen: Ons kunnen sulke smeeringen, en zalvinghen van vertroostinghen weynigh baaten: Want het is maar enckele gekheydt, dat men volgens de wetten, en vermaningen der Wysgeerheydt, veel overtreffelijk, en doordringende troost-redenen by een sal halen, om soo een sieke te verquikken, die in de grootste, en sekerste hoop voor sich heeft staan van haast gesondt te [p. 184] 184 zullen zijn: ’t Is Ummers ydelheydt, dat men zulke gemoederen, die met recht nergens voor vreesen kunnen, soekt te streelen, en te strooken met een deel ydele woorden; Ook is het onnoodig, buyten hulpmiddelen te gaan wekken, tot troostgeving, daar men zulke veel beeter kan haalen uyt de eygen Natuur van de zaak zelfs, daar men mee te doen heeft. Het is ook averechts, en buyten alle reeden, datmen een vreemdt bewijs af wil wachten, als men een eygen onweederleggelijke aan de handt heeft, die hier bestaat in alleen te letten op de eygenschap van dees koorts, waar door na het voorhaalde, eens ziel genog vervoerdt wordt van droefheydt tot vreugde, van quelling, en van benaauwtheydt, tot volle, en vaste hoop ten besten: Hierom achten wy, dat een kranke nu nergens meer in hoorde te bedroeven, daar wy hem niet en helpen, met een deel ingebeelde Wijsgeeren praatjes, daar buyten hoop maar een slechte gesontheydt mee verschaft wort, doch wy stellen hem hier zulke voor, daar hy sijn gesontheydt waarlijk, wis, en vast door kan krijgen en houwen: Derhalven dat zoo een kranke namaals vry alle onnutte vrees af schaft, vertroostende sijn pijnelijk gevoelen, met een vast betrouwen, dat alles buyten gevaar is, en in veyligheyt: Laat hem de moeijelikheydt, die hem de langdurigheydt aan brengde, versachten, zoo hem die juyst over [p. 185] komt, met een seekere hoop van korte verlossing: Laat hy sijn verdriet, die hy in het lang afwachten van het eynde gevoelt, matigen, met hem seekerlijk wijs te maken, dat sijn aanvolgende ghesondtheydt zoo veel te beeter, en te vaster zal zijn. Ten laatste laat hy uyt sijn gedachte verbannen, die valse en haatelijke ghedachten die de meeste van de Derden-daagse-koorts maken, en met my der geleerde soo kleyne, als uytsteekende troep volgen, mijn meyning met sijn toestemmen, als de waarachtigste zijnde, aldus staavende: En als hy dat zal gedaan hebben, zal ik my inbeelden, dat ik in dit te schryven, een treffelijk werk zal verrecht hebben, en een heerlijke loon voor mijn naerstigheyt, en moeyten zal betroffen hebben.

Continue
[p. 186]

MARKUS ZUERIUS

BOXHORNS

BRUYLOFS-PRAATJE,

Met de ondertrouwde Achtbaare, en
Geleerden Heer


WILHELM GOES
RECHTSGELEERDE,

Doe Schepen der Stadt Leyden, wanneer hy
die Eerbaarste, en volmaaktste
Iuffrouw


ELISABETH HEINSE,

Die uyt uytstekenste Heer Daniel Heins
Dochter voor Bruyt inhaalde.

AAngesien dat gy, mijn Heer Wilhelm Goes, heden in die bende soo getreden zijt, dat ghy met eeden u daar onder verbonden hebt, door wiens yver, dapperheydt, en trou de menschelijke saken in standt en weesen bleeven, soo hoort gy dan te weten, dat u zelvers gebruyk teegenwoordig het treffelijkste ding van de werelt is, voor soo veel gy een recht- [p. 187] schapen kaerel zijt, en vol bloeds steekt, daar men van u kant nu al een tijt lang nooyt kost aan twijfelen, soo men wilde letten op u jaren, en trotsmoedigheyt, u lichaams frisheyt, en de vereyste noodtwendigheydt, die in het heymelijk u soo lang quelde, tot gy die openbaarlijk liet verkondigen: Sy ook meede, daar gy nu tegen aan sult moeten gaan, en is dees innerlijke strijdt niet ongevoelijk door gekomen, de welke, gelijk sy van welgeschapentheydt des lichaams, onder die geen, de welke van haar slagh zijn, bysonderlijk uytmunt, soo oovertreft sy die selve gelijkelijk in gaauwe, en schrandere moedigheydt. Gy treedt hier nu in een kamp, daar tevooren noch niemandt het herte hadt om die te beginnen: Waar van geen langer uytstel en diendt genoomen, aangesien zoo treffelijk seen gloory, en oovervloedigh een vrucht, en nut daar door voorder te behalen is. Daar is, by mijn keel, genogh gebrodt, en gesondight, dat men soo veel jaren soo slof, luy, en leedigh door liet slippen; weshalven is het my na noodt, vereyselijk, dat gy die brave hoop, die ieder hier in van u hadt, ten vollen doedt op dees u hooge Bruylofts dach. Nu moedt ghy niet alleen u eyghen bysondere saakken zorgvuldighlijk gaade slaan; maar dit ghestadigh in u ghemoedt vast houden, en dat zoo volgen, te weten, dat het algemeen teegenwoordig, tot harer [p. 188] voordeel, op uwe dapperheyt let. Want dat moet gy vast weeten, dat haar bysonderlijk veel daar aan geleegen leydt, dat (het geen de goede Godt wil verhoeden) zoo een geslacht niet leeg, en berooydt en blyve, die tot gloory haarer eeuw, en top der geleerdtheen uytpikkelijk geschapen zijnde, zulke nasaaten uyt haar bloedt, die na haar Voorvaderens voorbeeldt opgetoogen, en afgerecht, voorder nummer gebrek en zouden hebben: Welke stam, zoo veer, en hoog die onlangs ter eewiger glory, en buyten macht, en vat van aller nijdigheydt is ghesteeghen, eensgelijks tot zoo een kleyn hoopje ooverschots is verkrompen, of door ’t bysonder beloop des menschelijken noodtlots, of, om dat die dingen, die veer booven alle andere uyt zijn muntende, al te zelden willen aan den dach, en voortkoomen, dat nu die zelve haar gloory, die daar zoo overvloedig sweeft in de algemeene saam van ieder, als zijnde zoo wonder uytsteekende in alle heerlijke verdiensten, en waerdigheen, u dapperheydt het ook dank wil weeten, dat sy daar door ter onsterfelikheydt aangroeyde. Gy siet ummers wel, hoe uwe Voorouders aan beyde kanten u aanmaanen, en prikkelen, dat gy doch nummer toe en laat, dat haarer gelijke, door u gebrek, achterblyve, op dat daar zoo weederom aan moogen koomen, die haare brave onderrechtingen, en leeringen mogen [p. 189] volgen, en nakoomen. U geesten, kracht, en leeven, kunnen nu geen vruchten meer baaren, als haar naam voorder in haar nazaten te verbreyden, zonder sy willen gy enkel staaren zult, en u vergapen, aan haare roemrijke naam. Zoo gy nu u zelfs zulks ondergeven hebt, wakker dan aan als een man, en toon hier nu toe de krachten de welke in u steeken. De Naatuur heeft niet zoo hooch van kant gesteldt, of zoo laag, en diep verburgen, daar men met machts genog niet aan kan koomen. Voeg u dan nu alsoo tot dees kamp, en help u vyant zoo voort, da thet algemeen, en gy, daar wenschelijk nut aftrekken moogdt; en denk dat den aanvaller staag aan vol beter hoop, en kloeker moed steekt, als de bevochtene weldaadt: Hier booven, en is de bysondere, slag van deesen oorlog, noch ook uwen vyandt u niet onbekent. Gun my eevenwel, dat ik in dees u optocht, eens speelen mach voor u aanvoerder, en bevelhebber, om zoo onder dees wellust brouwen de kroesen, en keurelijke dis-gerechten van dees Bruyloft, in welker gelijke men niet en twijfeldt, of onse Voorouderen verhandelden haare voornaamste Oorlogs-raads-pleegingen in diergelijke, ook iets mach te zeggen maken, dat op het beloop van dees teegenwoordighen staat uwes Fortuyns recht slaagdt, en te passe komdt, aangesien de vuyrigste, en kloekmoedigste zelfs, wanneer die [p. 190] eenige veldtslag aan zal gaan, daar toe noch aangemaandt, en dus daar voorder toe geprikkelt worden. Ik man, zal u hier in maar man noemen, om dus alle schaamte meer te verbannen, die onse volgende aanspraak zou mooghen belemmeren, waar by ghy denken moet, dat ik die geen ben, die u niet zal gebieden, sonder ik my eerst in die zelfde ghevaaren wel eer wilde wikkelen? Weshalven, soo laat u die sijn vermaaningh, en aanradingh niet mishagen, die soo onlanghs noch die zelfde Oorlogh aan-nam, dat hy sijn aanstaande gloory, met noch een weynigh tijdts af wachten moet, zonder daar noch eenighe braave tuyghteykkenen van aan den dagh zijn ghekoomen: Mits men weeten moet, dat de braafste oorsaakken, dikwils haar uytkomst niet kunnen naa wensch bekoomen, of dat die soo daadelijk in haare handen niet willen glyen: Hoe twijfelachtigh, en los, de oorloghs-verwisselingen hangen, en is u geensins onbewust: Want die gelijkkelijk rechten, en winnen het daarom altemaal niet gelijkelijk: Daar zijn oorloogen, en kampen, die meenighmaal in een dach, of een nacht, ja in een oogenblik beschikt zijn, en ten eynde gebracht: Waar teegen weederom andere zijn daar de fortuyn twijfelachtigh in blijfdt hengelen, die daarom een langen tijdt wech neemen. Die Macedonier, die schrik van de [p. 191] geheele weereldt, en wilde in sijn leeger niet alleen als Veldtooverste swerven; maar wilde daar ook gehuuwelijkt in zijn, en soeken aldus daar met eene Vaader te worden, die het alles zoo na wensch gelijkte, dat hy in sijn grootste heyl, en zeegen schier niet en kost wenschen, behalven dat hy sich beroofdt most sien van een Soon, en wettigh Erfgenaam van sijne oovermachtige Rijkken. Men moet niet denken, dat hy met een enkele swier de Granieke Revier, of Cilia, wiens wateren hy door het Persiaansche bloedt wel eer swellen dee, of oock Arbella, wiens aangeleeghen Landtstreek hy met de verwonnene haar gebeente dekken dee, ooverzette, hoewel hy sich in een ongheloofelijcke korte stondt uyt het Asia kost werpen op de Europische grenzen. Nu moet ghy dan dencken, dat al u eer, en gloory hanghdt, dat gy u soo oovertreffelijk quijdt dat ghy maakt, dat u voorghenoome tocht ook eeven eens soo mach gelukken. Wildt ghy vereyselijk op u vyandt letten, soo hebt gy seeker weynig te vreesen. Gy en hebt ummers met geen gewapende, en beschilde Amazoon te doen, wel gelijk wel eer Herkules, en andere ooverdappere Prinçen ten scherper oorlogh uyt dorst dagen, die, op dat sy haar boog, en pijl te vaerdigher, en onbelemmerder zou mogen, en kunnen gebruyken, haar zelven [p. 192] af dee nijpen, en schroeyden een van de sagtste, en poezelste deelen van haar geheel lighaam, te weeten haar eene borst, waar van in dien sy haar berooft was, daar gy wilt teegen aangaan, zoudt gy achten, dat u ooverwinning u al te schraal, en slecht betaaldt wierdt, al hadt gy ook noch zoo gelukkig gestreden: Voorder wil ik hier niet ophaalen, het geen manhafte Amazoonen in oude tijden teegen uytsteekende kaerels uytvoerden, hoe overtreffelijk het zelfde ook was. Ik laat u slechts voorder bedenken, dat gy met een Maagdt te doen krijgdt, die alsoo klock, en eeven moedig is, als die voorhaalde heldinnen mochten zijn; Doch daar by weederom ongelijk slapper, en krachtelooder als die wel eer waaren: En aangesien de Bruylofts-bedden en de spieren daarin, zeer zacht, en slap vallen, zullen de handen u weynig quaadts doen; waar by u dit ten hoogst, en zeekerste de ooverwinning wel belooven mach, dat die staag aan uwes gelijk eygen toekomdt, aangesien die geen, die aldus tegen mannen aan wilde gaan, staag aan in die kampen onder laagen. Ziet vry alle oude Jaar-boeken door, en gy zult vinden, dat zy altemaal eendrachtelijk dees waarheydt bevestigen, zonder gy leesen sult, dat dit ooyt anders in sijn werk gong: Hier oover begeer ik dat gy u niet te zeer zuldt verwonderen: Want als dees strijdt nu op sijn heetste en vinnigste is, zoo begindt men [p. 193] straks op de vreede te denken, en men werpt straks sijn tegenstreever een heel deel kusjes, en omarmingen toe, roepende straks om een poosje stilstants, door welk slag van strijden, men onderwijl evenwel ooverwonnen wort. Hierom en moet gy eevenwel u vyandt niet verachten, als of die geen oorlog kundig, of machtig was, noch gaat ook niet al te los, en onbedacht alhier aan, maar bedenk, en onthou wel, dat het te mets gebeurdt, dat die in der daadt de dapperste, en starkste zijn, die men veracht. Die in dees kamp teegen kaerels aankoomen te gaan, houden stip haar stal, sonder plaats te veranderen, sonder sy eenighsints op het vluchten denken: Haar wonden, die sy hier krijgen, ontsangen sy sonder schrikken, of kreunen, omdat sy die achten met ongemeene groote eer bevochten, en daarom keeren sy staag haar voorlijf haar vyandt toe: wordende nooyt soo getroffen, of worden hier door, niet als te wakkerder ten oorlog, teykens altemaal, soo ik my niet en verzin, van een geweldige, en, so het u beliefdt, van een rechtschape kaerels onkreukbare moedt. Den uwen nu aangaan de, die vol soo aller groote deugden is, en sal dees, by mijn keel, niet ontbreeken: Derhalven soo let, en herlet te deegen hier op, dat sy u niet en bedriege, door de slof, en onvoorsichtig aan te gaan. De arge komst, en listigh bedroch schuylen hier in het donker, [p. 194] weshalven men hierom noch meer op moet passen. Die door haer vriendelijke treeken heeden heel op u zijde schijndt te zijn, sal haer kort daer aan geheel teegen u kanten, leggende goe tijdts maer te bedenken, hoe sy dit Oorlogs-vuur het best aen het blaken sal krijgen. Gy leydt haer, jae sleurdt haer nu wel als u gevanghen, die ghy in uwe boeyen hebt geslooten; Doch sy hier by, maeldt nacht, en dach op kans, om weederom in haar eerste staet, en vryigheydt te geraken. Sy is dees Oorlog noch wel onbewust, en noch geensins afgerecht om met die wapenen om te gaen; Dit niet teegenstaende sal sy dees kamp met u beginnen: Hoe het al hier voorder mee sal aflopen, dat moogt gy sien: Hier zijn wel leerlinghen in dees kamp geweest die het Oude, en ervare baezen afwonnen. Dit verhael ik u seeker niet, dat u hierom de moede ontsakken zou; Maer dat ghy u voor dees strijdt van alderley noodtwendigheydt te deeg zoudt voorsien, teegen al het geen, dat u dreygdt op den hals te zullen storten: Houdt u dan ghewaependt, ende staeg op u hoeden, op dat, als dit werk aen de man zal gaen, uwe goede gelegentheydt geensins versuymdt, en in gebreeken blijfdt. Die u op dees dach uyt heeft gedaegdt, en ten strijde vast gesteldt, zal die zelfde moogelijk fluks weederom ontseggen: Zy zal nae alle hoecken, en hokken soeken, om [p. 195] haer voor u te ontsteekken, eeven eens of sy vol bleuigheydt, en schrick stack, om heyndt, en bestoudt van haere Speelnooten, die hier ook haer haetelijk wapentuyg by haer hebben, die van dees morgen, soo ghy het niet en weet, zegh ik het u, gheswooren hebben, u een pots te speele; terwijl u Bruydt lillende, en trillende, en gantsch besturven voor uwe wakkere handen in haer midden, als wel bewaerdt staet, gelijk de manier van dat volk is: Ghy onderwijl, siende u gewenschten weg van dit vrouwen ghesleep bezet, vrees niet, noch ontsteldt u hier niet oover, want gy suldt ten laatste ruym-baens genog vinden: Door dien al dat gesnor doet voor het erghste niet als schreeuwen, en krijten, welke ydel heen een kaerel nooyt en moeten vervaerden; waer-en-booven sy haer wachten, en posten seer slordig besetten, en heel wildt, en woest, sonder eenige order door een woelen: Uyt welke misslaegen altemael gy sien moet, dat gy te treffelijker gloory behaelt, met een mannelijk geweldt door dees quaelijk-geschickte, en slordigen hoop niet alleen, maer de deur oock, die sy quansuys bezet houden, heen dringliende, die geen alleen, daer gy teegen aen moet gaen, tot u bezette kamp, die dan by u alleen roepende, en by ghebrek van koomen, by u alleen trekkende; Want men moet hier [p. 196] met mannelijk geweldt een oopen maken. Hoewel dees raadt wat soutjes, en vermeetel schijndt, moet gy bedenken, dat de starkste, en krachtigste raden, de best, en veyligste zijn, wanneer de saken in een rouwe, en vinnige standt staan, waar by ik niet ongeraden sou vinden sulke rappe, en dappere haar vuysten voor het eerste te hulp te neemen, op wiens trou gy u vast meugdt verlaten: Als gy het nu soo veer hebt gebracht, dat gy u vyandt alleen by u in uwe slaap-kamer hebt, daar dees kamp beginnen zal, sult gy al uwe hulp benden gebieden, dat sy hier mede aanstondts hare handen stil houden en van daar vertrekken, alleen voorder afhandelende, ’t geen dees saak vereyst. Breek dan u hooft daar niet, met wie u helpen zal u gevaren ooverkoomen, en daardoor de bevochte gloory sal deelachtig zijn: Want gy weten moet, dat gy hier gelijkelijk Soldaadt, en Veldtooverste sult moeten zijn, gy sult selfs de leus van aantreffen moeten geeven, en als het u tijdt sal dunken, den aftocht weederom doen steeken: Onderwijl en geef geen moedt tot gloory verlooren, hoewel het een heymelijke, en donkere strijdt, is sy daar echter niet slecht, en oneel by: Gy sult selver, soo ik mijn niet leelijk en bedrieg, de getuygen van uwe saaken laaten voor den dach koomen: Wiens kleyn gepiep, en geschreeuw, in het eerste geen minder geloof sullen verdienen, [p. 197] als namaals hare woorden selfs. Hoewel gy u alleen deesen gevare oovergeeft, moet gy hier by weeten, dat alles op u zijde is, soo gy alles wel vat: Voor eerst altoos de plaats, en oorsaak. Want soo onse Voor-ouders (tot welkers voorbeelden ik u gestadig aanmaan) hierom wakkerder, en gelukkiger aandorsten gaan teegen sulk een volk, dat doe meester van de geheele weereldt scheen te zijn, om dat die selfde doe soo machtig waren haar leeger op die heyden ter neer slaande, daar Varus weleer met drie Legioene Romeynen verslagen wierdt; wat voor een moedt sal ik gelooven dat in u niet steeken en sal, die nu de voetstappen, daar men door ter mannelijke gloory sijn intree doet, volgen wilt? Achter sulk een Koets-behangsel, en onder sulk een dek als het uwe nu is, is de plaats, en ’t Veldt gespreydt, daar gy u dapperheyt op moet toonen, daar gy u des Soomers soo wel, als den Winters, sult moeten leegeren, dus vast gesteldt, en beschooren, om na het oudt gebruyk van veeler eeuwen, de preutsheydt, en dartelheydt der Vrouwen, aldaer te ooverwinnen, en te temmen. U oorsaak nu betreffende van dees kamp, gelijk my die op hoopt met een vast betrouwen dat ik alhier op u heb, aengaende met een ook alderley moedt in blaesen: Want als die soo rechtmatig, en billik is, eevenals de uwe, neemt die den Heer in goede achting aan, en helpt die [p. 198] heerlijk voort. Soo ooyt die geen, die slach vaerdig stonden teegen een machtig geweldt haerer vyanden ten strijde, gelijk als brandend’, en blaekende wierden ontstooken, door het geheugen, en aenschouwen van haer vrouwen, en kinderen, goederen die ieder booven al het andere weereldts goedt bemindt, en lief heeft, hoe zullen dan u ook niet na dees strijdt doen haeken, en blaeken, om door alle middel tot u gewenste hoop te geraeken, hebbende in u zacht bedde u hulpster by u die u soo minnelijk sulke lieve vrugten schijndt te belooven, om welkers oorsaakshalven alleen uwe saken in zulk een swarigheydt gesteldt hebt? Ik steek voorwaer vol grooter moede, met my vast in te beelden, dat het gelukken zal, dat dees dach, soo gy niet liever de nacht wildt hebben, een begin zal zijn van een gewichtige, en overtreffelijke saak, die enkel t’uwer gloory zal gedyen. Denk maer, dat gy soo suldt moeten voortgaen, als gy begonnen hebt, en houdt u dappere moedt in standt door gestaedige braeve voorbeelden. Kreun u niet oover te traenen, en het zuchten van die geen, die gy onder zuldt krijgen, dewelke soo eygen aen de vrouwen zijn, als sy de mannen weynig verschrikken. In andere strijden komdt de barmhertigheydt dikwils meer te pas, als eenige andere hertstochten: Maer hier vergrijpen wy ons dikwils meer met onse vyant [p. 199] te verschoonen, als die te treffen: Jae soo gy u zelven goede dienst wildt doen, ranst haer te deeghen aen, en ghy zuldt soo best haer meester worden: Gy hebt, verzin ik my niet, een groote gunst, en geneegendtheydt te vinden in ’t midden van u vyandts leeger; Doch die leydt noch wat diepjes, en verburgen, in welks plaets, in de eerste trefsingh, door dien die zelve de hertst’, en moeyelijkste valdt, teegen u haer verheffen zullen een barse haet, afkeer, en moeyelijkheydt: Maer mijn begeer is, dat gy goedts moedts zuldt zijn, en vol alderley braeve hoop. Niemandt treurter derteler, als die het vroolijkste moogen zijn. Laet u gemoedt die gloory te deegh bedencken, die sy van soo een oovertreffelijk een buyt zal kunnen haelen, waer by noch gout, noch zulver, noch kostelijcke juweelen te ghelijcken zijn, daer de gierighe zoo om woelen, en vechten: Laet dees gloory die andere ydelheen uyt u verbanden als zijnde enkele beletsels van uwe vroome dapperheyt, en heerelijke strijdt. Siet gy niet, wat oovertreffelijker Leeger-zeegen u wenkt? Zet u dan op de stoel van haere gloory, en bemachtigdt haer: Het is dat wenschelijck Slot, en Kasteel des Maeghdoms, dat tot hier en toe, zuyver, en ongeschonden, met grooter trou bewaerdt is, en soo zorghvuldigh gaade [p. 200] geslagen, dat het tot noch toe onwinnelijk verbleef. Geen Prins of Konink kan meer, als diergelijk verliesen, of een ander oovergeeven, wanneer sy haar opperste bewindt, en achtbaerheydt gedwongen op een ander moeten oover laten teykenen. Hier booven zeg ik u, of gy het niet en wist, dat men in uwen oorlog alle ding doen mach, zelfs dat het recht der volkeren, en krijgstucht in andere oorloogen geensins toe en laat, te weeten een Maagdt uyt haar Ouders armen, en van haar lieve kussen vryelijk wech rukken, en sleuren uyt het minnelijk omhelsen van hare Nae-maegen, doende met alle geweldt daar na sijn lieve wil hier mee. My is niet onbewust, hoe men P. Schipioos zeedige kuysheydt, tot den Hemel toe verheft, waer door hy een gevangen Maagt, die seer schoon, en bevallig van weesen was, soo ongeschonden, en suyve rby zich hiel, als ooyt haar Ouders mochten doen, geevende haar dus heel, en gaaf weederom den Spaansen Prins Lucerus, daar sy aan verlooft was. Doch het openbaer toeseggen, en dat meer is, haer eygen bekentenis heeft haer nu u eygen gemaekt. Wacht u dan soo groot, en naeugehoordt exempel te willen volgen: Want soo gy my geloven wilt, en zult gy geen gunst noch geneegentheydt van die verwerven, wiens hoopen haer nu tot iet anders verheffen; En gy zuldt van die oude voorhaelde gloory geensins deelagtig [p. 201] zijn, soo gy, met het opstaen van het toekomende Morgen-ligt, haer gaef, en ongeroert weeder te voorschijn wildt brengen, of haer roemen wildt, sy tot die tijdt toe zuyver, en ongeschonden is gebleven. Maer als gy in u kampen sult zijn, dan mach ik wel lijden, dat gy u soo dapper draegt, als Schipio ooyt dee. Verschrik voor de engheydt van de plaats niet, daer gy u zult beslooten raken: Maer denkt gy geen keurelijker en kunt wenschen, daer gy met een sprong soo in kunt koomen, sonder gy uwen vyant van achteren aen hoeft te vallen. Ik en hoef u geen andere kamp wetten alhier voor te houden, noch gy en hoeft ook geen andere te volgen, als die gy ontsangen hebt van uwe Voorouders, treffelijke, en heylige mannen. Ik en wil hier uwen aenval niet ophouden; mits ik sie gy al gewapendt zijt, en de leus nu al gegeeven is Doch nae ik kan oordeelen, sult gy naekt, en bloodt, u saeken braver kunnen verrechten. Als gy geleegen zuldt zijn, zuldt gy platuyt gestrekt u strijdt beginnen, en aldus die selfde winnen. En eeven als dit een bysonder slag van vechten is, is haer verwinning ook soodanig, en wie hier gewonnen heeft, is schier eeven eens, als die verwonnen is. Ik en kan niet loochenen, of dit moet u seer vreemdt voorkoomen Doch hier by moet gy weeten, dat dees wetten altemael van die eerste beginders, en behouders van het men- [p. 202] schelijk geslacht onverbreekelijk haere naekoomelingen zijn opgeleydt, door wiens yver, moeyten, en hulp, gestaefdt op een bysondere voorsichtigheydt, het by is gekoomen, dat de macht der menschen kinderen, soo uytgebreydt is, dat wy heeden de heele weereldt sien heel volkrijk bewoondt. Wat hier voorder noch sou mogen te seggen vallen, dat diendt verhoolen te blyven; Zoo het nu gebeurdt, daer gy met al uwe wijsheydt moet sien teegen te weesen, dat in de eerste, of tweede aenval de Fortuyn u twijfelachtig, ja averechts schijndt te zijn, moet gy weten daer voor u verschooning oover is, en niet swaer zal te vinden zijn, by namen by sulke. die niet onbewust en zijn, wat al menschelijke noodtwendigheyt, tot de swaerste saken te voltrekken, van nooden hebben. En laet dit degelijk u moed geensins doen versinken, en u rukken van u treffelijk voorneem. Het Romeynse volk heeft wel honderdt jaren lang, met standtvaftige moede, verdragen en uytgestaen, haeren oorlog, die sy tegen de Sannyten aen hadden gevangen, oover het enkel besit van Kampania, hoe meenighmael de Fortuyn hier machtige veranderingen maekten: Daerom en is de victoory niet min bevochten, noch de gloory van dit strijdtbare volk minder beroemt. Na dees nacht volgen meer dagen, en nachten: Wat u aengae, gy moet u altoos vaerdig, en gereedt houden, en [p. 203] mets u steeken verdubbelen: Alle tijden, en stonden moet gy te deegen waer nemen, sonder een bequame ochtent, middag, of avont vrugteloos door te laeten slippen: Gy moet u aengenoomen werk nooyt laeten steeken, mits gy daer eygentlijk, en alleen om uyt sijt gekoomen; sonder de oude soldaten te slachten, die na sestien jarige dienst een vry onderhou kregen, daer sy haer leedig mochten in houden: Dees strijd weet, noch kent sulk een wijs niet. Pas gy maer te deeg op, in alderley voorvallen, dat gy dees u beste tijdt van leeven, u starkste krachten, en dappere leden te deeg te werk steldt, de welke, soo gy nu niet en gebruykt, moet gy weeten, dat, hoe u jae ren meer groeyen hoe u krachten meer af neemen. Gy kendt ummers die klaegende, en kreunende Macedoniers stem wel, die sy uytkuchten, als sy door ouderdom nu waeren afgemat, Nu zijn onse pijlen stomp, nu begeefdt ons ons geweer. Gaet dan langs geen omweegen u gloory soeken, daer ghy die zoo dicht voor de handt hebt. Maer ik hou u brandende, en zelfs dit altemael genogh bedenckende, eer van sijn wensch, en wil of, als ik die daer vereyselijck met al mijn reeden nae toe stou. Rep u dan ten kamp, en stort u daer heel, en al in uyt. Uwen Godt, tot wiens eere ghy dit werck aenvaerdt, en uwe dapperheydt, daer niet tamelijck van is te verwachten, of minder, [p. 204] als daer uwe Voorouders soo veel gloorys door verwurven, willen u geleyden, en voort helpen. U veldt des kamps is ten deele open; en is daer van noch iets toegeslooten, maekt daer een gat in: Dees nacht zal u betoonen, wat krachten in u huysen. Denkt op u naekoomelingen soo wel, als Voorouders, die altemael opgetoogen zijn door een hertelijk verlangen wat wonderlijker uytkomst dit u werk sal brouwen: Doch by namen, die van u, of van ’t geslacht der Heinsen zijn, de welke in het Rijk der geleerde Weereldt, door het toestemmen der treffelijkste, de Eerenkroon, en Scepter wordt gegundt. Dees passen nu op uwe handen, en letten op u vuurigheydt, die sy tot vaste borge stellen, van uwe heerlijke daeden, die sy vertrouwen, dat gy voorder zuldt verrechten. En my dunkt, by mijn keel, dat ik voor mijn oogen al teykens sie, van u nooyt begonnen werk. Sy leydt nu al te Bruydts-bedde gestrekt, op wien gy sult moeten aenvallen, eeven of sy haer langer tegenkanten mat was, door dien sy bevonden heeft, wat liefelijke vriendelikheydt en zachtheydt gy in dees strijdt sult gebruyken, waer na gy voor wis de victory meugdt verwachten, aengesien sy bly schijndt soo veer al verwonnen te zijn. Sy reykt u weederom haer rechter handt toe, en beloofdt u andermael haer trou, op dat, na de wetten van een nieu verdrag, u kussen, en omarmingen ver- [p. 205] dubbeldt moogen werden. Sy noemdt u nu haer vyandt niet meer, maer gelooft gy hare vriendt nu zijt. Na gy u selven nu versekert sult hebben, dat gy u saken dapper genog beschikt hebt, gaet gy op die selve leegerplaets gerust en zoet leggen slapen, daer gy te vooren soo treffelijk gestreeden hebt: Hoewel het daer meede geen volle vreede is, maar slechts een schoosing van wapenen. Dat gy hier noch vreede maekt, noch soekt, daer soo leydt bysonder groot voordeel en nut in: Want gy ongelijk meer gloorys sult behalen, dikwils aen het vechten, en winnen ’t hertjen leggende de wapenen te mets een weynig te rust, als maer eens te winnen, en daer na niet meer te vechten. Wy sullen onderwijl, voor dees oorlog, hoewel het maer een stadt, of huys-strijdt is, een oovertreffelijke zeegenprael oprechten, waer in gy als meester, en hooft van dees pronkstacy, terwijl al het volk van de Stadt daer na toe sullen dringen, om soo een wonder te aenschouwen, boven aen suldt staen, hebbende dicht by u of gezeeten, of getogen u bevogte, gevange, en overwonnen, zijnde hier door verheeven, daer eensgelijks toe, dat sy u verstrekken sal Medegesellinne, en hulpster in u leevens beloop, en geheele Fortuyn, en daer-en-boven, als vrugtbare moeder van de uwe, bestout met u leeventlijke beelden, en afsetsels, wanneer onder het begroeven, en vroolijk toejuychen, [p. 206] men wenschen sal, u, en het Heinsen huys, eeuwigh dueren mach. De Oude sullen dus verlangen, dat u krachten lang moogen duuren; de mannen sullen u dapperheydt navolgen; en ieder een sal sich oover u voorspoedt verwonderen: Wanneer die geen die de Natuur in weduwlijke staet verstiet, de onvrugtbare, en verdroogde vrouwen u geluk en zeegen, maer benijden sullen, gelijk dat in alle wenschelijke welvarentheyt geschiedt: Tot slot de kleyne wichters, wiens mondtjes noch niet recht ontslooten zijn, sullen al staemelende boven alle hapering, en meer als alle openbare, en gemeene tuygteykenen, aen den dag brengen, en ieder kondig maken hoe overtreffelijk uwe dapperheydt haer droeg, en hier mede uyt.

[p. 207]
DER
MIEREN LOF,
Door
PHILIP MELANTHON.

NIemant heeft noch oyt in dees vergaderplaets geredeneerdt, zoo veel als ik kan oordeelen, die meer u, waerde toehoorders, goedtgunstigheydt van nooden hadt, als ik teeghenwoordigh; niet alleen, om dat dees mijne swakke jaeren, daer een sonderlinge gunstighe hulp te stijven is, en op te houden: Maer ook, mits ick hier met soo een voorstel aan kom, het geen, hoewel het om sijn nieuwigheydt sou kunnen behaechelijck vallen, is het daar by soo schrael, en maegertjes, dat het niet veel verwonderinghs waerdig is. Sommighe hebben verhandeldt de uytsteekende daeden van eenige uytsteekende Keyseren, of de eerwaerdige handel van sommige brave luyden, die sy met haer çierlijke reedenen een ongemene luyster gaven, of heekelde leelijk; of scholden seer op sommig woedent grau, of vinnige Tiran haer schandige, schendige parten. Aengesien ik my [p. 208] gevoelde noch niet opgewassen, om soo sware, en gewichtige saeken vereysselijk uyt te voeren, door gebrek van genogsame welspreekentheydt, ben ik dan gedwongen geweest, nae de swakheydt van mijne krachten, wat lichter, en gemeender stof op te setten: Waer in, als ik nu al eenige dagen hadt doende geweest, en ooverslag gemaekt, wat kleyne, en slechte dingen de Ouden wel eer genoemdt hadt, zach ik hoe Luciaan de Vlieg, en Virgilius de Byen wonderlijk hadden opgetooyt, en verçierdt. Als my hier na dacht dat ik een eerlijk werk verrechten zou, zoo ik de Oude haer voorbeelden, en voetstappen volghde, nam ik voor my het Lof der Mieren te beschrijven: Want na mijn dunken, is het de pijne wel waerdt, onder soo veel verscheydenheydt der Natuuren, die kleyne beesjes haer aardt, nae moogelijkheydt, eens te doorgronden. Doch de Heydensche schrijvers niet alleen, hebben dit stof waerdig geacht, dat sy het selfde vereyselijk souden bearrebeyden; Maer ook verscheyde van de voornaemste Christen schrijvers, schijnen vermaek genoomen te hebben, in gewag te maken van verscheyde kleyne, en geringe dingen. Christus gebied ons, dat wy acht sullen neemen op de Mussen; Salomon en hiet ons niet alleen, dat wy de Mieren aenschouwen sullen: Maer send ons ook na haer, gelijk na school toe, om van haer aldus wat te [p. 209] leeren. Wat zou ik te beschrijven hebben, soo ik verhalen wilde al die veelderley slag van dieren, die Basilius seer naeukeurig beschrijft? Ambrosius desen Basilius volgende, heeft die selfde Histoory der Dieren, in de uytleggen van de werkingen der ses dagen, van woordt tot woordt schier, aldaer opgehaeldt; daer by leerende, dat in die, soo als Godt ons haer voorsteldt, sitten, verscheyde schetsen van veeler uytsteekende deugden, die ons vermaenen, hoe wy te recht onse schuldige plicht sullen volgen: Aengesien het van het schandelijckste al is voor den mensch, dat hy soo veer van sijn Natuur ontaardt, en verbasterdt, dat hy ook zelfs van beesten ooverwonnen, en te booven wordt gegaen, in het betrachten van de deugdt. Hierom dan, scheen het ons niet onnut te sullen zijn, dat wy het vernust, de zeeden, en schier dees heele regeering, en staethouding der Mieren gaen beschrijven, omdat daer in veele voorbeelden, van seer uytsteekende deugden, in sitten, die men daer uyt kan haelen. Ziet nu eensjes hoe seer my mijne meyning heeft bedroogen: Want daer ik meende, dat dit slag van voorstel, om sijn kleynigheydt, zonder groote moeyte kost voorgesteldt, en opgetooyt worden, heb ik gevonden, soo haest ik de hand daer aen sloeg, heel anders geleegen te zijn; door dien ik gewaer wierdt, dat daer geen gemeene konst vereyst [p. 210] en wordt, kleyne saeke, met heerlijcke, en roemrijke reeden te verçieren, en te verluysteren. Schoon ik dan gevoelde, dat ik te swak, zou vallen voor mijn opghenoomen last, nochtans door dien ik my daer onder hadt gegeeven, niet tot roem van mijn vernust, maer om mijn stijl wat te oefenen, en wilde ik daer eevenwel niet uytscheyden; maer ik speelde mijn rol voort, die ik begost hadt: Ik bidt u lieden dan, dat gy my om u lieden heuse beleefdtheydt, goedtgunstigh wildt aenhooren: En al vereysten dit geen andere saek, soo hoorde School-gewoonte sulks van u lieden te verwerven: En soo een eerlijk voorneem, en aenleg sijn lof verdiendt, zoo mach men ons niet onwaerdig achten u lieden goede gunst, door het soo eerlijk voorstel, daer wy mee aenkoomen, hoewel wy, door de swaerigheydt van de saek, die wy aenneemen te verrechten, ooverwonnen zijn: Maer, gelijk als de Wysgeeren haer manier is, als eenige dieren beschrijven sullen, het selfde eerst beginnen van ieder geboorte, en afkomst, soo moeten wy nu ook sien, waer de Mieren eerst van daen komen, die men alhier van het Ey, gelijk men zeydt, moet beginnen. Doch de Histoory der Mieren, sou wel grooter vallen als de heele Ilias van Homerus, soo ik wilde het altemael verhaelen, dat haer wel betreft: Maer dit hebben wy geacht, dat geweldig t’haerer [p. 211] eeren hoordt, dat men verstaen kan, om zoo veel teyckens, en voetstappen van de Goddelijkheydt, als men in haer bespeurdt, dat sy hierom niet ghebooren en worden, sonder een bysondere schikking Godts, en dat vry wat waerachtiger, als dat verscheyde Poëtische helden, haer geslacht reekenen, en teeken van den oppersten Iupiter, nae dat die snoevers gewoon zijn te spreeken. Want hoe kan in deese aerdtsche Natuur, een voorweeten van het toekoomende weesen, sonder eenige Goddelijke kraght? Dit wurmje en sou sulck een gaauwen yver niet hebben, als zijnde heel oneyghen aen het begrip der dieren, niemandt van haer sou wisse kennis van sijn bysondere bende hebben, daer en sou nooyt soo seeckere oover-eenkomst onder haer zijn, sy en souden de tijden haere veranderingen geensints kennen, en onderscheyden, ten waer Godt den Heer met sulk een geest voorsien hadt, daer sulke wondere dingen in kosten huysen, en die sulke vreemde verschillen, en onderscheyden, te deeghen kost vatten. Ummers het wijs zijn, het voorleeden te heughen, het volgende te kunnen, het toekoomende te begrijpen, en voorsien, en kunnen de menschen selfs niet, ten zy de Heer haer hier van innerlijk beweegt, en daer toe opwekt. Want wie, hoe gaau hy ook is, sou sonder Godts hulp, de verscheyde beweeginghen der Starren, [p. 212] hare grootte, de aerde haer ommekring, en veel andere diergelijke meer bedacht, en gevonden hebben? Soo kunnen dan de beesten veel minder reedekavelen, het toekoomende voorsien, het teegenwoordige te recht kennen, ten zy haer Godt met zulk een weldaedt zeegende. Want die groeyen in deese aerdse Natuuren nergens anders van, als van des Heeren bysondere werken. Zoo hebben de Mieren dan Godt als een ontwijfelbare voortbrenger van haer geslacht: Waer van men dit ook verstaen kan een teyken te zijn: Want als de H. Schrift ons tot de Mieren zendt, gelijk als tot onse meesters, soo geeven sy daer seekerlijk meede te kennen, dat sy van Godt soo gemaekt zijn, en van hem door die gaven des vernusts voorsien, dat sy ons daer door wat nuts, en voordeelig kunnen leeren. Want, eeven als geen Vader des Huysgesins, is hy maer wijs, sijn Soon te leeren zal bestellen, by zoo een, die hy sijn wijsheyd niet volkoomen genog kendt: Soo is het meede geloofelijk, dat de Geest Godts, ons niet senden en zal, tot sulke meesters, die niet iet Hemels ons kunnen leeren. Soo is het dan waerschijnelijk, dat die konsten, de welke die beestjes ons leerlijk voorstellen, door Goddelijcker kracht geschreeven staen, en vast geprent, in de bysondere sinnen, en aardt der Mieren, en dat waerlijk in haer sit, na de Poëet seydt, een deeltje van Godts Geest, en van die eeuwig [p. 213] vlietende waeteren. Tot hier en toe heb ik gesprooken van de Mieren haer geboorte, ende eedelheydt, het geen haer niet weynig en verluysterdt. Wat de eedelheydt aengaet, die geeft niet alleen onder de menschen; maer ook onder de beesten, seeker zaedt in sulke gemoederen, daer wonderlijke brave deugden uyt moeten koomen te spruyten, die van de Ouders haer aardt, of Natuur voortsetten, en aenkleeven haer kinderen, en nakoomelingen. Nu diendt gesprooken, van haer verstandt, en haer bysondere wijs van leeven, en al haer gewoonte, die sy haer leeven geduurende, te samen houden. En wat bevat doch dit deel van mijne reedeneering anders, als het aldereerwaerdigste slag van wel te leven, dat aen te wijsen is? Al de Wysgeeren schier, hebben eene reegels, en wetten naegelaten, die sy dachten het best ons leeven kosten bestieren: Maer de naauwkeurige histoory van dees bloedeloose diertjes, leerdt noch veel treffelijker, als ooyt Chrysippus, of Krantor dee, wat rechtmatig, of schandelijk is, nut en oorbaar, en averechts daer teegen aen, wat dat past, of mistaet. Wie sal nu niet seggen, of dit is een werk van een bysondere en uytsteekende voorsiende wijsheyt, en een yver, daer geen vermoeden aen is? Sy verstaen haer siks, en vast, wanneer sy haer voor raedt moeten vergaderen, en opdoen, weshalven sy in de Oogst een stapel graan by [p. 214] een vergaderen, dat wel bewaerende, en gansch zuynig teegen de Winter wechleggende. Want sy voorsien wel, dat, soo sy des Winters op den kael, en schralen Akker quamen; dat sy vruchteloos, en vergeefs daer na hare kost aldaer souden loopen soeken. Haer voorraedt, en voerasy sleepen zy met hare bekjes, na hare holen toe, en dat dikwils met grooter stukken, en brokken, als men sou gelooven dat sy om de kleyne teederheyt harer lichamen souden kunnen doen: Die haer al te swaer om te dragen vallen, daer setten sy haer heele lichaemjes teegen, het selfde soo met alle macht nae haer hoolen schuyvende, of rollende: Eer sy haer graen wech leggen, weeten sy door een bysonder greep dat een neep te geven, daer haer ’t hertje, om soo te seggen, en ’t leven sit, waer door die namaels niet meer uyt en kunnen spruyten: Zoo die zelve door dou, of regen vocht zijn geworden, brengen sy die weer uyt hare hoolen in de drooge locht, en Zon, daer sy die weeder om laeten drooghen. En als het des nachts lichte maan is, blyven sy niet leeg t’huys leggen slaepen: Jae haten de luye leedigheydt soodanig, dat sy geen tijdt haer vruchteloos laeten ontslippen, daer sy bequaemelijk, iets in verrechten kunnen: By donkere, en maaneloose nachten, scheyden sy uyt haer werk. Zoo iemandt onderweegh met te swaer een last, en pak is beladen, weet terstont wie van [p. 215] sijn bende zijn, die hem ook altemael kennen, die straks te hulp ontboden, of van selfs haer daer toe reppen: Om dikwils verscheyde van bysondere benden, gelijk luyden van bysondere Steeden, op een en selfde wech malkander ontmoeten, brengen sy altemaal tegelijk, al haren voorraedt, op een en selfde plaets, blyvende ieder lijkkewel onder sijn Veldteyken, en by sijne troep: Omtrent dees algemeene Koorenschuur komen sy altemael soo meenig als sy zijn, by een, en even als op haer algemeene monstering, alwaar sy haer gantsche leeger in hare quartieren, en bende verdeylen, voegende ieder sijn oort, en streek toe, waerlangs die haer voorraedt voor het algemeen by zal brengen. Als sy malkander tegenkoomen, stappen sy malkander soo nyver toe, of sy malkander veel wonders te vragen, of te seggen hadden, jae staen even of sy malkander vry wat in het oor beeten, en wat nootwendigs vraegden, waer door ieder een sijn bendtgenooten te sikser kennende wordt. Nooyt en is daer een Stadt, die soo wijsselijk was bestiert, die te vergelijken is, by de staatkundigheyt, en nette regeering deser Mieren. Want aengesien daer geen schadelijker fenijn voor een Stadt is, als de luye leedigheyt, hebt gy genogsaem kunnen bemerken, dat die selfde veer van dit diertje verbannen is. Geen zoele Soomer-hette houdt haer van haeren arrebeydt, selfs zijn sy by nacht niet leedigh [p. 216] die nochtans de andere dieren tot ruste is verschaft. Sy laten haer niet vermoeyen door de veerte van hare tochten, of moeyelikheen harer weegen, aengesien sy hare voerazy een groot eynde weegs te mets moeten loopen halen, seer rou, en oneffen vallen, daer sy haer kooren heele bergen dikwils moeten oovervoeren: Welke moeyelikheen sy minder met gewelt van hare krachten, en grootheydt harer lichamen, als kloekmoedigheyt harer zielen, en moedeloosen yver verrechten: Soo dat het schijndt, dat dit hier meede waer is, dat men by seeker History-schrijver vindt: Dat de Natuur niet soo hooch uyt de weg heeft geschikt, of men kan het zelve met dappere vroomigheyt bereyken. Nu is daer geen twijfel aan, of, gelijk alle gebreeken, en sonde koomen uyt de luye leedigheyt spruyten, dat soo eensgelijks de nyveren arrebeydt alle oovertreffelijke deugden baardt: Weshalven men bedenken moet, dat de andere deugden in dees beestjes geensins en gebreken. Wie siet voor eerst niet, dat daer in huys een groote, en wonderlijk begrijp, en kennis van de regtvaerdigheydt, en gerechtigheyt? Aengesien sy sommige dagen uytpikken, om ooverslag te maken, hoedanig haer algemeene voor raeds-schuur gesteldt is, op dat ieder bende, sonder een ander te verkorten, in tijdt van noodt, daer van wenschelijk wel mocht vaeren. Want dan soo kan ieder lichtelijk van [p. 217] een anders afblyven, als hy door sijn eygen vroomen yver, soo veel kan krijgen, dat hy voor geen gebrek hoeft te vreesen: Want die geen, die door lekkerheydt, overdaedt, of wellusten haer middelen, en onderhoudt hebben opgesnapt, die maken alleen daer na reekening, hoe sy achter eens anders ook sullen geraken, om daer eensgelijks mooy weer mee te speelen Dusdanig een werk dwingt den Rechter nieuwe plakkaten, en ordonnatien tegen zulke luy, en leedige schuymers uyt te geven, die te heevige inlandtse oorloogen brouwen, en schrikkelijke opstandingen. Wat zal ik nu seggen van de Mieren haer zuynigheydt, en spaersaemheydt, die onder haer voornamentlijk blinkt? Want sy en besorgen het tegenwoordige niet alleen, maer sparen; om den toekoomenden dach te deegen te besorgen: Welke deugdt, gelijk die in haer selven seer groot is, en wonderbarelijk, behoordt sy hierom ook ieder een bevalligerte zijn, dat sy die is, die de rechtvaerdigheydt beschermdt, en behoedt. Want de opsnappers, en die haer koorentje groen eeten, en kunnen haer onbereekelijke onkosten niet goet maken, soo sy geen vreemde met een uytsuypen en bedriegen: Maer een braef, en vroom burger, zal die alwaerdige deugdt meer najagen, waerdoor hy sich van jeder een, met eeren zal sien te verrijken, om daer mee het algemeen met allen yver [p. 218] dienstig, en nut te zijn. Want wat helpt alle rampsalige onder de voet, als dat de meeste hoop haer eygene, en bysondere goederen, en welvaren stellen, voor die geen, die het algemeen eygen zijn? Maer die van een goet, en eerlijk gevoelen wil zijn, en dat wil volgen, moet denken, dat sijn geluk en heyl, hangt aen het enkel welvaren, en voorspoedige zeegen van het algemeen: En aengesien wy zijn gehouden, dat wy ons Vaderlandt, daer wy in gebooren zijn, opgevoed, onderwesen, soo in menschelijke, als geestelijke leeringen, door wiens wetten onse goederen, en levens zijn verseekert, en meer andere weldaden mildadig hebben ontsangen, met alle billikheydt soo voor te staen, dat wy haer welvaeren met alle mannelijke macht voort helpen, ja dat, wat wy ploegen, zaeijen, ja maeyen enkel schikken, en achten tot nut, en welstandt des Vaderlandts: En ten laetsten haer heyl en zegen, rust, en vreede reekenen, en achten boven ons eygen welstant, en achtbaerheydt. Dees deugt kunnen wy bemerken dat in de Mieren steekt, die al haer rusteloosen arrebeydt maer aenleggen tot behoud, en welvaren van hare algemeenheyt. Daer siet gy wederom, hoe veler deugdens exempelen, de Miertjes ons voor oogen houden: Na welkers gelijkenis, soo gy het meerendeel der menschen reekenen wilt, hoe veel zoudt gy daer onder vinden, die met [p. 219] diergelijke begaeft waren? Ummers is het meestendeel maer overgeven aen een vuyle, en luye leedigheydt; en voorder aen hare geyle wellusten, zijnde in haer gantsche leeven nergens over bekommerdt, als om banketten aen te rechten, en andere vroolijkheeden te bejagen. Seneca schrijft, hoe seekere Pakuvius Schout was in Syrien, die dagelijks seer kostelijk, en lekker teerde, en smeerde, als hy des daeghs te veel lekkere wijn in het lijf geslaegen hadt, gewoon was des avondts een lijk voor hem te doen brengen, daer hy sijn speel-luyden by ontboodt, dat die souden opspeelen hare lijkdeunen, en voorders alles aenrechten, dat tot een lijkstaecy behoordt. Als hy sich des avondts soo zat hadt vol gesoopen, dat hy op sijn beenen niet staen en kost, gebood men hem, soo hy op sijn Dis-bedt lagh, soo in sijn slaepkaemer sou dragen, eeven of hy ook een lijk was, en op sijn Lijk-klaegswijs zou singen; Hy is doodt, hy is doodt: willende hier mede te kennen geven, dat hy die dag eyndelik so overtreffelijk versleeten hadt, daer in hy soo gesmest, en gesmult had: Aengesien hy agte, men dat geen leven most noemen, als men so beestachtig vrolijk niet wesen en mocht. Wie en sal nu niet seggen dat een Mier meer kennis heeft, als dees Pakuvius, die meende dat een mensch dit leven was geschonken, om daer in alleen te genieten sulke beestachtige [p. 220] wellusten? En hoewel daer niet veel en zijn, die Pakuvius in zulk een malle lijkstacy volgen, soo zijn de meeste nochtans met sijn treffelijke Sekte die hier door verleydt, niet en beginnen haer leven lang geduurende, dat een rechtschape mensch past, of waerdig is, maer hare jaren verslijten in een luye vuyligheydt, blyvende staeg bestooven, en gepakt onder de kroesen, even als de prijken sitten. Maer aengesien, volgens het gesonde oordeel van brave luyden, sulke menschen, eer buyken, en barsten, als deegelijke menschen zijn, en dus maer enkele monsters, wil ik de Mieren by haer niet vergelijken, door dien noch het heerlijk voorbeelt der Mieren, noch zelfs de algemeene wetten, zulke tot geen gesonde wijs van leven en kunnen helpen. Geen lof, onder al die men de Mieren sou kunnen toevoegen, dunkt my dat wijdtstrekkelijker is, als die wy lesen, dat Salomon haer toevoegdt: Aengesien die seydt, dat de Mieren de zotten niet alleen, maar de verstandige ook in voorzichtige wijsheydt te booven gaan: Welke vreemde, en wondere wijsheydt, ik onder de geleerde niet sou durven voorstellen, had ik daer zulk een onwedersprekelijke getuyge niet toe. Maer aengesien mijn voorneem is, als de Lof-reden der Mieren by een te vergaderen, en te berde te brengen, en most ik die altoos niet overslaen, aengesien die haer al te wijdt, en zijdt verspreydt. Maer wat hoor ik [p. 221] daer? Hier worden de Mieren gesteldt boven alle de schoolen, en lessen der Wysgeeren, alle Regeerders der Gemeente, ja boven al de Wijse des Weerelts. Zoo doende zou dat spreekwoordt te pas koomen, dat luydt, Die Mier is een Kameel geworden: En aengesien ik op dees plaets al de oorsaecken niet by kan brengen, waerom Salomon dat soo geschreven heeft, door dien daer veel zijn, die men sou moeten halen uyt de diepste Fonteynen der Christelijke Leer, soo moet ik, na mijn dunken, dees een altoos hier voorstellen. Zoo blof, en los gaet de menschelijke ziel aen, en de liefde tot leedigheydt, en wellust, heeft het merg onser gebeente soo doorkroopen, en doorzoopen, dat niemandt wijsheydt soo groot is, die door d’aentrekkelijkheen der wellusten haer niet laet binden, en daer door niet verwonnen worden kan, soo dat men hier sijn gewoone, en behoorelijke arrebeydt, en yver te veer door te rugge steldt: Waer op al de Poëeten te deeg lette, verdichte hoe Herkules, die winner, en onderbrenger der monsteren, soo bevangen was door Omsales minne, dat hy in Vrouwe gewaedt sich ging verkleeden, om soo vryelijk in het Vrouwe-getimmerte mogen koomen, daer gy onder de Vrouwe als een verwijfde ging sitten spinnen. Dit verdigte sy van een onvergelijkelijk man, om daer door te beteykenen, dat geen kracht der zie- [p. 222] len soo machtig is, die niet verbrooken, of altoos verswakt kan worden door de vinnige aentrekkelijkheen der wellusten. Laet my nu met de waerheyt des Mieren eens by Herkules vergelijken, of wilt gy liever, by den grooten Alexander. Ummers stuyt haer naerstigheydt, en yver geen ding ter werelt. Die helden die begaeft waren met de alderuytsteekenste wijsheydt, en dapperheydt, wat zijn sy niet veranderdt geworden, de eene door ’t verslingeren op sijn boeltje, en de andere door noch beestachtiger wellustigheen. By dees noodigt de Heylige Schrift ook noch sommige wijse mannen meer, die hy tot haer Hooge-school roept, dat sy daer leeren moogen, dat men niet alleen in sijnen arrebeydt soodanig een stantvastigheydt moet gebruyken, maer dat men met een beschouwen, hoe swak de menschelijke zielen vallen, die haer soo lichtelijk laten vermoeyen, daer de Mieren door kracht hares Geests de treffelijkste mannen te boven gaen: En dees wil sy, men hierom sal aenschouwen, dat, na wy gesien sullen hebben, dat soo een slecht, en gering beestje, met soo een uytsteekende kracht van Godt begaeft is, dat wy Godt den Heer ook sullen bidden, en stantvastig verwachten, dat hy ons ook diergelijk een stantvastigheyt, en yver wil verleenen: Maer wat dees plaets voorders van diergelijk sou mogen vereysen, sullen daer andere dat selfde bequamelijker [p. 223] verhandelen: Doch gy, mijn alderbeste kameraden, aengesien de H. Schrift het soo gebiedt, soo aenschoudt, en let eens te deeg op de Mieren: En als gy eerst van haer begeert eenige voorbeelden, waer door gy beter ter deugden soudt mogen voorderen, soo schikt u hier vooral toe, dat gy haer naerstigheydt met macht soekt te volgen: Want soo ons geen loon belooft, en gestelt was voor onse moeyten, en arrebeydt, evenwel door dien ons Godt gebiedt te werken, soo moeten wy sijn stemme gehoorsaem wesen: Maer nu, als ons sulcke treffelijcke belooningen daer voor te verwachten staen, wat dolligheyt is het dan, dat wy door de uytsteekentheyt van sulke heerelijke saken niet opgewekt, en heel gespitsten arrebeydt souden worden; want na den Poëet zeydt,

Ons is niet om zunst gegeeven
Hier op aard in ’t sterflijk leven.


Weshalven soo en moet ghy niet meenen, dat gy sonder groote strijdt der ziele eenige levens onderhoud kundt krijgen, of by u houden. Waer van mits alle boeken van alle gheleerde Luyden vol zijn, en ghebropt door dierghelijcke slagh van vermaeningen, en aenporringhen, zal ick u eevenwel, om dat ick om mijne jaeren te weynigh aensiens, en achtbaerheydts heb, soo om u krachtelijck te vermaenen, [p. 224] en aen te prikkelen, een seer gewichtighe plaets voorhouden, die ik in Xenofon vindt geschreven staen, en die Xenofon bekendt gehaeldt te hebben uyt de schriften van Prodikus: Dees bestaet uyt twee teegenstrijdge reedeneeringen daer de een van de deugdt, en de andere van de ondeugdt is ontfouwen, en Herkules voorgehouden, soo hy sich stondt te bedenken, wat wech des leevens hy in sou slaen, en volgen, die van de wellustigheydt, of vroome dapperheydt, daer dit de sin van is. Als Herkules nu uyt sijn kintsheyt was getreeden, en een vryer was geworden, waer in men soo wijs wordt, dat sulk een jongeling kan bedenken en oordeelen, wat wech hy wil ingaen, of die van de dappere vroomigheyt, of die van de slordige luye, en leedigheydt, soo ging hy tot hy geraekte op een leege, en eensame plaetse, by sich selfs overleggende, en bedenkende, wat wech hy van beyde kiesen sou: Waer-en-tusschen hem twee Vroulieden verscheenen, wat grooter van gedaente, als de gewoone Vroulie vallen, waervan de eene staetig, en burgerlijk van wesen was, onopgesmokt van eenig vreemdt gewaedt, of blanketsel, maer vertoonde niet meer als haer aengebooren weesen, nette suyverheyt blonk haer heele lichaem over, de eerbare schaemte glimsterde haer ten oogen uyt, haer tret was vol zeedigheydt, zijnde voorder in een heel wit, en blank kleedt gedost. De an- [p. 225] dere was een hoopen weytser opgetooyt, en gants geblanket, aengesien haer luyster, en helderheydt van troony meer uyt scheen, als die van eygen aerdt, en geboorte kost wesen: Haer tret ging even als huppelende, en dansende voort, laetende haer oogen aen alle kanten heenfwieren, en gluuren, haer gewaedt was soodanig, dat het haer stal, en weesen seer opsmokte, terwijl sy haer selfs aenschoude, en rondtom heen aen alle kanten haer gesicht liet weyen, om te sien, of niemandt op haer lette, siende selfs te mets eens na haer eygen schaduw om: Na sy Herkules wat meerder genaekt was, stapten sy trots voor uyt, om het eerste by hem te zijn, die sy aldus aensprak. Ik sie wel Herkules, dat gy te bedenken staet welke wech gy in wildt slaen, om u leven daer in te verslijten, soo gy my te hulp neemen wildt, sal ik u wis, en seeker geleyden langs de aldervermakelijkste, en lichtste, die daer is: Geen aentrekkelijk ding en sal daer zijn, daer gy u wil, en wens niet af hebben en sult, en sult hier booven geen moeyelikheyt onderworpen zijn, want gy en sult noch oorlog, of andere sware bedieningen waer hoeven te neemen; Maet sult alleen daer op denken, en dat soeken, waer gy wat lekkerder kost of drank sult mogen winden, of dat geen, dat u oog sal kunnen behagen, of u gevoel, of reuk met eenige aengenaemheyt zal kunnen streelen, of sulke [p. 226] minnetokkelingen sult kunnen genieten, als u hert sal lusten, of hoe gy het makkelijkst sult leggen, en slaepen, en op wat wijs gy dat al te samen sonder eenige moeyten zult kunnen bekoomen. Hoewel u iemandt in vreese voor arremoede soekt te wikkelen, gy hoefdt niet te vreesen dat ik u eenige arrebeydt, of moeyte zal op den hals leggen; want ik maeken zal dat gy die dingen met vreugdt, en vroolikheydt zult genieten, die al ree aen de handt staen gewonnen, en vergaert, door andere mans moeten; soo dat gy u nergens van sult hoeven te spaenen, daer gy maer denkt, dat gy eenige wellust uyt zuldt kunnen halen: want ik maek al die geen, die mijn vlagge volgen, daer mee machtig, dat sy alle dingen wellustelijk kunnen gebruycken. Na Herkules dit uyt hadt gehoort, antwoorden hy aldus daer op. Zeg Vrou-mensch hoe is u naam? Daer sy op fey: Mijn benden en navolgers noemen my de Geluksaligheyt, maer die my lasteren, en haten, noemen my de Luye leedigheyt. Hier na tradt die andere Vrou hem toe, die aldus begost te spreeken. Hier kom ik ook by u, ô Jongeling: want ik kan uwe dappermoedige Ouders, als mede u eygen aardt, en opvoeding; en die doen my hoopen, dat het zal lukken, soo gy my gevolgdt sult hebben, seer achtbare en treffelijke dingen verregten sult, en my hier door veel rugtbaerder by alle menschen sult maken: Ik sal u [p. 227] hier geen lange voorbereyding maeken, die men tot wellust maer verçiert, maer de saek u slechts eenvoudig verhalen, gelijk die waerelijk in der daedt leydt, en hoe de Gooden het daar meede hebben vast gesteldt. Voor eerst moet gy weten dat de Gooden nooydt iemandt met eenig wenschelijk goedt hebben gezeegent, die daer niet sorgvuldig voor en arbeyde: Derhalven, ten zy gy, of de Gooden t’uwer gunst wilt hebben, moet die daer toe sien te versoenen: Of soo gy van andere bemint wilt zijn; moet gy die zelfde met wel daden op u zijde sien te lokken, of zoo ghy van u burgers geacht, en geëerdt wildt zijn, moet ghy u Vaderlandt eenighe bysondere deugden eerst beweesen hebben; of soo gy alle de Grieken tot een verwondering wildt strekken, moet gy dat met uytsteekende daden soeken te bejaegen; of wildt gy dat de aerde u wenschelijke vruchten sal beschaffen, moet gy die vereyselijk bebouwen; of wildt gy Vee-rijk zijn, gy moet haer weyden, en hoeden; of wilt gy door den Oorlog magtig worden, om uwe Landluyden in vryigheyt te helpen, en te houden, en uwe vyanden de voet op de nek te krijgen, moet gy de krijgs-oefeningen, en hare kunsten van die geen leeren, de welke die selfde kennen, en daer-en boven die ook hanthavenen, op dat gy ’t selve weg moogt hebben, en te degen weten hoe gy die vereyslik sult handelen en gebruyken: [p. 228] Wilt gy u lichaems starkten vermeerderen, of in standt houden, moet gy lichaem daer toe wennen, dat sy de reedelikheydt gehoorsaem, en het selfde voorder met groot werken, en sweeten onderhouden. Als de vroome deugt dit had geseyt, viel de luye leedigheyt aldus in hare reeden. Hier siet gy, Herkules wat een rouwe, moeyelijke, en lange wech dees Vrou u aenwijst om geluksalig te worden, daer ik u een korte, effene, en makkelijke aen heb gewesen. Doe sprak de vroome deugt: Och! heylloose, seg eens, hebt gy wel iet goedts by u, en hebt gy ook wel te deeg kennis gehadt van het geene recht soet was, als gy geen moeyten aen wildt wenden, om dat zelfde te bekomen: Gy en gaet nimmer afwachten de natuurelijke trek, die het rechte zoet vereyst; Maer eer de Natuur daer noch na haekt, vult gy u selven tot walging toe, daer mede op: Want gy eet, voor uwen honger, en drinkt buyten uwen dorst, gy vercierdt slechts een hoopen aentrekkelijke sausen om u etens lust die als versturven leydt, op te wekken als ook eenige kostelijke, en smakelijke wijnen, om u drinkens lust gaende te maken, soekende hierom zelfs in de Soomer na sneeuw, en om zoet, en gerust te slapen, spreydt, en schudt gy niet alleen makkelijke bedden, maer diergelijke koetsen, daer ook toe: Gy soekt de slaep slechts op, niet om te rusten als gy moe gewerkt [p. 229] heylig avondt hebt, maer om by gebrek van ommeslag u leege tijdt dus door te brengen. Gy tuymelt, en tommelt in u dartele liefkoseryen, sonder eenige schaemte, of vrees voor deugdelijke wetten; De nachten gaet gy enkel misbruyken, en brengt het schoonste van den dach al slapende door. En hoe wel gy u roemt een Godin te zijn, weet men ummers wel, dat gy uyt haer tal geschoffelt zijt, en swerft nu soo verachtelijk, dat alle eerlijke luyden u verachten en verfoeyen: Waer-en-booven gy nooyt treffelijk gedicht gehoordt hebt, het gheen tot uwer eeren was ghemaekt; Nooyt heeft men iet heerelijks van u vertoondt, om dat gy nooyt iet heerelijks verricht en hebt. Wie sou u valse pry gheloof geeven? Wie zou u wat geeven, hoe graegh ghy het op sou willen raepen? Wie sou onder u rot, en bende willen zijn, die by sijn verstandt is? Wiens jongelingen altemael teer, en slap van lichaemen zijn, wiens oude mal, en gek, die, als sy haer jeugdt in vuyle leedigheydt hebben versleeten, in een ouderdom vervallen, die vol ellende, en rampen steekt: Dan schaemt men sich over sijn verloope leven, en soekt dan met alle moeyelijke swarigheyt nootwendig onderhoudt van sijn verkreupelde jaren. Sy hebben in haer jong, en domme jeugt, het zoet voor sijn tijdt soo schoon afgeplukt, dat sy in haer ouderdom niet en vinden als moey- [p. 230] ten, en onheyl: Maer ik verkeer met de Goden, en by de treffelijkste luyden. Geen der Gooden, of Mensch-rechten iet eerwaerdigs, en uytmuntens uyt sonder my, weshalvende Gooden, en Menschen my alle eer aendoen. Ik ben een Lief, en aengename Hulpsteresse voor alle Ambachts-luy, en Konstenaers, een trouwe Bewaersteres der huysgesinnen, een gunstige Hulpster der huurlingen, en dienstbooden, een vroolijcke Metgesellin in alle wercken, ten tijden van vreede, een vaste Bystantster in alle gevaerelijkheen des Oorlogs, en een gewenste Speelnoot des waere vriendtschaps. Mijn vrienden, en naevolgers trekken de rechte soete wellusten, sonder eenige walging, uyt haer kost, en drank, aensien sy haer naturelijke trek daer toe afwachten: Haer slaep valdt een hoopen aengenaemer, als de luy, en leedige genieten, die sy, als de noodt dat vereyst, sonder moejelijckheeden af breecken, laetende niet nootwendigs om haerent wille staen: Mijn Jongelinghen worden met Ouden haer lof verheugdt, en de Ouden verblijden haer, als sy mijn Jongelingen om haer eer hooren prijsen, en herdenken in haer stok-oude jaeren met alle wellustige vroolikheydt haer eer voltrokke daeden; zonder eenige moeijelikheydt, of weedom, doen sy haer daegelijks werk af, waerdoor sy liefwaerd, en aengenaem zijn voor Gooden, vrienden, en haer [p. 231] waerde Vaderlandt. En als sy nu uyt dit leeven moeten verhuysen, en rusten sy niet in het donker, of als vergeestelingen, maer haren lof sweeft eeuwiglijk door al haer nakomelings monden heen. Dat sal u, ô mijn Soon Herkules uyt u Voorvaderen erfdeel toevloejen, en zult aldus de ware, en vaste geluksaligheit verwerven, so gy geen moeyten noch arbeydt wilt schouwen. Aldus redeneerde de vroome deugt by Xenofon, Herkules niet alleen, maer ook alle jongelingen met soo waerachtige, als doordringende reden aenmanende, om wakker aen den arbeydt te vallen: Hier hooren uwe oore staeg vol van te zijn, en u sluymerende zielen hoorden hier door, eeven als door een Alarmbazuyn, opgewekt te worden, bedenkende, dat dees redeneering van de Rechtschaepe deugdt Goddelijcker wijse in de Mieren haer ommegang staet geschreven, dewelke, soo dikwils gy die sien zuldt, moet u in de zin schieten, het waere Voorbeelt, dat u ten yvere arbeydt stout, dat van Godt hier op der aarde dus voor is gestelt. En even als de Schouspeelen vertoont worden, dat wy met haer exempelen wijser leeren worden, om te kennen het geen meest past: Soo heeft Godt ook in dees Natuur der dingen, verscheyde beschousels voor gestelt, die ons aen souden maenen, het geen onse schuldige pligt vereyste. Derhalven als gy sien sult hoe de Mieren met haer graen aen torsen [p. 232] komen, en het selve voor het algemeen op gaende bewaren, soo denkt dit, eeven als een stemme Godts is, daer gy door wordt aengemaent, dat gy de luye leedigheydt, als een pest sult schuwen, en alle eerlijke werken aen sult varen, daer wy soo voor ons, al wat wy in dit leven van nooden hebben, kunnen bekomen, als meede dat de algemeenschap der menschen zou mogen helpen: Het welke soo gy doen, en nakomen wilt, sal Godt den Heer uwe werken begunstigen, en het gantsche beloop uwer jaren, zegenen. Waer tegen die geen, de welke haer verstrikken laten van de liefde en trek tot luye leedigheydt, en wellusten, sonder sy na de Mier willen luysteren, of die volgen, waer na toe wy van Godt gesonden zijn, eeven als na onse meesters, die mogen vry denken, dat sy grouwelijk sullen gestraft worden, voor dat sy haere Leer, en Tuchtmeesters, jae het gebodt des Heemels, soo schandelijk veracht hebben! Want Godt haet alle luye leedigheyt, want daer soo spruyten geen een; maer verscheyde rampen, en onheylen uyt.

EYNDE.
Continue
[fol. A1r]



[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]



HET WAARE LOF

DES

UYLS,

Aan alle haare ingeschreeve
Uylagtige Heeren, en Liefhebbers.


Door

KOERTJE JUYLE,

Te Glaskou, by Graauaardt Nagten-
rijk, in de Uyle-straat, in Uyladislay,
Koonink van Poolen.

EN

Het waare Lof des Ezels.

Door

JOHANNES PASSERAAT.

[Vignet: typografisch ornament]

t’AMSTERDAM,
____________________
By Samuel Imbrecht, en Adam Sneewater, Boek-
verkoopers. ANNO 1664.



[p. A2v]

Weest wellekom liefste Uyl, weest wellekom goede Heeren,
Met zulk een dappren Lof zoo mostmen u vereeren.




[fol. A3r]

VOORREEDEN

AAN DEN

BOERTMINNENDE

LEEZER,

Mijn Heeren, en Liefhebbers
aller Uilen.
HOe geweldig jeukkig, en jagtig, de eerwaarde oudtheydt staâg aan viel, naa alle eerlijk boert, daar toe mogen ons de Atheniensers alleen, zijnde in alle konsten, en weetenschappen staâg aan uytsteekkende geweeqt, een doorlugtig voorbeeldt, en vaste leer verstrekken: Want wat beleezene en is niet menigmaal voor gekomen: De Attise Geestige bevallicheen, de Attise Zoeticheen, die te mets zoo veer liepen, dat zy om haar bevallicheen zelfs Venus wierden bygenoemdt, en Veneres geheeten: De Attise steekkende schimpjes, die, mits zy de [fol. A3v] beschimpte, eeven als zoudt, in een verse wonde kittelde, of beeten, Sales, dat is Zout, of Zilticheen byzonder wierden geheeten? Dees mogten onder andere gewoonten, haar toegewijde Voogel den Uyl, op grootte zonde en straf niet laaten vliegen, als zy die vast hadden, of andersins zien vliegen, zonder verscheyde boerteryen, en klugten aan te regten; in zulk een vermaakkelijkke waarde hielen zy die zelfde. Als hy aan ’t vliegen is, snotwiekt hy als een Zwaan, jaa slaat te met zyn handen, trots een Draayer, en toont zig in der daadt, wanneer hy zit en rust, met zulke geestige veeren en pluymen verçiert, die hem voor eygen den mildaadige Natuur beschonk, als het oog mag aanschouwen, niet van zulke, die alles met een stuur en een Schatmeesters weezen, en gezigt aan schouwen. Maar zulke, die moe van Studij, of andere zwaare en ernstelijkke oeffeningen, haar uytgesloofde ziel door de aardige geestigheydt van sommige klugtige boortigheên zoekken te verquikken, en te [fol. A4r] vermaaken. Al heeft iemandt al wat moeyelijkheydts op den hals, dees en zal hem geensins lastig vallen; hoewel hy verscheyde maalen onder het schijn van jok, en boert, vry wat ernstig weet voor den dag te brengen: Zoo dat aldus met een, en zelfde doen kan blijkken, en kundigh worden, wat nuts al in hem steekt. Die altemaal van stuk tot beet niet vereysselijk door de fijnste zeef behoeven gezuyvert te worden, veel min, zoo het de Goon beliefdt, door de Spaanse Inquisiesy, ten scherptsten onderzogt, en geoordeeldt te worden. Want wat dolligheydt zou dat zyn, dat wy ons zulk een baldaadige baaly, en Regtbank zouden onderwerpen? Aangezien ons Voogel dan zelfs, door Natuur gemaakt is, om alle vermaakelijkke jok, en boert aan te regten, zonder welke het menschen leeven naaw bestaan kan, zoo vertoondt zy haar hierom ook aan al haar Heeren, en Liefhebbers, om haar, door zyn gezigt, naa alle moochelijkheydt, te vermaakken. Zoo hier naamaals iets in zou moogen sluypen, dat [fol. A4v] naa regt iemandt zou mogen bedriegen of verleyden, of die zelve te naa koomen, en dus ontstellen, hou ik voor herroepen, en gun een laelijkke smeering en kladt daar over. Mijn gemoedt, schijnt my te getuygen, dat al het geen, dat volgen zal, ieder een juyst, in het leezen, niet smaakkelijk nog aangenaam zal vallen, hoe wel wy die met leevendige stem wat vroolijkker zouden hebben aan den dag kunnen brengen, mits haar verhaal vry blyder voor quam; Dog Goedtgunstige en Boertminnende Leezer, aangezien ons Landtschap geen Feniksen voort brengt, zoo laat my dan den Uyl UL. zoo roemrijk voorhouden, dat gy die naamaals in vereyste waarde moogdt houden, en beschermen. Dat gunne de Gooden.

Vaardt wel.

[fol. A5r]

AANSPRAAK
Des Autheurs,
Tot zijn Beminde
UYL,
En alle
Uylagtige Liefhebbers.

MInervaas Voogel, alderheyligste geslagt
    Der Eedler
Uylen, d’wijl ik speel met myn gedagt,
En dat laat schieten in u hoogst verburge wondren,
Die d’oude Eeu u naam ging eygentlijk afzondren;

    (5) Wat stoordt gy dog mijn nagt eer ik heb gewinkt,
    Met dreunent huylen, dat mijn slaap-plaats vast door klinkt.
‘k Lag denkent; hoe gy vast, onder bepluymde dieren,
In schoont, in pryzens waart, in aardige manieren,
    Uytmuntendt zijt, nogtans,
og Arme! weynig lof
    (10) Behaaldt. ’ k Heb al bedagt de reedenen daar of
’t Is ’t plompe graau die ’t doedt, die alles avregts duyden
Nu wil ‘k eens deegelijk, naa waardt, u doen verluyden.
    Al wat van u ooyt dagt, dat menslijk pluymloos goedt,

[fol. A5v]
    Op losse schroeven staat, nooyt hadt haar plomp gemoedt
(15) Gekendt u deugden: Nu zoo moet gy voort bezinnen,
Datmen t’onkundige onmoochlijk kan beminnen.
    Dies zal ik maaken voort, men roemrijk over al,
    Zoo lang gy leeven zuldt, u ieder eeren zal,
Naa ik u deugden zal elk een voor oogen stellen,

(20) Dat d’heele Weereldt van u gloory op zal zwellen,
    Tot onbemeetbre vreugt, van die u gunstig zijn.
    Maak Heeren nu ruym baan! ’k Zal ’t haatelijk fenijn,
Dat uwe oogel queldt, de geestigste der
Dieren,
Die op haar vlerken ‘t ruym der ligte logt door zwieren,
    (25) Roeyen ten wortel uyt, verdrijf hier d’opspraak meê,
    Die tot dees dag, zoo veel, u braafste
Uyl aan deê:
Mits u de waarheyt nu zal anders onderregten,
Waar naa u
Troetel-kindt, bidt gy haar zaak wildt slegten,
    Dat zy by haars gelijk uytmuntends zijn naa waardt,

    (30) Tot zy in d’Heemel werdt gevoert, van deeze aardt,

Vive & vale.

Maakt u vroolijk.



[fol. A6r, p. 1]

HET

WAARE LOF

DES

UYLS,

Voorgedragen, en geschreven aan
alle Uylagtige Heeren en Lief-hebbers.
AAngezien ik voorgenomen heb den Uyl zijn lof alhier te roemen, en te verbreyden, mijn Heeren en beschreven Liefhebbers der zelve, zoo zal ik nu dit werk aanvangen door haar eygen zelfs heylzaame voorspook, zonder omweegen, of anderens hulp; Door dien haar enkel gezigt altoos heylzaam, en gelukkigh is geweest, gelijk de oudtheydt ons door der Athenienser voorbeelden dat leerdt, als meede het spreek-woordt, dat gantsch Griekken door zwierde: De Nagt-uyl heeft gevloogen, dat zy gemeenlijk zeyden, als haare voorneemens en werckingen gelukt waaren naa haar wil, en wens. Plutarchus verhaalde in het leeven van Periklis, dat zoo hy booven [p. 2] aan de hut van zijn Schip, op zijn Kapiteyns, voor zijn volk stondt te reedeneren, een Uyl zijn regterzijde langs gevloogen quam, gaande hier meede op de mast zitten; welke voorbeduytsel ieder een zig aanstondts zoo ter herte sloeg, dat zy hem, in wat hy zeyde, zulk een gelijk gaaven, dat zy haar Kapiteyn oover al beloofden in te zullen gehoorzaamen: Diergelijk beloof ik my teegenwoordig ook, in dees doorlugtige Lofreeden, die ik dees Voogel toe wil voegen, daar ik gantsch geen Pluymstrijkkery in meen te verhandelen (want die kan hy dog niet verdragen) maar alleen de zuyvere waarheyt, die zijn roemwaardigheydt vereyst, houden; waardoor ik hem met eene wraakkelijk verlossen zal, van, alle blaam, en hoon, daar die van onze eeuw, tot nog toe, hem mee mishandelt hebben. Ik en twijffel niet, of het Lof des Uyls, zal veele ongemeen aangenaam weezen, aangezien daar veel, en verscheyde zijn, die zeer met des zelfs natuur oover een koomen: En dit te meer, om die heerelijkke spreuk van Aristoteles, die Prins aller Wijsgeeren, luydende: Gelijk mindt zijns gelijk, weshalven gelijkke graag by gelijkke zijn vergaadert.
    Nu diendt voor eerst uytgeleydt, en verstaan, de oover eenkomst die dees Voogels naam heeft, met zijn ingebooren aardt, en hierom behoor ik daar van te beginnen, [p. 3] door dien die geweldig kan helpen tot de regte en innerlijkke kennis van onzen Voogel: Want, gelijk als Klemens Alexandrinus treffelijk, en wel zeydt: Twee afbeeltsels, en schetsen van de regte waarheydt, zijnder, te weeten de naam der dingen, en des zelver weezen, en innerlijkke aardt, weshalven wy eerst van de naam, en daar naa van de zaak, en des zelfs naatuur, zullen handelen. Hier blijkt het ten eersten, dat veel hier af verscheyde blinde raadtsels, en diesvolgende malle beduytsels maakten. Die met het woordt Uyl loopen al heel naa het Hebreeuse woort Alach toe, dat van een wortel is met het woordt Elochim, bedriegen haar, mijns oordeels: Want wat is Alach anders te zeggen, als Zweeren, Vloekken, Vervloekken? Hier willen zy meeschien de naam van Uyl van daan rukken, om dat die niet en spreekt: Dit volgende, zoo zou men hem ook van lacheloos kunnen trekken, om dat hy niet en lacht van zijn leeven daage: Want aangaande het geen zy voor den dagh brengen van de Chaldaise beteykening van dat woort, dat schreyen zeggen wil, dat zou nog wat slaagen; dog valdt nog al te hert, en getrokken, aangezien dat woordt in die beteykkenis zoo ongemeen is, dat het meer niet, als eens gevonden wort in dat gebruyk: ik wil my liever voegen by die geen, die dees naam leyden van het Hebreeus [p. 4] woordt salax, daar Haelil van daan komdt dat Huyle, en Balke te zeggen is, welk geluyt-slaan dees Voogel aangebooren, en byzonder eygen is, schoon hy ook nog verscheyde geluydt meer slaat; zoo dat hy hier door al de taalen des weereldts eevenwel schijndt te kunnen, en met een uyt, die ik met dees naamen by verscheyde Natuurkenders vindt beschreeven: zijn eerst geluyt noemen zy Ullilu, van Huylen, Kukuhu, als men hem ook byzonder hoort doen, als ook Tutuhuwen, daar Plautus zijn gezogt woordt Tutu van trekt, dat Hezychius zijn woordt Tyto ook van rukt, en wie zal my nu zeggen, tot wat taal eygentlijk al die vreemde woorden alleen hooren? Al dat geluydt maakken gaat schier eeveneens, als de menschen doen, en uytten, wanneer zy ongemeen koudt zijn, of als de Bachanten schreeuwen, en tieren, met haar Eleley: En van het Grieks woordt Eloluza, komdt het Latijns woordt Ululo, en Ejulo, daar wy op ons Duyts buylen van maakken. Het is wonder, en zoo moetmen het agten, dat dees saamen-klank van woorden, in al die eygenen en onvervalste taalen, altoos zoo eens, en onveranderlijk is gebleeven, dat men tot nog toe alleen agt eygen geweest te zijn aan het woordt, Zak. Dat wonderteykken betoondt klaar, een zeer goede geneegentheydt tot dit dier, die het zelfde [p. 5] hoopt, en vast betroudt, mijn Beschreeve Heeren, en Liefhebbers van al ’t Uylagtig goedt, dat nog tegenwoordigt fijnwaarts in u huyst, en by u versterven zal.
    Maar ey lieve ziet nu eens, hoe dees Voogel op het aldernaaste over een komdt met het menschelijk vernufts en verstandt daar het meer menschelijk klaagen, en huylen zoo net kan naa volgen: Hoewel Alcibiades zijn Lier weg smeet, om dat die eeveneens kost een geluydt maakken, of het een mensch dee: Niemandt en zal nogtans daarom geraadtsaam agten, datmen den Uyl ook zal weg werpen: Want de Reedenaars en Poëeten voegen wel duydelijk doorgaans in haare werken den mensch het huylen toe; weshalven de Vaader der Romeynse welspreekkendtheydt, aldus van een zeekkere brave Musikant zeyt: dat hy met een huylende stem begost te zingen: En Lukanus zeydt van de meedoogende Burgery:

        Doe ’s Leegers Roof wierdt om geleydt.
        Huylden elk een in vroolijkheydt.

Virgilius digt dus van zijn Bachanten:

        Terwijl de een’ aan ’t pooye zaaten,
        Liegen d’aâr huylen langs de straaten.

En op een ander plaats:

        Het Vrouwe schreeuwen onder een,
        Klonk huylendt, door de huyzen heen.
[p. 6]
    In onze Voogel zit een wonderbaarelijkke vernufte gaauwigheyt, daar zy mee naa kan bootsen de gemeene stem, het zingen, het weenen, en het schreyen der menschen: Wie en ziet nu hier door niet, dat die zelf de alleen eygen, en byzonderlijk de Natuur der menschen het aldernaaste komdt, weshalven die spreuk des Digters op haar slaagdt:

        Zy bootst die wijze weedergaa,
        En waarelijkke woorden naa.

    My is zeekker niet onbewust dat Plato, en Aritosteles zeggen, dat den Haay of Krokodil, alzoo menschelijk is, om dat die het geluydt, jaa zelver het braakken van een mensch naatuurlijk naa kan aapen. Dog dat en heeft zy niet eygen, en aangebooren, als de onze, maar is dat een vervalst geluydt by haar alleen vercierdt, en bedagt, tot een jammerlijk bederf der menschen. Die zelfde schryvers verhaalen voorder, hoe dat dit zelfde dier, Omtrendt de Herders hutten komdt waaren, laatende daar een menschelijkke stem hooren, jaa leeren iemandts naam noemens waar door zy hem buyten lokkende, die dan verscheurt, de menschen haar braakken volgdt hy daarom naa, om de bonde gaande te maakken, die hy met eene daar door verslindt. Het geluydt, dat dees onze voort brengdt, heeft hy van Natuuren, die hy staag en overal onver- [p. 7] anderlijk behoudt, zonder daar eenig mensch door te quetsen, of te beschaadigen, de welke, schoon hy geen mensch en is, moet men dit eevenwel denken, dat alle menschelijkheydt niet uyt hem versturven, nog verbannen is. Onderwijl bid ik, UL. Liefhebbers, dat gy zoo onmenschelijk niet zijn en wildt, dat gy diergelijk, of al zulk geluydt nu niet meer Wolfagtig wildt noemen, om dat het spreekwoordt juyst luydt, met de Wolven moet men huylen: En geloofdt vry, dat men dat woordt den Wolf zijn geluydt, niet anders als Prekario, als men zeydt, en tot Naarder order alleen heeft toegevoegdt, om dat hy eeven u Wees, die u zorgvuldige voogdy aan is bevoolen, een weynig naa kan volgen. Zijt gy nog zoo rou, en onervaaren in de Histoory der Scheppingen, dat gy niet en weet, dat den Uyl, voor den Wolf geschaapen is? U Lieden en moet dan niet buyten-spoorig lijkken, dat men dryfdt; dat ieder slag van dier zijn naam is toegevoegdt, naa ’t ordentelijk begin, en vervolg haarer scheppingen, en naa de order, volgens welke zy geschaapen zijn, dus is ook voor ieder een zijn byzondere naam hem op gekoomen. Maar dit moet gy nu ook met my weeten, dat sommige braaf dryven, en met een treffelijkke sluytreeden vast is te maakken; te weeten, dat ieder Voogels eygentlijkke stem ouder is, als [p. 8] haar naam, en dat de meeste Voogels, die, na ’t vervliegen van de uytgelaate Raaven, uyt de Arke des Zundtvloedts vloogen, haar naamen naamaals van haar byzonder geluydt kreegen, eeven als de Koekkoek van zijn Koekkoekken, de Spegt van zyn Spegegten, den Kraay van zijn Kraayen, &c. zoo den Uyl van zijn Huylen, het welk men hem reekkenen moet tot grootter eer, en Gloory, minder niet, als die naa haar by zonder Lachchen by wierden genoemdt, eeven als Demokrijt, of liever een ander Siciliaans Koonink, die hierom Lach heete, gelijk dees naa zijn byzonder, en natuurlijk Huylen Uyl. Buxtorsius merkt aan, dat den Uyl zijn naam getrokken is, van het Hebreeuse woordt sahanech, omdat het zelfde zoo met zyn geluydtmaakking oover eenkomdt: welke aanmerking gy, Beschreve Liefhebbers, zuldt gelieven niet te los, en veer te verwerpen; want op alles wel gelet zijnde, klinkt zijn geluydtmaakking al schier zoo eeveneens, die in een stondt ook zoo verdubbeldt wordt, jaa tot dry, en meermaalen agter een, wordende met een wonderlijkke weergalm terug gekaatst, op dat Poëets deuntje:

        Lijk als iemandt schreeuwen zou,
        Hou! daar Arethuys, Hou! Hou.

    Wat is daar liefelijkker, en zoeter als [p. 9] een Echo? Wat kan men het Oor aangenaamer verschaffen, en wat kan daar vroolijker bedagt worden? Ummers staan die geen, die van haar niet en weeten, geheel of haar wonderen haar verstommen doen, houdende haar t’elk een treê schier staande, om op ’t naaukeurigste te hooren, wat daar voor den dag zal koomen, gelijk Ovidius dat ongemeen aardig in zyn Narcissus vertoondt. Tot meerder waardigheydt, en agtbaarheydt van dees naam, komdt dit ook nog, dat die een heele Italiaanse Stadt haar naam gegeeven heeft, te weeten Ulabra, of men Ulurba wou zeggen, dat men regt Uyle-stadt verduytst, om dat haar daar, en daar omtrent, ongemeen veel Uylen onthouden, die nog ontsterfelijk is, door dien die onvergelijkkelijkken Augustus daar wel eer gebooren wierdt. Wie weet hier van Horacius Deun niet:

        Daar ’s Ulibris, indien u niet
        Het billijkke gemoet ontschiet.

    Nog ik en kan niet bedenken, waarom Petronius Arbiter meer stoft op zyn Kerpers, als wy op onze Uylen, hoordt hem dog eens, en lagt dan met my om d’aantrekkelijkke aardigheydt, en scherpzinnigheydt van die Goddelijkke man, wiens woorden ik hier op het Latijn gedwongen ben by te zetten, om de Nieusgierige haar regte geestigheyt [p. 10] voor oogen te houwen, die in het Duyts niet vlooten, nog volgen wil, Ad Carpum, qui dicit, Carpe, eodem verbo vocat, & imperat: dat is, die tot den Karper, Karper zeydt, roept en gebiedt het met een woort: Dog diergelijk kunnen wy van onzen Voogel, met een hoopen meer çierlijkheyt zeggen, en veel minder moeytens, als wy het woordt Uyl slegts stellen; voor zoo veel het Huyl bereykkendt, kunnen wy dan daar niet dry dubbel meê handelen, voor eerst, hem zyn enkele naam geven, ten tweeden hem roepen, ten derden hem gebieden, dat hy Uylen of Huylen zal. Voorder so men alhier den Letterdans mag maakken, met de eene letter voor den ander te stellen, zoo mag hier onzen Voogel zig zelven met de Hebreeuse naam Allelu noemen, dat zoo veel is, als, tijdt aan het looven, zullende met een zyn eygen lof gebieden; het welk zeekker wat netter voegdt, als verscheyde andere belachchelijkke uytleggingen, die sommige Outvaders van dit zelfde woort, en naam maakken, by naamen als zy daar een Jach agter aan lappen, zeggende, en schryvende Allelujach, daar ik hier nooyt van en repte, zoo ik het zelfde om onze Uyls wille niet en dee. Dus leydt Heronymus dit woort uyt, met Alle, het welk beteykent een Schepsel, Lu, Looft, en Jach, den Heer: Maar Ambrosius zeydt, Alle beteykkendt Ligt, Lu de Deugt, en Vroomicheydt, en Jach het Leeven: [p. 11] Augustijn wederom, leyt Alle maakt zalig uyt, Lu my, en Jach Heere, en Chregorius ten laatste, wil Alle, den Vader te zeggen is, Lu den Zoon en Jach den Heyligen Geest. Door dien zy daar by gelijkkenissen spraakken, daar zy enkel op aan leyden, moetmen haar alles wel vergeeven. Maar nu zullen wy vry wat treffelijkkers zeggen: Indien wy op de wyze der Taal-Meesteren, Rabynen en Heylige Vaaders eens een uytleg willen maakken van al de letteren in het byzonder, die zyn naam op het Latijn maakken, en van ieder weederom zoodaanig een woordt, als het zelfde byzonderlijk begindt, zoo zullen wy een lof-reeden daar door vinden, die alle andere Voogelen zal te booven vliegen, dat zeekker zonder wonderbaarelijkke verburgentheen en Misteryen niet in zyn werk zal gaan; daar wy den ouden Raadtsel-ontwinder Oedipus geensins van nooden toe zullen hebben: Raadt eens iemandt vry eerst voor af, en zie hoe naa hy my kan koomen: Dog om u dat te moeyelijk raadtsel ontknoopen te ontneemen, zoo luyster eens scharp naa my toe; Nu eerst van het Latijns woordt Ulula, zulk een Latijnse uytleg gemaakt, om daar door te zien, hoe veer wy het met onze Duytse zullen kunnen brengen; Dit woordt dan luydt, Ulula, waar van de eerste letter by my zal beteykkenen [p. 12] Volucris, de tweede L. Lepida, de derde U. Vera, de vierde L. Laus, de vijfde A. Avium, het welk te saamen is Volucris Lepida Vera Laus Avium, en te zeggen, Voogel vol Arrigheydts, waare lof der Voogelen: Daar wy met ons dryletterige Uyl de minste by niet willen zyn, en ieder te bedenken geeven, of wy ook niet treffen, als wy zeggen dar V. Van, Y Ydelheydt, L. Leedig beteykkendt, zynde hy aldus van ydelheydt leedig, om datmen onder alle Voogelen niet een en vindt, daar de ernstelijkke bezaadiging zoo vol in steekt gepropt, dat geen ydelheydt daar plaats in vinden kan, gelijk dat breeder hier naa ter bequaamer plaatse blykken zal. Zoo nu iemandt van U L. Heeren en Liefhebbers zijn, die my pordt en aan staat, dat ik dees, zoo Latijnse, als Duytse, zoo korte, als bondige roem-reeden stellen zal, tot vulling van het Tijtel-bladt, om het werk daar door te smaakkelijkker te maakken, ik beloof u, dat ik daar niet zal teegen streeven. Maar eevenwel, gelijk als Venus niet altoos, en oover al, een en zelfde naam en heeft, nog Pallas ook, zoo moeten wy zeggen, zoo wy de waarheydt bekennen willen, dat het met onzen Voogel ook is geleegen, aangezien men haar mee gemeenzaam genog Nagt-uylen, men Nagt-Raavens noemde, en dat om de Nagt, by welckers tijdt hy gewoon is te vliegen, [p. 13] en zig te laaten hooren. De Natuur-kenners brengen hier tweederley reedenen van voort, zijnde de een haare Graauwe Oogen, daar zy Graautjes van de Griekken om byzonderlijk worden genoemdt: Hier komdt het haar van daan, dat zy by dag weynig, of niet kunnen zien: Want Graauwe oogen vallen by dag donkerder, en by nagt klaarder, volgens die geweldige onderzoekker der Natuuren, Plinius lib.11.Cap.32. Dees graauwigheyt van Oogen en heeft onzen Voogel niet alleen gemeen met sommige Paerden, en Leeuwen, die men door den bank Glaaze-Oogen, dat is, Graauwe Oogen toe schryft, en wy Glas Oogen met eene noemen; Maar ook gelijkkelijk met haaren Minerva, de welke hierom van Homeerus, en Hesiodus byzonderlijk by wordt genoemdt de Blaauw, dat is, Graaugeoogde Minerva, om dat zy zoo graau, en blaau van oogen valdt, daar zy met een roemrijk oover gepreezen wordt. En dat is die Goodin, die de Weereldt, met een groot toejuygen van Heemel, en Aarde onzen Voogel voor eeuwig, als eygen schonk, en opofferden. Maar wat was dit voor een Goodin? Die geenen die zeekker wyzer was, als de andere Gooden en Goodinnen, volgens het waaragtige getuygen van Jupiter zelfs, naa het geen Phedrus dus ongemeen aardig in zijn Fabelen Digt:
[p. 14]

        De Gooden koozen naa begeer,
        Elk een byzondre Boom wel een,
        Die zy haar eygen wilde zijn:
        Dus koos den Eyken Boom Jupijn;
        De geurige Myrth koos Venus uyt.
        Als Fobus zijnen Lauwerspruyt:
        Daar Cibete de Pynboom koor,
        Nam Herkules den Poppel voor;
        Minerva heel verwonderdt stong,
        Als elk naa een vrugtbre dong,
        Die, als onweetendt, vraagde, wat
        Voor inzigt ieder Godt hier hadt:
        Waar op Jupijn den Antwoordt deê,
        Dat d’agtbaarheydt der Goôn, niet leê
        Dat men die bondt aan Boom haar vrugt:
        Hier op sprak Pallas wel bedugt:
        Men praat my wat my wil slechts voor.
        De vrugt deê, ’k mijn Olijfboom koor.
        Jupijn hier op: Mijn kindt, gaat heen,
        Voor wijs wordt gy geroemdt met een:
        Want is ons Gloory niet verzeldt
        Met nut, is zy slegts mal gesteldt.

    Hierdoor en is het niet te verwonderen, dat zy wyzer is, als haar Vaader zelver, te meer, door dien zy gebooren is op de eygen plaats, daar des zelfs wijsheydt ruste, en uyt het gereedschap, daar zy haar werken meê verregte, te weeten, uyt Jupiters breyn, en hersenen, als die zelve door Vulkanus Bijl geoopendt waaren, zoo quam zy daar gewaapendt uytspringen: Weshalven zy niet alleen gehouwen wordt, en gevierdt voor de Goodinne, en bestierster van de Wysheydt, en Konsten; maar ook van [p. 15] de Wapenen. Alhoewel die Letter-meesters en woorden zifters niet heel bint en waren, als zy Caesar van zyn Caesius Oculis, dat is, Graauwe Oogen, aldus toegenaamt, reekenen, soo kan die grooten Monarch door dees zyn duydelijke toenaam meer niet weezen, als onze Uyl gelijk, als meede zyn waarde naavolger Augustus, door dien die beyde graauwe Oogen hadden, zoo dat men nu den Uyl byzonderlijk mag afschilderen, en kennen aan zyn graauwe Oogen, alsoo wel, en treffelijk, als wy tot huyden het regte Kayzerlijk geslagt, aan haar krom gebochelde neusen. In wat een byzondere waarde, en agtbaarheyt de graauoogde Paerden gehouden worden, is naau de pyne waerdt alhier te verhaalen, aangezien daar moochelijk niet een onder UL. en is, die buyten twyfel niet en weet, dat zulke verscheyde voorregten hebben, zelfs in die barre Zondt (daar men dikwils swaare tollen van alle ding moet betaalen, by naamen als zig den Deen, om gelt, tot eenigen Oorlog uyt te voeren, benaaut voelt) die eevenwel blyven gestaadig Tol-vry, en gaan daar zoo voor oover. Al hadt onzen Uyl voor zyn Graauwe Oogen nu alsulke, of weer andere, als dat zyn mogt, zou die eevenwel by daage blintagtig zyn; aangezien de Natuur-kenners nog een andere oorsaak voortbrengen, waarom die by daag zoo quaalijk ziet, en dat is, De byzondere [p. 16] drooge, en dunne zelfstandigheydt, de welke in die vogtigheen zit, die den Uyl zijn Oogen vullen, die zeer ligt verdwijndt, en eeven als uyt wordt gedoofdt, door het vuurige ligt des dags. Eeveneens, als de Starre verflaauwen, en verdwijnen, wanneer de Zon haar komdt te naaderen. Voorder, gelijk dikwils tusschen de Menschen, en Voogelen groote naa-maagschap, jaa eeven als Bloedt-verwandtschap is geweest, zoo zyn hierom ook dikwils de gebreekken der Menschen, de Uylen toegeschreeven en aangewreeven, hoewel heel onschuldelijk gelijk als in Nyktimene bleek, de welken, als die haar te schendigh hadt verloopen, wilde men dat onzen armen Nagt-uyl wyten, volgens Ovidius getuyge, luydende:

        Nu schout zy ieder eens gezigt,
        Nu schout zy ’t aangenaame ligt,
        En zoekt te dekken dus met een
        Haar schaamt, en schandt door donkerheên.

    Hier door men ook zou kunnen dryven, dat den Uyl, om de schaamte met een, des daags ook niet en ziet, waar in gy Beschreeven Heeren, en Liefhebbers nu met eene moogdt zien, die byzondere Zeedigheydt, en eerbaare schaamte, die in u troetelkindt huyst, die veer al die geen oovertreft, wiens weezen nergens eenig teykken van [p. 17] schaamte uyt haar schiet: daar onze, en de uwe ook, zelfs in andere mans schande wel roodt wordt, zoo datmen op de heldere middag zyn oogen naau durf op slaan. Het zy dan wat het wil, dit en kan altoos niet geloochendt worden, dat onzen Voogel by daag zeer swak van gezigt valts, daar men ziet, dat de Uyl haar gezigt by dag, eeven, als bot, en plomp is, by gelijkenis gesproken, by die men daar scherp van bynoemdt volgens Eliaans getuygenisse in het 3. Boek 9. Hooftst van de Natuur der Dieren. Waar en booven wy niet verwerpen en moeten die reedenen, die wy eeven te vooren naa, de drift der Natuurkenners, by bragten. Hier en valdt eeven wel niet uyt te besluyten, dat onzen Uyl maar een Lantaern zonder ligt is, of een ligteloos stukke vleys van een eenoogde Reus, die men dat eene oog uyt heeft geboort; gelijk Dema Alexanders Leeger plagt te noemen, en te vergelijkken naa die oovertreffelijkste Veldt-ooverste, door de dood, daar uyt was gerukt: Hou slegts goede moed, mijn Heeren, en Liefhebbers, u waarde Wees, en Troetel-kindt is van die Voogels een, die men Nagtkijkkers noemdt, met welke enkele naam die braaven Martiaan Kapella hem al zijn eer weederom geeft: Dus ziet gy hoe zyn nagt-gezigt zyn daagse scheemeragtigheydt rijkkelijk boet, en betaaldt, waar [p. 18] van hy ongemeen begaafdt is, jaa zoo treffelijk, als men roemen mag met Horacius:

        Geen Aarendt scherper ooyt en zag,
        Of Draak van Epidaurus slag.

    Zoo dat hy niet alleen, by ligtelooze, dog starligte nagten, maar ook als by gebrek van Maan, de donkerheên op het dikste neder storten, zyn gezigt nog zoo ongemeen doordringende is, volgens Eustachius getuygen, dat geen Lindtworm haar oovertreft, hoe tintelende en glinsterende oogen die ook hebben mag, zoo dat regt hier op sluyt:

        Dat zijn gezigt,
        Als Nagt-lamp ligt.

    Latende so een maar heen blaffen, die wil leggen te keffen, dat hy dan naauwelijks sien kan, door dien zyn middel-plaats, daar zyn gezigt door moet speelen, dan heel aaveregts is gestelt, zynde de lugt dan onverligt door de Zon, of Maan zyn straalen, dat nootwendig vereyselijk is, zullen de oogen haar vereyste werkingen doen: Aan gezien men weeten moet, dat dit slegts zoo gewoonlijk toe gaat, met de menschen, en andere dieren, waar van onze Voogel om een heel ander, en verscheyde maaksel haarer oogen, van Natuuren weege uyt is [p. 19] gezondert, wiens gezigt, niet waarschijnelijk, maar ook zeekerlijk, en wis moet toe gaan, door het uytschieten van eenige zienelijkke, en kennelijkke straalen, die hy zoo by nagt uyt zijn oogen schiet, dat hy alle donkerheydt des zelfs daar meede door booren kan, en geraakt op zijn alderverste ontwerp, zoo klaar, of het zelfde ons by daag helder voor d’oogen stondt, tot welkers bevesting Avicennas treffelijk spreekt: Het ligt, zeydt hy, wort alleen vereyst om ’t ontwerps halven, en niet om het midden (dat is de Logt) daar het gezigt door heen moet speelen. Hierom heeft zy des nagts geen ligt, nog kaers, nog lamp van nooden, om des nagts donkerheydt te verligten: Want hy is zyn eygen ligt, en helderheydt in alle duysternissen; waar in hy de eerste oorspronk der Natuuren aardig naa volgdt, als men leest: Dat het Ligt uyt de Duysternis voort quam, de oudtste Dogter Godts onder al zyne Schepselen. En in dit deel is hy veel gelukkiger, als zulke menschen, die Plinius Noktylopas noemdt, de welke zoodaanig zyn, dat zy by daag treffelijk genog zien kunnen: Dog als het donker aavondt, of nagt is, dan scheemeren zy laalijk, jaa worden dan heel blindt; of als ook die geen, die sommige verhaalen, zoo veer om de Noordt woonen, dat zy bykans met de voeten teegen ons aangaan, die haar schryvers de Lantaernige [p. 20] noemen, hebbende voor een gewoonte by dag te slaapen, en by nagt te waakken, en te werken, wanneer zy gestaadig met de Lantaarens in haare handen loopen. Bedenk u teegenwoordig eens wel, gy Beschreeve Heeren, of om dees oorsaaks halven den Uyl niet te noemen en is, de aldergeluckigste van alle Menschen, die by alle nagt, en donker, ten minsten eenig gemaakt ligt van nooden hebben, willen zy te deeg haar werk, of andere konstiger oefeningen voltrecken? Van dees Natuuren dwang, waaren onder de Menschen seer weynig bevrydt, en geen schier andere, als den Keyser Tiberius, en twee van die doorlugtige Schaligers. Tiberius aangaande, daar verhaalt men van, Dat hy zeer groot van Oogen was waar meede hy, tot een wonder, des nagts ook zien kost; dog voor een korten stonde maar, welke Nagt-gezigt in die dan maar was, wanneer by des nagts uyt zijn slaap ontwaakte: d’onze hier tegen aan, kan onweederstaanelijk den geheele nagt deur helder, en klaar sien. De Schaligers aangaande, en haar nagt gesigt, ieder een gelooft wel dat die soodaanig was, behalven Schoppius, die daar aldus van schryft: De Schaligers kosten zoo wel in het midden van de nagt zien, als andere in de scheemer-aavondt; dog dit t’aller tijden niet, nog ook haar geheele leeven door. Den Uyl hier en teegen kan den geheele nagt door sien, al valdt die nog soo [p. 21] lang, jaa zou die, naa mijn geloof, door kunnen herden, daar den grooten Herkules ingeteeldt wierdt, die soo lang, als geheele twee andere viel: Jaa men hoefde het voor geen wonder te reeckenen, soo hy selfs sien kost in de Egyptische Duysternisse, hoewel hy van der Iooden Stam niet en was. Die by geluk des nagts al wat sien kunnen, moeten eevenwel, sullen zy wat nets verrigten, eenig gemaakt ligt, of een Lantaern gebruycken, weshalven men nog alle nette werken,die soodaanig zijn, dat zy tot haar voltrek meer tijdts, als den helderen dag van nooden hebben, en men gemeenlijk noemdt, Nagt-braakkingen, naa het Latijns woordt Lucubrationes, waar de Lantaern of Lamp vereyselijk toe te pas komdt, die meer Oolijs, als Wijn verteerdt, gelijkmen dan van Demosthenes verhaalde. De oovertreffelijcke spreuk van Pijtheo gaat nog in swang, die Plutarchus, en Eliaan naaukeurig aanteyckenen, die luyden dat zijn Schriften heel oolyagtig rookken; hierom, door dien hy des nagts, dat by de lamp lag te schryven, dat hy des anderen daags te zeggen hadt. Aulus Gellius verhaaldt hier en booven van zijn Attise Nagten, dat hy die selfde haar naam soodaanig gaf, door dien hy die selfde bewerkten, en voltrok in de Winterse aavonden, wanneer hy in het Attise Velt huys hiel. Wat onkosten gy nu, myn waarde [p. 22] Heeren, besteet, om uwe gestaadige Nagt-braakkingen, soo als voorhaaldt, gaande te houden, wiens loon den Druk-pars geensins, of al te schraal betaalt, om dees tijdt bynaamen, waar in de Ooly, of Kaarssmeer, tot sulk een onmenschelijcke dierte is gesteegen, naa gy het selfde in u soo geschikt, als wijs huyshouden, wel gewaar wordt, en dat niet sonder uwe grootte schaade. Og! oovertreffelijcke voor-regten mijnes Uyls, die hierom, dat gy een Nagtvoogel zijt, al dees nagt-kosten, makkelijk kunt derven, het geen u lettertal, en reeckening, naa al haar diepzinnigste verburgentheên eeven te vooren naa vereysch uytgeleydt, nu uyt u Latijnse naam Noctua eeven treffelijk getrocken, en bereeckendt, kan worden op dees Latijnse manier, Noctu omnia cernens tenebrosa, visu acuto, dat is: die des Nagts alle donkere dingen zien kundt met een scherp gezigt, daar wy ter Uyler eeren op het Duyts nu naa behooren op pypen. Zetten wy nu ook Nagt-uyl, en trecken wy daar nu dit eens vereyselijk uyt, Noyt agt gy trek van ydel ligt, om dat gy ummers het selfde niet alleen nooyt gebrek en hebt, maar op het mackelijkste het selfde missen kundt; voegt het knippelvaers hier nu niet in:

        De naam met haare zaak gemeen,
        Die koomen dikwils oover een.

[p. 23]
    Hier siet gy nu Beschreeve Liefhebbers van al het Uylagtige goedt, hoe verscheyde, dog hier niet ondankbaar by, de Natuur haare gang, en swier neemdt, bynaamen in het bysonder schicken, en stellen der Voogelen, dat zy die selfde niet alleen een vast, en seeckere tijdt gesteldt heeft, daar zy haar oogen in kunnen gebruycken, maar ook tot het reppen en roeren van haar tong, waar door zy soodaanig, als zy sommige maacken, dat zy altoos kosten sien, daar teegens weederom stelde, die altoos kosten singen. Zoo maacken de Haanen haar geluydt voor dou, en dag, de Zwaaluw met het kriecken der zelve, de Kreekkels met den middag, de Uylen met den aavondt, en de Nagt-Uylen by de nagt: Even als dees Voogelen haar verscheyde tijden hebben tot haar zang, hebben zy ook haar bysonder en verscheyden geluydt oover haar. De Hanen Krayen helder op, om iemant des morgens vroeg wacker te maken, de Uylen huylen droefen náár, om des aavondts iemandt eeven als in slaap te sussen, de Kreekkels gillen, of zy den middag ieder van de slaap wilden weeren, de Zwaluwen koomen liefelijk piepende aan, om soo een eerst opgewekte in behoorlijcke lustigheydt meer aan te moedigen. Dees Nagt-voogels, die ik daar stel, of die omtrent de nagt haar bysonderlijk laaten hooren, moetmen daar- [p. 24] om niet stellen onder die dag Voogelen. Want wie, mag ik u verbidden, overtreft in dien geheelen hoop de Nagtegaal, een kleyn diertje inderdaadt, maar stark van geluydt-maakking, en het geen een wonder, en sonderlijk vermaak neemdt in de Muzijk: Dees sluyt dan eens lang en langsaam op, dan singdt die eens drayende voort, dan laat hy zijn stem eens grofjes daalen, dan verheft hy die eens schel, en fijn, dan lijkt zy gaaf, en mildt, breekkende eevenwel bot in het midden af; en in dit afbreecken, steekt hy ten onverwagt te weederom op ’t aldervinnigste aan. Te met staat hy of hy vol gedagten in zyn selfs preevelde, waar hy kort aan met een volle stem uytbarst, die te mets grof, fijn, ras, langsaam, draayende, &c. voort gaat. Tot slot, wat ergens Muzikaal kan zijn, en het menschelijk vernuft, met alderley slag van Pijpen en Blaas-instrumenten kost bedenken, steekt in soo een kleyn een strotje, en een lijfje dat naau een vinger lang is. Dees singdt ook by nagt voornaamentlijk, waar van die ook de naam van Nagtegaal kreeg, die de Latijnen Luscinia noemen om dat zy met, jaa voor het kriecken van den dag singdt. In wat waarde ook gehouden worden de Kreekkels, en de Sprinkhaanen, wie is onder u, die het selfde niet en weet? Dit bloedeloos goedt blinken des nagts maar [p. 25] wanneer men haar alleen kan zien. Wie is nu soo dol, en uytgelaaten, dat hy de Maan veragten zal, door dien die alleenig by nagt schijndt. De tyden hebben haaren beurdt, en alle dingen haare wisselende veranderingen. Alle schepselen is haaren tijdt gesteldt, zoo tot haar zien, als tot haare werkingen te verregten. Dat meer is, de Atheniensers zelfs plagten ter eeren van Pallas, en haaren Voogel, volgens Ciceroos verhaal, Haar offerhanden, tot haarer eeren, by donker, en des nagts te pleegen. Zelfs hebben de Ouden Venus (om altijdt niet te bedde te leggen woelen, en wentelen, van alle braave wijsheydt afgetoogen) Venus zeg ik, hebben zy selver de Nagt-lamp, en Nagt-braakster bygenoemdt, om dat, volgens haar oudt Vers:

        Die Arrige, bemindt het donker,
        Meer als de Zon haar klaar geslonker.

    Aangaande nu het Vaaderlandt, van onzen Uyl, daar en zullen wy, Beschreeve Heeren, zoo herden twist niet mee hebben, als wy met het regt opsoecken, en uytleggen van des zelfs naam gehad hebben; jaa niet half zoo veel als wel eer zeeven heele Steeden ooverhoop laagen, doe ieder die wilde weezen, daar in Homerus zou gebooren zyn, volgens blijk: [p. 26]

        Om d’eer Homeerus Stam eer streeden,
        Dees zeeve volgende Steeden:
        Smijrn’, Argus, Koloson, met een
        Rhodus, en Chius, en Atheen,
        Met Salamijn.

    Want het is klaar, dat die gantsche landtstreek, daar die voornoemde steeden in laagen, het eygen, regte, en waarde Vaaderlandt was, van onzen Uyl, soo wy moochelijk eenige weynige plaatsen daar uyt willen pikken: derhalven en kanmen geen byzondere plaats vast stellen, daar die eygentlijcker afkompstig weesen sou, daar hy Sokrates, de alderwijste der Menschen die in zyn eeuw leefden, niet veel ongelijk in is, die, als Cicero verhaaldt, gevraagdt zijnde, waar hy geboortig was? Antwoorde, in de Weereldt: Want hy beelden zig vast in, dat hy een Inwoonder, jaa Burger vande geheele Weereldt was: Waar en boven hy ook Diogenes niet quaalijk en slagt, die gevraagdt zijnde, Waar zijt gy van daan? Antwoorde, Ik ben oover al van daan. Die nu op zyn groot Reedenaars het lof te deeg verbreyden wou, dat zoo groot, en geweldig een Vaaderlant iemandt voor roemrijk aan kan brengen, wat zou dat dog, anders zyn, als, met den Keyser Augustus, de heele Weereldt te willen beschryven? Zyn huyzingen, en vaste verblijf plaatsen, die heeft dees Voogel verscheyde, en [p. 27] byzondere willen kiezen, houdende ongelijk meer van de eene, als de andere plaats: Want naa Plinius, en Eliaans schryven, zoo en wordt hy nooyt in Kreeten gebooren, of brengt men hem aldaar uyt andere gewesten oover, dat by in kort sterfdt, jaa dat hy Kreeten zoo haast, niet en ziet of daar mee den Geest geefdt. Maar reekken eens met my, gy Liefhebbers van al het Uylagtige goedt, wat de onse by dat Volkje sou doen, die de laatste waaren van die geen, wiens naamen van een K. begosten, en daarom volgens de Oude Kaïsten genoemdt wierden; volgens luydt van dit Vers:

        De alderergste der Kaïsten,
        Men eer de Kappadoocers giste,
        De Kares, en Cilieers meê,
        Daar Kreeters vinden ook haar steê.

    Die te saamen om haar ingeboore gebreekken, vol schelmery, loogens, dartelheeden, wellusten, en verscheyde diergelijcke meer, die ik hier willens ooverslaâ, staacken, en daarom een geweldige laelijcke naam oover al hadden, de welke, den Apostel Paulus dieshalven zeer berispt en blijkt nog klaarder uyt haar eygen Poëet Epimenides, als hy zeyt:

        Een Kreeter maar van liegen weet,
        Een snoô beest, dat maar zuypt, en vreet.

[p. 28]
    Welke getuygen hy kort daar aan zelfs zoo staafdt, dat aan zyn waarheydt geen twijfelen meer en valdt, weshalven de Griekken Kretizeeren noemden, als zy het laelijk liegen, en bedriegen wilde beteyckenen: om dat zy halsstark dorste dringen, en door sogten te dryven, dat by haar het graf nog was te vinden, daar Jupiter in begraaven lag, volgens dees Verzen van Kallimachus in zyn Leys aan Jupiter:

        De Kreeters regten op, ô Heer!
        Een graf tot haarent, t’ uwer eer,
        Daar gy in eeuwig leeven blijfdt, &c.

    Maar onsen Uyl is geheel suyver, en vry van sulke gebreecken: Weshalven hy niet sonder grootte, en wigtige reeden, dit Schelmse Eylandt sogt te schouwen, daar voor kiesende zyn daagen te verslijten op het Eylandt der geluksaalige, toonende dat hy in dit deel veel wyser is, als verscheyde andere Menschen, die niet sorgvuldig, en vlijtig genog het geselschap der boosen vlieden, en schouwen: Want soo dat slegts die Rampsaalige Waerdt van Bijleveldt gedaan hadt, hy en sou met zyn geselschap soo jammerlijk niet mee naa de Galg geslendert hebben. De onse en behaaldt daar ook geen kleyn, nog slegte vrugten af volgens het oude spreekwoordt:
[p. 29]

        Die met Wijze gaat verkeeren,
        Zal de Wijsheydt daar van leeren,
        Die met booze omme gaat,
        Wordt ten laatsten eeven quaadt.

    Bellonius schryfdt nogtans, dat den Voogel, die de oude Geytemelker noemen (en sommige buyten alle gelijk, willen, het ook een slag van Uylen is, om dat hy, naa Aristoteles getuygen, des daags maar weynig ziet, maar des nagts seer snel en scherp) dees Geytmelker, zeydt Bellonius, maakt op het Eylandt van Kreeten, zulk een yselijk, en schrickelyk geraas, dat de Menschen daar gantsch bang voor worden. Wie van u allen zou daar uyt kunnen besluyten, voor eerst dat dat Uylen waaren, ten andere, dat die daar bysonderlijk huys souden houwen? Voor eerst en heeft dat Dier geen gelijckenis met onse Uylen, zynde een hoopen grooter, als die selfde, en daar by gewoon de Geyten des nagts te melken, daar haar naam ook van daan komdt: Maar wie heeft van zyn leeven dog ooyt geleesen, of gehoordt, dat iemandt, die onder eenig slag van al de Uylen hoorde, sulk een ongeschikt een werk begost? Laaten wy dan, Heeren en Liefhebbers van al het Uylagtige, ons niet kreunen sulk een averegtse lompe klap, maar liever eens te deeg gaan ooverleggen, het geen die doorlugtige Natuur-kenner Plinius schryfdt, aangaande het verblijf en woonsteede van [p. 30] onsen Uyl: Voor eerst zeydt hy, datmen hem nooyt in de Alpes gewaar en wordt, dat men nergens anders om kan agten, als om de schaarsheydt van Lijftogt, de oovervloedigheydt van Sneeu, en de onverdraachelijcke kou die daar huys houdt: Want op sulke dorre, drooge, woeste, en kille plaatsen, die voor de aldereerste Herkules, en daar naa Hannibal met vuur, en eek naau oover, of door kost koomen, daar en kost onzen Voogel het lyf geensins onderhouden, derhalven maakten hy een braaf ooverslag en reeckening, daar hy door agte, dat hem ten uyterste geleegen was, dat hy hierom andere, en veel bequaamer plaatsen op ging soecken, daar hy naa wensch voor sig, en de zyne, alle noodtwendigheen kost bekoomen, blyvende met eenen, soo veel het moochelijk was, van al die plaatsen af, die hem door haare kou, te heevig souden moogen plaagen, waar door hy, mijns oordeels, seer treffelijcke raadt voor hem schafte: Want wat plaats kiesen de Menschen voor haar niet uyt daar zy met gemak, een wenschelijk leevens ouderhout door kunnen bekoomen? Wat zyn daar al, die op zyn Schildtpadts, met haar wooningen, Huysen, en Tenten, heele Landen door swerven, om de beste geleegentheydt op te soecken, dat zy van geen honger, of kommer vergaan, dat on- [p. 31] der de Tarters, en Schieten wel het gemeenste is; wel waarom magmen hier het oude spreekwoordt niet involgen?

        Daar ’s geen zoo hert van Geest, nog boezem zoo verstaaldt,
        Die van een goê Fortuyn niet meê zijn deel en haaldt.

    Maar gy, mijn Heeren, suldt u booven al verwonderen, oover het wonderbaarelijk oordeel van onsen, wildt gy het gebruyk des selfs met my hier in aanmerken, dat hy hier door, onder zoo veel andere Rijcken, en Landen, het Grieckenlandt voornaamentlijk uyt koos, de vrugtbaare moeder van alderley geleerdtheen, en weetenschappen, zynde voornaam, en bysonder inwoonder geworden, van dat doorlugtig te Attise Rijk, alwaar men staag een ongemeene grootte mennigte Uylen vondt, volgens het geen daar wydt, en zydts van geschreeven staat. Die roemrijkste Hoofdtstadt der Atheniensers koos hy tot zyn Kooninklijcke Hofhouding uyt, waar van daan, hy zoo meenigte van zyne volkplantingen uyt ging versenden, en verspreyden:

        Die haar dan nimmermeer
        Sloegen in slegter neer.

    Waar van het spreekwoordt ooverbleef: Een Nagtuyl trekt graag na Atheenen. Maar wat Rijk, of Stadt is dat dog? Wiens kragten [p. 32] altoos geweldelijk waaren, en wiens naam staag doorlugtig de geheele Weereldt door bromde, die Cicero de bynaam geeft van, de Koopstadt der Geleertheydt: en Augustinus, die oovertreffelijcke Bisschop van Hippoonen, noemdt haar de Moeder, en Voester van alle vrye konsten en weetenschappen, en zoo veeler uytsteeckende Wijsgeeren, waar booven het geheele Griecken niet en hadt daar zy doorlugtiger, en eedeler meê pronkte. Een Stadt was dees, die om haar welspreeckentheydt, weetenschap, wijsheydt, staatigheydt, en regtmaatigheydt, den Heemel veel naader als de Aarde quam; weshalyen Plinius in zyn tydt dorst seggen: Dat Atheenen geen Omroeper van nooden hadt, die door zijn eygen luyster de geheele Weereldt bestraalde. Hier, hier, zeg ik heeft den Uyl zijn soo seeckere, als Kayserlijcken Zeetel voor haar, en de haare gevestigdt, wiens geweldige toevlugt, en meenigvuldigheydt daar nimmer lastig, of moeyelijk vil, naa men reeckenen moet gelijk als een deel Mussen, Kraayen, Zwaluwen, en sulk slag van schreeu-voogels meer souden moogen doen, die men onder geen een dak, om haar tielpen, en tieren en hoorde te gedoogen, volgens die treffelijcke vermaaning van de alwaardige oudtheydt, alsoo kragtig, en stark, als de Iooden de Varkens verbooden waaren, of dat Volk d’Egyptenaars laelijk in de weg waa- [p. 33] ren, als zy om haar te grootte meenigte, en meenigvuldigheydt met regt, en reeden die zelve in quaadt vermoeden bragten. Maar daar gy u nog meer oover suldt ver wonderen, is dit, dat de Atheniensers der Uylen saamenwooning eerde, als die van haar eygen meedeburgers; jaa als zy het geluk hadden, dat zy in eenig Leeger-togt, of omtrendt een Veldtslag een Uyl zaagen vliegen, verblyden zy haar daar soo oover, dat zy het zelfde voor een vast teykken hielden, van haare toekoomende Leegerzeegen, te meer, om dat hy byzonderlijk Pallas, of Minerva toe was gewijdt, die alle gevaarelijcke, of aaveregtse aanslaagen der Atheniensers, als zynde de Patronesse, en beschermster van haar Stadt, en staat, gewoon was te begunstige, te zeegenen, en ter gewenste eynde te brengen. Om welke weldaadts halven de Atheniensers haar Goudt, en Zulver zoo lieten munten, dat op de eene zyde Minerva af stondt gebeeldt, en op de andere, onsen Uyl, dat seeckere Slaaf geestig aanroerdt, als hy raadtselwijs zyn Heer, en Meester zyn verhoolen diefstal oopenbaarde, zeggende: Booven digt onder u dak, schulen een hoopen Uylen, of hy seggen wilde dat daar een deel gestoolen Geldt verburgen was, met Uylen gestempeldt. Waar van Aristophanes ook dus met de Atheniensers deundt. Dat gy [p. 34] nu altemaal mijn Heeren goede Latijnisten waardt, zou ik, sonder verduytsen, zijn Latijnse Vaarsen, in plaats van zyn eygene Griekse, die gy veel minder verstaat, voor stellen gaan: Maar om dat gy met al uwes gelijks, tot een slordig exempeltje, wat haatelijkjes om naa te volgen, daar vry bot, jaa regt plomp in valt, zal ik best doen, dat ik u die in uwe Moederlijcke taal voorstel, om dat gy die ten minsten behoordet te kunnen: Haar zin is,

        Nooyt zullen de Laurieke Uylen,
        By u ligt van haar plaats verruylen,
        Jaa houden in u huyzen stal:
        Waar door het vorder lukken zal,
        Dat s’ in u beurzen zullen raakken,
        En daar haar Nesten in gaan maakken.

    Hier en passen geen beeter, als de Uylen van Lauros, als zynde een Stadt en Landtstreek, in het Athenienser gebiedt, daar veel Goudtmijnen waaren. Nu hadden die van Atheenen nog een andere Pennink, die Jupiter toegeëygent, zijn beeltenis ook voerde; dog woeg die maar de swaarte van een half Dragma, in plaats dat het stuk, daar den Uyl met Minerva opstondt, vier heele Dragmas woog, soo veel grooter, en waardiger was het Uyle geldt, by dat van die Oppersten Jupiter, heel averegts, als dat by ons toe gaat, daar wy om onse te schandelijcke, sog! [p. 35] sotheyt wil ik zeggen, onder onse stuyvers, dubbeltjes, schellingen, en diergelijcke, de Uyle koppen te veragtelijk uytschieten; en versmaaden, en ontfangen die voor goet, en gangbaar geldt, daar een Dubbelden Aarendt op staat, eeven of een Aarent beeter was als een Uyl. En of Godt gaf, daar ik zoo meenig maal om gebeeden heb, dat ten minsten by ons den Uyl in sulk een eerwaardigheydt was, als hy by die van Atheenen weleer deê, by naamen sulke Atheniensers, die haare aan grensende naabuuren, ik laat staan veer geleegen vreemdelingen, gewoon waaren uyt haar Landt te dryven, en te jaagen, maar de Uylen daar graag, en willig binnen lieten, daar dat zoo gemeen, en kundig spreekwoordt van oover is gebleeven, ‘t is een vreemdeling t’ Atheenen, alsmen een verschooveling wilde beteyckenen, daar Aristoteles geestig op boert, als hy zeyt: Sommige spreekwoorden, en spreucken zijn waaragtige, en wisse getuygen van verscheyde Weereldtse dingen en beloopen, gelijk als hy tot een voorbeeldt van dit zyn seggen sou kunnen bybrengen dat voorhaalde, Het is een Vreemdeling t’Atheenen. Die haar dan wreedt kanten teegen uytheemsche menschenen, vreemdelingen, waren heel vriendelijk, ja troetel ziek met de overgevlooge Uylen, al quaamen die nog soo veer vandaan, die verschafte zy in het midden van haar Stadt een Woonplaats naa [p. 36] wensch, wil, en begeeren. Wat was wel eer roemrijcker ter Weereldt, wanneer Grieckenlandt in zyn sleur was, als datmen met regt roemen mogt een Griek gebooren te zyn? En soo lang Atheenen in haar wenschelijcke standt was, datmen zeggen mogt in die Stadt of haar Landtstreek Attika geheeten, gebooren te zyn? Dat was doe al zoo eerwaardig, als het voor iemandt was een Roomeyns Burger gebooren te zijn, terwijl Roomen in zyn uyterste luyster stondt, dat al van het treffelijkste was, dat doe iemandt ter Weereldt kost gebeuren. Met dees uytsteeckenfte eertijtel moogen de Uylen vry brommen, die zelfs alle Athenienser Vrouwen geweygerdt was, en dat volgens een duydelijkke wet, die Augustijn uyt Varro haaldt, en voorbrengdt, luydende: Dat zig niemandt voortaan en vervoordere, op boette daar toe staande, een Atheense Vrou een Atheeninne te noemen. Dat is meê al een gedenkwaardig stuk werks, dat de H. Schrift gewaagdt, te weeten, hoe Godt den Heer de Babiloniers uyt haare vaste woonplaatsen hadt gedreeven en in haar Rijk een veelvoudige Voogel-planting van Uylen gestaafdt, die hy de huyzen der Menschen tot haar verblijf-plaatsen, en wooningen schonk: Daar zoo veel eer, en Lof voor haar in zit verburgen, dat het selve het Menschelijk vernuft te booven gaat, te [p. 37] weeten, dat de eerste Monarchy te daalen quam, en te vervallen van de Menschen, onder het gebiedt der Uylen. Naa het algemeen regt der Natuure, zyn haar tot vaste paalen van haare wooning, en verblijf geteldt, daar zy haar ook voor het gemeenste onthouden, voor eerst de woeste, en ruygste wildernissen, donkere en diepe hoolen, in de Rotsen haar donkerste, en diepste Valeyen, kromme, en holle Steen-klippen die zy naa believen te mets verruylen mogen, en daar voor kiezen eenige oude vervalle en verlaate Kasteelen, of diergelijcke huysen die ergens agter af staan, waar booven zy haar meenigmaal behelpen met holle tronke van boomen, dog bynaamen van Willige boomen, die schier heel van ouderdom onder de voet gevallen leggen: Daar meede zy alsoo wel te vreeden (teycken van een wenschelijkke voorspoedt) leeven, als een Koonink in zijn Paleys; en waarom niet, daar Horacius wel neuriën durfde:

        Men kan wel onder ’t arme dak,
        Genieten al zoo veel gemak,
        Dat daar geen Rijkmans huys naa lijkt,
        Jaa Kooninks Hof daar zelfs voor wijkt.

    Men mag zeggen dat men wil, zy hebben altoos beeter woonplaats in, zy moogen haar onthouden daar zy begeeren, als [p. 38] die hondtsen Diogenes, die zig in een Ton onthiel, volgens Leartius zeggen. Daar de Poëeten dus naa haar geestigen aardt meê schempen:

        Diogenes die in zijn Vadt
        Zijn beurs, en knapzak saamen hadt.

    Maar eeven als de Monarchyen naamaals so op andere plaatsen zyn gebragt, is dat gezelfde met haar de Uylen te gelijk oovergekoomen: Van de Chaldeen raakte zy tot de Persen, en Meeden, van de Persen tot haare Griekken, van de Griekken tot de Romeynen; en als nu de heele Weereldt Roomeyns was, zoo zyn de Uylen ook aan alle kanten verspreydt geworden, soo datmen nu ziet dat het geheele Duytslandt, zoo het Hooge, als het Laege van Uylen vol is: Waar van onse zeeven verknogte Provincyen, daar wy ons hertelijk om moogen verblyden, treffelijk vrugtbaar zyn: Soo dat nu het oude spreekwoordt met regt mag standt grypen, luydende: Alles is van Uylen vervuldt. Dat men haar van hier zou zoecken te stooten, of haar in Ballingschap willen versenden, sou een schrickelijcke grootte onbarmhartigheydt weesen. Laat haar onder ons, mijn Heeren in veel geluks leeven, soo lang haar geslagt in weesen blijven kan. Daar hebt gy nu gehoort, welk eygentlijk was het Vaaderlandt, de Woonplaatsen, en die [p. 39] Stadt, die de Uylen byzonderlijk boven alle andere uyt koosen, en daar zy ook booven alle andere welgekoomen, en gunstelijk ontfingen waaren, met een net, en naaukeurig horen van uytjuyging. Men hoeft zig niet te verwonderen, of u Ziel heeft een ongemeen verlangen, om u Troetel-kindts geboorte, afkompst, en geslagt, voorder eensgelijks te weeten, volgens die heerlijke zin des Digters:

        Wat huys, of wat geslagt,
        Heeft u dog voort gebragt.

    Van haar alderoudtste voortkomst, sal ik weynig, of niet zeggen: zy is altoos ouder als de Mensch, jaa was al in de Weereldt, voor den Vaader aller Menschen daar was, jaa zelfs voor den beginne van al de Heydense Afgooden, en Goodinnen, daar Hesiodus nu oover de twee duysendt jaaren, een net, en zuyver Register van heeft gemaakt. Van wat stof zy in haar aldereerste geboorte op is geleydt, daar is seer veel en lang oover gekibbelt, en gekeeven, door dien sommige wilden, dat de voogelen uyt Waater voornaamentlijk gemaakt waaren, en andere weederom van Aarde: Want datter eenig leevendig dier gemaakt zou zyn van de Logt, of het Vuur, wie van u soumen sulks, tot gelooven toe, kunnen wijs maacken? Die Prins den Wijsgeeren [p. 40] Aristoteles altoos, loochendt sulks vlak, hoe wel Plinius durft seggen, en dryven, dat in de Cyperse Kooper Oovens zeekker viervoetig dier met veeren, en wiekken voorzien, groeyt, en voortkomdt ‘t geen leeft, en wegvliegdt. Wat daar af is, sal ik daar stil laaten rusten, en dit vast stellen, als zynde buyten twist, en krackeel, dat onsen aldereersten Uyl van geen enkel Vuur op geleydt is, jaa zelfs dat daar geen Salamander of diergelijk beest in leeven kan: Dat ietwes van enkele, en puure Logt zou voortgekoomen zyn, daar van is nog gedigt, nog geschildert, noch geschreeven in al de Digtstoffen die daar in de Weereldt zijn. Die nu dreeven, dat de voogelen uyt het Waater souden voortgekoomen, of voortgebracht zyn, brachten tot haar bewijs die plaats uyt de Histoory der Scheppinge, die luydt: Dat de Waateren met meenigte kruypende Dieren voortbrengen, en laaten de Voogelen oover de Aarde heen vliegen: En die seyde dat zy voort waaren gebracht uyt de Aarde, verweerden haar met dees volgende woorden: Godt maakte uyt de Aarde al de Dieren der Aarde, en al de Voogelen des Heemels. Daar wy ons gaaren by willen houden: Want Godt en sey niet: Laaten de Waateren ’t Gevoogelte voort brengen, &c. Gelijk hy het zelve van de Kruypende Dieren hadt geseydt; Maar hy sey, Laat de Voogelen vliegen oover de Aarde, &c. Dat ons voorstellen meer op, als neer set, [p. 41] als zynde van zin: Laat haar uyt de Aarde voortkoomen, om vryelijk opwaarts ten Heemel te vliegen. Doch dit werk van de Scheppinge, mijn Heeren, steekt soo vol van geheymenisse, dat zy Minervas verstandt zelfs te booven gaan. Wat nu haar voortteeling belangdt, laat ons dat beginnen van het Ey, gelijk het spreekwoordt zeydt, af, en dieshalven zeggen, dat men niet anders als dryven en staande houwen kan, of de gewoone voorteel des Uyls komdt van het Ey voort, daar zy altemaal; behalven haar aldereerste Ouders, van daan zyn gekoomen, alsoo net als de Griekse verraaders uyt het Trojaanse Paerdt: Weshalven men ook wel seggen mach:

        Het gantsche Uyls geslagt;
        Dat ooyt is voortgebragt,
        Of nog staat op goê voet,
        Haar Kinders, en haar bloedt,
        En wat daar voorders van
        Ter Weereldt koomen kan.

    Moeten, om korter, ronder en bondiger te gaan, haar begin van het Ey neemen; niet teegenstaande dat daar sommige zyn, die vlak uyt loochenen, dat men Uyls Eyren vindt, die seecker waardig zyn dat men haar laelijk met vuyle Eyeren steenigt, of dat haar een slurp Ey, met kuycken, met al, de gladde keel deur, in haar darmen vaar. De ervaarentheydt, die gecken wijs kan [p. 42] maacken, bewijst dat klaarlijk, en gy, mijn Heeren, hebt het genog, zoo wel als ik, gesien, of zoo moochelijk niet, moet gy weeten, dat het van een grootte, en satsoen is, als een Duyven Ey, meê soo heelendal wit, dat daar zoo naa swijmdt, dat, hoe naau gy daar op zaagdt, en hoe net handelden, gy u daar noch in soudt kunnen versinnen: laat dan by ons krachtiger zyn, een oogtuyg, als tien oortuygen van onse teegenstreevers. Hier schiet my nu in den sin, die aloude vraag, die de Wijsgeeren wel eer het hoofdt soo warm, en moe heeft gemaakt, te weeten, Wat eerder is geweest den Uyl, of het Ey? ’t Is al toos seker, dat uyt het Ey den Uyl komt, en uyt den Uyl weederom het Ey. Dat is al een mirakuleus ding: Want zoo het Ey voor u, ô Uyl! geweest is, van wie, en van waar is het Ey dan gekoomen? En is den Uyl voor het Ey geweest, van wie, en van waar is den Uyl dan gekoomen? Of is het een hier, soo het begin van het andere, dat het begonne weederom, het begin is, van dat geen, dat het begon, soo dat ieder hier des anders onderling begin is? Of zyn zy alle bey zonder beginsel voort gekoomen? Plutarchus, en Makrobius hebben seekker lang en breedt, seer scherpsinnig hier van geschreeven. Dog daar is geen swaarigheydt in, om u van die heele swa- [p. 43] righeydt te verlossen, op dat gy geen Godt van een Uyl hoefdt te maacken, of eeuwiglijk sonder eynde, hem uyt zyn Ey, en zyn Ey uyt hem rukt. Soey! wat versmijt zich Augustijn hier in dit werk ook laelijk! Want hy verleydt, en bedroogen zynde, door dien averechtsen, en valse inbeelding, dat de Aarde, en het Waater niet deegelijk, en inderdaat, maar alleen machtelijk alles voortbrachten, dat haar gebooden wierdt, weshalven hy die meening omhelsde, die dreeven,dat het Ey ouder was als den Voogel: Doch teegen de duydelijcke, en klaarste woorden Moses, die leert, dat alle slag van Dieren geheel, en volkoomen, voor soo veel van elks een vereyst paar aangong van Godt geschaapen zyn geweest, haar voort-teeling belangende, dat die daar na, op haar vereyste tijd geschieden, voor ieder een, naa zyn slag, daar hy in gesteldt was. Zoo was den Uyl, ô wonderbaarelijk stuk werks! voor het Ey in de Weereldt. Als hy nu uyt een Ey voort komdt, en komdt hy niet voort uyt zulk een heylloosen Ey, als men leest, dat de Haanen, teegen haar natuur andersins, om haar seevende jaar leggen, daar den Baziliskus uyt groeydt; maar hy spruyt uyt zyn eygen Ey, een Ey dat gelukkig saam, en oorbaar is: Alsoo treffelijk hier om van afkomst, als Kastor, en Pollux, die uyt Leda, of Tindarus Ey [p. 44] te saamen voort quaamen, dat inderdaadt een tweedoorig Ey geweest moet zyn, in een en de zelfde schaal beslooten, soo iemandt zoo niet aan het mallen en raakt met de Ouden, dat hy ook seydt:

        Dryvoudig was het Ey
        Dat Helena, en bey
        Haar Broers ter Weereldt bragt, &c.

    Het zy hier mee zoo ’t wil, of het nu een enkel, twee, of meer dubbel Ey was, daar zyn altoos twee vermaarde Broers van ’t Ey gekoomen: En Pausanias verhaaldt: Dat het zelfde by de Lacedemoniers nog vertoondt wordt, hangende vast gemaakt aan het verwelsjel van de Kerck, Dat is al een geluksaalig Ey geweest, en het menschelijcke geslacht ook geweldig nut: Want hadt dit selve niet geweest, men sou in den Heemel dat teycken onder het Gestarnte niet hebben, dat de Geleerde Geminorus noemen, dat soo wenschelijk, en gevocchelijk voor de Zeevaardt komdt, noch Sinte Paulus en hadt zyn Alexanderijns Schip niet gevonden, mits daar het teycken van Kastor, en Pollux achter aan stondt, daar hy juyst geluckig door te Roomen quam. Zoodaanige, en oovertreffelijcke meedegesellen in haar Geboorte siet gy, mijn Heeren, die in geen Menschen meer, maar onder de Gooden zyn vervoerdt, naa de Poëeten zeggen: [p. 45]

        Allebey
        Uyt een Ey.

    Alhoewel de Natuur iet bysonders van gewicht, in dees onse geboorte uytwerkt, soo dat zy haar begin en geboorte neemdt op een bysondere, en andere manier, als andere Voogels doen, aangesien wy by Plinius leesen: Hoe Hylas wel eer schreef, dat den Uyl met zijn stuyt eerst uyt zijn Ey, of Dop kroop, aangezien de Eyeren, door swaarte van dit Kuyckens hoofdt haar staag verkeerdt om draayen, soo dat het ligtste, de stuyt te weeten, door de sier het digtste onder de broeyende Moer sakte. Zoo daar iets averechts in de Weereldt is, soo mach dit daar wis voor deur, dat eerst de naars, en dan het hoofdt voor den dach komt gestoocken, en in ’t broeyen uyt te barsten, dat in de laatste Boecken van Aristoteles bysondere bescheyde, Posteriores Analytici voor een wonderbaarelijk, en mirakuleus ding wel mocht aangeteyckendt staan: Want de Kreeften, die al haar leeven, achter uyt, de aaverechtse gang gaan, en weet men juyst niet dat op soo een manier ter Weereldt koomen: Hoewel Plinius van eenige Menschen verhaaldt, die niet ter Wereldt quaamen met het Hoofdt, maar met de beenen voor: Dat hy met het voorbeeldt van eenige Agrippas bevestigdt, met noch sommige andere, die daarom ook Agrippen dat [p. 46] eygentlijk swaar geboornen, is te zeggen, wierden bygenoemdt. Maar onse lieven Uyl, wat hebt gy al maats en mackers hier in de weereldt, die meenen zy iets pryselijks verrigt te hebben, als zy ook averechts moogen aangaan, in het voor den dach komen, leggende hierom ook haar voeten aan haar hoofden eyndt, steeckende haar beenen veel eer ten hedde uyt, als haar neus daar naa volgdt: Als zy eenige konsten, of taalen sullen leeren, steecken zy den aers dat heen, daar het hoofdt most weesen, en stellen het eynde dier selve voor het midden en dat, by mijn keel, die goeden Aristoteles so meenigmaal beschreyt, gaan veel soo op zyn alderverkeerste aan, dat zy haar heel leeven verslyten, om alleen een goede Methoode voet te vinden, waar door zy gemackelijk tot eenige konst of weetenschap souden kunnen koomen, verwaareloosende onderwijl de Ziel van veel Methoode, en het leeven haarer Wijsgeerige Leeraars, daar de konst, en weetenschap selfs door bestaat, dat het heevigste te laacken is: Daar zynder die tot haar uyterste toe in haar aaverechtsheydt volharden, ter tijdt toe dat zy sterven, laatende zelfs haar doorluchtige geest van achteren uyt vliegen, eeven als dat langs Arrius al zyn darmen ontschooten; al het welke die uytsteeckende Leerlingen van [p. 47] niemandt beeter en kosten leeren, als van onsen Uyl, de beste, en regtste Meester van de Weereldt daartoe. Och! Grooten Pallas, wat wenschelijker zaak is het, dat men een Leerling heeft gekreegen, die goedt aanneems is. Voorder soo verhaaldt seecker Philostratus een zaak van dit Uylagtig Ey, het geen inderdaat Mirakuleuselyk is, te weeten: Men moet te deeg letten, waar een Uyl nesteldt, en dan te geleegener tijdt zijn Eyeren gaan rooven, die men dan tot slurp-eyeren zal laten koocken, en aldus een kindt of jongsken geeven te eeten, die, of wat andere het zou moogen zijn, zoo hy maar te vooren nooyt Wijn gedronken heeft, zal hier door terstondt zulk een afkeer van Wijn krygen, dat hy die selfde zijn leven lang niet sal meugen ruycken, of proeven, en daar door seer nugteren leeven zal. Dit zyn zyne woorden, stellende dees kragt niet alleen voor kleyne kinderen, en jongskens; maar ook, volgens ’t getuygen der Naatuur-kenders, en Artsen voor volwassen luy, die te seer tot den drank geneegen zyn, noch seggen zy: Die dees Uylige Eyeren dry daagen lang met Wijn zijn ingegeeven, krygen een walg van de Wijn, gantsch eeveneens, als die uyt Klitorius Fonteyn gedronken hebben, daar meede ook een geheele afkeer van de Wijn hebben. Hoe komdt het dan mijn Heeren, datter soo veel in dees tijdt zyn, die hier niet van en weeten, of te deugnietagtig het zelfde ver- [p. 48] werpen? Ummers hoe weynig zyn daar, die dees Voogel naa haare waarde in acht neemen? Of te deeg letten op zijn geboorte, en wieg? Of zich sulk een gewenste zuynige nuchterheydt soecken te verschaffen? Wat acht gy is de oorsaak van al dat voorhaalde? Voor wis geen andere, als dat de dronkenschap het Hoog zoo wel, als het Nederduytse Volk van Naatuuren onversettelijk aangebooren is, als slus breeder sal blijken, daar dees onse van zyn Wieg, en eerste beginselen, heel teegenstrydig van is.
    Wyders tot meeder luk, en heyl van ’t heylig Neegental, soo moetmen weeten, dat al de Uylen, schoon zy altemaal wel uyt Eyeren voort koomen, daarom niet eeven eedel van geslacht en afkomst zyn: Want om van alles goedt oover slach te maaken, soo valt hier door te bemerken, datter hier negenderley slag van dit Gevogelte is, waar van, schoon het een wel Aadelijker, en oovertreffelijker is, als het ander, soo verdienen zy altemaal waardiglijk, dat men haar soo gedachtig zy, datmen het voornaamste, dat hier in sit, wel te deegen voorstel en uyt gaa leggen. Als ik hier op alles te deeg gaa letten, staa ik ten eersten geheel verstomdt, om het bysonder getal dat haar hier soo leeven, en vlak voor my op doedt, te meer om dat het selve [p. 49] soo wonder selden eeven net by eenig ander slach van Voogelen uytvaldt. Ik moet. bekennen dat daar sommige zyn, die de bysondere soorten der Valken, meede diergelijk een neegental toe voegen, soo wel als de Uylen: Maar ik wilde wel dat die Reeken-meesters, wel en te deegen voor haar saagen, dat zy geen onseeckere saak met een seecker getal te wis gaan bepaalen, gelijk de eerst gehuude dikwils haar eerste kraam voorreekenen. De Artsen verdeylen ook, dat alderlaelijkste ding de Koorts, om dat zy soo veel, en verscheyden is, in neegen soorte, naa zy seggen: Het welke of soo recht waar is, moogen andere oordeelen, die wat vlijtiger by Eskulapius te Kerken koomen. Wy voegen, om door onse netheydt buyten alle blaam en opspraak te zyn, by ieder bysonder slag van onse Uyle haare bysondere, en eygentlijke naamen. Soo wel als de Griekken by haar neegen Musen doen. En om dat het aldermeestendeel daar af, daagelijks in ons Neederlandt genochsaam wordt gesien, zonder ik weet of de Oude die altemaal al voor oogen hadden, of ten minsten soo naauw als wy in acht naamen, kan ik haar op geen taal netter voorstellen, als op die van onse Uylagtig-gezeegende Landtsluyden: Men vindt dan Steen-uylen, Kat-uylen, Rans-uylen, Kerk-uylen Oor-uylen, Woudt-uylen, Nagt- [p. 50] uylen, Veldt-uylen, en Veen-uylen: Neegen doorluchtige naamen, Goudt woudts; en soo veel oovertreffelijke geslachten, daar onsen Pallas maar enkel te meer door wordt‧ verluysterdt, als met die neegen Pimpelse Meysjes, die haar niet schaamen te zeggen, dat nummer Uyl gelooven zal:

        Wy kunnen altemaal waarschijnelijkjes liegen,
        En spreekken weerom waar, om niemandt te bedriegen.

    Nu meen ik met een oneyndelijke meenigte oovertreffelijke gaaven te betoonen, dat mijn Uylen al de Neegen Muusen veer te booven gaan: Voor eerst altoos in het getal; want aangaande dat van de Muusen leuterdt vry, bynaamen als men let, dat zy haar zoo hoog boven Pernassus top moeten verheffen, dat zy de Planeets Heemelen niet alleen, maar ook die van de vaste sterren kunnen bereyken, aangesien seeven van vanhaar, op de zeven Planeets-heemelen, ieder in het bysonder, op zyn bysondere moet passen, dat alles daar, naa vol vereysch te werk gaat, zynde Urania gestelt om gelijke agt te neemen op het Firmament, of Heemel der vaste Sterre. Wat het Kalliope hier nu te doen, of die schietter effen over of die mag voor hooploopster meevaaren, of wat speulen gaan, mits daar niet over schiet, daar men haar bequaamelijk aan [p. 51] kan setten. Wat souden deegelijk die oude Offerpaapen, die het op was geleydt, en haar moeyden met het uytleggen aller Fabulen, bynaamen die op eenige Goodelijkheydt sloegen, veel wijser, en voorsigtiger gedaan hebben, indien zy die wondere verburgentheen, die op der Aarde daar in leggen verhoolen, wat naauwer ondersogt, en doorkroopen hadden. En aangesien de Musen, en Uylen in haar bysonder tal over een koomen, soo veel de laatste haar bysondere soorten, en geslachten aangaan, dat zy die bysonderlijk, met goedt verlof van Minerva, haar eygen, en bysondere beschermster, uyt die neegen Musen haar toe hadden geschikt, dat die haar Reedenrijk nagt-geneury zoo wel geschikt, en geregeerdt hadt, als die voorhaalde Heemelen, waar door hier ieder, zonder iemant oover te slaan, zyn vereyst werk hadt gekreegen. Nigidius seeckerlijk zou hier vry wat meer klaarigheydt, en lof uyt gehaalt hebben, die de neegen slag van Uylen, ook neegen bysondere deunen toevoegdt, gelijk dat die naaukeurige Naatuur-kenner Plinius in zyn 10. Boek 17. Kapittel heerlijk beschryfdt. Dees Nigidius is ’t zyner arme onschuldt, van verscheyde dwarsdryvers, en haayrklievers wat laelijkjes geheekelt, om dat zy met haar rouwe Eezels ooren, juyst niet eeven, en te deeg onderschey- [p. 52] den kosten, al die neegen bysondere deunen, en stemmen. Op dat wy ondertussen, sonder vereysselijke beschryving van ieder slag in het bysonder, die gantsche soo groote, en swaare troep te saamen niet al te los de sak geeven, en laaten loopen soo moet ik, Mijn Heeren, soo moet ik dan beginnen te spreeken van die Heldelijcke Oor-uyl: Want die is het, die vereysselijk schijndt, als Kapiteyn voor af te moeten koomen treeden; door dien op hem slaagdt dat oude braave spreekwoort:

        Die meest met weekke Ooren gaan,
        Zullen haar eernaam best verstaan.

    De Latijnen noemen dees eygentlijk Otis, getrocken uyt een eevengelijk klinkende Grieckse naam, dus toe genaamde van zyn opsteekende veeren, die haar Oorwijs bysonderlijk by zyn Ooren verheffen, naa Aristoteles betuygt, in ’t 8. Boek 12 Kap. van d’Hist. der Dieren: De Latijnen noemen hem ook Ulula Aurita, dat is: den Geoorden Uyl, die Plinius aldus vereyselijk beschryft: Dees is wat grooter als de gemeene Nagt-uylen, hebbende twee Ooren van Pluymen gemaakt, die seer hoog uytsteecken, daar haar naam van daan komdt. De welke de Latijnisten ook Asio noemen, of zy den Eezelige wilden seggen, van zyn uytsteekende Eezels-ooren. Die ongemeene uytsteeckentheydt van [p. 53] Ooren, maakt hem heel gelijk met Midas, Koonink van Frigien, van welk men ook reeckendt, dat hy den Aadel-dom van zyn bysonder slach is treckende. Dees Eezelige trots u, Mijn Heeren, soo men Persius hier in gelooven mach:

Waar of hier nu iemandt leefdt,
Die geen Eezels-Ooren heeft?

    En heeft aan zyn dach gezicht niet meer verlooren, als hy hier, door zyn uytsteeckent scherp gehoor heeft gewonnen, waar in hy soo uytmunt, datmen hem niet alleen den Geoorde; maar ook den Alhoorende met recht mach noemen, bynaamen by nacht, door dien Aristoteles aldus getuygdt, en schryft: De Nagtstondt is staag bequaamer tot hooren, als die van den dag is. Men moet geensins gelooven, dat de Natuur hem te vergeefs, zoo uytsteekende Geoordt heeft gemaakt; maar dat zy hem met dit bysonder gehoorgereedtschap booven alle Voogelen, door een voornaame gunst heeft beschonken, door dien Godt, en den Natuur nooyt iets te vergeefs doen; volgens die veersiende Aristoteles spreuk. En dat is het vereyst beloop de Natuuren, dat gemeenelijk, wat de eene natuurlijke werkende kracht, Sacultas by de Latijnen, afgaat, de andere weederom aangroeydt. Soo blijkt het in de Mensch, indien die zyn werkende kragt [p. 54] van begrip, meer als gemeen toeneemdt, dat daar mee de koockende, en gevoelende merkelijk sullen verminderen. Derhalven, zoo daar een is, die zig al te veel pynigdt met Studeeren, sal daadelijk daar mee soo slap een maag maaken, dat zoo hy een goet hachje, van een ouden Westfaalse Ham binnen slingerdt, hem die vry quaalijk sal op kunnen breecken; naa het spreekwoordt:

        Gy zuldt aan zijn berookte lijn,
        Van veers hem zien gebonde zyn.

    Maar laat in het teegendeel een vierkante Boer daar eens aankoomen, die zyn geesten niet vermoeydt met die Geest verteerende school-kibbelingen, zet die een hagt van ’t Goudtgeelst en garstigste vry daar van voor, met een wackere kop saamgekookte Boonen, hy sal u die in zyn Struyse, en alverslindende maag slieren, sonder dat hy daar naa eenige quelling gevoelen zal: Ten tweeden, als de Herstogten, en wellusten wat heevig opwellen, raakt straks hier door het verstandt, en begrip, zoo in de war, dat gy het geen, daar gy de wisse slag van weg hebt, in het minste deel niet voor den dag kundt brengen. Soo gy u geesten met alle macht zoekt te verçieren, en op te tooyen, gelijk gy [p. 55] gewoon zyt, soo en suldt gy het minste geen achtslaan op de nettigheydt van u Lichaam, of Kleederen, zoo dat gy dikwils met een bekroefde troony, en ongewassche handen aan Taafel zuldt koomen, en zonder Bef of Mantel in de Kerk, jaa met de Koussen op de hielen, op de merkt. Soo als gy in u gesicht zult opgetoogen zyn, zal het gehoor u begeeven: En in het teegendeel, zoo gy ergens te stip, en starkt wildt naa luysteren, zuldt gy een goedt deel van u gezicht moeten missen zoo dat gy meenig maal met Thales geen acht zuldt slaan of bemerken het geen dat voor uwe voeten leydt. Wanneer iemandt van UL. aan een verheeven, of kantige steen, zijn voedt zoo stoot, dat hy aan het stronkelen geraackende, schier op zyn Neus neer tuymeldt, hoe kundt gy luyden dan met lachchen uyt barsten? Dit zelfde moedt gy van dees uwen ook oordeelen, en denken, dat, zoo zyn gezicht, wat kleynder, en zwacker valdt, dat hy die schaade met Ippoklides niet en kreundt, aangezien hy weederom te starker, en scharper hooren mag.
    De naaste, doch met een weynig spaacy, die hier aan volgdt, is de geen, die van [p. 56] zyne bysondere werking de Kat-uyl by de Latijnen Felis Noctua is geheeten. Dees munt in haare aantreckelijke schoonigheydt, onder al die onder de Uylen soort behooren, uyt, als Venus onder al haare bevalligheeden, zynde niet alleen verçierdt met veeren, die van leevendiger koleur, en swier zyn, treckende wat naa den geele, daar meenig gesprenkelde, en bysonder koleurige onder loopen, die geel, en asgraau door een schijnen geweeven te zyn; maar ook met een paar Vleugels, die onder de langste al van de alderlangste zyn, steeckende een goedt eynde weegs oover de staerdt uyt. Hy heeft een treffelijke kop, die daar recht Kooninklijk uytsiet, zynde als een Son, rondt om met straalen, en raaderen verçierdt, en bezet, soo dik, en ruyg van veeren, dat zyn neb, die wat hoekagtig valdt, daar schier in wech sakt, steeckende maar met een kleyn spitsje daar buyten, eeven als het ysere puntje in de Roomeynse vreede bundels placht te doen. Dat geen wonder en is: Aangezien hy onder de algemeene bynaam van Kat, als Kooninginne, het scherpe recht beschaft, aan alle Muysen, en diergelijke schaadelijke dieren, die de Rijcke luyden haar huysen, en hooven plaagen, die hy met de onverhoede, en onverwagte scharpte van zyn verhaalde neb, meenigmaal op het lijf valdt, [p. 57] en aan stucken rijdt; zyn oogen vallen als voorhaaldt, graau, die met de nagt ros worden, en dus vry scherper in gesicht: Wijders die te deeg op haar heel, en al gaat letten, moet nootwendig aldus uytbarsten, met het oude Griekse spreekwoordt: Ummers is dat een weezen dat waardig is te gebieden; zoo dat de leevendtlijke Schildery der selve of als men die eygentlijk naa zyn doodt, op zyn Koonings, heeft ontweyt, naa vereysch opgeset, en in een ooven heeft laaten droogen, die selve ook aldus in de voor-huysen, en saal der grootte zoo wel siet te pronk hangen, of staan, als den trotsen Pauw zelver, in welker gedaante, als men hem komdt te aanschouwen, verwekt zy in haar beschouwers verscheyde wonderlijke oordeelen, die dan daar van ommegaan. Ik heb Volk gesien, die meenden, dat een soo toegemaakt, daar leevendig sat en keek, om haar wonderbaarelijke, en onversterfelijke schoonigheydt, die na haar doodt, daar noch natuurlijk uyt blonk, en als zy, om zyn onbeweechelijk stil sitten, en de kou, die zy daar in voelden, als zy haar handen daar aan sloegen, saagen, dat zy bedroogen waaren, vergeleecken zy hem met de Paapse Beelden, die sulke in haare Kerken hebben staan, die welke de eelendige slechte Luytjes meenen, dat leeven; dog; als zy die te deeg [p. 58] aanraacken, voelen zy die leevenloos te zyn. Daar was eens een Boer, die ik nu niet bedenken en kan, waar my van heugdt, dat hy voor by een venster quam gaan daar hy so een opgesette Uyl sag zitten, die terstondt hier op zoo laelijk begon te schreeuwen, en te tieren, dat de geheele buurdt daar van oover eynde raakte, uybarstende, daar ’s een Kat met veeren, daar ’s een Kat met veeren, &c. Dat was wat te veer door dit waarschijnelijk, als aantreckelijk mooy heen gespat, zoo men Minervas-voogel by een Kat in vergelijking wilde stellen soumen ook niet vereyselijk moogen seggen:

        Wat sou een Plompaardt weeten moeten,
        Die nooyt wou naa geleerdtheydt wroeten,
        Of Boer, die buyten rooy; maar grof
        Schuymde Minervas smeerig of.

    Booven die twee voorhaalde, is daar nog een derde slag van Menschen, die tussen beyden doorgaan: Want doe Adam als Nieuweling in het Paradijs gestelde wierdt, of als Ano de Woestijne doorswervende voor ’t eerst bedacht der Muyl-Eezelen teelt, die twee waaren altoos zulke lompe, en plompe boeren niet, als men heedensdaags vindt, die Heemel, en Aarde, Die- [p. 59] ren, en Voogelen altemaal onder een hutselen: Maar myn Heeren, wy moeten voortgaan.
    De derden trap van Eedelheydt, eygenen haar de Rans-uylen toe, die men naa het Latijns woordt Aluco, ook Aluyne altemets noemdt; van welkers geslacht men twee ooveroude stammen vindt, verdeeldt in grootte, en kleyne Rans-uylen, of Aluyne. De groote heeft dit bysonders oover hem, dat in plaats schier al de andere Voogels, de onder wijnkbraau alleen beweegen, en daar meede alsoo haar oogen sluyten, dat dees zijn boovenste van booven neer het Oog, naa beneeden laat glyen, daar hy maar mee te gluuren schijndt, sonder hy het selfde ooyt te deegen toe doedt. Soo datmen geloofdt, dat hy selfs al slaapende siet, aangesien zyn oogen nummermeer digt geslooten zyn. Denkt nu eens hoe Mirakuleus dat is, dat sommige Menschen, die de Griecken Koribantes noemen, die met oopen oogen, of altoos maar halfgeslootene slaapen, naa het getuygen der Natuur-kenners, die het zelfde ook schryven de Leeuwen, en Haazen eygen te zyn. Wat zal ik hierom nu zeggen van de Nagtwandelaars? Die met oopen, of half oopen, of gluuroog slaapende, in haar slaap, naa alle oordeel, zien kunnen, aangezien zy vereyselijk haar daagelijkse werken daar in doen, die [p. 60] meenigmaal soo steyl, en moeyelijk vallen, dat een waackent Kaerel het selfde haar naauwelijks naa sou kunnen doen, of het selve ook kunnen. Het schijndt dan dit voorhaalde, dat Aristoteles de slaap quaalijk heeft beschreeven, en uytgeleydt, seggende, dat de Slaap is een natuurlijke ophouding, en rust van al de werkingen der uyterlijke zinnen, waar in soodaanig dier zijn moeyte soo verset dat het daar door in zijn krachten mag, en kan verblyven. Aangesien hy toe staat, dat de Nagtwandelaars haar gesigt houden, en de slaap soo beschryfdt dat het selfde met haar slaap niet te gelijk kan zyn: Wat sal ik anders seggen als dat het scherpsinnig Festias kindt in den dut moet geweest zyn doe hy dit selfde schreef? Voorwaar het gesicht, ’t welk een uyterlijke zin is, en leydt niet meer noch vast gebonden in onze Uylen, en Nagt-wandelaars, en de rust, daar hy in zyn slaaps beschryving van spreekt, en heeft geen plaats in dees laatste: Want men vindt, dat zy uyt haar bedde opstaan, dat zy haar kleeden, haar deur jaa vensters open doen, en haar heel waapentuyg aan schieten: Zoo zy ergens te scheep zyn, gaan zy wel by de mast op klimmen, in haar Stadt kunnen zy wel heel naa de markt gaan, zelfs tijden zy te mets aan haar stinkende geut te ruymen, jaa het beersteeken, en wat drolligs niet meer? Hier en booven, [p. 61] loopen zy te mets, sonder naa haar kleeren om te kijcken, soo laelijk, en ongeschikt naakt daar heen, dat onse Herdoopers in het Jaar 1535: het niet slordiger hier te Amsterdam en maakten, eeven of zy verwekte Adams waaren, of vleyselijke Kaboutermannen. Dog dat is wonderbaarelijk in haar, daar gy op letten moet mijn Heeren, dat zy hoorende haar naam maar noemen, daar zy in gekorstendt, of gedoopt zijn, zy daar meê, zoo zy ergens op zijn geklommen, daar van booven neer sullen tuymelen. Lemmius in zyn 2. Boek Kap. 5. van de verborge wonder van de Natuur, dryfdt, dit enkel komdt van een geheyme kracht, die het Doopsel in een Christen stort: Maar aangezien dit selfde, naa men verhaaldt, in Turkyen ook dus toe gaat, soo sou ik u nietr aaden, dat gy om Lemmius geloof, u zoudt laaten branden; maar de oorzaak liever daar van stellen een door-dringing, die het gehoor aankleefdt, daar alle daagen, zoo meenig maal, zyn eygen naam te hooren noemen, zynde wel het aldermeeste, dat een mensch in zyn leeven voor komdt. Booven het voorgaande, soo verhaalen de Natuur-beschryvers van den grooten Rans-uyl, dat hy wel geen opgesette, en uytsteeckende ooren en heeft; maar dat hem de Natuur, in des selfs plaats, een kroon geschonken heeft, aardig van pluymen gevlogten, die hem [p. 62] booven om zyn kruyn niet heen en gaat; mits dat al te gemeen is, aangesien Jan haagel zelfs dit gewoonelijk zoo doedt als zy de Bruydt, en zyn Speelnoots opwillen tooyen, maar dees gaat hem, zyn heele troonje, van booven, tot onderen, geheel in het ronde om, met de geestigste, en aardigste swier, trek, en standt, die te bedenken is, weshalven ik my gehouden vint, die zelfde U L. eens te deegen te beschryven. Booven zyn oogen, koomen eenige langen,en scherpe veeren uytsteken, eeven of het hoog verheeven Wijnkbraauwen waaren, die alle beyde van de oogen, naa de slaap van het hoofdt, loopen, en van daar, gelijkelijk neer daalen, tot onder de kin toe, daar zy haar te saamen voegen, eeveneens, als de Juffrouwen toe geknoopte Kaapers. Dees kroon strekt haar met een wonderbaarelijke, en çierelijke konstigheydt om de oogen, en neb soodaanig heen, dat zy de guure Windt, Jagt-sneeuw, Stort-reegen, en wat anders schaadelijk sou moogen zijn, daar redelijkjes van daan kan weeren, zoo dat zy daar vry wat meer gemaks, en geraas aftrekt, als ooyt Keyzer, of Koonink, van zyn kroon genooten heeft en most den onzen juyst, eeveneens met de zyne gekroondt gaan, sou hem het zelve eeven veel baaten, als Esoopus Haan zyn kostelijke Diamandt, [p. 63] die hy uyt de meshoop schraste, en krabde.
    Aangaande de kleyne Rans-uylen, daar hebben wy dit voor seekers af, dat die so weynig van de Veldt-uylen verscheelen als dat dees liever in het oopen veldt in grasduynen gaat, daar hy zyn naam ook eygentlijk van gekregen heeft; en dat geene zig ook onderweegs gemeensaam genog onthoudt, en wat grooter valdt. Onder zijn bysonder lof, is dit voor al gedenkwaardig, nog geen kleyn teyken van zyn Aadeldom, dat hy soo vies van alle slordigheyt valdt, en de nettigheydt, soo seer bemindt, dat, Als hy eenig Aas sal eeten, het eerst schoontjes pluckt, en uyt zijn veeren helpt, en al de afgekloofde beentjes braaf weg smijt, met al wat veer, of haayr daar op mag zitten: Zoo dat hy een heele Duyf kluyven kan, sonder een veertje te quetsen, laatende dikwils den meester zyn heele huyt gaaf, en ongeschonden houden. Dat wel groote verwondering waardt is, aangezien zyn keel soo ruym, en wijdt is, dat hy daar brocken kan doorswelgen, die grootter, als een Ey zijn. Jonston. Admir. Av. Cap.4. Voorwaar indien de Keelgaaten, van die schockebasten, en meuge veulen, die Eliaan op een bysonder Register steldt Lib. 1. Var. Hist. Cap 27. zoo wijdt, en ruym van keelgaaten waaren gevallen, ik en geloof niet dat zy veel souden hebben [p. 64] leggen te snyen, en te kluyven. Maar ik me voeg my van het Veldt nu Boswaardt in, en stap van de Rans-uylen naa.
    De Woudt-uylen toe, waar van ik met Virgilius mag opsingen:

        Ik zal mijn Woudt-uyls vroolijk liet,
        Gaan speelen slegts op ’t dunne Riedt.

    Sonder ik veel van hem sal seggen, als oud dat hy heylig is, en gemeensaam; Want hy is het daarmen in de Psalmen van leest onder den Hebreeusen naam van Kos Chorabhot, dat is Uyl der Wildernissen, hoewel ’t zyner ongelijk nog groot krackeel oover zyn naam valt, soo dat de uytleggers hier geweldig veel veranderings in brengen, waar van ik van voorneemens wordt eens sommige op te haalen, om dat, volgens Seneka, Een wisse les oorbaar is, maar een veranderlike vermaackelijk. Tremel, Junius, Leo Jude, en andere, hebben daar een Uyl in het algemeen van gemaakt, Rabbi Salomon maakt daar een Valk af, voorder verscheyde andere qetten het oover voor een Nagt-uyl, en dat waaren de Lxx. Ooversetters welk de oude ooversetting volgende, zeyden Den Nagt-uyl in de woonsteede. Targus noemdt hem op het Hebreeus Kiphupha, en noemdt die dan Nagt-uyl, dan Uyl in ’t al gemeen: Sandleerus leyt dat eerste Hebreeuse woordt uyt, Nagt-uyl der woestijne: Dog on- [p. 65] se nieuwe ooversetting maakt daar een Steen-uyl van; maar niemandt, dat my spyt, noemde hem by zyn regte naam Woudt-uyl. Daar is seeckerlijk geen van al de slag van Uylen, die by dees kan haalen aangaande de stilligheydt, vreedtsaamheyt, en gerustigheydt van leeven, die dees leyt, want hy leefdt in zyn naar en eensaam Woudt een recht kluysenaars leeven, soo dat men met recht op hem dees Deun van Horacius mach passen:

        Hy gaat de Merkt, en ’t Raadthuys schouwe,
        En alle trots’, en Rijk Gebouwen.

    Nu leydt de goede order ons van de Woutdt, naa
    De Veen-uyl toe, welke naam hy eensgelijks van zyn onthous plaats heeft gekreegen; een Reynser, suyverder, eenvoudiger, en onnooseler voogel, als eenig ander van de haare; want wat isser te bedenken, dat men beeter, en bequaamer sou kunnen soecken in die broeckige, moerassige, en Veen Landen, als onnozeelheydt, eenvoudigheydt, en onbesproockenheydt van leeven? Voorwaar aangezien hy zijn leedige tijdt, sonder gewigtige oorsaak, niet door en brengdt, daar dikwils een deel in Pestelensyaale dampen haar verheffen, en daar het van fenynige Padden krieldt: De welke, zoo hy niet geheel afkeerdt, belet [p. 66] hy eevenwel naa al zijn volle vermoogen, dat zy niet voort en slaan tot het bederf der Menschen, of ander Vee: Voor welke soo Godtvrugtige dienst, hy geen ander loon en ontsangdt, als dat hy met den Ooyevaar, tot zyn leevens onderhoudt, slegts een deel quackende Kikvorsen op het Veldt, of wat Katvis uyt de Poelen siet te vangen. Waar by hy dit booven de andere noch eygen heeft, dat hy zijn geroep en geschreeu, soo net verdeeldt, naa een gezette maat des tijdt, als de Musikanten al haar Nooten souden moogen singen. Nu hebben wy noch
    Den Nagt-uyl, die men met een ook Nagt-Raaven noemdt, een Voogel die van de slegten Aadel geensins en is, niet uyt eenig geslagt der Raavens; maar uyt een der Uylen, die hierin van het slecht, en gemeene graau wordt afgesonderdt, dat hy wat grootter van stal valdt, en van de Raavenen aardt, daar zy ongetwijfeldt haar naam van Nagt-Raave van daan haalde, die Gaza, naa Aristooteles meyning Cicuma, of hy Cacuma wilde seggen, gaat noemen, willende daar meê eygentlijk te kennen geeven, die Voogel die in het blinde, en by nacht vliegdt, met welk gevolg, hy eygentlijk dees Nagt-uyl, of Nagt-Raave wil beteyckenen. Doch wy willen die eeveneens naa binnen senden, gelijk men zoo een Too- [p. 67] neel-speelder, wiens rol maar een paar reegels lang was, naa hy die op heeft gezeydt sou moogen doen.
    De kleynste onder alle slag van Uylen, die men vindt, zyn die wy Steen-uylen noemen, en op het Latijn souden men moogen seggen, Saxululas, om dat zy haar meest onthouden in steene rotsen, of klippen, of steengroeven, of diergelijk: Zy trecken dan haar naam van die Steenrotsen, of Klip pen, naa het waarschijnelijkste is. Wie dit niet en acht voor roemrijk, en Glorieus, moet hier noodtwendig meê een van de Apostolyze stijlen wraacken, en veragten, die zijn doorlugtige toenaam van den steen toe wierdt gevoegdt, te weeten, S. Pieter zyn stem, en bysondere geluydtmaaking komdt zeer oover een, met die van den Kievit, daar meer niet, als een letter aan schyndt te haaperen, mits zy in stee van Kiewit, Kiewieu zeydt. By dees worden ordentelijk
    De Kerk-uylen gevoegdt, om haar goede Bloedtverwantschap, en naamaagschapshalven, de Latijnisten noemen haar Templaria, zy vallen wel wat grootter als de voorgaande, egter zyn zy daar meede van het aldergrootste slag niet. Ik zou UE. al hier zyn Godtvrugtigheydt wel beschryven, zoo die geen beeter, en vereyster plaats hier naa sou vinden, onder de Roemrijke [p. 68] deugden van de Uylen in het algemeen: Maar dit heeft dees, buyten alle andere bysonder, en eygen, dat hy in zyn slaapen soo geweldig stark, en hertig blaast, dat geen dronke vent veel treffelijker kan ronken: welke gaaf wonderlijk sou te pas gekoomen zijn, in den Jaare 1382. doe het soo stil in geheel Duytslant was, datmen gants geen windt gevoelden, weshalven doe alle Windt-Moolens hierom stil mosten staan, volgens Seb. Franks verhaalt van dat voorgaande Jaar. Daar hebt gy nu voor U L. Oogen gesteldt gehadt, de voornaamste, en alderoudtste aadeldommen, van het gantsche, en algemeene Uyle geslagt: Wat soort alhier buyten is, kan slegts gereekkendt worden voor burgerlijke, of gemeene slegte Uylen, koomende seer met die voorhaalde oover een, soo van troonijs treeken, en weesen, als ander lichaams stal; mits zy nochtans niet bysonders, nog uytsteekende oover haar hebben, laatmen haar voor gemeene en slegte Uylen, gelijk Jan rap, en zijn maat, die doch oover al mee moet, heen loopen.
    Zoo der nu iemandt zou moogen op staan, gelijk als men nergens gebrek heeft van die dwars dryvende geesten, die hier sou willen teegen in leggen, en dryven, datmen soo veel byzonder slag van Uylen niet en vondt, juyst, om dat hy die nooyt [p. 69] gezien, of gekendt hadt. Doedt waaragtig dat heylige Gevoogeldt een grouwelijk ongelijk, jaa alsoo vinnig een, als wel eer die Heemelse Pleiades geschiede, volgens dees heerlijke getuygenis van Ovidius:

        Diemen zeydt zeeven saam te weezen,
        Die waaren slegts maar zes voor dezen.

    En dat, mits de zeevenste weg, en schuyl loopt. Doch laat ons wat beeter van onse drift hoopen, en onderwijl bemerken, wat een vuyle wijs men dikwils volgdt in dit slordige teeven, waardoor als iemandt verheeven is tot de opperste top van waardigheydt, en Aadeldom, of dat hy, om zijn doorlugtige stam, daar hy uyt is gesprootten, de andere veer te booven gaat, dat dan voorder, ieder zijn best doedt, om soodaanig een treffelijk huys, als veer geleegener taak, ook in te booten, vervallende veel van de boosaardigte tot zulk een oovergeeve snootheyt, dat zy baldadelijk de naam, de Waapenen, van soo een geslagt, tot haar trecken: soo gaat het, naa ik bemerk, onsen uytsteeckende Uyl ook, wiens naam, en geslacht haar t’oover stout haar aan durven maanen, die in het minste geen gemeenschap met deselve en hebben: Doch seeckerlijk, eeven als het betaamelijk, en treffelijk genog schijndt, datmen sommige braave Kaerels toe laat, dat zy [p. 70] ten minsten, een weynig t’ haarer Gloory trocken, die doorlugtigste Uyle naam, gelijk als Ulyladislaus die treffelijcke Koonink van Poolen, en die deftige Uylasta Kooninginne wel eer van Booheemen, als meede die wat minder gelijk onsen dappere Zee Capiteyn den Uyl: Hoogl: geheug: met zijn gantsche Stamhuys, en voorder de Uylekampe Uylenburg, Uylenbroecke, Uylendorpe, en wie voorder noch diergelijke meer zyn, die my nu niet in den zin en schieten. Maar waar toe ons hier met een deel weereldtse menschen gemoeydt, hoe wel het braave Kaerels, zyn, zydt gy, mijn Uylagtige Heeren dan soo blindt in de oude Legenden, dat gy daar mee geen Heylig in en hebt, die ook met u Voogels naam bromdt, of is die text te seer voor u Uylagtig oogen verduysterdt of vervalst? Het is wel waar, dat het Noorweegen om zyn schraale barrigheydt, wat onvruchtbaartjes is gevallen, bynaamen in Heylige voort te brengen, dat geen wonder is, mits daar veel meer treffelijk goedt niet voort en wou tot de geurigste Speceryen toe, naar laat ons tot de zaak selfs koomen, daar vindt ik klaarlijk den H. Uylof staan, alsoo wonderbaarelijk in zyn Mirakulen, als den Grootten Kristoffel selver, die de Oosterse, als te plomp tot soo schel een geluydt in Oelof of Olof veranderen, die al van de eerste [p. 71] Heyligen onder alle andere hier tot Amsterdam van de Bergervaarders, en Noorse Handelaars, een aansienlijke Kapel ’t zyner eeren toe wierdt gewijdt, die zoo lang S. Uylofs, of Oelofs, of Olofs Kapel wierdt geheeten, tot de Uyle haaters (naa het scheen) daar de Oude-zijds-Kapel af maakten, wat noodt, hadden zy voor de schande, die het lijkt, zy hier u Voogel mee aan deeden hem daar voor, dat hem met zyn naam uyt zyn toegewijde plaats schopte, voor weerhaan ten minsten op de Tooren geplandt, om hier door noch eenigsins in aller geheugen Glorieuselijk te blyven, ik verseecker u, hy zyn dingen soo wel, of beeter sou gedaan hebben, als die lange swange bast van Paeckelhaaring die zoo verguldt op de Haarinkpakkers-tooren staat: dog wat sullen wy seggen? is hy so wat uyt zyn Kapel geschoffeldt, hy is uyt de Legende noch niet gedaan, en vaster staat men by een onsterfelijke Autheur, als in een bouvallige Kapel, hy mag zig met Pilatus vonnis troosten, dat geschreeven is moet geschreeven blyven. Dat men hier booven dit voorregt ook noch gun aan eenige braave steeden, en slooten, als Uylisbona, die aldervermaarste Koopstadt in Portugal, die wy om kortheydts wil Lisbon noemen. Item, dat heerlijke Slot Uyl, volgens Thuaan in zijn 31. Hist. in het jaar 1568. ge- [p. 72] leegen tussen de Revieren Uyl, en Duyn; dat men ’t zelve ook niet en misgun aan ons geheele Amsterdamse Uylenburg, welke voorhaalde altemaal haar naa waarde, niet weynig des Uylen lofs deelagtig kunnen maaken. Dit niet teegenstaande en mach ieder lompe Veugel, of veracht bloedeloos. Dier, of van het alderslegtste gespuys der dingen koomen, en maanen haar des Uyls soo uytsteekene naam aan, en brommen, door een deel schelmagtige loogens, met zyn geslagt, en afkomst: derhalven soo sal het Ampt vereyselijk zyn, gy regte Liefhebbers van al het Uylagtige goedt, dat gy u recht, en bequaam naa u beroept draagt, teegen al het onreyns, en bedriechelijk in sluypen in des Uyls eygentlijke heerlijke naam, vinnig kantende, om die wel te deeg te beschermen, en in vereyst weesen te houden door daar gestaadig voor te waaken, en soo suyver, en ongeschendt gaade te slaan, op dat door u slofheydt, het al gemeen niet een al te laelijk een krak en krijgdt. Wat is daar een schrickelijk een hoop Gevoogelte, en bloedeloos goedtje, die met al haar macht haacken, en staan, naa dees uytsteekendtheydt? Om nu van kleyne beginseltjes tot grootter voort te treeden zoo vindtmen eenige beestjes onder de Wespen, Vliegen, en Zijde-wormen, en ander sulk bloedeloos goedt, [p. 73] die des nachts naa de kaars soeckende, daar soo bot, en dom in vliegen, dat zy haar vleugelen verlengen, en haar daar meede om den hals helpen, die om de alderminste oovereen kooming met onsen Uyl, noch akxkaks die lieve Troetel naam van Uyltjes worden gegeeven, of sonder die soette troetelheydt, Motuylen worden genaamt de welk, schoon gy slechts met leeps en scheele oogen eeventjes bezaagdt, Mijn Heeren, zoudt gy om u byzondere snoggere gaauwigheydt straks kunnen oordeelen, dat die altemaal, zoo veel van de onse verscheelden, als de Spaanse en paarde vygen kunnen doen. Om dan zulke domme en stomme diertjes, die algemeene heerlijke naam niet voorder en voere, die het lompe Harammenus die toe voegden, daar diende gy- l. een ongemeene zorg voor te draagen, die met Horacius, ten minsten, Precoario tot naarder order gunnende.

        Die gaauw is van verstandt, en Goddelijkke Geest.
        Wiens mondt staag treslijk reedt, gun die dees eernaam meest.

    Wijders aangaande die yselijke Nachtvoogels Alvynen, Huybens, en Vuurvoogels en andere onheyl-baarende Voogelen, die sommige alsoo onbedagt, als vermeetel, onder ons bysonder geslagt der Uylen haar durven voegen, die weet ik altoos seeker, dat gy [p. 74] daar geensins onder en zuldt lyden, en laaten: Want den meesten hoop daar van zyn voorbooden van eenig aanstaandt schrickelijk onheyl, afgryselijk om haare Satyragtige beweegingen, ‘t is een deel laelijk schreeuwendt, en moeyelijk goedt, en oovergeeve stout, en wreedt, en dat het het ergste is, zyn zy voor bevrugte, en Vroevrouwen een veeg teyken: Want de eerste der voorhaalde aangaande, schilderdt die aardige Ovidius met zyn uytstekende Poeëts Penseel dus leeventlijken of Fastor 6.

Dees Voogels Schrokkig zyn, niet dat zy juyst ontstaale
De Trooyse honger-buyk, met haare spijs ’t onthaale.
    Maar zyn van dat geslagt: Grootkoppig valt dit goet,
    Puyloogig, wreedt van bek, die staag ten roove woet.
Haar veere valle grijs, haar klaauwe staan als hoekken;
Zy vliegen ’s nagts rondtom, om Wigters op te soeken
    Die sloffe min verzuymt; voort schenden dus met een,
    En scheuren Wigt, en wieg aan slarzen in ’t gemeen.
Men seyt zy met haar neb een suygent Kint ontginnen,
En slurpen ’t laauwe bloedt ten gulzig keelgat binnen,
    ’t Is Alvijn en dees naam die slaagt regt op haar daat,
    Mits zy al brommende ’s nagts vliegen by de straat.

    Plinius schryfdt hoe Homeerus haarer mee gewaagdt, en Lukanus vergeet haar mee niet singende:

        Wat d’angxtvalge Huybe ’s nagts,
        En Alvijns maakken al geklagts.

[p. 75]
    Horacius vermeldt hoe Kol Kamedia, in haar tooverkonst gebruykte de pluymen van de nagt-swergende Alvynen, als hy dus op Neurit:

                Als Kanidia omhangen
                Was met kort, en kleyne Slangen,
                    Daadelijk zy order gaf,
                    Datmen Doodt-kist uyt haar graf
                Rukken zou, en zonder draalen,
                Alvijns Veeren met een haalen.

    De Profeeten ook, stellen hem vol alle onmenschelijkheydt, en wreedtheydt voor, waarvan Ezajas plaats voor alle andere sal verstrecken, luydende: Die wilde woeste Dieren sullen te saamen met andere afgryselijke voor den dag koomen, den Huyben zal met zijn naastgelijke tieren en schreeuwen, daar sal d’Alvyne dan alleen sitten, en plaats vinden voor zijn rust. Dat dit heylige Capittel in haar vervolg den Uyl ook steldt onder de schadelijke beesten, is om een zeer verburge, en geheyme oorsaak geschiedt, die men ieder een soo niet, buyten onse Bende, wijs moeten maaken. Dees voorhaalde Pest der Voogelen, worden ten besten geleeken by Toveressen, en Kollen, jaa by de Droes selver, die hier om de Hebreen, en Latijnisten een en zelfde naam te saamen toevoegen; want Striges, Scopes, Lamia, Venefici, Satyri, & Doemones, is by haar al [p. 76] een schuym van goedt, wiens naamen men soo wis onderling den een voor den andere gebruyken, dat men geen voorder bewys daar toe van nooden heeft: Weshalven zy by de Oude altoos gereekendt wierden voor schrickelijke quaade voorspoocken jaa soo erg schier, als vloecken. Om dees oorsaakshalven zyn de Iooden gewoon op de vier vierkanten van die kaamer, daar een bevruchte zal verlossen en haar Kraam uyt leggen, met Hebreeuse letteren te schryven:

Adam, Eva, weg gy Alevijne.

    Welke gantsche History Boxtorsius dus langer en netter verhaalt: Als een loodtse Vrou swanger gaat, en haar verlossing naa by is, zoo wordt haar Kraam-kaamer vereyselijk opgeschikt, en gestoffeerdt met alle nootwendigheen. Voor al soo gaat de Vaader des Huysgezins, of eenige andere Joodt, die om zijn heyligh leeven, en Godtvrugtigheydt, uytmuntende is (soo men onder het Heemels dek moochelijk zoo eene vinden kan) en neemdt een stuk kryts in de hant, treckende daar mee een ronde kring op elk een vierkant die rondom die Kaamer staan, en boven de deur, zoo van buyten, als van binnen, schryvende voorders in ieder Cirkel dees volgende woorden, met Hebreeuse letteren, Adam, Chauva, chutz Lilis. Dat is: Adam, Eva, weg hier [p. 77] met u Lilis. Ik en kan my alhier niet genogsaam verwonderen, door wat een slordige ongeloovigheydt onsen Plinius moet verrukt geweest zijn, als hy schreef, dat hy dees nu soo meenigmaal verhaalde voogels niet in zijn kop en kost krygen, jaa die zelfde geensins en kost, of wist dat daar zulke gebooren wierden; maar meende dat men hem maar een Spinroks-sprookje vertelde, als men hier van repte, soo teegenstrydig, teegen al die treffelijke getuygenisse der Oude, zoo Weereltlijke, als Geestelijke, die gelijkmondig, en eenstemmig die zelfde voor waar, en waaragtig uytschreeuwen. En seecker, soo die in de Weerelt niet en woonen, waar toe dan soo veel onnoodige moeyten gedaen, om haar te weeren uyt het treffelijk Uylen getal, en stam? Iemandt zou die wijse Plinius van dees misverstandt vry moogen pleyten, door het geen naa zoo veeler Eeuwen verloop Ramus in zyn konst des Reeden-kavelings, by de Latynen Dialectica schreef, te weeten: Dat alle getuygenissen, zeer weynig kragts tot onweerseggelijk bewijs in haar bevatten, soo men de noodtvereysende waarheydt der zaaken op zijn Scherpsinnigste gaat doorgronden. Soomen dees Belhaamel, en Roervink aan wil hangen, soo valdt men alle braave Histooryen daar soo meê af, dat daar geen vast houden meer aan is. Soo braaf een tal van sulke uytsteek- [p. 78] kende schryvers, meugdt gy met eeren, en naa waarde vryelijk geloof geeven ten zy dat gy ook op de wyze der al te verziende Scaepiri by de Latynen den Uyl selfs met al de Alvyne in twyfel rucken wildt, dat ik hoop die goede Minerva wel sal verhoeden. De Huybe bysonderlijker aangaande, is al soo heylloos een teyken, als een van die voorhaalde; die haar Latijnse naam Bubo, die op onze Duytse Huybe alsoo wel slaagt, als de haare op die Syrise Bobo zyn treckende, dat eygentlijk te leggen is, den Vyandt maaken, en vyandelijk aangaan, hoewel sommige hem willen haalen van het geloey, en gemoey der Ossen, en Koeyen, die hy seer naatuurlijk naa kan bootsen: hy mach heeten zoo hy wil, hy is, en blijfdt:

        d’Heyllooze Huybe, die gewis
        Den Mensch een deerlijk voorspook is.

    Of naa andere:

        Hy loeydt, en moeydt zoo naar een liet,
        Dat, dat elk zyn ramp daar in slegts ziet.

    Hoor nu eens wat afgryselijkker getuygenis Plinius daar van geefdt: De Doodt voorspeldende Huybe, daar men het meest voor yst, en schrikt, bynaamen in algemeene Raadtslaagingen, dat nagt monster komdt met geen stemmelijk gezang voort; maar met een yselijk ge- [p. 79] kerm, en gesteen, weshalven het voor ieder stadt, daar men die zag, of voor wie hy zig by dag vertoonden, verstrekten by gestaadig een teycken van een ramptsaalig onheyl. Voegende een weynig daar naa dees woorden by ’t voorhaalde: Hy geraakten eens in de Kapel, die op bet Kapitolium stondt, ten tijden Papellius Jstras, en Lucius Pedanus Burgermeesteren waaren, weshalven men ’t midde Maert die deê Wyen, en seegenen, of soo die gedreygde ramp daar van daan was te keeren. Wat heb ik met het Heyendense Roomen te doen: het sal wat beter treffen, dat ik het Heylige Roomen hier eens invoeg, zoo veel het ons bewys alhier onweederstreevelijk kan bevoorderen: Hier van leest men, hoe sulk een rampbaarende Huybe aldaar verscheen, die in het Jaar 1411. het heele Roomse Synode, of Kerkelijk vergaadering heel verwarde, en om veer stiet, het geen Paus Iohan XXIII. hadt doen vergaaderen: Dees verscheen in haar eerste vergaadering, of zitting, naa zy de Mis van den H. Geest gesongen hadden, als ook op haar tweede, tot grootste schrik, en ontsteltenis, voor dien die andermaal weeder om gekoomen waaren, waar door die geheele vergaadering gescheyden wierdt, daar gy meeschien soo weynig kennis van hebt, als daar veel waarheydts in steekt. Hoordt eens wat Nik, de Klemangis Eerstdeeken van Beyeux, die op die tyt leefde van dees grou- [p. 80] welijke Histoory met dees eygene volgende woorden schryfdt: Die Balthasar Kossa nu Paus Iohan XXIII. hadt oover vier Iaaren een Kerkelijke vergadering te Roomen by een geroepen, gepordt, jaa gedreeven door verscheyde onweederseggelijke aanmaaningen: Wanneer nu voor de eerste sitting der vergaaderings de Misse, naa de gewoone wys, met de aanroepinge de H. Geest was voltrocken, soo ging Balthazar op een verheevener Stoel zig stellen, om voor Opperhoofdt alhier uyt te munten, waar meede terstondt een Schrickelijke Huybe voor den dag quam, die gemeenlijk met zijn komst, een teyken is, van een deerlijke Doodt, of ander ongemeen onheyl, (naamen dat gewoonelijk wil dryven) die uyt zijn heymelijke hoolen te voorschijn koomende, naar, en laelijk, op zyn wyse begost te schreeuwen, waar meede hy zig zetten ging, op den dwars balk, van die Kerk hebbende zyn oogen, en Afgryselijk gesigt, recht op Balthazer geslaagen. Een ieder begost straks verwonderdt te weesen, hoe een Nacht-voogel, die sorgvuldig het Dach-ligt schouwen in haarer midden zich hadt koomen stellen, en begosten daar meede een heyloos voorspook, uyt dit laelyk gedrocht te maaken, en niet buyten wigtige reeden. Siet, seyden eene soetjes den andere in het Oor bytende, daar komdt den Geest aan in schijn van een Huybe. Terwyl zy malkandere aansaagen, en met een haar oogen op Balthazar sloegen, kosten zy haar naau van lachchen onthouden: Balthazar zelfs, daar hy zijn ge- [p. 81] sicht alleen vast op gevest hiel, begost onder anderen heel root te worden, het zweet uyt te breecken, benaaudt te worden, en geheel van binnen te ontsteeken, ten laatsten geen andere raadt vindende, om sich in zijn uyterste onsteltenis, op zijn vereystelijkste te schicken, stondt hy op, en ging heen, laatende daar meede die eerste vergaadering scheyden. Hier naa volgden de tweede sitting, daar weer op die voorhaalde wijs, hoewel naa ik geloof, ongeroepen, dees Huybe niet en vergat om weederom te verschijnen, houdende gestaadig zijn gesicht op Balthazar geslaagen: Hy siende hem daar weergekoomen, wierdt met recht, door veel grootter schaamte ontstooken, als ooyt van te vooren, en zijn steenen niet langer verdraage kunnende, geboo men hem met raasen, tieren of stokken van daar zou dryven: Doch hy en was noch soo, noch met schreeuwen, noch slaan van daar te krygen, &c. Dit dus verhaaldt hebbende, voegdt hy daar kort aan dit volgende by: Ik heb van een mijner getrouwe Vrienden gehoort, die te dier tijdt reegel recht binnen Roomen gekoomen was; Terwijl ik verstomdt stondt oover al dees zaaken om de ongewoonheydt van dees zaak, naa ik hem hier geweldig oover beswoer, zeyd’ hy niet als de rechte waarheydt my verhaaldt hadt; voegende daar by, hoe al die geen, dier daar teegenwoordig waaren geweest, verrukt waaren geworden tot een grootte veragting, en bespotting van dees Kerckelijke vergadering, en de geheele vergaadering, allenskens versmeltende, wierdt [p. 82] daar door niet oorbaarlijk verregt. Dus veer schryfdt Nik. van Klamangis, welke Histoory ik te liever UL. Mijn Heeren dus in het lang, en het breedt uytley, op dat gy bekennen soudt moogen, wat oovergrootte ooverlast, dat in soo een Huybe huyst, die gantsch geen ontsag, of eerwaardigheyt betoonde zoo heylig een Hooft des Kerks, nog zoo veel heylige Vaaderen, als daar tot dat H. Synodus of Kerkelijkke vergadering waaren geroepen, maar terwijl men een Duyve verwachten, dat hy doe ongeroepen, daar in zulk een schrikkelijke gedaante, en wezen dorst verschijnen. Zijn voordere Godtsdiensteloosheyt, die men van hem verhaaldt, en is niet een haayr minder, maar loopt recht op kerk dievery uyt, daar hy door heen gaat, en slurpt by nagt, en ontyden, de Katholijken haar Ooly uyt haare lampen, dat hem zonder twyffel moet strekken, en alzoo wel helpen, als de Purgaazy Konzerf van het Diakatholikon, in alle Apotheeken zoo wel bekendt. De Vuur-vogelen zijn ook dies te onlydelijk stouter, dat zy de gloeyende koolen uyt de H. Kerk durven neemen, en die in byzondere burgers huyzen vervoeren. Dat is een schelmstuk, dat alle andere oovertreft: wat alle weereltse, en ydele menschen moeten haar handen van het heyligdom houden, als gy L. altemaal zeer wel weet, volgens het [p. 83] spreekwoort:

        Ik haat het ongewijdt kanaalje
        En weer haar van de Heylige traalje

Als meede:

        Veer van hier, hier veer van daan
        Moet al ’t ongewyde gaan.

    Weg dan met al die dolle, en rampsalige spooken van Voogels, heel naa de Garamante, en Indianen toe, daarmen de Duyvel aan bidt, laaten wy haar daar verbanne wenschen, veel eer, als wy haar plaats zouden vleyen, in het doorlugtigte, en alderheyligste gespanschap der Uylen, daar zy geen gemeenschap altoos meede hebben, als dat zy ook by nagt juyst vliegen; het welke, soo genoch was, om dees saak soo veer door te dringen, waarom stellen die herseloose dan ook den Vleermuys, en zyn naamaag den Nagtvlieger, op ’t Latijn Nyctorix onder het geslagte der Uylen? Want die vliegen ook slechts by aavondt, en donker, of vervaardt dit haar te zeer, dat de pleyts noch ongescheyde, en ongeweesen hangdt, daarmen door af moet wagten, of men den Vleermuys best onder de Voogelen, of Muyzen reekenen sal? Waar van Varro aldus spreekt: Ik slagt de vleermuys, door dien ik noch te recht en deeg onder de [p. 84] Muyzen, noch onder de Voogelen en hoor: Hoewel den Bybel hem steldt in het Register der Voogelen: En Aristoteles aldus schryfdt: sommige Voogelen vliegen met pennen, of schagten, gelijk den Aarent, en Haavick, andere met drooge vliezen, en vellen, gelijk de Byen, en Sprinkhaanen, andere door gespanne huyden, gelijk de Vleermuyzen: Daar Plinius meede stemdt seggende: Onder al de Voogelen is de Vleermuys alleen, die zijn jongen met Melk voet, en de borst geeft. Evenwel staan die dwarsdryvers hier zoo mee gebotmuyldt, dat zy hier niet en beet durven vast stellen. Mogt het naa mijn wensch gaan, soo wilde ik liever, dat al die voorhaalde Monster Voogels aan haar eyge keele gehangen waaren, als zy ons het hooft hier langer warm souden maaken, op dat het geen de Schryvers waardiglijk geschreeven hebben van dit doorlugtigte Uylen geslacht, zuyver, en ongeschonden mocht zyn, en by geen Menschen mocht verhoolen weezen.
    Gy-L. weet voorder wel hoe den Mensch verdeeldt wordt in Ziel, en Lichaam, gelijk de Wysgeeren de Varkens ook doen, die haar ziel voornaamentlijk (naa Chryzippus haar zeggen) gegeeven is, op dat die trecken sou voor innerlijk Soudt, zonder welk haare vuyle Lichaam in kort soude wechrotten, als dat blijkt, soo men sonder ander Soudt het doode vleys alleen laat [p. 85] leggen. Voorder haar Lichaam belangende, zoo veel haar ingewandt aan gaat daar is tussen het onse geen onderscheydt: zoo dat de ontleeders in de Varkens lichaamen daar eerst een byzondere proef afneemen het welke zy bysonderlijk in het menschelijk lichaam willen verhandelen. Dat zy den Uyl die eer ook eens wilden aan doen, dat zy hem zorgvuldig van binnen eens beschouden, zoo zouden zy van zyne gestaltenis en welvarentheydt seer treffelijke oordeelen vellen voor eerst, door dien al zyn deelen en leedemaaten seer keurelijk zyn getemperdt, alles zynde soo net, en wenschelijk gesteldt, als te bedenken is, haar leevens warmte, en vogtigheydt naa recht vereysch geschikt, haar vier humeuren en vogtigheen, veel treffelijker te saam gemengdt, jaa beeter als de vier Winde kunnen zyn, altemaal vol van leeventlijke geesten. Zy zouden dus bevinden, dat hy hierin van al de gepluymde schepselen verscheelde, dat hy geen krop, of schokbast en heeft, maar dat zyn darmen recht aan de maage vast hangen, daar hy zyne koocking beschikt, in seekere holligheydt, of boezem, die wat grooter, als gewoonlijk in andere valdt, die zoo heet, stark, en droog valdt, dat hy alles kan verteeren, behalven kost daar haayr in zit, dat zelfs de Honden niet verkoocken en kunnen, [p. 86] hoe ruyg zy in het haayr sitten; daar gy UL. niet oover en moet verwonderen, aangesien den Babeloonse Draak, dien Afgodt Bels macker, het haayr niet verteeren en kost, het geen Daniel met Pek, en smeer gemengdt hebbende, ten keele hem in wurp. Maar waarom doch en sou den Uyls maag zyn kookking niet wel doen, en geluckelijk naa wensch voort setten, daar hy gemeenelijk een seer Aadelijke spyse nuttigt, te weten, vleys, en vis, die hy liever raau, als gaar eet, daar hy te mets wat wurmpjes by gaat soeken, bynaamen, als hy honger heeft, wanneer hy mee wel op vliegen, en diergelijke bydt, daar het vlees tot spys, en het bloedt tot drank hem verstrekt? Hier boven en moet gy niet reekenen, dat den Uyl zyn waardigheydt, en Aadeldom gekrenkt wordt, dat hy te mets eens op een doodt lichaam verslingerdt geraakt: Is dat een gebrek, soo heeft hy het selfde met U L. vry gemeen, aangesien gy ook een seer groot begeeren en trek hebt, in dergelijke doode lichaamen: Want mach ik UL. verbidden, soo seg my eens, wat voor kost anders het geheel Menschelijk geslacht gebruykt, soo men maar een weynig kruyden, en vruchten uytsondert? Is onse meeste, en gewoonte kost geen Voogelen, Vis, en Vee, soo wel Wildt, als Tam, die altemaal immers eerst doodt [p. 87] moeten weesen aangezien daar niemandt een mondt zou willen aansetten, soo lang zy leefden? Soo my iemandt schandelijk toe werpt, dat den Uyl eenige kleyne bloedeloose Dieren leevendig door slokt, sal ik weederom op zyn broodt leggen, hoe verscheyde menschen, die wormen, en maayen, die uyt de Kaes kruypen, ook leevendig opknappen. Het leevenloos vleys der doode Dieren, scheurdtmen met de tanden van een, dat begraaft men te mets in meelkorsten, en worden aldus de dieren haare Leedemaaten, in de menschen haar Leedemaaten gestopt en gepropt, heel teegen de wyze der goude eeuw, en de instellingen van die alderwyste Pythagoras, die geboo, men zig zou wachten van het het bloedt, en leven der dieren, niet minder als van een Boon. Hier in dan komen wy met al de Uylen oover een, behalven dat zy haar kost gemeenelijk raau eeten, en wy gekookt: dat van haar treffelijk bedagt is, want een keuken sou haar veel te moeyelijk en te kostelijk vallen, die dikwils meer besteet in haar sausen en soppen, als zy met satsoen zouden konnen beschaaren: hier komdt het door, dat de Uylen, zoo lang zy in geen ziekten en storten, of koomen te ooverlyden, haar geheel leeven in een gestaadige frisse gezondtheyt verslyten: aangezien daar weynig aan is geleegen, hoe [p. 88] lang iemandt heeft geleefdt, hier meer aan hangdt, hoewel hy geleefdt heeft: en de ouderdom valdt gebreckelijker, als geluksaaligs weshalven zy ook meer behoorde gevreest te worden, als gewenst, te meer zy de oude Lieden soo swaar valdt, dat zy haar selfs teegen de borst stuyt; daar het kreunen en klaagen van den ouden Kato treffelijk op past, luydende: Ieder wenst om den hooge ouderdom te moogen genieten; en als zy die hebben, klaagen, Knorren, en morren zy daar op, volgens Menanders spreuk:

        De hooge Ouderdom vreest vry:
        Mits die alleen u nooyt komdt by.

Dat is het, dat sich kant teegen d’onsterfelijkheydt der Uylen, en daar zy haar naa moeten reguleeren, dat den Poëet haar voor singdt:

        Wanneer haar korte ligt eens onder is gegaan,
        Zoo slaapens’ eeuwiglijk een enkle nagt voort aan.

    Op dat gy wyders wat netter naamaals soudt moogen spreeken van haar gewaadt, dracht, en cieraaden, hier van moet ghy weeten, dat de onze zich niet, op zyn Ezopus Voogel, mooy gaat maaken, met een andermans veeren, en pluymen, aangezien hy meer, als genog met zijn eygene gedekt kan worden, en gepronkt, noch zy en hoe- [p. 89] ver tot alle mans spot niet gelijk de Aapen, om een taart te loopen beedelen. Zy hebben wel een kleyn lichaam, maar haar vleugels en wieken zijn weederom zoo veel te langer en wydtspreydender. Haar mistaan zy zoo niet, als een groot zeyl op een kleyne schuyt mag doen, die hier om met de eerste buy lichtelijk om veer geraakt, verstrekkende daar meede tot het rechte speeltuyg van de Fortuyn: Maar door dien de Naatuur de vleugels tot het vliegen heeft geschapen, (want zonder penne, en styve schagten kan men te quaalijk weg vliegen) behelpen zy haar met eene daar meede, dat de Naatuur haar tot het vliegen verleende, en daar en booven ook om haare lichaamen treffelijk te bedekken, en dus de winterse kou van haar te weeren daar zy gelijk Eegels weeten teegen in malkanderen te kruypen, en met haar veeragtig, en pluymig schildt haar alzoo treffelijk te bedekken, als een Schildtpadt met zyn hoornagtige. Doch dat is niet heel treffelijk, en naa volvereysch wenschelijk van lichaam te zijn, zoo men daar by met geen uytsteekende deugden des Geests en is verluystert, bestaande in een gaauw, en doordringendt vernuft, en voorder in een deugdelijke vroomigheydt, daar de regtschaape, en eerwaardige aantrekkelijkheydt in bestaat: volgens het getuygenis van dien deftigen Cicero.
[p. 90]
    Zijn verstandt, en begrip, en doordringentheydt der zelve aangaande, is van Natuuren zoo oover eel, en scherp gegundt, als die zelfde aan eenig slag der voogelen kost gegeeven worden, het geen des zelfs uytwerkingen ons klaarlijk betoonen: want volgens de oude, en wisse spreuk der wysgeeren, is iemandt van binnen zoo wijs, als hy uyterlijk betoondt. Men vindt in de oude Kronijk der Voogelen beschreeven, hoe den Uyl altemets ’t gevoogeldt zeer heylzaame Raden Leerde, waar van dit een goede was, dat hy haar verhaal de wys, en met eene een onverslappelijken yver aanrie, dat zy met alle voorspoedt zouden zien uyt te rukken, en te verbyten het hennip, terwyl haar stam nog jong en teer was, om zoo hier door te maaken, dat de menschen geen stof zouden vinden om strikken, stroppen, en netten van te draayen te weeten daar men haar mee zou bedriegen, en vangen welke wenschelijke raadt, zoo den Uyl zag, datmen smaelijk verwierp, verwierp hy zig met een uyt het daagelijks geselschap der voogelen, na men zeyt, en koos daarom de nacht, wanneer de menschen slaapen veer van voogelen te verstricken, weshalven de andere voogelen, die nu al te laat, en op zijn Trojaans, naa haar eygen verderf zijn wys geworden, nu nog staag, zoo dikwils zy maar een Uyl zien, die te saamen, omde [p. 91] ooren snorren, en vliegen, of zy van hem, als de rechte meester van de innerlijke wysheydt, nieuwe Raadtgevingen hadden te verwachten, waar door zy die yselijke archlisticheên der menschen zouden moogen ontvlieden. Plinius roemde hem mee voor een naabootsende Voogel, aangesien hy dat naabootst, dat hy van de Menschen voor siet doen: Soo dat hy de menschelijke stem niet alleen; maar ook door haar werken weet naa te doen: dat voorwaar een teyken van een scherp verstants is; de welke even, als den Aap heeft onder de viervoetige Dieren, diemen hierom noemdt, een Dier met zulke afgerechte gaauwigheydt begaaft, dat hy alle Menschen doen, weet naa te doen; het welk men hierom naa Aapen bysonderlijk met een seer duydelijk woordt noemdt, zy dus onder de Voogelen is, waar door hy alleen onder alle slach van Voogelen, de Menschelijke Naatuur het aldernaaste komdt. Derhalven soo besweer ik UL. (met verlof van alle goede Menschen) by alle Papegaayen, Exters en Spegten, dat gy vast suldt gelooven, dat hy dikwils alsoo leersaam is om te spreeken, en met de Menschen te praaten, als eenig Papegay, Exter, of Spegt; doch op geen andere, als de suyvere Attise Taal, volgens Slora Viduas nette aanmerking. Derhalven soo gy hem juyst niet soo veel hoordt klappen, en snappen, [p. 92] als het ander klappende Gevoogelde vertrou my, Mijn Heeren, dat zy dees kunst eer bezitten, om welstaans halven, als om soo veel ydel gekeeks te maaken, houdende gantsch niet van die ydele pluymstryckery gelijk de Papegaayen gewendt zyn, die op zyn Koeckoek ten meestendeel haar eygen naam maar roepen even gelijk men van de Exters maar Kladdegat, van de Spegten schier niet hoorde, als Maget, Maget! en uyt de Raavens komt naau meer, als haar gewoon goeden dach Swaager, Swaager, eeven of ieder een van haar Bloedtverwanten was. Gelijk als den Uyl uytmunt in spreken, is het geloofelijk, hy in verscheyde andere deftigheen ook uytmunt, soo datmen van hem naa geen minder vereysch sou moogen zeggen, dat Terentius van zyn Moortje:

            Alle ding daar weet hy van,
            Spreek hem eerst van taalkundt an,
        Of van braaf, en aardig springen,
        Of aantrekkelijk te zingen,
            Het geen deeze nooyt verston,
            Nummer braave Voogel kon.

    Doch kost zich booven al treffelyk verweeren, door de gesleepentheydt van zyn vernuft, teegen al zyn kaeckelende gesnor dat hem, wel eer benarde, volgens dees oovergeeftige Fabel van Fedrus, die aldus op ’t Duyts kan glyen, en gaan:
[p. 93]

            Als den Kreekkel lest den Uyl:
            Laelijk schol, en maakten vuyl,
        Dat hy ’s nachts zijn kost most soecken,
        Slaapend’ ’s daags in naare hoecken,
            Of in eenig holle tak:
            Zoom’ hem zey, ey! zwijg wat! sprak
        Hy nog laelijcker: Gebeeden,
        Zelfs, als hier niet op en deede.
            Doen den armen Uyl dit zag,
            Dat hy deerlijk onder lag,
        Mits hy geen gehoor kost krygen,
        Wijl de Kreekkel niet wou swygen:
            Doch met deze listigheydt
            Heeft hy haar gesnap ontleydt:
        Hoe zou my de slaap bevangen,
        Als ik hoor u zoete zangen,
            Die zoo zoet gaan, dat zy schier
            Oovertreffen Phebus Lier;
        Nu ik mag naa huys toe tyen,
        Om mijn hert eens te verblyen
            Met een Nectars frisse dronk,
            Die myn Pallas lest my schonk;
        Zoo dees teugen u niet stinken,
        Komdt! zoo meugje met my drinken.
            Mits den Kreekel dorstig waar,
            En aanhoorde, hoe men haar
        Zingen prees, zoo booven maatte
        Heeft zig graag gezeggen laaten:
            Maar zoo haast den Kreekel quam
            By den Uyl zyn hol, zoo nam
        Hy ’t eelendig Dier vol schricken,
        Dat hy daadlijk ging versticken;
            Krygendt maklijk door zyn doodt,
            Dat hy leevende nooyt genoot.

    Doch men moet weeten dat alle kloeckmoedige voorneemens, niet altoos eeven geluckige uytkompsten hebben, maar ge- [p. 94] lijk Boethius treffelijk zeyt, daar het grootste verstant sit, sit met een de kleynste Fortuyn. Het geen de onse meenigmaal gewaar is geworden: Want dees uytsteeckende vernuftigheydt, en gaauwe afgeregheyt in naabootsen, is dikwils haar eygen verderf geweest: Aangezien de Ervare Natuurkenders verhaalen, hoe de Voogelaars, en Weylie, eerst vernaamen dat in den Uyl een Natuur zat, die heel graatig was om iets te leeren, en seer verslingerdt, om alles dat zy voor sag, naa te doen; maar onder alle Uylen de voorhaalde Oor-uylen voornaamentlijk, waar uyt zy straks geleegentheydt naamen, om met alle list op haar aan te leggen. Volgens Plinius getuygen: Den Uyl is niet swaar te vangen, soo hy slechts naa iemandt wil kijken, en op hem letten, die in zyn gesicht ietwes leydt te futselen, en te verhandelen. Derhalven soo haast de Weyluy een Uyl ergens sien sitten, gaan zy soetjes, en sagjes naa hem toe, tot zy haar recht tegen hem oover, en soo dicht, als het moochelijk is, stil houden wanneer zy een becken, of schootel, of diergelijk ter neer setten, daar zy ietwes, dat zy willen, in gieten, daar zy dan haar oogen bynaamen, en voordere troonje mee bestryken, waar naa zy met een geswinde behendigheydt dat gereedtschap bergen, settende eeven vaerdig een diergelijk ander in de plaats, dat zy met zyn, [p. 95] of diergelijk kleeverig goedt, vullen, waar naa zy weg gaan, dat goedtje zoo staan laatende: waar naa den Uyl daar recht naa toe komdt zacken, zonder eenig achter dog; van arg, of loosheyt, daar hy met dat goet vertrouwen, zyn oogen, en troony ook bestrykt; die hier mee daadelijk toe, en saamen kleeven, zoo dat hy die niet meer kan gebruyken, waar mee die Voogel-vangers toeschieten, en hem aldus deerlijk by den kop vatten, weshalven hy dan ook vryelijk seggen mach.

        Die misgreep is ten eersten groot;
        Maar mits mee menschelijk, geen noodt,
        Daar waaren meer die zulleks deen
        Die vroom en goedt waaren met een.

Doch past wat netter op haar

        Ovidius te groote geest
        Is oorzaak van zijn val geweest.

    De welke zoo hy met wat minder aardige geestigheydt in zijn vaaderlandt waar begaafdt geweest, hy en waar daar buyten in den Pontus Euxinus zoo rampsaalig niet geworden. De hoeveelste of dat wel zijn zou, die zich op het voorbeeldt van een ander om gewoonte, en goede naavolging zyn oogen ook niet zou laaten stryken, en smeeren? en ummers raaktmen door de gebreekzugtige strickades, en sme- [p. 96] ringen van vuyle schelmery, en zelfs in de doodt ten laatsten te vervallen? Eevenwel het geen men doedt om een anders voorgaan, dat achtmen met recht zoo te moogen geschieden. Doch het klemdt best:

        Proefdt dat liever aan een aâr
        Dat gy gaaren waardt gewaar.

    Voorder in een andere geleegentheydt, toondt hy vry wat treffelijcker, en geluckiger staaltjes van zyn uytmuntendt verstandt, bynaamen naa men zeyde, als hy van Lingula dat verre Lant, en Cyncramo die ooverzeese plaatsen met de quackels komdt ooversteeken, en leydt haar zoo een voorzichtige, en wyse Leydtsman op geweldig een plaswaters oover. Bedenk nu eens, zoo ghy wildt, wa twonderbaarelijke baat hem zyn nacht gezicht kan doen, en wat ongemeene nut, het dit gevogelte verschaft: Want het is een zeer gevaarelijcke zaak, van een blinde geleydt te worden; zoo dat hy zyn doorluchtige Saam, door dees uytsteekende daadt, dubbel sout verbreydt. Voor eerst blijkt hier door, een uytsteekende af gerechtheydt zynes geests, en een scherpzinnigheydt die alle andere te bovengaat door dien hy zig met dit gevoogelte niet alleen vermengdt, als Reys-broer, maar haar ook tot Gidze, en Leydtsman verstrekt, die zelfde staag aan een stukweeg te vooren [p. 97] vliegende, haar dus een vaste weg oover de ongebaande Oceaan heen wyzende, daar andersins, volgens die wyze voogel-kundige, onzeeker, en onnaavorselijk is. De weg eenes voogels door de logt, de weg eens schips door de Zee, den weg eens Serpents door de aarde, en de weg eenes jongelinks die zyn vryster gaat vervolgen. In Salomons Spreucke Hoofdtst: 30. Ver. 19. Als hy nu dees tocht ten eynde heeft gebracht, zoo geloofdt men dat hy langs die zelfde weg wederom keert in dat zoo ver geleegen woeste, en wilde landt, wat daar van is, en heb ik geen naader bescheyt kunnen krygen, als dat men wis meet, dat wy altoos Uylen by ons hebben, jaa datmen in het guurste van de Winter die zelfde hier dik, en bol vindt. Ten anderen zoo bidt ik U E. dat gy dog eens te deeg gelieft te letten, hoe groot de heusheydt, en beleeftheydt van dit dier is (dat hier alle nydigheyt van myne woorden verbannen blyve) dat hy zoo geweldig een arrebeydt, en moeyelijkheydt om een andermans voordeel, en welvaaren op den hals haaldt, waar door hy zoo ongeloofelijk veel mijlen weegs, by nacht en dach gestaadig vliegdt, eeven of het een andere Paradijs Voogel was, die by gebrek van beenen niet zitten kan te rusten, doch zich evenwel zoo moe kan vliegen, dat hy zeekere uytsteekende lange veer die in zyn [p. 98] staardt sit, weet om een tak van een boom heen te slingeren, daar hy veel treffelijker aan blijfdt hangen als Absalon wel eer aan zyn haayr: Maar de onse en weet van geen rusten, gaat in het teegendel sich selven verwerpen in het uyterste gevaar van sijn leeven, en al zyne goederen, en wel vaaren, terwyl hy die geen, die in dees weegen heel onbedreeven zijn, de rechte weggaat wysen, sonder eenig verdriet, of moeyelijkheydt, sonder welkers hulp, en toe doen, al waaren de voogelen nog sulke maats te saamen, souden sy malkanderen in eewigheydt niet konnen besoeken, bynaamen als sy al die van ryken van een gescheyden zaagen. Daar siet gy nu mijn Heeren hoe waarachtig het oude spreekwoordt is, dat luydt:

        In de diep, en donkre hoolen,
        Leydt vaak ’t grootst verstandt verschoolen.

    Wie van u allen hadt sijn daagen gedacht dat daar zoo veel uytsteekende wysheydt in den Uyl sat? maar gelijk, volgens ’t out spreekwoordt,

        Alle man, al wil hy gaaren,
        Mag niet naa Corinten vaaren.

    Zoo en mach het ieder voogel ook niet gebeuren, die soo geweldige grootte, en [p. 99] gollef-ryke Zee oover te vliegen. Wat een grootte seegen, en weldaadt het is een wis en veylig Leytsman te vinden, als men ergens veer in vreemde Landen moet reysen, kan u Tobias maar als ten vollen leeren, doe hy zyn Leydtsman graag soo over mildt wilde beloonen: Selfs Ennius dat uytsteekende vernuft zingdt:

        Die een ander, die gaat dwaalen,
        Op de regte weg gaat haalen,
            Doedt zoo veel, als die het ligt,
            Van het zyn voor ander stigt.

    Dat is een teyken van een voorsichtige geest, ’t geen te bondig klemdt, dat de Uylen betoonen, die, als zy met een bende ergens naa toe willen, daar zy de Windt teegen hebben, dat zy dan eenige steentjes, of zandt opswelgen, om daar door te swaarder te zijn, om dus gestaadiger, en styver scheut door de teegenstreevende Windt te maaken, volgens Plinius 10. Boeck 23. Hoofdtst. Hier door kunnen zy de Windt steeviger teegen staan, sonder haar de Windt, om haar ligtigheydt, van de eene tot de andere kant soo mackelijk niet en dryve. Van de Kraan-voogels verhaaldt Eliaan, en andere Natuur-beschryvers, dat zy soo voorsichtig zyn, dat zy een steen in haar eene poot vast nypen, om niet te vast, noch te lang te slaapen: Want soo haast haar die steen ontvalt, [p. 100] is daar mee haar slag gebrooken. Den Uyl is dan, voorwaar, aldus voor andere niet alleen wijs, maar voor sig selven ook. Ten laatste dat zyne gaauwe doordringentheydt wonderbaarelijk is, suldt gy hier kunnen uyt verstaan, Voor eerst, dat hy met het onweer kan voorsien, en voorseggen, volgens Plinius lib. 18. Cap. 35. daar Jonston dit byvoeghdt, dat hy selfs een schraal jaar voorsiet, en voorseydt, te weeten als de gemeente hem Boswaardt uyt, en Steewaardt in ziet vliegen, en vlieden: Zoo hy hier booven zyn hoolen verlaat, hy daag te voorschyn komdt, en verhuyst in andere plaatsen, als hy gewoon is, is het een teyken, dat het volk van dat Lant, of Huys ten deele veeg zyn: Jaa men siet hem ook dikwils des nagts teegen de veynster en glaasen van soo een Kaamer, of Saal vliegen, daar een siecke binnen leydt te zieltoogen en te sterven.

        Dat eerst mag men wijsheydt heeten,
            Dat men niet alleen ziet, wat
            Voor ons voeten leydt, maar dat
        Volgen sal, met een kan weeten.

Watte? sal UL. dat ook met recht geen wonder geeven, dat den Uyl ook onder de Profeeten is geraakt?

            O Bollaan wat benje reyn,
            Om u kostelijcke breyn!
[p. 101]
    Wat soudt gy, mijn Heeren hier reekenen voor de oorsaak van dit voorseggen, en Profiteeren? Ik en kan, noch en sal voor my geensins toe staan, dat haar geest van voorseggen soo buyten der natuur haar beloop is, gelijk men te mets in de beseetene gewaar wordt: En soo ik u maar te deege ken, suldt gy van sulk een voorstel, en drift niet eens droomen. De reeden van dees doordringende gaauwigheydt, wil ik eer gaan soecken, en haalen uyt zyn eygen bysondere Natuur, naa ik wel meen, en voor heb, de welke soo geschaapen is, en gemaakt, dat hy tot de doode lycken een geweldige trek staag heeft, die hy derhalven van heel veer kan gewaar worden: Door welke geur, en leckerheydt hy aangelokt zynde, komdt hy dan door zyn naatuurlijke swier daer naa toe stuyven, of sacken, niet anders als een Varken aan komt springen, soo haast die een veest hoordt los barsten, passende op de drol die daar wel op wil volgen. Maar hier teegen zou iemandt moogen inleggen: Soo lang de kranken leeven, zyn het noch geen lijcken, en een veest is ook geen drol. Wat hebben wy dan hier aldus met lijcken, of strondt te doen? Dat weet ik wel, Mijn Heeren, dat weet ik wel, noch en kan noch en wil hier niet loochenen, dat de veege, en die op haar verscheyde leggen, noch geen [p. 102] lijken zyn inderdaadt; Dat en belet niet, dat zy kort daar aan in die selfde zullen veranderen, jaa door een dicht aanstaande macht zyn zy alreê zoodaanig schier: want hoe iemandt naader aan zyn verscheyden is, hoe hy daar door ook naader aan zyn bederving, en rotting is, en gevolglijk ook dichter om een lijk te zyn. Wederom, terwijl zy stervende genoemdt worden, zyn zy weynig van het sterven verscheyden, Dat weynig ergens van daan is, schyndt daar schier niet van daan te zyn, volgens Arestoteles oordeel: Waar by gevoegdt diendt, dat alsulke de Logt nu al met haar fenijniges en lijkagtige dampen vry ontstooken hebben; het geen de Uylen sonder neus, verscheyde duysent treeden veer mackelijk kunnen ruyken, en duydelijk onderscheyden van een gesonde, en zuyvere Logt: En kundt gy ook mijn Uylagtige Heeren, een reegen, die uyt eenige solferachtige plaatsen is naa booven getrocken, in een dicke wolk, noch in de logt zonder vallen hangende (soo gy niet al te snotterig en valt) die selfde verscheyde mijlen veer niet ruyken? En soo eenig wilt, dat oover een tydt lang op seeker weg heeft gegaan ruyken kan de scherp ruykende hontsneusen met haar ongemeene kragt, zult gy dan in onse, die op seer naa de aldersnelste, en felste daar in is, een gelijke, om geen grooter te [p. 103] seggen, reuks snelligheydt weygeren? Maar wat doe ik al wat baat ons een braaf verstandt sonder heerlijke deugdt? Tullius spreekt deftig en wel: Om de deugdt wordt iemandt met regt, en reeden gepreesen, en iemandt mach met recht op zijn deugden roemen.
    So ik dan nu mijn Uyl zyn ongemene deugden sal verhaalen, mag ik mee wel vraagen?

            Waar ’s nu mijn begin omtrent,
            Of mijn midden, of mijn endt?

    Laten de Theologanten, en Godsgeleerden het my ten besten houden, so ik alhier begin van de eerste, en alder overtreffelijkste deugt de Reliezy, en bysonder Godtsdienst, of Goodelijk Geloof, zynde een deugt die niet als op Heylig, en Goodelijk let, wordende strydig gestelt teegen de Superstiecy bestaande in alle bey, en dwaal gelooven der Menschen, daar de onse altoos, soo lang daar aasem in sal zyn, een schrickelijk afkeer sal hebben: Want hy en is geen heele dagen met bidden, en offerhande besig, dat dog zyn Kuyckens in het leeven moogen blyven, waar van Cicero de supersticy is treckende: Maar is seer geneegen tot de ware Godtsdienst: Welke Godtsdienstigheydt nergens met klaarder reedenkaaveling is te staven, als datmen siet, dat iemand de gewyde plaatsen bemindt, bynaamen de Kerken, en die naarstelijk besoekt: Dat klaarelijk in de onse blijkt, by naamen in dat slag, ’t welk zijn naam daar van [p. 104] draagdt, en Kerk-uyl bysonderlijk wordt geheeten, die zelfs van de Kerken zyn woonsteê maakt, daar wy die sien vliegen, sitten, wandelen, zyn Jongen uytbroeyen, en die zelfde van Muysen vry houden, en suyveren, daar hy dapper achter heen zit: En door dien hy in tooren, geevel, en omtrent de klocken gemeenelijk zyn nest maakt, toondt hy daar ook zyn grootte yver door, die hy heeft tot de Godtvrugtigheydt, en Godsdienst, dat hy de mannen haar mantels, en de vrouwen haar huycken daar braaf bekakt, tot vermaaning, dat zy soo laat, en langsaam, niet meer te Kerken sullen koomen, dat zy heel agter af, by de tooren, of digt by zyn geevel staan moeten, of sitten. Daarom past hy het vinnigste op de Rotten, en Muysen, omtrent het H. Huysje, op dat zy daar binnen treedende, het selfde niet souden ontheyligen, ten tweeden, dat zy geen gewyde Hostyen op en eeten. Waar door men gelooven mag, dat hy alsoo veel uytrecht, als al het gantsche Rot der Tempeliers, Preekbeeren, Munnicke, en Weereldtse Geestelijkheen, met al haar fijnste en substijlste siften van twist-redenen, souden kunnen schiften, en scheyde, aangesien hy al die twistigheen en Kyvaazyen, daar zy soo vuurig, en vinnig teegen malkander mee staan te schermen, door zyn rouwe, en ongeheeckelde Minerva, of [p. 105] vlak weet weg te neemen, of soodanig te schicken, dat bey die partyen een goedt genoegen daar in moeten neemen. Maar dat niemandt van U L. Mijn Heeren, denken mag, dat ik dit voorhaalde, soo maar los heen praat, soo bidt ik u dat gy met my eens wildt ooverweegen, die geweldig, en schrickelijke saamen-hossingen, en stootingen die in haar twistigheen voornamentlijk steeken 1. Hoe en op wat plaats men de gewijde Hosty in veyligheydt zal stellen, dat zy van de Muysen niet op en werde geslokt, waar toe daar voor gesorgdt, soo hy maakt dat daar geen Muysen in de heele Kerk koomen, is die immers oover al veylig. 2. Of een Muys, die sulk een Hosty op heeft gegeeten, waarlyk gezeydt kan worden Christus Lichaam op gegeeten te hebben? uyt heeft die vraag zoo de onze haar doodt byt eer zy daar aan koomen, eeven by genogsaam doedt om welke reeden de andere voorstellen, of vruchteloos verstuyven, of onnuttelijk voorkoomen, soo dat zy geen antwoort, veel minder krakeel waardt zijn. 3. Hoemen met sulk een Muys zal leeven? Of men hem om dees Kerk-schendery behoorde te ontwayen, of liever met de Ketters te branden. 4. Of die Hosty, of een gedeelte des selfs voor soo veel zy in die Muys steekt, ook behoorde aan gebeeden te worden? 5. Of sulk een Muys, heyliger is als andere Muysen, of liever Goddelooser is te achten? Zoo lang als den onsen met soo een vuurigen yver op de Muysen los toe sal [p. 106] gaan, en salmen dees, of diergelijke Kerk-wetten, of Kanons niet van nooden hebben, te weeten: Die den Hosty niet wel bewaardt sal hebben; maar dat den Muys dieselfde sal gegeeten hebben, sal hier voor veertig daagen boeten, en Penetensy moeten doen. Item, als den Muys eet of knaaudt, &c. Want het verveeldt my slegts overige hier by te schryven; aangesien den Uyl zyn klaauwen bequaamer zyn, om al die lompen hoop uyt te schrabben, als onse pennen om die in schrift voor te stellen. Gaat aldus vroom, en dapper aan mijn Uyl, volhardt dus in u Muyzen Moordt, en gy suldt daar meede al die luy leedige, en haatelijke kibbelingen treffelijk wech neemen, een grootte vreedtsaamheydt onder die Geestelijkheydt baarende. Volhardt aldus in de Kerken van alle besmettingen der Muysen te suyveren, en alle geweyde spijse ongeschonden, en vry te houden van alle Kerkschendery; rept u dus om het geheel geslagt der Muysen, door sulk een heyligen Oorlog te vervolgen, en te vernielen, dat gestaadig piept, knabbelt, en door de Kerken heen loopt en vliegt. Schoon wel die plaats u niet heylig en maakt, besmet zy u ook geensins. U Godtsplichtigheydt is seeker noch treffelijker altoos, als van die geen, die soo lang, als zy leeven, in Kerk nog kluysen koomen, om de Godsdienst te hooren, of iets goets aldaar te doen: dog [p. 107] so haast zy doodt zijn, worden zy daar met groote toestel en staacy in gedraagen, eeven of zy staag bedugt, en bevreest waaren geweest, haar leeven lang geduurende, dat haar een balk, of een steen op de kop sou hebben gevallen, en haar dus onverwagten haastelijk uyt de Werelt gerukt. Aldus gaan wy, Mijn Heeren, de Uylen de Godtsdienst veel waaragtiger, en vereyster toe voegen, als Plinius de Hennen doedt, zeggende: In de Dorp Hoenderen sit mee een Godtsdienst: Want zy krygen een gril oover haar heele lijf, als zo een Ey geleydt hebben en schudden haar daar naa af. Dat is immers belachchelijk, dat die schuddige gril, en vrese, den Godsdienstigheyt voort sou brengen: Wat is het gevoechelijker beweesen, dat dit meer komdt door een Godtspligtige daagelijkse verkeering in het Huys des Heeren, en door sulk een treffelijken yver te pleegen voor de waare Godtsdienst? Wie van U. L. hadt ooyt gelooft, dat in den Uyl sulk een doordringende Godtspligt zat? Dies en is dat naa mijn oordeel soo seer niet te verwonderen, daar den Apostel Paulus met zulk een Lof-reden de Athenienzers over roemdt, dat zy waaren, veel Godtsplichger, als eenige andere Griecken: Nu hebt gy te vooren wel verstaan hoe den Uyl Minerva, en de Atheniensers, als iet Heyligs, toe was gewijdt: zoo heeft dan d’onze van haar, of zy hebben van de [p. 108] onse die alderuytsteekenste deugdt, Godtsplicht ontsangen. Wyders, eeven als alle deugden met een algemeene bandt aen een schijnen verknocht en gelijk als met een bloedtverwandtschap, aen een gehecht, soo sal het hier in onse nu moeten ook gaan: getoondt hebbende hoe de Princesse van alle deugden daar soo ongemeen in huysden: Want soo haast men de Godtsdienstigheydt in iemandt vast heeft gesteldt, soo moeten de andere wel volgen. Aangaande nu voorders die dappere kloekmoedigheydt, die de Latijnsen Fortitudo noemen, en van de oude Heydense Wysgeeren wierdt gereekendt voor een van de seedenstigtende deuchden, soo uytsteekende, als de Godtsplichtigheydt onder de Goddelijke altoos is geacht geweest, die om haar uytmuntentheyt door de enkele naam van deugdt alleen booven alle andere wierdt beteykendt, wie sal dees nu onsen by durven weygeren, aangezien Horacius met zyn Lier op durfdt speelen:

        Kloekmoedige te saam en vroome
        Van haars gelijk, alleen voortkoomen
            In jonge Stieren, en in ’t Paerdt,
            Blinkt helder uyt haar vaadren aardt,
        En deugdt; Den Aarendt vol van moede,
        Zal nooyt een bleude Duyf uytbroeden.

    Den Uyl toondt seekerlijk dees deugdt soo oovertreffelijk dat hy zyn vyandt [p. 109] [prent] staag aan met ongekreukten moede te keer gaat. Hy heeft ook zyn vyandt, daar hy teegen vegt, die geen ydele Locht, of Wint en is, gelijk de Andabate gewoon waaren, die van de Griecken hier om Logt schermers geheeten wierden, wesgelijk de Pfylli, naa Herodotus getuygen, wel eer deeden, die teegen de Zuyde Windt, als een der Winden die haar al te vyandelijk plaagden, in het volle harnas te velde toogen. Hy en soekt ook met de Celte, of Xerxes soo dol en uytgelaaten niet met een geweldig Leeger de Zee haar Eb, en Vloedt te toomen, of te temmen, of wil met de Thracers teegen Jupiters Donder, en Blixem ten stryde trecken: Want al dat is eer sorte, of dollemans werk met recht te noemen, als dappere helde daaden: Maar zyn doodt, en geswooren vyandt is de Raave. Item de Byen, Wespen, Horselen, en Bloedtzuygers, of Waater-Eegels, en ten laatste noch zyn eygen huys-genooten, en bywoonders, die zyn vyanden altoos niet en behoorden te zyn. Den Raave betreffende, die is wel de aldergebeetstenste op hem, en zyn gantsche geslacht, waar meede hy ook soo teegenstrijdig van aardt is, dat Pausanias verhaaldt: Dat de spietsen, en Lancyen der Uylen met haare schilden, die in het ronde van Goudt waaren gemaakt, van de Raavens eens voor goeden buyt waaren weg gesleept, Maar het geen [p. 110] ‘t meeste strecken sal tot lof van dees Fiktory, is de kennis van deese Kampioenen kracht, en Krygs-oefening, die aan beyde Kanten al te ongelijk, en te veel is verschillende. Want dat Raaven geslacht, is een gespuys, dat heel Goddeloos is, onrechtvaerdig, twist, en scheurziek, moeyelÿjk, en baldaadig, ten laatste niet als van roof, en buyt leevende. Soo als het vliegen, is hem met eene ook het steele, rooven, schenden, en scheuren, een daagelijks gebruyk, zynde daar voor van zyn Ey af bekendt, naa dat aloude Grieksche spreekwoordt: Quaadt Raaf, quaadt Ey. En dat geen blinde aan zyn deugnietigheydt en sou moogen twijfelen, hoedaanig hy van binnen moet zyn, soo geeft dat genogsaam zyn uyterlijk koleur te kennen, volgens:

        Het is een Zwarterdt, blijfter dan
        Braafste Roomeyn, het veerste van.

    Het welk ik de oorsaak acht, dat Plinius hem steldt onder de Voogelen van quaader voorspook, en onheyl, die de Griekken aller rampen oorsaak noemen. Het geslacht der Uylen is stil, seedig, en gerust, onnoosel, en onschuldig aller quaadt, heus, rechtvaardig, en die ieder een het zyne gaaren geeft. Aangesien hy soodaanig teegen sulk een schelmse, en vervaarelijke vyandt ten stryde moet gaan, genochsaam daar toe [p. 111] gedwongen soo siet gy hier het rechte afbeeldtsel van die yselijkke, en hoopeloofe strydt van David, en Goliath: Men hoefdt zich dan niet te verwonderen, soo hy die selfde met verscheyde listige Krygsstreeken staag soekt te onder kruypen: dan eens met behendige konst, dan oopenbaar voor de vuyst, nu eens met het lijf, en dan eens met den Geest, dan hem eens met zyn neb, en kromme bek, en dan eens met zyn hoeckige klaauwen een neep geevende, want

        Wat scheelt het, of door list of kracht,
        Eenen vyandt t’onder wordt gebracht?

    Alles seeker wat den Uyl Uylagtige in zig heeft, brengdt hy hier in dees Raaven-strydt oopentlijk aan den dach, sonder hy achterkousig acht neemdt, of hy sonder trompet, of trom te roeren, in zyn geboomte hem stil houdende:

            Met des Raavens oopen bek,
            Laelijkjes slegts scheerdt de gek.

Dan of hy door oopenbaare Leegertogt:

        In ’t oopen Veldt,
        Zig slagvaerdt steldt.

Komdt my nu eens seggen of den Uyl [p. 112] aldus niet starker, en kloekmoediger en is, als de Menschen? Want de onse durfdt teegen zyn kragtiger aangaan, en deese laaten haar te mets, van haar swacker laelijk afsmeeren. Steldt my hier eens een Mensch met een Uyl te saamen voor oogen: En sal den onsen altoos voor eerst niet kloekmoediger zyn, als eenig Naan of Dwerg? Dees Menschen zynde, zyn met eene heel van haare menschelijke grootsheydt vervallen, hebbende hier door al haare mannelijke achtbaarheydt, en waardigheydt vergeeten, aangezien zy teegen geweldiger niet, als Kraan-voogels, durven vechten, men verhaaldt, en dat hier by staat, en noch veel vuylder uyt valt, is, dat zy meenigmaal van die selfde wel laelijk ooverwonnen worden: Weshalven den Poëet Goodelijk op singdt:

        Die Lauwer-kroon staâg swaarder woeg,
        Die minder van zijn meerder droeg.

    Doch den onsen deê voorsichtig, op dat hem niemandt sou achten of schelden voor een die teegen zyn machtiger Raaven, zijn lijf en leeven te los wilde in de waagschaal setten, en aan een zyde draadt hangen. Het is wel waar, dat veel een doorlugtige naam behaaldt hebben, die teegen haar al te machtige in vyandtschap geraakten, die in het Vergeetel-boek hadden geraakt, zoo [p. 113] zy sulke vyanden niet gehadt en hadden. Aldus spreekt seer agtbaar die Prins der Stoike Sekte Seneka. Een Scherm-meester acht het voor schande dat hy teegen een minder moet gesteldt worden: Want die en trekt geen gloory uyt zyn ooverwinning, die sonder gevaar de winste thuys komdt: Wat daarnaa, als, of hy zig selfs vergeeten hadt, en niet minder en was, als een rechte Stoick, seydt hy voor der: Met zijns gelijk te vegten, valdt onseeker, en gevaarelijk, met een minder slordig, met een meerder uytgelaaten en dol: Maar ik seg mijn Heeren, dat gy my suldt gelieve te vergeeven, dat het roemrijk, en glorieus is teegen zijn meerder te durven Kampen: Want de eer, en gloory van het Roomse Volk en blaakte nooyt helderder op, dan, als zy verscheyde swaare Oorloogen voerden, tegen eenig ooverdapper, en strijdtbaar Volk. En ons Neederlandt, heeft de oude luyster van de quynende Sikambrise saam weederom geheel opgewekt, door die laatst soo langduurige, als geweldigden Oorlog, die zy teegen den Spaajaardt voerde, die in krachten, en seenuwen des oorlogs, voor de aldermachtigste wierdt uytgekreeten, en doe schier Monarch van de geheele Weereldt was: Soo gy den Spanjaert kleynder, en minder wilt noemen, zal hier de Neederlandtse gloory deerlijk verkrimpen: Soo dat, al het geen men van het krachtig geweldt der Raavens [p. 114] afneemdt, rukt men ook van de eer, en gloory der Uylen. Noch onsen, Uyls gloory heeft zyn eynde hier niet mee, noch zijn dappere kloekmoedigheydt kan verkoeldt worden, met die eene, hoe geweldige vyandt ook: Want Plinius seydt, Den Uyl is ook een vyandt van de Byen, Wespen, en Horselen. Het welk soo seer niet te verwonderen is, aangesien de Byen, Wespen, en Horselen te saam van een slach Bloedeloos goed is, dat naa-maagschap schijndt, om de vinnigheydt en yselijkheydt haarer scherpe steekangelen, daar zy de Menschen wel vyandelijk mee durven te keer gaan en hertelijk quetsen, soo dat het scheen zy de Geesels Godts waaren die de Kananeen, en Hiveen uyt het Landt van Beloften joegen weshalven het oude spreekwoordt nog luydt: Men moet geen Horselen boos maaken, en gaande: Want die teegen haar aan wil gaan, als zy boos zyn, en aan de gang, vertoorenen haar slechts dies te meer, waar door zy selden van daar koomen, sonder ’t een of het ander onheyl met haar naa huys te draagen: Want, haar angel is ongemeen scherp, en fenynig daar by, wiens steek niet en treft of veroorsaakt daar straks een koorts mee, naa Plinius seggen, die dit daar noch by steldt, dat sommige geschreeven hebben, dat een Mensch sterven moet die drymaal neegen steeken van een Horsel gekreegen heeft, waar op [p. 115] die schijndt te deunen, die welke die te vinsig schempende, en bitsvinnige Poëet Archilochus met dit Graf-schrift vereerden:

        Maak d’Horselen niet gaandt die sitten op dit graf,
        Maar Reyser volg u weg, en blijf vry veer daar af.

    Om dat haatelijk gespuys uyt te rooyen, toondt onsen Uyl sulk een oover dappere kloekmoedigheydt, dat zy daar door alle andere Menschen te booven gaat: Want de hoe veelde man, onder de Menschen, soumen vinden, die teegen de onlijdelijke prickels van dit uytgelaaten goedt, zijn blootte hielen niet daar teegen aan te spartrelen, en schoppen, zou durven waagen? Wie sou goedts moedts, en wel bedacht, zyn neus daar teegen voor de deur durven steeken, en daar teegen kloekmoedig ten stryde gaan? Ieder verhoedt sich daar wel te deegen van, vervaardt door anders laelijke litteykenen die zy daar van draagen, dies sal hy het tegen haar liever op het loopen stellen, met schreeuwen en tieren, lijk de gecken, hou niet, hou niet! Want dus is het met haar geleegen, dat:

        Haar niemandt, als baldadig porde,
        Om groot getal, en nette Orde

    Ik kan sommige onder UL mijn Nagt Heeren, die in so wiecke backe sagt, en makkelijk vielen, dat haar geen Vloo, ik laat een Horzel staan, eeven te picken quam, of [p. 116] riepen daar mee met haar, ô Godt! den Heemel om hulp in haar noodt aan, met recht, volgens den Poëet:

                Dat was een last,
                Die Gooden past.

    Want in den Heemel salmen ook reekening moeten geven van een Vloo zyn doodt-slach: Schoon iemandt zyn beseerde plaats met handt, en tandt gelijkelijk te hulp mach koomen, jaa selfs zyn tong daar toe, soo wel, als eenig ander Dier, gebruyken. Maar alles gaat hier voor windt, en wel, uwen Uyl zal hier niet weygeren UL. met zyn onderlinge plicht by te staan: Want hy is de Man, die niet en schreumdt om alles, wat Angel voerdt, soo groot, als kleyn, vyandelijk te verscheuren en te verdelgen: En als zyn kloekmoedidige dapperheydt eens gaande is, vervolgdt, en vernielt hy alsulk, en diergelijk gedrogt, tot hy willig en bereydt, wanneer zy zyn Meester geworden zyn, zyn hooft door versterven eeuwig te ruste leydt, onder zyn Uylagtige Kroon: Soo nu de mildadige Natuur hem te vooren niet beschonken hadt, met soo een pluymig en veerachtige kroon, soo sou hy met recht, en reeden ten laatsten noch vereerdt, en beschonken moeten worden, om zyn kloekmoedige dapperheydt met Apollos Lauwer-krans zelfs. Nu [p. 117] siet gy wel gy Uylachtige Heeren, dat alle Menschelijke kloekmoedige dapperheydt maar enkel jok, en boert is, ten aangesien van die geen, die in de Uylen huyst. My gedenkt eevenwel, hoe ik van verscheyde gelooswaardige dikwils heb hooren verhaalen, dat seeker Veeluse Boer, eens soo gestoordt wierdt op seekere Bykorf, dat hy die selfde by de kop nam, en haar met zwerm met al, plomp verlooren, in den Yssel smeet, omdat daar eenige, selfs onbekende Byen hem wat te rou, en hert gestooken hadden, weshalven hy verrukt door toorn haar dees woorden naa haar gat smeet: Leg daar nu jou schelmagtig gespuys: zou ik voor my dan iets eygen hebben, dat daaroover my meester zou maaken? Tot noch toe ben ik vry Heer, en Meester van mijn goedt geweest, en altoos booven die selfde gesteldt, welke eer naam ik hier om met eene mijn leeven lang, als eygen houden wil. Een treffelijke lof, Doch schaadelijk daar by; aangesien hy al zyn Koeyen soo hadt kunnen verdrenken, om dat die ook wel met haar hoorens stieten. Hoewel, mijns oordeels dit geen werk, en pligt was van een slecht, of gemeen Man. Die Vent heeft moochelijk hooren vertellen, hoe den eersten Mensch Adam, eer hy noch tot een Boer verviel, een vry, volkoomen, en ongebonden macht hadt oover alle Dieren der Aarde: Welk recht, [p. 118] dees Boer scheen, dat hy zich naamaals ook aan wilde maatigen. Maar waar heen verval ik hier al? Hier ben ik oover mijn bestek al heen gesprongen: Onsen Uyl rukt my weederom aan het borde, om te verhandelen, hoe yselijk hy teegen de Bloedtzuygers, of Waater-eegels kampt, het welk Plinius met dees woorden bevestigdt: Den Uyl is ook een vyandt van de Bloedtzuygers. Wat hoor ik hier? Sou hy aldus met de Artsen soo quaalijk staan? En ook haar vyandt zyn? Want dees toonen haar, naa de Bloedtzuygers, door haar order, haare zaaken verrecht hebben, dat zy selfs de argste Bloedtzuygers van de Weereldt zyn, als zy selfs met geweldt gebieden het aader oopenen, soo in des koorts aanval, en verheffing, als in alderley aaverechtse toevallen, hier en booven het geldt, dat het tweede bloedt, jaa de ziel van de Mensch, haar meede ontsnuytende, soo is den Uyl dan op alle bloedtgierige Bloedtzuygers vinnig gebeeten, dat onsen Poëet in het hooft moet gespeeldt hebben, als hy zeydt.

        D’Egel zal van d’huyt niet gaan,
        Voor hy zig heeft van Bloedt vollaân.

    Dees Eegels of Bloedtzuygers hebben twee Dochters, naa de Wijseman Prov. 30. v. 15. seyt, welk die zelfde noemt; Geefdt, Geefdt, waar meede, naa Tremellus uyt leydt, mee [p. 119] verstaan worden: Twee slucken van de tong der Bloedtzuygers, die aan haar eynde takswyse uytsteeken, waar van men haar spalk-tong zou moogen noemen, dees uyt de mondt gesneeden, loopt het bloedt daar eeveneens uyt, als of het buyren, of Gooten waaren. Het welke Plinius dus bevestigde, daar het door bykomdt dat dit Dier, sonder ophouden het bloedt naa sig zuygdt, gaande zyn tong, of zy daar meede zeg, geefdt, geefdt. Aangesien dit beest gestaadig naa bloedt dorst, en naa het selfde onversadelijk is, en dat het bloet, het tweede leeven of ziel van een Dier is, sonder welk het leeven niet bestaan en kan, soo is het ook met een naa zyn verdiensten waardig, dat het de kloekmoedige kracht des Uyls eens proeve, en door hem niet alleen gerechtelijk om het leeven werde gebracht; maar hier en booven, zoo den Uyl een andere Tomyris was, dat hy ook in een volle becken met bloedt werde gesmeeten, terwijl hy mee schempig, en trots met haar smaalde: Versaat u nu met het bloede, waar naa gy zoo dorste. Soo veelderley kampen heeft d’onse af te stryden, die hem met soo veel seegenpraalende teykens, om zyn uytsteekende kloekmoedige dapperheydt verluysteren. Nu staat noch een Inlandtse, en Binnen-huysige voor hem af te hacken, die, naa het Weereldts beloop, de aldergevaarelijkste is, volgens het ge- [p. 120] meen seggen, en dit is zyn Luysen strijdt, aangesien hy gestaadig, sonder ophouden stryden moet, met een grootte meenigte van die Luysen, die hy uyt zyn eygen bloedt broedt, en voedt, niet anders, als een Pelikaan zyn jongen, sonder hy sig ooyt, daar gy Mijn Heeren, niet bang voor hoefdt te zyn, toe zal laaten, dat zy hem sullen ooverwinnen: Want daar speeldt, en blijft hy altoos den Meester oover, die onaangenaame, en moeyelijke gasten, of vyanden verslindt hy met dat deel, daar de menschen haar broodt mee kaauwen: Daar hy een sonderling gelijk toe heeft, aangezien de Luyse sieckte eygentlijkker, een straf van een deel oovergeeven Tierannen behoort te zyn, als een straf der Uylen: Want wie heeft ooyt van d’onse geleesen, datmen van verscheyde menschen leest: Dat zy van de wormen zijn opgegeten, en soo gesturven, als Act. 12. v 23. voorwaar den Luys en kost den Uyl nooyt toesnaauwen, met dit Tirannijke Veers:

        Ik Luys ben Uyl zijn dwingelandt.
        En wat voor Voogels datmen vandt.

Maar gelijk het schandelijk is, en laelijk, datmen van de Luysen op wordt gevreten, soo kan men eevenwel soodaanig niet reekenen, dat men daar wat meede wordt gequeldt: Want, naa het lijkt, zyn de [p. 121] Uylen, en Menschen dit algemeen noodtlot onderworpen, dat de Luysen haar al te bey plaagen Jaa gy Uylagtige Heeren hebt te mets hier onder moeten buygen. Men vindt wel, naamen praat, in Duydtslandt, die zy Mannetje bysonderlijk noemen, die zy willen dryven, dat heel en al vry zyn van Luysen: Doch daar en kan ik haar niet in aan hangen, aangesien ik haar te dikwils haare eene arm sie klouwen, en wryven: Doch dat en wenkt noch kreukt u achtbaarheydt, en waardigheydt geensins: Aangezien een Luys Menschelijk wordt genoemdt, maar een Vloo, Hondts, volgens het getuygen van een der oude Franse Koningen. Door dien dan een Luys Menschelijk is, als uyt den mensch gesprooten, gequeekt, en opgebracht, en van den mensch schier booven den mensch verheeven, en gepreesen; soo en acht u geensins van het menschelijk vervallen te zyn, soo gy met u Troetel-kint, en Vaders der biddende order, van de Luysen wat moeyelijkjes aan wordt getast: Want gy weeten moet, dat gy daar alsoo veel gebiedts, en rechts oover hebt, als den Uyl selfs, op wiens wijse gy u ook vryelijk meugdt Waapenen, en ten stryde daar teegen op trecken, neemende hier door, uwe naagelen voornaamentlijk, ten Heyrtocht mee, zet hier u Troepen mee voort, speeldt, slingerdt, en drildt met [p. 122] uwe vingers, en vecht voorder als regtschape Kaerels: en u den Fiktory ontwijfelijk en vast inbeeldende, trekt vry op Sondaagen selfs te Velde, teegen de haatelijke Superstiecy der Jooden, die achten het een doodtzondiglijk werk is dat men op een Son, of Sabathdag een Luys sal dooden, waar van breeder in haare Kerkelijke Wetten, of Kanons te leesen is, in die voornaamentlijk die begindt, en voortgaat Haboreg Kinnà beschabbat, &c. Dat is: een Luys doodtslaande op een Sabathdag, &c. Volgens welke, wie hier teegens misdaan hadt, laelijk wierdt gestraft. Naa mijn aanraaden, meugdt gy hier vry de Machabeen slachten, u tijdt niet heel verspillende met Heemel, en Aarde aan te roepen, dat gy onnooselijk wordt om den hals gebracht, maar weerdt, en beschermdt UL. vry manhaftiglijk teegens alle Luyzen soort, al was het op de middag des Sondags; want dat heeft recht van het te deegen Uylachtig, en oover dappermoedig. Maakt nu eens goede reekening, met my, mijne Heeren van hoe veel, en geweldige vyanden, den uwen van alle kanten wordt benardt, en benaaudt, waar teegen hy eevenwel Fiktorieus blyfdt. Het oude, en waare spreekwoordt, luydt wel, zelfs Herkules en is teegen geen twee bestandt; al hoe wel zyn twaalef Wondere moeyelijkheên de gant- [p. 123] sche Weereldt, die hy door swurf, niet als bekendt genoch zyn: Dit niet teegenstaande moet den onsen lyen, en stryen teegen den Raaven, Wespen, Byen, en Horselen, Bloedtzuygers, en Luyzen, sich veel moediger, en dapperder draagende als den Raaven, Wespen, Byen, Horselen, Bloedtzuygers, en zyn ongemeen grootte meenigte van Luysen. Wat zullen wy dan voorder van hem zeggen, als dat hy kloekmoediger, en dapperder was, als Herodes, en den Koonink van Spanje Flip. II. door dien die van de Luysen ooverwonne wierden, in plaats de onze haar gestaadig ooverwindt, en triumfeerende daar oover blyfdt? Laaten de Vrouliê, die leum, bleu, en strydeloosen hoop, eens bereekenen, hoe veel minder dat zy zyn, by onze Uylen in dappere kloekmoedigheydt, nu Prinsen, en Kooningen by haar niet haalen kunnen, derhalven mach den Wijseman met recht zeggen Proverbiorum 31. v. 10. Wie zal daar vinden een Vrou die met dappere kloekmoedigheydt is begaafdt, of een Vrouw die kloek, en naarstig is? daar hy geen antwoort op en geeft, hoewel hy daar oover de duysent tot zyn verdoen hadt: maar den Uyl zyn dappere kloekmoedigheyt, daar en is ummers van niemant vragen na geweest, en wie ooyt sou mogen naamaals denken diergelijk een vraag voor te werpen, sal door dit mijn [p. 124] nooyt meer gehoordt werk, genochsaam in het aanstaande gemuylbandt zyn. Soo groot zyn dappermoedigheydt is beschreeven, zal nu zyn verduldige lijdtsaamheydt haar ook verheffen, hoe wel dees twee deugden teegen ’t oudt seggen haar hier moeten dragen, dat zy

        Malkander saamen zoo verstaan,
        Dat zy een Huys bewoone gaan.

    Want een kloekmoedige is eer haastig, en stout, als verduldig te noemen: En al hoewel Aristoteles onderscheydt maakt tussen dappere kloekmoedige, en Stouten, zoo seydt hy echter, dat zy hier in oover een koomen, dat zy beyde te gaader, onbeschreumdt alle gevaarelijkheeden ter hande slaan. Maar de verduldige lijdtsaamheydt, Patientia op het Latijn, en begeefdt haar tot geenderley gevaar, als de dappere kloekmoedigheydt: Maar lydt, en verdraagdt die selve, en dat met een prickel van droefheydt, waar by hoe wel een eerbaare luyster is verseldt, volgens Senekas getuygen, soo heeft die nochtans in geen dappere kloekmoedige plaats. Van dees verduldige lijdtsaamheydt geefdt hy verscheyde oovertreffelijke teykenen, by naamen als hy, eeven gelijk ten doele moet weezen, van de haat, en spot aller Voogelen, die hem by dach nooyt vliegen sien, of vliegen en snorren [p. 125] hem met haar gantschen hoop te deerlijk om de ooren, hem met haar nebben praauwenden, en met haar vleugels slaande, onderwijl hier en booven hem noch bespottenden uytsitsende, en op alderley maanier door haar onophoudelijk quellen vervolgende, soo dat hy daar door, tot de ooren toe, in alderley verdriet steekt. Hy eeven wel gaat heel kreuneloos zyn gang, met lijdtsaamheydt afkaatsende, al het bespotten, en benarren der andere Voogelen, met een onkreukbaar gemoedt, die als enkel vuylnis verachtende. Het is een teyken van een grootse ziel, het ongelijk te kunnen verachten, volgens Senekas getuygen. Aldus weet hy dan, door zyn bysondere grootte lijdtsaamheydt te verwinnen, die onverdrachelijke dartele stoudtheydt van het andere Gevoogelte: En dat alleen niet, maar weet ook die selve, met een wonderbaarelijke wijze voorsigtigheydt te vernietigen, daar Plinius lib. 10. Cap. 17. aldus oovertreffelijk van getuygdt: De strijdt die de Uylen met het andere Gevoogelte voeren, steekt zeeker vol snoggere gaauwighheydt: Want als hem al te geweldig een loop komdt benarren, gaat hy zig op zijn rug leggen, en keerdt haar dus met zijn scherp geklaaude pooten van hem af; waar meede by zich soo in het ronde weet te schicken, en te wrikken, met zijn neb, en pooten zijn geheel lijf bedeckende, dat niemandt daar by kan: Waar [p. 126] en tussen hem meenigmaals den Havik te hulpe komdt, als zijnde door goede oover eenkomst der Naatuure een trouw Kameraadt van hem, die dees strijdt voorder met hem deyldt, die dus te saamen geluckelijk ten eynde brengende. Hier by is dit noch wonderbaarelijcker, dat, door dien hy zoo, leyder af moet staan, soo een yselijcken hoop te moeyelijke quellingen, het Oude Testament den Mensche hier omroept, en noodig om zyn Exempel naa te volgen, onder den schijn van een arme verdrukte, wanneer die aldus uytbarst: Ik ben geworden eeveneens, als een straat des Wildernisse, jaa ik ben geworden eeven als een Uyl die op zijn verwoesting leydt. Soo siet gy teegenwoordig dan, mijn Uylachtige Heeren, en Liefhebbers, hoe zeer uwen Uyl verheerlijkt is, door de getuygenisse der Geloovige van het Oude Testament, dat zy hem stelden voor het afbeeldtsel des Kruys en het haatelijk geslacht der Volkeren. Van hier meen ik, zonder eenig getwyfel, dat het oorspronkelijk is, dat men haar heeden noch gesneeden, of geschilderdt, op verscheyde kruyen ziet zitten, daar wy op zyn Duydts Krucken afmaaken, volgens ons spreekwoordt, den Uyl op zijn kruk. Wat oovertreffelijkker werk is dat, te moogen verstrecken voor een afbeeltsel der H. Kerke, door welke eer, seer weynig [p. 127] Menschen zyn verluysterdt geweest. Voorwaar, hoe boovenmaaten verduldig ik val in het verhaalen van den Uyl zyn lof, sou ik eevenwel moeylijk worden door het verhaalen van zyn soo veelderley quellaasyen, ten waar ik wilt, dat onder u mijn, en zyn vrienden, diergelijke exempelen met meenigte niet voor en vielen. Want wie is onbewust, wat lijdtsaam een Uyl, die Goodelijke Keyser Klaudius onder de zyne niet en was, de welke, schoon hy in andere saaken genoglaam toonde, wat eelder, en treffelijcker aardt, en moedt in hem stak, gelijk Augustus dat selver getuygde, nochtans zoo leefden hy in soo veelderley smaadelijke bespottingen, dat, als hy maar een weynig te laat des aavondts aan de taafel quam, by geen stoel, nog plaats voor hem oopen vondt, zoo dat hy zich dikwils met een schabel achter af most behelpen. Dat onsen Uyl naauwelijks sou ooverkoomen, als die ergens was te gast gebeeden. Voorder soo verhaaldtmen nog van die selven Uylagtige Klaudius, dat, soo meenigmaal hy naa den eeten in slaap schoot, men hem met Olijf, en Daadelsteenen naa de kop smeet, wordende te mets noch wel met knippen en picken seer hoonelijk, en Spots gewijs wacker gemaakt. Wesgelijks my niet en heugdt, dat onzen Uyl ooyt gebeurde, hoe dikwils hy in slaap viel. Zy plachten hem ook wel eenige vuyle vodden om zijn handen te binden ор dat [p. 128] hy wacker wordende, sich daar laelijk mee sou besmeeren, en besmullen. Welk voorhaalde, dees goeden Prins, en toekoomende Keyser, altemaal met duldelijk te verdraagen, verzette. Maar wat haal ik hier een Keyzer op? Eeven of in en onder een Keysers gebiedt geen was, dewelke naa die Keyser gelijk was? Den Burgermeester Bibulus, was ook een rechten Uyl, die alles van zyn Konfrater en noodthulp verdroeg, zoo dat hy ten laatsten gedwongen was, sich in zijn huys verstooken te houden, alles daar slechts schriftelijk van daan te kennen geevende, het geen hy gaaren gedaan hadt: Om welke uytsteekende verduldigheydt, men hem dit Lof-dicht vereerde:

        Ons Bibulus deê niet; maar Caesar ’t al verrigte,
        Dies valdt van Bibulus het minst niet te verdigte.

    Wat saamen komst, of geselschappen van gemeene luyde, wat staatelijke vergaaderingen der Grootte, wierdt wel eer, of wat wordt daar diergelijke nu ook aan gerecht, onder Geestelijke, of Weereldtlijke, hoe kleyn die weesen mach, daar hier meede niemandt straks den Uyl en is? Op wat andere manier doch? worden de Beaanen in ’t Hooge School van Keulen, en de Galatten te Leuven geacht, en gehouden als voor Uylen? Die soo spijtig aldaar geringeloordt worden, dat zy haar [p. 129] niet oopen durven doen. Wanneer men haar daar sal uythelpen, naa de gewoone wijs, soy! wat heeftmen dan een hoopen moeylijk, en schandelijk gereedtschap aan de handt, jaa ik sou schier gelooven, dat den Tieran Busiris selfs, soo veelderley slag van pynig gereetschap nooyt hadt bedagt, als men dan hier wel gebruykt: wesgelijken in verscheyde andere maatschappen ook onversettelijk wordt gevolgdt. Gelijk ons dat de Bergeroaarders van haar Bergen in Noorweegen verhaalen van die nieuwelingen die aldaar koomen om die Koopmanschap te leeren, eer zy in dat Gebroederschap al daar moogen in geschreeven worden: waar houdtmen anders sulke voor die den Heynsbeeker verswelgen moogen, of andere smaallijkheên verdraagen op sommige plaatsen daar zy voor het eerst van haar leeven komen, met gedoopt, behooft, benat, bekladt, &c. te worden. Hoe veel zijnder onder de Hovelingen wel, die te mets geen steut krygt, en laelijk uyt wort gelachchen? Want die met sulke Geesten te doen heeft magten hoogsten maar wat leggen te knorren en te morren om zyn verongelijkingen, of moet ’t hof uyt, wil hy niet erger aan gaan:

        Die in ’t Hof voortaan geen slaagen,
        Al flikflooyent kan verdraagen,
            Mach de derde Poort vry uyt,
            Kuyeren met heele huydt.

[p. 130]
    Wat steyl-oorde, en poppige Ministen en vindt men niet die ieder voor geen Uylen hout, behalven haar eygen Sektarisen? Lyden, en verdragen die niet sonder wraak, al wat men haar zeydt, of doedt, sonder zy geslagen, weederom durven toe tasten, op verbeurte van uyt haar gemeente te sullen verbannen worden. Wat Weever vindt men ook, laate hem onder andere Ambagts-luyden koomen, die den Uyl niet speelen moet, de welke, door dien hy niet genochsaam bewijsen kan de waardigheydt van zyn Ambacht, of geensins het verweenelijks op de baan kan brengen, moet hy lijden dat men hem stelle selfs onder de Vuylnis beeren, jaa Beulen selfs, sich dieshalven schaamende, zyn Ambachts naam te noemen. Hier heb ik UL. mijn Uylige Heeren in het korte verhaalt, hoemen seer gemeenlijk Uylen vint in de Grootten haar Hooven, op Steehuysen, in Schoolen, en voornaamentlijk op Gastmaalen, en dat met sulk een lydtsaame verduldigheydt, dat het wonder is, dat een deugt soo veel navolgers, en aanhang heeft: Magmen dan met regt niet wel uyt schreuwen: Alles is vol Uylen. Naau sullender ummers dry vergaren, of een daar af sal den Uyl zyn, die, hoe hy zig daar herder teegen kant, en sig daar over denkt te wreeken, hoe hy onwaardiger is onder het geselschap, en soort, van soo een uytsteekende Voo- [p. 131] gel gereekendt te worden, als zynde een styfkop, die geen vroolijk jok nog boert en kan verstaan. Vintmen ook dikwils niet meenigmaal hoe in het Houwelijk, dat wel het kleynste geselschap is van alle, die vergaaren, dikwils onder die enkele twee een den Uyl is? Want als Xantippe haar Man de pis-tobbe over de kop goot, wat was doe Sokrates anders, als een grooten Uyl, die haar ongestuymige boosheyt met lydtsaamheyt te leur stelden, en manhaftig verdroeg? Wat sal ik nu van de willige hoorendragers seggen, diemen wel eer oprechte Platonisten noemde, die haar luy, en leckere gat ophouden, met haar Vrouwen te verhuuren? Geloof my vry, dat dit de alder Uylagtigste zyn, van al wie ooyt de Son bescheen, daar daar zy haar eygen loogenen voor rechte waarheyt eeren, alle de boose, en doortrapte verdigtselen van haare Vrouwen geloovende, of het enkele Godts-spraaken, of Orakels waaren:

        Vreesende meer voor het kyven,
        Als de schande van haar wyven.

    Soo dat zy gantsch geen boet van haar vrouwen, of ook eenige andere veronschulding durven eyssen, al vonden zy haar selfs doende weesen in haar hoorenen te plante maar soeken nog door haar so schandig besoetelde gewisse, een grote plasdank, en goe- [p. 132] de geneegendtheydt te behaalen, van een deel snoepige Eedelliên, en baldaadige Grootten, of zy gestaadig in haar kop hadden dees spreuk van Arestoteles, hoe eenig goedt en heyl gemeender is, hoe het selfde ook Goodelijker met eene is welke voorhaalde dingen altemaal, soo die lijdtzaamige verduldigheydt soo uytsteekende deugdt niet en waar, soo roemrijk in de Uylen voorgesteldt, souden die altemaal naau eenig lof, of eere waardig zyn, in plaats zy nu aller gloory waardig bennen volgens het oude spreekwoordt:

        Gaat staag in lijden voort, in dien
        Gy lyend’ u gekroondt wildt zien.

    Hoe groot onsen Uyl zijn Lijdtsaamheydt is, volgens het geen hy soo smaadelijk, op soo veel reysen, en stonden moet verdraagen, en moet gy die eevenwel zoo veer niet recken, dat gy haar rukt, tot het gebrek van ongevoelijkheydt, daarmen mach zeggen dat de kostelijke Beelden vol van waaren, doen zy sonder kicken, of wricken van haar Diefse Koster haar, schoon uyt lieten schudden; maar d’onze is wel voordacht hierom soodaanig, mits hy siet zyn voorhaalde dappermoedigheydt hem noch niet te pas en komdt, waar van hy zig dan verduidelijk spaandt, tot zyn rechte tydt verscheenen is, het geen ik UL. mijn Uyl- [p. 133] agtige Heeren met soo kleyn, als aardig voorbeeldt ongemeen krachtig nu eens hoop te bewysen. Het is seekere tydt voor leeden, dat een rechte Uyle Liefhebber, een schoon, en ongemeen stuk werk daar mee meende aan te rechten, dat voor al de weereldt zyn onvergelijkelijke dapperheydt en lijdtsaamheydt sou kunnen soodaanig betoonen, dat daar het minste niet meer op te seggen viel: Dees drolligaardt kost dan een goedt deel slechte, en geringe Voogels, van Mosse, Spreeuwen, Koddenaars, Vinken van verscheyde slag; die hy te saamen in een Vlucht by malkandere zetten, die welke in het eerst, malkander seer quaalijk verstonde; want onder zulk Kanaalje van alderley slach, wil het zig quaalijk schikken, volgens dees getuygenis des Poeëts:

        ’T Graau wordt straks verdeyldt van een,
        In verscheyde zinlijkheên.

    Dit byten, smyten, en onderling tieren, duurde soo lang, tot hy een braaven Uyl hier bysette, waar mee straks dit Harommenus, naa haar ingebooren aardt, maats waaren, die daar mee gelijkerhandt onsen Uyl laelijk aan boort quaamen, den eene sitste, en piepten hem uyt, den ander snorden hem soo dicht langs zyn hoofdt om, dat zy met haar wiecken hem schier in de oogen hadden geslaagen, hadt hy die ’t meerendeel niet toe gehouden, sommige dorsten [p. 134] hem met haar wiecken wel op ’t lijf kloppen, en haar nebbe daar aan schende, jaa ik loof, hadden zy daarom gedagt, zy hadden hem om meerder schandtshalven wel bekakt. Hy daar en teegen kreunde dit alles soo weynig, dat gy geen verandering in hem sien kost; doch wel bekeecken, kost gy wel bemerken, dat hy vry diep in gedagten op was getoogen, om te bevroen, hoe hy sig best sou wreeken. Voor eerst, als voorseydt, diende den dach hem daar niet toe, ten tweeden kosten zy in die nauwe vlugt haar voor die tijdt beeter wende, keeren, en redderen, als hy, weshalven hy niet anders alhier te werk en ley, als alleen zyn lijdtsaamheydt, door dien hy niet van aardt en is verloore moeyten, te doen, en anders, als wis aan te koomen, denkende wyselijk met den Poeët:

        Naa ’t Noodtlots vlaagen,
        Moet elk sig draagen.

    Dit vermeetel en onbedagt Gevoogeldt was met de Son naau te bedt gegaan of raakten, door vermoeydtheydt (naa men kan gelooven) van haar schempig scheeren, en quellen, in de slaap, en onsen Uyl, verhief met de nagt zyn gezigt vast meer, en meer, neemende gelijkelijk, als een onrechtmaatig gehoonde, in billijcke wraak toe, waar mee hy, als een andere loose [p. 135] Uylisses in de naare nacht in ’s vyandts Leeger valdt, en daar vry wat heeviger woedt, als zyn genandt ooyt deê, soo datmen de gantse vlugt deur, niet anders en sag, als een deel uytgescheurt gedarmten, stucken van vleugels, en boute, gekneusde beckeneelen, en waar een dappere moedt haar op verkoelen sou moogen, naa soo onlydelijken hoon, sittende dus in ’t midden van die verwonne, en verslonde hoop alleen, als een andere Sampson, onder zyn dry of vier honderdt verslaagene Philistijnen; want den onsen en hadt daar ook niet een in het leeven gelaaten. Een treffelijk voorbeeldt, daar zyn Uylagtige Meester niet alleen meer uyt leeren kost, om zyn tydt van lijdtsaamheydt, en dapperheydt treffelijk te besteeden, als dees Uyl, al die Voogels, de vlugt, en tienmaal meer waaren; maar ook aan al de Weereldt der Uyl zyn gloory, en lof, zoo verbreyde, dat alle Uylen en haar Liefhebbers hem dat eeuwig moogen danken, door dat treffelijk Poeets loopje:

        U Eer, u Naam, u Lof, die zal
        Voor eeuwig klinken oover al.

    Doch in het gemeen voegdt haar by die verduldige lijdtsaamheydt, als wisse geselin, de onkreukbaare stantvastigheydt, die quaalijk van een te scheuren zijn: Die in de onse [p. 136] soo oovertreffelijk huyst, dat zy meer niet in eenige andere Voogel steeken kan. Want dat is vlak klaar, en gewis, dat hy geensins en slagt de Ooyevaers, Kraanen, Swaluwen, en andere verhuysende Voogelen, maar dat het een vast burger, en inwoonder onder ons is, en blijft, houdende ons soo wel des Winters, als des Soomers geselschap, om zyn ingeboore gerustheydt des gemoedts: Het welk klaarlijk blijkt uyt Plinius sluytreeden, seggende: Dat den Uyl sestig daagen van de Winter in der muyten stil blijfdt leggen te koekeloeren: Dit soo zynde, is het genogsaam blijkelijk, dat hy dan nergens heen trekt. Als hy te mets sommige Voogels, als dat te vooren is verhaaldt, oover de wilde, en Woeste Zee heen geleydt, dat geschiedt voor die voor haalde sestig daagen, welke weg heen, en weer afgeleydt, begeefdt hy zich daar mee de te sag, en blijfdt stilletjes in der muyten. Want soo hy de Winter oover, by dat Gevoogelte bleef, daarmen zeydt hy dus mee reyst, en rotst, zou U L. dan heel verlaaten, mijn Heeren, sonder hy in die tijdt geduurende, van UL. sou gesien, of gehoort worden: Maar aangesien de ondervinding het tegenstrydig klaar betoont, soo siet gy met my, dat een ongemeene standtvastigheyd zyn Ziel besit, laat ons dan seggen:
[p. 137]

        Waarom woorden dan te maakken,
        Als men ziet zelfs tuyg der zaakken.

    Daarom moet gy niet denken, dat hy weederom by u keerdt, om dat hy in dat vreemde Landt voor onwillige waar gewraakt wordt, of dat hy het ongankbaar Geldt slagt, dat men nergens uyt kan geeven; maar dit geschiedt enkel, om zyn Heeren, en Liefhebbers te vertoonen, hoe standtvastig, en trou hy haar is, en blyven wil. Want anders zoumen moete reekenen, dat haar ander slag van Uylen in dat veergeleegen Landt, en oover-Zees gewest onthielden, mits men naa ons verhaal, verscheyde slag daar van vindt, die heel anders, als de uwe souden zyn, die gestaadelijk u by blyven: Dat al te scherpsinnig sou gereedekaaveldt zyn, en eenige nieuwe verscheydentheen opgebracht, die gantsch ongebruykelijk, en ongehoordt in onze Uyle History voor souden koomen. Derhalven soo leydt dit geheele werk hier by; dat den Uyl ons by blyfdt, en derhalven vry voor standtvastig mag geacht worden; dat hy sestig daagen in de muyten blijfdt, en daar om mach gereekendt worden voor een stil, en vreedtsaam Dier: Niet dat wy hem seer willen prysen, en wonder loffelijk voorstellen, om zyn lange luyigheydt, en slaaperigheydt, of voor onsen Uyl een [p. 138] Endinion roemrijk willen voorhouden, met dat dutoorig, en slaaperig volk, die onder haar daagelijks werk, dikwils gaan leggen slaapen, en daar zy geen Uylen by haar om hendt, of omtrent hebben, eevenwel geseyt worden een Uyltje gevangen te hebben, daar zy mee schynen te kennen willen geeven dat zy heylsaam, en geluckig een uurtje tydt hebben versleeten: Want indien zyn standtvastigheydt verselt is, met eenige vroolijkheydt, en geluksaaligheydt, en wildt hem dat, soo ik u mag verbidden, dog niet benyden: Aangesien, soo hy altoos Paerde vleys most eeten, sou hy, naa de gemeene drift, ongerustig, los, en wankelbaar zyn leeven verslyten: Maar nu, terwijl hy gerust, en lang leydt en slaapt, afgesondert van alderley gewoel, en geraas, moogdt gy vry seggen dat hy in zyn Alcionise nagten is, wanneer den Zee-voogel by de Geleerde Alcedo geheten, zyn Eyeren op Zee hebbende geleyt, en sig daar op geset, om uyt te broeye, die geweldige waaterplas na hem schijnt te luysteren, door dien zy haar dan, naa de Natuur Beschryvers heel stil, en slegt houdt: Dus weet dan onsen Uyl alle onweer, stormen, en buyen, die in zyn rust, en slaap tydt seer gewoon neer storten, heel voorsigtelijk te ontschuylen: En hoort eens wat al die geen die voor Geluksaaligjes maar gereekendt willen zyn, de slaap [p. 139] al dank moeten weeten, volgens het oude braave Vaers:

        Slaap! rust van alle ding, og soetste slaap der Goon,
        O! Vreede van ziel! die alle moeyt kundt doôn,
    Die het vermoeyde lijf van woelen weer gaat streelen
    En nieuwe kragt die gaat voor nieuwe arbeydt deelen.

    Sout gy dan Opperste Nagt-Godt dees veel waarde Nagtvoogel niet troetelen, nog niet lyen, dat hy maar een tal van tsestig daagen in der Muyten gerustelijk, sonder uytgaan sou moogen blyven? Dat is ummers het seste deel maar van die tydt, die in Noachs Arke versleeten wierdt, waar uyt eerst den ongeruste, en woelende Raven, en daar naa de vervliegende Duyf wierdt uytgelaaten, eer zy daar noch een Jaar binnen waaren geweest, in plaats der Uyl, met de Menschen, en andere Dieren, standtvastelijk, een geheel Jaar, en tien daagen daar in volharde. Ten waar zeeker, Datter meer vermaaks was in de rust, als in ’t gewoel, volgens het getuygen van die Koonink aller Wysgeeren, onsen Uyl en sou soo slaaperig niet vallen, en aanvolgen de hier by so Geluksalig niet. Want door dien hy van ziel en lijf heel neer geset, en gerust valdt, soo wordt hy al slaapende vetter van binnen heel smeerig wordende: Aristoteles dryfdt met alle waarheydt in in zijn boek van de Slaap, en Waak, dat de Dieren [p. 140] meer groeyen en toeneemen slaapende als waakende. Wy seggen nu ook met goeder waarheydt dat den Uyl daarom te Geluksaaliger is, en dit tot loon trekt van zyn heylsaame standtvastigheydt. Aangesien wy alhier van de standtvastigheydt spreeken, mijn Heeren, by naamen zoo die het slaapen betreft, soo vergun my, dan soo veel verlof, dat ik diergelijk een standtvastigheydt U L. mach verhaalen, daar seeker Studendt mee was begiftigdt. Dees hadt zyn Meydt hertelijk versocht, dat die hem eeven voor seeven uuren wacker sou maaken, op dat hy met dat uur te gelijk sou moogen uytgaan, sonder een oogenblik vroeger of laater te versuymen: Want soo hy daar te vooren wiert wacker gemaakt, sou hy het selve aan zyn slaap moeten verliesen, soo daar naa, sou hy gevaar loopen om te laat ter bestemder plaats te geraaken. De Meydt quam juyst een weynig te vroeg, en omtrent t’half sevenen, hem opwecken: Waar meede hy opspringdt, meenende dat het seeven uuren was, weshalven hy met een vaerdt zyn plunje aanschiet, en zich gereedt maakte om uyt te gaan. Mits hy aan de drempel quam, hoordt hy de klok speelen, en vernam het maar quartier voor seevenen was, weshalven hy heel verstoordt weederom in huys keerdt, beginnende luydt, en laelijk op de Meydt te schelden, door dien zy [p. 141] hem een half quartier in zyn slaap verkort hadt. Sonder lang draalen, besluyt hy uyt de vuyst weg, zich andermaal ordentelijk te ontkleeden, en zyn kleederen, die hy eerst netjes met verdrag hadt aangedaan, smijt, en schudt hy meteen vaerdt weeder om van het lijf, gaande dus andermaal sagt, en mackelijk te bedde leggen, seggende: Dat men sulk een schoonen tijdt, niet slaapeloos hoefde te verslyten, aangesien de slaap te kostelijk een ding was. Onderwijl oovervaldt de slaap dees Kaerel weederom, soo dat hy geen kleyn eyndtje tijdts daar naa quam te slaapen, daar hy doe waarschynelijk willens, en weetens in volharde, naa het spreekwoordt:

        Regtvaerdig man, die stark verblyfdt,
        By ’t opstel dat hem eens aanklyfdt.

    De rest weet Gy-L. nu selfs wel. Leerde dan nu, wyders sulke in aansienelijke waerde houden, en doedt den Uyl hier over ook alle waardige eer aan, die standtvastelijk staag aan by UL. ter woon blijfdt, onveranderlijk, of het luk hem streeldt, of krabt: Wat treffelijker gast, als daar den aardige Venuzijner Poeet aldus van deundt:

            De vriende zakken ook op ’t lest,
            Gelijk uyt leegen vaaten, ’t gest,
        Die arrigjes, die drooge vlaagen,
        Te saame kunne niet verdraage.
[p. 142]
    Wyders, gelijk als Epiktetus op zyn by sonder Devijs stokreegel plagt te seggen: Verdraag, en spaen u wel, waar mee hy wilde alle wetten der deugden aan een binden, soo heeft den onsen ook, tot dat selfde voorhaaldt zyn gantsch leven ook willen schicken, door het verdraagen in kloekmoedige dapperheydt, lijdtsaambeydt, en standtvastigheydt, gelijk als wy U L. het selve klaarlijk hebben voor oogen gehouden; wat het ander lit belanget, dat het spaenen ieder aanraadt sal voorder blijken in zyn onthoudende Maatigheydt, en zuynigheydt, die wy nu, als de naast aan volgende deugdt, aan de andere, met zyn behoorelijke Lof-reeden roemrijk sullen verbreyden. Niemandt en sal nu buyten spoor van reeden gestapt lijcken, dat wy den Uyl mee een maatige zuynigheydt toe voegen, door dien zy maar den Mensch eygen schijnt: Want soo Eliaan de schockers, en wraattige Aarenden pryst, dat hy hier by noch met maatigheydt is begiftigdt, aangezien die meenigmaal grootten dorst lijdt, als meede dat hy in ’t stof, en zant sig niet en wryft, als de andere Voogels: Waarom souden wy den Uyl die selfde deugdt ook niet toe mogen voegen: Soo hy de Byen die selfde deugdt ook toe schryfdt; aangesien zy haatelijk gestoordt zijn of die eerst vars van ’t Venus werk koomen; waarom souden wy dan geen grooter tuygteykenen daar van in onsen Uyl moo- [p. 143] gen aanwysen? Want zy is het, die uyt het Ey de eerste ontwerpselen van de suynigheydt geleerdt heeft, en daar uyt gehaaldt de eerste Fonteyn, en Bron der selve: Dat is niet een zier te beduyden, dat Aristoteles met kracht door soekt te dringen, Dat geen deugdt iemandt van Natuuren in is geplandt: Dit Ey eevenwel dringdt het tegenstrydig daar van door, dat een onweederstaanelijke hulp middel is teegen alle overdaadt, en gulsigheydt, kunnende iemandt in alle daagen zyn leevens bewaaren van dronkenschap, gelijk wy het selve uyt Philostratus, en andere treffelijke Natuurkenders klaar hebben betoont, en aangewesen. Welk Ey, so het een Mensch kan baten tot matige zuynigheydt, daar het heel, en al van is verscheelende: Soo sal het selve een Uyl wat treffelijker helpen, en baat doen, aangesien hy daar, als van zyn eygen vereyst stof, op is geleydt: Want naa die soo doorluchtige als wisse spreuk der Wysgeeren, zoodaanig de oorzaak is, zal zijn veroorsaakte, of werk met een vallen, derhalven, wiens oorzaak goedt is, moedt noodtwendig ook goedt zijn: Tenzy men niet liever moet gelooven, dat die uytsteekende kracht des Maatigheydts, die in dees Nagt-Voogels Ey zit, zoo haast van achteren uyt schiet, als zyn dooyr daar van wech valdt: Dat een saak is, die geheel uyt het [p. 144] spoor der reeden springdt. Want wat zou men hier Plinius niet omleeren, die seyt: Dat die geen, die hier van gegeeten hebben, al vasten zy daar naa heele neegen daagen het selfde haar niet hinderen en zal. Dat seeker geen kleyn teyken van grootte maatigheydt en is, jaa Mirakuleus daar by, dat men aldus niet alleen neegen daagen zonder eeten, of drinken uyt kan herden; maar ook soodaanig, dat sulk een ongemeene zuynigheydt niemant krenken en sal, veel min om ’t leeven helpen. Aristoteles schryfdt dat dit algemeen voor alderley slag van Voogelen is, dat het hertelijck, en veel drinken, niet anders, als Schaade by en brengdt, het geen de Voogels weederom ten aanzien van andere dieren, wat bysonderlijk eygen is, die door den bank wat natgieriger vallen. Dat het met de Voogelen soo geleegen is, en acht ik niet buyten bewijs, aangesien die nummer pissen, hebbende noch blaas, noch nieren; weshalven zy vry zyn van de kouwe pis, en al worden zy noch soo siek, kunnen zy met gemak alle Doktors Pis-glaasen, en Urinaalen ontbeeren, en hierom en kost den schraapende Vespasiaan ook geen Tol op haar Pis zetten. Dat is door de ervaarentheydt, waar, en waaragtig bevonden, dat het viervoetig gedierten booven haar meug schier, niet eeten zal, noch drinken, behalven eenig weynige van het Paerde, [p. 145] Varkens, en Honde geslagt. De deugdt van onthouding, en zuynige maatigheydt is in de Uylen soo kundig, dat zy daar in, en daar meede zyn gebooren. Derhalven, gelijk de Duyven heylig zyn, en eygen voor de alderwellustigte, en dartelste aller Godinnen, die geyle Venus, om dat zy soo dikwils drinken, en het Soudt uyt het midden der keeten sien te steelen, om daar door hertelijker te kunnen drinken, zynde hier om nergens graatiger naa, als naa ziltigheyt, en zoutigheydt, waarvan ons oudt spreekwoordt komdt, ’t is soo veel, als geef de Duyven eens drinken, wanneer men iets wil beteykenen, dat zoo veel mach helpen, als een Boon in een Brou-keetel, zoo is in het teegendeel den Uyl Minerva toe gewydt, de aldermaatigste aller Godinnen, die hier mee ook soo in haar schik is, en heeft hem soo lief, dat hem hierom den blyspeelschryver Eubulus Pallas kuyken noemdt, eeven of Pallas, die noch ongetroudt, en reyne maagdt is, die selfde Goodelijker wys, uyt een Ey hadt uytgebroeydt, en ter weereldt gebracht. Jaa hy wierdt by de Atheniensers in zulk een uytsteeckende waardigheydt gehouden, dat zy van hem een voorbeeldt trocken, van ongemeene onthoudinge, en suyverheydt, want naa Eubulus getuygenis:
[p. 146]

        d’Atheeners waaren rap van tong, maar kleyn van eeten,
        En die van Theeben weer, kosten als vraaten vreeten.

En op een ander plaats:

        d’Atheeners kosten makkelijk draagen,
        De Stuur, en wreede honger vlaagen,
        Jaa wisten schier in goedt betrouwen,
        By logt, en windt, het lijf te houwen.

Dat was voorwaar een heerlijke manier van kinderen op te voeden, en groot te maken, die de Atheeners hadden, door die selve, naa het voorbeeldt van haar Uyl te schikken, en te voegen, waar op slaagdt:

        Wonder veel soo leydt daar aan,
        Naa van jonks ons dingen gaan.

Gelijk hier en tegen sommige de gebreeken van gulsige wraatigheydt, en dronkenschap, uyt haar wieg, en Moeders schoot schijnen mee gesleept te hebben, die niet en eeten, of drinken om te leeven, maar alleenlijk om te vreten, en te zuypen, even als dat die boertige Aristoteles zeydt:

        Drinken, sonder daar beneeven,
        Ietwes anders, is ons leeven.

Welke leevens uytleg, en beschryving, [p. 147] indien de Vissen kosten spreeken, souden die selfde in het midden van de zee, van herten toe stemmen. Sulk een staaltje was Boneesus, daar Aureeliaan gewoonelijk van zey: Die Vent en is niet gebooren om te leeven; maar om te zuypen, de welke hy nogtans lang in grootte eer, en waardigheydt hiel, naa men zeydt, om dat hy soo braaf een Krygsman was: Want als uyt alle hoecken, en van verscheyde naacyen, ook eenige Barbaare Gesanten aan zyn Hof verscheenen waaren, soop Roneesus wacker met haar om, om haar soo het pijdtje digt vol te jaagen, en aldus door de Wijn, in haar dronkenschap, alles uyt haar te vorsen: Maar hy, hoe ooverdaadig hy ook gedronken hadt, bleef altoos nugteren, en by zyn verstandt, jaa wierdt door zyn drinken niet als te sneediger, en afgerechter waar by hy dit wonderbaarelijk werk hadt, dat hy staag zoo veel uytpisten, als hy in dronk. Klaudius Tiberius Nero was soo hoog ten toppe van alle Pintelaraazy, en konst van deftig swelgen gesteege, dat zijn drydubbelde eerst ingestelde naam van Klaudius Tibeerius Nero, die zelfde zijn Lickebroers dus veranderde Kaldius Biberius Mero, dat men verduytsen zou mooghen, die Heftigh en vuurig is tot het Wynsuypen. En wy zijn ook, mijn Uylachtige Heeren in sulke Eeuwen, en Tijden vervallen, [p. 148] die schrickelijk lalijk zijn, en heden noch hoe langs hoe meer vervallen van de uylagtige maatigheydt en zuynigheydt; aangesien daar nu soo veel Kaldii soo veel Biberii, en soo veel Meroones zyn, als daar Uylen selfs? Eevenwel en zyn sy geen Uylen, om dat sy al te ooverdaadig, en onmaatig zyn. Wat dog? Is daar heedensdaag wel eenige stryt, die glorieuser, roemrijker, en door haar dagelijkse gewoonte gemeender is, als die met kannen, en kroesen gevoedt wort, volgens:

        Nu haagdt een kroes eens uytgedronken,
        Die haagen sal tiens vol geschonken.

    Ooverleg met my nu eens, gy Nagt Heeren, of onze tyden nu die niet en zyn, de welke die wyse Roomeyn soo lang van te vooren voorsey met dees woorden: Daar sal noch een tijdt koomen, dat men de Dronkenschap in grootter eer sal houden, en sig vol, en swaar van Wijn op te laaden, sal dan een groote deugdt zijn. Daar hebt gy de Profecy, met haar uytleg daar by, en zyn gantsch vervullings want wie worden na meer geëerdt, als die dit Vaers beschryfdt:

        Zoo gereedt om Kroes t’ontsangen,
        Als om oover die te langen.

    Wat uytsteekender deugdt is daar nu, als die onmaatigheydt? Ummers soo men van dees, selfs eenige Geestelijkheydt ont- [p. 149] set vindt, salmen die voor veynsers, en Hypokryten achten; is daar nu een kloekmoedige dapperen Heldt, die niet mee aan die dans wil, is hy daar meede een stuurmuyl, en stijfhals; valdt hier een lijdtsaame niet mee bot toe, is hy daar mee een kou, en ongevoelijke; wil sig hier een standtvastige of houden, is hy daar mee een dwarsdryver; soo dat nu voortaan niemant, in lang zoo veel sweet, en pis, niet loosen kan, als hy een hoopen van dat nat, en jug in het lijf slaat, waar door Horacius Deun nu in swang gaat:

            Nu moet men drinken, &c.

O! Tijden! ô! Manieren! mag men nu wel uytschreuwen, en daar noch by, ô Landen, en Steeden! die wy bewoonen, die wel eer, en van oudts tot dit schandig gebrek schijnt soo wel geordonneerdt, als gy daar nu onversettelijk in volhardt: U Hoog, en Neerduytslant wil ik seggen, waar van dat Tacitus van zyn tydt af, aldus schryfdt: Daar en is het geen schande voor iemandt, nachten, en daagen door te brengen met gestaadig zuypen, en swelgen; daarom is dat u oude deuntje nog, dat gy gestaadig onder u likkepotten laat klinken.

        Gelijk ons Ouders eer, haar kroesen kosten leegen,
        Soo netjes kunnen wy ook onse kroese veegen.

[p. 150]
    Dees onlesselijke dorst ontsteekt gy in u kindere van haare teedere jeucht aen. Want op dat gy de kleyne wigters, terwijl zy nog aan de mam leggen, haar trek tot melk, en zog, zoudt doen verminderen, stopt gy haar den Pijpkan in de vuyst, waar uyt die teedere, en onnoosele eeuw, naa alle dingen happig, die ’t elk een keer naa haar mondtjes duwen al suygswys die lanksaam voortschietende drank naa haar treckende, hier door de moeyelijkheyt van hare onnosele ledicheyt allenskens verdryvende: dees gestaadige manier van drinken, door haar gestadig gebruyk namaals veranderende in een geduurige lust, en trek tot die zelfde maakt de mont gaande weg, graatig, die zonder ophouden door dees gewoonte of staag in het nat moet baaden, en swemmen of schyndt geheel andersins te willen verdroogen. En door dien de drank zoodaanig is gesteldt, dat van haar dikte, gestaadig wat schyndt aan, en in de keel te blyven hangen, dat men staag aan met een varse dronk, moet af, en doorspoelen, is die oorsaak, dat het onophoudelijk drinken soo soet valdt; en wie daar eens toe gewendt is, kan in dit gebrek teegen een stark kaerel harden, van Natuuren zoo gesteldt, dat hy de opstygende dampen de lange maaltydt geduurende, met een wonderlijk geluk uyt kan schieten, soo dat het [p. 151] zuypen, en swelgen, al duurdt die diep in de nacht, zijn Meester met de volgende morgen in geen byzondere luyigheydt en verstoot. Is onsen Uyl wel dus geboren, of opgevoedt? Wat slordiger dolligheydt is dit voor die tydt dan, dat als gy eens wacker om wildt drinken, onmaatelijk suypen gaat, uyt een deel Uylgelijkkende kroesen? Waar toe dees Meesteresse van alle Suynigheydt, Nuchterigheydt tot geweer, en gereedtschap gebruykt, om malkanderen, vol en dronken te maaken? Ik was laast op een Gast-gebot, daar het vry vogtig afliep, alwaar onder andere een seer schoone, en geestige Kroes wierdt voor den dach gebracht, voerende het rechte maaksel van een Uyl, die soo leevendigh naa een Uyl geleek, dat zoo het zoo wel een Paerdt was geweest, het welk een ander Paardt, in het oog gekreeghen hadt, licht genoch aan het hunneke zou gemaakt hebben: Die onze doe en kost doe niet Uylelen, zoo vol hadt hy zyn mondt, en buyk van wijn, de welke hem te mets met toe geslootte lippe ten nebbe uyt wierdt gesoogen; te mets slurpte men die met open lippen van agteren onder zyn staart dat deel uyt, dat soo eerlijk hier niet en valdt te noemen, daar seer hertelijk om wierdt gelacht van die geen die haar met die [p. 152] vroolijkheen bevogtigden, magmen niet wel seggen:

        Wat braaver tugt, wat grootter vreugdt,
        Steekt in die ongemeene deugdt.

    Ik my tot den Gast-heer keerende, vraagde die zelve, hoe hy zyn Uyls kuykkens soo aardig bedagt hadt te beschenken, en met Wyn op te vullen, eeven of dat de deegelijke Melk van den Uyl was? Waar meede hy dit antwoordt my, ’t zyner verschooning gaf: Om dat het geschikter en netter is, uyt een Sulveren Uyl te drinken, als een Swans van Glas; waar van Juvenaal dronk.

        Men dronk daar uyt een zwans die was
        Geblaasen, en gemaakt van glas.

    Ik heb onder onse baldaagen hoop ook al volkje gevonden, die uyt een deel dartele, en ongeschikte glaasen dronken, die van Bachchus en Venus te gelijk gestoffeerdt, daar sooveer meede quaamen, dat zy door die twee haare krachten, niet weynig beset raakten, en bestooven, eeven als de Soldaaten uyt haare glaase Pistoolen, en Laersen den dollen Mars al te mets ten lyve in gulpen. Nu hebben sommige dobbelstenen onder in de voet van de kroes leggen, die zy al hutselende laaten wysen, met rondt [p. 153] om te tellen, op wien het lot gevallen is, dat hy drinken moet, daar Horacius dus van Deundt:

            Wie dat Venus pikten uyt,
            Tot het leegen van de fluyt.

    Andere hebben weederom andere baldaadige parten bedacht, om noch bet uytgelaaten by de Wyn te weesen; een pots die ik ’t mynendt geensins zal lyden, te weeten:

        Dat Krygsgeweer mijn kindre zullen
        Tot zuypen bruykken, of tot smullen

    Derhalven mits ik geen Dier en kan, dat met hoogdraavender wysheydt de Mensch tot zuynigheydt, en maatigheydt kan voor gaan als den Uyl, heb ik die Uylige kroes hier dus op willen haalen: Een treffelijk werk, zeg ik; Maar waarom ging hy dan tienmaal de taafel in het ronde oover? Hoe meendt gy was die eelendige doe van geest gesteldt, die nooyt onder al het Gevoogelte soo is, datmen van hem mag anders seggen:

        Hy siet na ’t deftig dat kan makk’lijk sorg verdryven,
        Dat aan de lyve mag door rykke hoop beklyven,
            Of sluypent aadren in, die maar om vleyen denkt,
            En woortjes suykersoet, die Vryer vryster schenkt.

    Dat die van binnen, en buyten nu soo nat moet zyn dat hy druypt: Seekerlijk, soo [p. 154] dat waar is, het geen men verhaaldt van Archytas Tarentinus, dat hy een houte Duyf gemaakt hadt die vliegen kost; hoe waar dat dan te wenschen, dat dees ons sulvere dat ook eens mocht gebueren? Ik wet hy van al dien bras van wijn hem straks in de logt sou gaan verlossen, en daadelijk van taafel weg sou vliegen, om dus van al die dronke snuyten ontslaagen te zijn. Maar wat raadt hier mijne goede Heeren? Wy hebben lang genog dat jammerlijk gebrek beschreyt: Soudt Gy-lieden nu noch liever denken, waar gy de alderbeste wijn van daan sult haalen, of het aldervetste Bier, meer, als wat raadt, en middel dat gy schaffen suldt om UL. te bevryden van uwe onmaatige gulsigheydt? Voorwaar zoo gy my vryelijk rondt uyt wildt laaten spreeken onder U L. die ik zeer wel ken, zoo weet ik wel, dat Gy-lieden liever zoudt willen met Bachchus traanen bekladt worden, als bespat met Wywaater. Ten zy gy nu niet treeden wildt buyten de Uylachtige Taal, aangesien het nu stigtige manieren zyn, die wel eer groove souten, en gebreeken waaren, soo magmen dit Grieks spreekwoordt in onse gedachte veste, of drinkt, of gaat heen. Zoo het suypen u verveeldt, en wenst daar van ontslaagen te zyn, maakt dat gy dan uyt Uyls Eyeren schaal drinkt den vroemorge Brande- [p. 155] wijn, en uyt zyn schonken Tabak zuygt. Op dat gy allenskens uyt zulke kleyne Kroesen leeren meugdt, te deegen te onthouden:

        Wat u Maage teegen streeft,
        Of wat dat die gaaten heeft.

    Op dat gelijk een van Sertoorius Soldaaten eens een heele Paarde staardt uyt pluysde met kleyne beetjes te gelijk daar uyt te trecken, gy ook soo voetje voor voetje, en by poosen het dronke drinken te deeghen ontleeren meugdt: Aangesien alle haastige veranderingen gevaarelijk zyn, bynaamen in stuk van leevens gewoonte, en behoudenis van gesondtheydt. Wyders is onsen Uyl niet alleen uytmuntende, oovertreffelijk, door dat deel van Maatigheydt waar in de Nugterschap in bestaat, maar ook in dat tweede, daar de Kuysheydt in bestaat, om dat hy nooyt met zyn weergaa by daag, en in ’t licht te doen heeft, maar altoos by nacht alleen, en donker: Waar door hy met de eerwinnende Luyden, de rechte zeedige eerbaarheydt bewaardt, en waar neemt. Want geen Menschen, maar rechte honden zyn al die Sektarize van Wysgeeren die Diogenes volgden, wien men hierom ook de Hondt- [p. 156] schen toe noemde, waar van Augustijn aldus spreekt: Zy vonnisde, en oordeelde teegen alle Menschelijke schaamte, en eerbaarheydt recht op zijn Hondts, te weeten, dat het werk, dat iemant met zijn Vrou aangaat zijnde billijk, en regtmatig, datmen sig daar niet over hoefde te schamen om het selfde oopenbaar op de straat te doen, of in steegen, of op merkt, wanneer dat slegts iemandt luste. Wat strydt daar meer teegen de zuyvere reynigheydt, als zoo ongeschikt en vuyl by helderen dag in het oopenbaar aan te gaan, sonder eenig eers of schaamte, en den dartelen geylaart te spelen met Absolon, in het gesicht der heldere Sonne, met een deel boelen, in een oopen huys, en voor de oogen van het geheele Israel. Wat sal ik hier nu van het Bootsvolk seggen, die meer Vrouwen beesigen, als zy Haavens aan doen? Hoe sal ik het hier hebben met de Soldaaten, en die een deel vreemde Gewesten door swerven? Urias heeft 2. Sam. II. v.II. al sulke voorwaar een sonderlijk voorbeeldt van kuysheydt naa gelaaten, de welke uyt een Veldt-togt, of veergelegen Landtstreek t’huys koomende, en in langer wagten onverduldig zynde, met haar laersen en spooren aan dit dolle Venus werk vallen. Niemandt hoefdt noch moet de onse schelden, of schenden, dat hy in zyn paaren, en houwelijken soo naau niet en siet, hoe naa hem sulk een in bloede [p. 157] bestaat, daar hy zig aan verbindt; want het geen hy hier in doedt, daar in zoo volgdt hy verscheyde Gooden en Goodinnen, volgens:

        De Gooden gingen eer haar eygen Susters Trouwen,
        Soo nam Saturnus Ops, den Oceaan ging houwen,
            Aan Thetys, Jupiter hadt Juno tot zyn Vrou,
            Dit waaren Broeders saam, en Susters, &c.

Daar Terentius dus aardig in komt vallen:

Wat Godt deê sulleks dog? Die d’Hemelen doedt beven,
    Met Dondren! Mag een Uyl zig daar niet mee toe geven?
    Hy doedt het ook, en graag, &c.

    Oover dit werk is hy noch dies te meer te prysen, dat hy het zelfde nooyt aan en gaat, voor hy daar een goede, en vereyste ouderdom toe verkreegen heeft: Daar veel geylder goet daar lang voor haar vereyste Jaaren aanvallen, en hier mee geheel verderven. Ik heb een Haantje gesien dat maar een maandt oudt was, die waakende, dat hy daag met zijn eygen Moer deê, het geen Jul. Caesar des nagts al droomende meende te doen. Dat zeg ik U L. dat dit een Quantje was, wist wat een Hoer te seggen waar: Maar mijn al te kleyn, en te swacke Edipus teegen zulk een grootte en starke Moer Jokasta? Doch wie, mach ik u bidden, sou al de Uyl zyn deugden te saamen by een kunnen haalen, of die altemaal [p. 158] van stuk tot beet uytleggen, ik moet bekennen met de Poeët:

        Ons vernuft en kan niet glyen,
        Om van ’t endt, en alle zyen,
            Haalen op den Uyl zyn Lof,
            Die ons loopt te wijdt en grof.
        Andre Muyzen moet men haalen.
        Wilmen die te deeg afmaalen.

    Eenige nochtans daar van, moet ik U L. noch voorstellen, en weederom andere, die ik noch wel bedenken kan weederom nootwendig laaten loopen, om UL. die van veer, en in het ruyg maar voor te stellen, om door haar veergeleegendtheydt, die selfde u wat aantreckelijker te maaken. Ik zal u dan van wydts dat vertoonen, het welke door zyn te naa by zijn sig al te grof, rou, en plomp sou op doen. Nu geloof ik zoudt gy gaeren eens willen weeten wat eendragt, en Vriendthoudentheydt daar huyst onder alle Uylen: Nu vraag ik wie dog van zyn leven ooyt gehoordt, of geleesen heef van haar onderling of Nagtgevecht? Dat het geheele stof is daar Lukanus een heel boek van schryfdt, te weeten, een grousaame inlandtsen Oorlog van Landtsluyden en Meedeborgers, de welke wy met een weynig verandering dus braaf kunnen volgen:

        Dien Oorlog, die eer op t’ Ematis Veldt braveerde
        Quam van geen Uylen; maar van ’t Volk dat Room regeerde,*
[p. 159]
            Die haar geseegend’ handt, keerd in haar eygen hert,
            Doe ’t een vriendts Leeger, tegen ’t ander vyandt werdt.
        Doe ’t eene Vaendel was op ’t andere gebeeten,
        Doe elk gelijk in magt van d’oorlog slegts wou weten.

    De Uylen zyn vry wat Vriendt-houdender teegen d’Uylen, als doe de Roomeynen teegen de Roomeynen deeden: Aangezien men geen Histoory, noch Jaarboeken vint die van eenige Burgerlijcke, of Inlandtsche Oorlog onder haar lieden vermeldt, gelijk men dat van verscheyde slag van Vee, en Voogelen leest, die onder malkander seer wredelijk stryden, en het schendigste met open muyl, en pooten onderling teegen malkander woede. Ik en durf van de deugdt van Rechtvaardigheyt, en billijke rechtmatigheyt hier anders niet seggen, als dat die selfde klaar blinkt, en geschreven staat in al de Uylen haar Oogen daar men uyt leesen kan haar soo eerbaar leeven, in haar Klaauwen daar men het niemant onnoosel te quetsen alsoo klaar in vindt afgebeeldt staan, en in haar onveranderlijke Neb daar men al soo helder in siet sitten, het uytgeeven van ieder een het vereyste zijn, en eygen, weshalven men te regt mach seggen:

        Regtvaardigheydt besluyt in haar,
        De andre Deugden alle gaar.

[p. 160]
    Wie sal nu iets haars aangaande in het war, of twyfel durven trecken, soo veel de waarheydt, en Reynse oprechtigheydt aangaat, mits hier recht slaagdt:

        Een Dier dat List, kent nog bedrog,
        Eenvoudig, en onnoosel nog.

    Wie heeft hem ooyt durven bekladden van loogens, ik laat het ooverwinnen daar van achter blyven? Soo dat het spreekwoort, datmen in ’t gemeen van de Koe seyt, te weeten, dat die met geen moochelijkheydt kan liegen, veel netter, en met meerder waarheydt op d’onse past, dies mag men daar wel van seggen, dat oude Griekse loopje, zonder Loogen; want de loogen deunen zy dus van:

        De Leugen wou nooyt t’oordle gaan,
        Dat ’t Liegen haar niet zou verraan.

    Om dat aan beyde een stark geheugen vast is, die onder liegen zyn Meester te dikwils, en te schendig bedriegdt. Van zyn stille zeedigheydt zou ik geheel swygen, ten waar de Uylen verscheyde Kooningen, en Monarchen met die deugdt tarte, en te booven gongen: Want aangezien daar niet soeter en klinkt, als het woordt, mijn Heer, of UE. Heerlijkheydt; soo dat Geestelijke soo wel als Weereldtlijke daar seer happig naa [p. 161] zyn, als ook op de eertijtel van heerschen; soo gedoogdt den Uyl niet, daar Augustus mee wilde pronken, en mooy zyn, dat hem zyn eygen kinderen selfs, of iemandt van zyn Bloedtverwanten om het joks soo wel, als wats, Heer sullen bynoemen: In plaats het ander Gevoogelt soo trots, en preuts voor den dach komdt, dat zy oordeelen, haars gelijk niet te zyn, hout den Uyl gestaadig een ongemeen leeg gevoelen van hem, weshalven hy gemeenlijk zyn hoofdt laat hangen en zyn oogen ’t meerendeel sluyt; want dat oogen oopen spalken, is naa Aristoteles getuyge, een teyken van een grootte onbeschaamtheydt. Voorwaar soo dit den Keyser Maximiliaan I. hadt geweeten, sou hy seeker, onder de Kooningen en Grooten zyner eeuw wat meer gelet, en acht hebben genoomen op de Uylachtige seedigheydt. Dry Kooningen, seyd’ hy zijn daar in dees tijdt. Den een is den Koonink der Menschen, den anderen der Eezelen, en de derde der Kooningen. Den Koonink der Menschen, was den Koonink van Spanje, die noch maatelijk; en verdraachelijk regeert, en in sich gevoeldt dat hy oover andere Menschen regeert. De Koonink der Eeselen was den Konink van Vrankrijk, wiens onderdanen alle lasten die haar slechts op worden geleydt, soo lijdtsaamelijk als Eezels, verdraagen. Den derden, en Koonink der Koo- [p. 162] ningen, ben ik seyd’ hy; want ieder van mijn Onderdanen wil niet een Koonink, en Heer zijn. Maar waar rol ik uyt de weg heen? Ik had al lang moeten swygen, soo den Uyl zyn uytsteekende stilswygendtheydt my niet weederom aan het spreeken hulp. Gelijk wy de Papegaayen om haar wilder klappen meer beminnen, houden wy ook dies te meer van den Uyl, als hy stil sonder kicken zit te kijcken, hoewel zy in het stuk van klappen teegen de Papegaayen niet op souden moogen, al deede hy noch eens soo veel zijn uyterste best; want het recht op hem past:

        Den Uyl heeft sulk een trek tot swygen,
        Dat daar geen woordt is van te krygen.

    Welke deugdt in hem soo vast is geworteldt, dat die in het midden van de doodt hem niet verlaat, heel anders, als het den Koonink Priamus gong, waar van men leest by den Poeet:

        Standtvastig bleef Triaam in ’t midden van de doodt,
        Die weereloose stem, en tooren t’eyndt toe boodt.

    En dit moetmen voor de rechte oorsaak reekenen, datmen wel eer soo veel voor een Uyl kreeg, als voor twee Papegaayen, om datmen geloofde, dat den onsen alsoo veel of meer wist, en alwillens verburgen hiel, als de andere los weg uyt klappen: want so de Bybel seydt, Prov. 17. v. 27. en 28. dat men [p. 163] een Gek soo lang kan voor een Wijs Man agten, tot dat hy eens spreek, hoe veel te meer sullen wy dit op een uytsteekende gaauwe Voogel kunnen duyden? Dat is noch een aloude, en daar door schier versteete spreekwoort: Soo gy gesweegen hadt, waardt ghy voor Wijsgeer tot noch toe doorgegaan. Maar dees onse, kroondt al zyn soo uytsteekende, en meenigvuldige voorhaalde deugden, en besluyt die met een, door een Wijsgeerige stilswygendtheydt, dat zy daarom tot een algemeen teyken van de stilswygendtheydt naa waarde voor gestelt wordt. Mijn gedenkt, dat ik eens seeker oude Schildery sag daar Alexander de Grootte, Hesestion, en den Uyl te saamen in waaren afgebeelt, Alexander stont aan de eene zyde, en Hesestion aan de andere, op wiens mondt dees Koonink zyn Zeegel drukte, tot teyken, hy die selfde stil sou houden, daar den Uyl in het midden stondt met sulk een byschrift. S. T. welke letteren de beduytsels waren by de Oude van de rechte stilswygentheyt, dit niet teegenstaande stont haar behoorelijke uytleg met dees duydelijke woorden daar by geschreeven S. beteykendt hier stilswygendtheydt, en T. Toehouwing des mondts, en tong. De reeden van dit bysonder afbeeldtsel sou ik hier bystellen, te weeten, waarom den Uyl booven andere Voogelen wordt uytgepikt tot het waare voorbeeldt van de stilswygendtheydt, [p. 164] soo my Beliams Eezelin, de Romeynse Ossen, de Honden, de Serpenten, Haanen, en andere diergelijke Dieren meer, my niet en weerhielen met heldere en doorklinkende stemmen, daar sy gelykelik mee uytschreeuwen, en getuygen, dat dit de waare schets der stilswijgentheydt weesen moet: Want aangesien hy noch snaaterachtig, noch eenigsins getier braakendt en valdt, wordt haar teegenwoordig in de Godtsdienst meer toegelaaten, als de Swaluwen, en ander gillendt Gevoogelte; tot een recht, en waardig loon van zyn suyvere stilswijgendtheydt. Laat nu eens iemandt koomen, en seggen dat den Uyl niet treffelijk, en goet, en is, die nu naa soo veel scherpe ondertasting wel te deeg voor goedt, en van waarde is verklaardt, dat selden van de Wysgeeren een braaf, en rechtschaape Kaerel gebeuren mogt. Ummers is zy beter als verscheyde die de naam van weldoenders wilde draagen, door dien zy in lang zoo veel goedts niet en deeden, als zy door haar naam beteykenen wilden, of scheenen te belooven. Maar mits wy hier doende zyn, om zyn lof geheelijk te voltrecken: Door dien hy eygentlijk tot in zijn darmen toe goedt is, en kan hy voor sich selfs niet alleen goedt zyn, en blyven, maar moedt t’onser profijt en nut ook soodaanig wesen.
    UL is wel bekendt de nuttigheydt de [p. 165] eerlijkheydt, te weeten, en alle deugden in een schaal daar in teegen een te laaten op haalen, waar door Gy-l. weeten moet, dat onder alle voorhaalde uytsteekende deugden van u Troetel-kindt, geen kleyne nuttigheydt, en voordeel moet verknogt zyn geweest, aangesien men, volgens alle brave getuygenissen, soo roemrijk daar af heeft gesprooken. Voor eerst, dan stel ik dit buyten alle twyfeling, dat de Menschen een oover groot en onvergelijckelijke seegen is toe gesonden, en geschonken, als haar de Son, Maan, en Sterren tot aanwysing, en onderscheydt van al de veranderlijke tyde toe wierden gevoegdt, eeven, als dat uyt het Boek der Scheppingen Cap 1. v. 14. klaarlijk blijkt, weshalven die Poeëten Prins haar aldus aanspreekt:

        Gy alderklaarste Weereldts Ligten,
        Die onse tijdts verandering stigten.

    Maar onsen Uyl, als nu de Son al onder is gegaan, de Maan haar stil, en schuyl houdt, jaa, als het weer soo droesem valt, dat daar niet een Star voor den dag en komdt, volvoerdt hy eevenwel haar opgeleyde werk, door dien hy het vallen van den aavondt klaarelijk betoondt, mits hy daar meede aanstondts uyt begint te vliegen, welke tijdt hierom van hem ook by genoemdt, met haar bysondere naam van [p. 166] de Uyle vlugt. Soo hy seeker dat nut met zyn vlugt niet aan en bragt, soumen het selfde aldus geen eygentlijke naam kunnen geeven, volgens de Poeëten, die sulke eygen naamen op zyn naaukeurigsten naa vorsen, singende:

        Dan wordt den dag vermengdt met nagt,
        Dan staet den Reyser heel verdagt.
        Wat naam dees tijdt regt beuren mag.
        Vannagt dan liever, of van dag.

Al wat booven dit naatuurelijkste de Digteren hier by willen verzieren, te weeten:

        Gelijk de scheemer ligten dwaalen,
        Als Febus onder weg gaat daalen,
            Of als de nagt nu heeft gedaan,
            Den dag dan is aan ’t op te staen.

    Dat zijn altemaal wat te onwisse, en onseekere teykenen. Den onsen bepaaldt, en besteekt dees tijdt wat netter, die door het dach-licht zich verschoolen hiel, wanneer hy in zijn eygen toegevoegdt, en gewenst licht, en ons begonne donker, uyt der muyten begindt te steeken: Dat ik de waare, en rechte oorsaak acht, waar om die van Atheenen volgens Plinius getuygen: Haaren dach plachten te reekkenen van de Son zijn ondergangh, en met een [p. 167] van haare Uyle vlucht. Die nu by ons den, Uyl hier in naavolghen, dat zy dees tijdt vast tot het bejaagen van haare baldaadige wellusten, en ongeschikte dartelheen besteeden, en doen niet dat oorbaar, of pryselijk is, om dat zy van Esaias Capittel 5. vers 20. met recht voor slordigers worden gescholden, die van haar dach haar nacht, en van haar nacht haar dag maaken, reeckende de Duysternis voor het Licht, en het Licht voor de Duysternis; Het welk dat Keyserlijk Monsterbeest onder alle Keyseren, die Heliogabalus placht te doen, gelijk Lampridius het selfde met dees woorden verhaaldt. Hy bracht den nacht met dag speelen, en den dach met nacht speelen oover, reeckende het selve voor een treffelijk gereedtschap om zijn geyle wellusten te vervoorderen: Soo dat hy laat in den dach ontwaakte, en iemandt groette aangesien by met den morghen eerst begost te slaapen. Hier by soo komdt noch een andere wenschelijcke nuttigheyt, die de Uylen uyt haar gewoonelijcke jaght trecken als zy door haare naatuurelijcke drift uyt jaagen tyden op de Muysen, en Rotten, die zy dan beeter weeten op te stooten, en te grypen hoe donker het is, in eenige huysen, thuynen, of open velt, als zy het Everswijn in ’t midden van de Spaanse zee souden kunnen doen; dat de oorsaak is, dat hy van veel brave mannen, en groote vrouwen, [p. 168] om die uytsteekende nuttigheydt t’haarer huysen in plaats van een Kat aan wordt gesokt. Want het is ieder een wel bekendt wat haatelijk, en schaadelijk een Dier de Muys is, soo wel voor de Grootte, als Kleyne lieden: Want om oover te slaan het oudt spreekwoordt:

            Soo kleyn een Muys,
            Soo groot een Kruys,

    Moetmen hier by weeten dat dees my den rechter dwingelandt, en temmer is van den Olifandt soo groot en schrickelijk een Dier; Voor dit Muysjen is het ook dat den Woudt, of Wilden Stier siddert en beeft als hy het maar hoordt piepen, of geluydt geeven, hy ruykt zyn lucht niet, of tijdt daar mooylig aan het vluchten, jaa en durft zelfs in die uyterste noodt van honger zijn voer niet aanraaken, zoo een Muys daar slegts by is geweest: Soo stout is dat kleyne ding dat het de Mensch zyn kost, en voorraadt durfdt of laelijk vuyl maaken, of op eeten, en dat, naa Plinius seggen, op soo een vaerdige, en ongehoorde wijze, dat van een goedt deel Kooren daar in korten tydt, seer weynig ooverschiet. Zy schendt heele Huysen, Koorenschuure, Kaamers, Kelders, jaa selfs Kooninklijke. Zaalen, zonder Kerken, of Kapellen aan te sien, wat linnen, wolle, kost, boecken, &c. hy vindt, schent [p. 169] hy, soo veel hem moochelijk is, tot het al aan flarsen te helpen, en na des zelfs schryvers seggen: Knaauden zy het yzer op het Eylandt Cyprus stukken, op een ander het Goudt ook: jaa beeten selfs de Sulvere Stormhoeden van Lavinus aan stucken, weshalven men haar den buyk aldaar met het staal oopendt, en daar naa staag binnen die zelve eenige kostelijke diefstal vondt: Welk mirakel van Natuuren men soo wel onder alle ander wonderbaarelijkheeden mach reekenen, als Schaligers wonderen van zynen Aarendt. Tot slot, dit Dier is in een gestaadige, ongerustigheydt woelende, het geen soo moeyelijk dikwils aan gaat dat het niet selden een Mensch zijn nagtrust, op zijn mackelijk bedde, steurdt. En of dit maar wat speelegaans voor hem was, gaat het dikwils soo baldaadig aan, dat het een Mensch in het midden van de nagt wel ten bedde uyt jaagdt, als die selfde Plinius dat aldus beschryfdt: De Muysen quaamen te mets zoo dik, en meenigvuldig op Troas aansetten, dat zy de Inwoonders selfs dwongen haar plaats te moeten ruymen, en wegloopen. En om te toonen dat aan haar uyterste Tiranny niet en gebreekt, vreeten zy te mets selfs wel op: Getuyg-teykenen daar van zyn den Poolsen Veldtooversten Popielus, en den Straatburgsen Bisschop Wiederolf, als meede Hatto, toegenaamdi Vonos wel eer Bisschop van Ments t’haatelijker geheugen, [p. 170] dien, zoo hy sig in een tooren in het midden van den Rhijn, tot zyner veyligheydt op hadt geslooten, de Muysen nochtans met sulke geweldige troepen oovervielen, dat zy hem niet alleen met huydt, en haayr op vraaten; maar ook zyn naam van de Muuren, en uyt de Tapyten wech knaauden, zoo dat ick my niet onthouden kan, soo dikwils ik het lees, of moet uytbarften:

        Niet laat schaadelijke Muys,
        Ongeschonden in een Huys.

    Doch daar zal ik nu een wonder not aftrecken, om daar door die van den Uyl te beeter te kunnen bekennen, die die Menschen van die schaade, en moeyelijkheen (soomen haar met die naam quydt mach schelden, en niet eer Pesten, en uyterste onheylen noemen) blydelijk verlost, en verquikt. Want hy is de geen, die door Dianas genaade, booven hy van natuuren daar vinnig op is gebeeten, naa jaagt, vervlugten doedt, overvaldt, vangdt, en verscheurt, niet anders, als die Bloeds-honden het Wildt dat zy in haar kluyven krygen. Hoe wel sulke Jagt-honden haar te bloetdorstige wackerheyt dikwils meer is, als haar nuttigheyt, door dien zy de Haasen, Dassen, en Wilde Swijnen, verlavende, schoon haar vleys smaakelijk en eettelijk is, de Beeren, [p. 171] en Luyperts naajaagen, of, door noch hoogmoediger drift gedreeven, op Leeuwen, en Olifanten aansetten, diemen meer in ’t beesten worstelperk vertoondt, als zy oorbaar in de Keuckens gebruykt worden. Maar de onse aangaande, daar van moogdt gy wel twyfelen of hy nootbaarelijker is, of hoogmoediger, voor eerst, mits hy de schaadelijke Muysen soo schendig agter aan sit, en nypt, ten tweeden, door dien hy die stoutelijk naajaagdt, die de vervaarelijken Olifant selfs niet alleen durfdt te keer gaan, maar ook weet te ringelooren, en te dwingen tot hy die heel in het voetsant heeft gehulpen: Derhalven alsoo waar dat oude spreekwoordt is, den Olifant en vangdt geen Muys, soo vals, en geloogen is dit ook, Den Uyl en vangdt geen Muys; Mits de ondervinding ons het teegendeel betoont, en om diens naams halven, is hy met recht voor uytsteekende hoogmoedig, en oorbaar te roemen: En volgens Aristoteles reedekaavelingen, maakt dit een goede sluytreeden, zoo den Olifant hoog, en dappermoedig is, zoo moet zijn dwingelandt, en schrik noch meer zoodaanigh zijn, die wyders des Olifants schrik, en dwingelandt kan toomen, en temmen moet de alder hoog en dappermoedighste van allen zijn; dat hier meede recht wonderbaarelijk, en Monstreus voor komdt; geen ouderdom beroofdt den onze van [p. 172] die waarde nuttigheydt, weshalven hy niet gehouden en is, zig ook zoo in het meel te wentelen, dat hy niet, als enkel meel en lijkt, als het Weeseltje wel eer doen most: Want onderwijl hy hier meede zou beesig zijn, souden de Muysen haar gat schuuren, en gaan heen: Hoordt nu eens hoe Fedrus in zyn fabelen daar van deunde:

        Doe de Ouderdom van daagen,
        ‘t Weeseltje, soo seer quam plaagen,
            Dat het nu geen magt meer hadt,
            Om het Muysje, al te radt,
        t’Agter haalen, ging ’t lig stryken,
        Soo van meel, dat ’t niet ging lijken,
            Als een enkele meelge bol;
            Hier mee gingdt in donker hol,
        Ergens soetjes neer zig schicken:
        ‘t Muysje, dat wat sogt te bicken
            Was by ’t valse hagje niet,
            Of hier mee zyn leeven liet;
        Dit gebeurde zoo een tweede,
        En een derde eeven meede.
            ‘t Weeseltje eens in het net.
            Eenig tijdt daar naa beset,
        Siend’ een ouden Muys daar loopen,
        Die gesloote Val deê oopen,
            Of een strik aan stucken hadt,
            Als hy eer daar vast in zat,
        Riep om hulp: Den nar hier teugen,
        Die zyn laatste part mogt heugen,
            Blijf daar nu, om wars, of jok,
            Sakkereese Meelige brok.

    Daar ziet gy nu hoe veel nutter een Uyl der Mensch is, als een Weesel, die in zyn [p. 173] ouderdom ons maar een deel meels verspildt, en verderfdt, sonder hy de Muyzen schoon weg vangdt. Hoe ik my spoe, mijn Heeren, en kan ik stilswijgende niet ooverslaan de Vleermuysen aangezien die ook ook gemeen genoch onder de Muysen worden gereekendt dat die daarom van de onse soo wel de andere Muysen gevangen, en verscheurdt worden. Wat schaadelijke, en wreede Dieren dat zyn, blijkt daar uyt, dat het vleys, dat de Menschen tot haar spijs, en nootdruft gebruyken, en het selve derhalven tot haar voorraadt souten, roocken, en droogen, dat zy dat heen gaan, sleepen, en steelen het zelfde weg, hoe wel Plinius verhaaldt, dat de Vleermuysen zeer garen muggen eeten: Maar die spijs, en zou niemandt van de onsen haar misgunnen, zoo zy slegts van het Rooktvleys, en Spek afbleeven, en de Hammen soo niet meer en schonden: Welke te saamen, aangesien zy opvreeten, schende, en bederven, jaa somtijdts zoodaanig uythollen, dat zy daar in nestelen, en haar jongen in groot maaken, soo koomen in het teegendeel de Uylen, en brengen de Menschen dit oorbaar en nut aan, dat zy ten alderuyterste van de Vleermuysen niet geplaagdt en worden: En hadt gy die niet, myn Uylachtige Heeren, soudt gy de locht by den aavondtstondt, soo dik, en vol Vleermuysen hebben, als gy vee- [p. 174] selstjes, en stofjes in de Son zyn straalen ziet weemelen: Het geen U Lieden wat ongelooffelijck voor mach koomen: Maar dat noch meeschien ongelooffelijker is, kan dit zyn, dat op eenige plaatse sommige Vleermuyzen soo verweerdt, dartel en stout zyn, dat zy haar niet en genoegen met de Menschen haar spysen, maar ook de Menschen wel durven aantasten, gelijk Lereus in zyn Braziliaansche Reyze, aldus vermeldt: Men vindt hier Vleermuyzen, die by nacht de Luyden haar blootte leeden, die zy juyst niet dicht genoch bedeckt houden, durven aanranzen, en met haar scharpe bekken quetsen, om daar het Menschen bloedt uyt te suyghen, en dat met sulk een oovervloedt, dat zy dikwils daar wel een half pint uyt hebben gehaaldt eer men zulks eens gewaar wordt, jaa vlieghen, seydt Stadius, al te mets met heele slucken Menschen vleys in haar bek wech. Dat zonder twijfel een teycken is, dat daar soo veel nutbaarende Uylen niet en zyn, als by ons. Verheugdt u met my dan, mijn Heeren, dat wy in ons Vaaderlandt van sulke grouwelijcke, en wreede Dieren niet gequeldt en worden, maar weet u Troetel-Kindt zulks dank, die U L. van sulke Pest-brouwende laagen, en plaagen, en zulke fenijnige hau beeten tot noch toe veylig, en ongeschonden heeft bewaardt.
[p. 175]
    Om nu van de Jacht, tot de Vooghel-vangery te koomen, wie is doch onkundig wat voor een ongemeen oorbaarende Vooghelvangst den Uyl ons beschaft? Want door zyn toedoen weeten de Weyluy; alderley slagh van Voogelen aan lijm stangen, en stocken vast, of in haare netten te krygen. Hier in gaan zy hem voor eerst stellen op een heerlijcke kruk, daar hy naauw een ooghenblik gherust, en met vreede op zitten mach, of daar komdt hem daadelijk een geweldigh gesnor van alderley Vooghelen om de ooren heen snuyven: Eeven of het een wonder groot miraakel was, dat men zyn stal, en weezen dus by den helderen dach verneemdt: Onderwijl zy voorder haar ooghen al te maal vesten, op den Uyl, gaat hy met haare Trojaanse Minerva heen:

        Op niet een zier als op de aardt,
        Hy onbeweechelijken staardt.

    Soo blyven de andere rampsaalige al te maal met haar pooten, en vleugels vast aan het lijm sitten, of krygen het net oover het hooft: Hier mee komt den Weyman aan springen, en duur aldus daar altemaal de kop in, verlossende den Uyl dus van dat schempig gespuys. Evenals den Uyl hier gevangen is om te leven, vangt zy andere Voogelen om te sterven, betalende zyne Voesterheeren [p. 176] zijne genoote weldaaden aldus wel te deegen volgens de Wet der straffe van gelijkdanigheyt, hy de Latynen Talionis, so dat gy daar ook dees Voogels dankbaarheyt daar klaar uyt kundt bemerken, die in de Vogelvangst zoo veel als u anderen handt is, daar gy zoo wel Voogels mee kundt vangen, als met de Menschen de Aapen, het welk dit u werk geen kleyne vreugdt aan en brengdt, weshalven men verhaaldt, dat zy aldus in het midden van de nacht uyt-borst.

        Schoon ik in zwaaren haat, der Vooglen ben gestoken,
        Heeft in mijn boezem noyt een dapper hert ontbroken,
            Ik keer met ryke buyt na huys met vroolijkheydt,
            Naa zoo veel voogels zijn in eeuge slaap geleydt.

    En wie en zou hem daar niet oover prysen, daar de heele Weereldt het zelfde met alle verwonderingh zeer roemrijk in de Roomse Voogel-vangst prijst, met dees woorden.

        Roomen is nu voor de Mannen
        Dat een Uyl, daar aan gespannen,
            ’t Heele Voogelrot op-schiet,
            Wijl op Kruk m’ hem pronken ziet,
        Daar hy met het minste teken,
        Ieder een naa toe doedt steken,
            Als een grootte Kooningin,
            Die dus deerlijk storten in
        Haar te loos beleyde stricken,
        Als zy zijne wyde blicken,
            En zijn steyle ooren gaen,
            Onbedagtlijk schouwen aan,
[p. 177]
        En zijn groote kop bekijcke
        Met zijn Neb, vol yselijcke
            Dreygementen, beurdt het kort,
            Elk in zijn bederve stort,
        Om voort buyten al genaade
        Aan het spit te zijn gebraaden.

    Hier diende ik soo ter loop noch by te voegen, dat hoe Voogelvangich onsen Uyl is, hy daarom soo gaau in het Vis-vangen niet en is, als de Ael-scholters, Mieuwen, en diergelijcke Waater-voogels, om dat hy sig liever in zijn eygen Element hout, als op een ander sig begeeft, dat recht met Quintiliaans seggen over een komdt, die schrijfdt, dat men mackelijcker volgens de Natuur, als daar teegenstrijdigh aan leefdt. En hoe zou dees doch, die de eele, en de zuyvere Attise Lucht gewendt is, dat yselijck, en Barbaar Element des Waaters verdraagen kunnen, het welk, naa het getuygen der Griekse schriften soo grouwelijk wreedt zyn drenkelingen handeldt, dat zy Lijf en Ziel met een verdrenkt, en verdoofdt.
    Hoewel voorder zyn geluksaaligheydt vereyselijk mee schyndt te brengen, dat een Dier van zoo een uytsteekende treffelijkheydt, en waardigheydt nooyt of selden eenig traantje stort, volgens:

        Men mag op heemelijke wangen,
        Nooyt eenig traantje laaten hangen.

Soo hem eevenwel te mets dat euvel over [p. 178] komt, moet men daar de oorsaak van achten de weemoedige barmhartigheyt die hy met rampsaaliger is hebbende. Waar en booven men zeydt, dat zyn traanen geen onnutte Artseny en zyn, maar dat die maaken sullen, voor die geen die haar de oogen daar genochsaam mee wille smeeren, dat die by nacht soo wel, als by dach sullen sien. Dunkt u dat soo wonder, mijn Heeren, dat het geen ’t gesicht der huylende het meeste verderfdt, dat het zelfde gesigt van andere de beste Medecijn is. En is Apollo niet selfs, die Godt der Artsen, die alwerkende God geen Uylius van Homerus geheeten geweest? Nooyt, of selden maakten het een Uyl soo, dat hy de doodt verdiende, weshalven was, en is dit van de grootste straffen al een, die men hem aan doet, dat men hem ontpluymt, om dat hy met zyn kaale gat noch Muysen sou kunnen vangen, Die nu soo klugtig eens weesen wou, dat hy die levendige veeren eens neemen wilde, en maaken hem, daar ten minsten een oorkussentje van, heer wat sou die drollige droome krygen? Die en sou altoos nummermeer met Domitiaan droomen, dat hy Minerva uyt haar Kapel weg sag loopen, wiens beste buyt hy in zijn oorkussen zou gestopt houden. Doch dat gy niet denken soudt, dat zy leevendig alleen voor Artseny verstrekt, soo moet gy weeten, dat zy doodt voor verscheyde treffe- [p. 179] lijcke dingen wonder goedt is: Doch het moeydt my juyst, dat de Varkens dit gemeen met hem hebben, maar verbly my daar by, dat een Varken eer nergens toe nut is, voor het doodt is. Den Uyls gal, zeydt Plinius: Is zeer goedt voor alle vliesen, schellen, en wat de oogen van buyten kan doen scheemeren, weg te neemen; eeven als haar vet, en smeer om klaare oogen te maaken. Een remedy voorwaar, die alle Quaksalvers, en hoetelige Oogemeesters oogsalven, en oogewaters veer overtreft. Voorder de poot, wiek of vleugel van een dooden Uyl, is soo krachtig, dat zy, als men haar slegts hangt aan de traalyen, of veynsters van de Kooren-schuuren, zy maacken zullen, dat daar de Duyven nooyt in zullen koomen aazen. Hoewel sommige diergelijk van een Katte-poot verhaalen, soo geloof ik nochtans dat onse hulpmiddel ongelijk wisser, en krachtiger is; Maar wat lech ik zoo achterkousich van een deel zijner deelen te praaten, als ik u haar heel, en dat ten eersten kan voorstellen, en gelijckelijk in een Schotel op-dissen? Voor eerst moet gy dan weeten, dat al het Vleys dat aan den Uyl zit, goede en gezonde kost is, en waardt op treffelijke gastmaalen te gebruyken. Of iemant van u allen, of op die leckere kost by my zou willen te gast koomen, daar twyfel ik aan: Ik weet altoos dat twee van onze Uylagtige Heeren onlangs sulk een gasten gebodt [p. 180] aanrechte daar zy een gebraden Uyl,en een gebraaden Ekster lecker hadden opgedist waarin den Schoon-Soon den Uyl, als het waardichste, gelijk dat een gast toekomdt, zijn Schoon-Vader op zijn bordt ley, neemende om eerbare geschiktheydt den Ekster voor hem. Terwijl dees tandeloose ouden hals vast sat te kluyven, borst hy in het midden van blyschap uyt: Nu en heb ik mijn leven noch geen Duyf geklooven die my leckerder smaakten. Ik zou noch diergelijke gastmaalen meer verhalen kunnen, waarin sommige van zijn soo uyterlijcke, als innerlijcke deelen bysonder wierden aengerecht, sonder Ceres, en Bachchus daer veel toe hielpen, onder een groot krioel, en lachchende vreugt der gasten, en grootte roem des aardigen Koks: Laten zy nu eens aan komen, die Uyle-brocken en schenders, die zoo verachtelijk durven seggen, als onbeschaamdt liegen, dat den Uyl weynich nuts geeft, daar hy leevendich, of doodt, nooyt op en houdt van ongemeen profytelijk te zijn. Waaren zy eens te deegen aan het handt, knie, of voet-euvel vast, so dat zy daar niet van geneesen kosten worden, sonder dees Vogels vleys tot haar kost te gebruycken, ik meen zy dan wel haast anders van gevoelen souden worden. Iet resteerdt hier noch, dat als smakelijcke Saus, al het voorgaande sal moeten aantreckelijcker maken, [p. 181] en op het laatste u voor Bancket sal dienen, en dat is: De Kluchtige vrolijkheydt van den Uyl, dat is voorwaar de Ziel, en het Leeven van alle werckingen, die eenich lof waart zijn, sonder welk in het Vleys selfs geen soetigheydt kan sitten, die Cicero noemdt een zoette drift der ziele, die al het eerlijk vermaak beschaft. En wie sonder die leefdt, die leefdt een leevenloos leeven. Dat dit soo is, heeft Antalcidas van Lacedemonyen seer wel verstaan, die gevraagdt zijnde, hoedanich men een mensch het meest zou kunnen behagen? Gaf tot antwoort, door het aldernutste uyt te rechten, en het alder vermakelijkste met woorden aan den dach te brengen. Geef my een man van een Adelijk geslacht gesproten, doorluchtich om sijn wijsheydt, uytsteeckende om sijn deuchden, en treffelijk om sijn nuttigheydt, en neem van hem alleen de vroolijkheyt van ommegang, soo sal al het voorgaande heerlyk, daar mee verdwynen. Kato was een treffelijk Eedelman, en daar by wys, staatich, en seer nut voor de Romeynse Gemeente, maar hadt gantsch geen soeticheydt, of vermakelijkheydt over hem, door dien hy sijn al bedillende stuurse wynkbraau niet kost kreuken, gingh hy alleen ten schouspel uyt, daar al de Roomeynschen Aadel in vrolijkheyt vergadert waren, weshalven die aardichste Martiaal dus van hem deundt.
[p. 182]
        Als gy wist men vroolijk vieren,
            Sou dat liefste Floras Feest,
        Als zig elk zoo bly mag tieren,
            Lijk hy ummers is geweest;
        Waarom met u stuurse streekken,
            Quamdt gy Kato daar ook aan?
        ’t Was, dat gy (om regt te spreekken)
            Soo gy quaamdt, straks weer zoudt gaan.

    Sulk slag van Menschen, zyn daar soo euvel aan, dat zy niet vroolijk en kunnen zyn, al willen zy al schoon; soo zy met alle kracht niet drymaal alleen met den stuursen Denea van Terentius, haar soo uyt haar kragt winden, dat het eer stomme beelden, als Menschen sullen gelijken, jaa sullen selfs met honderdt maal dat te doen, daar noch niet in kunnen verrechten. Want dat Kato gelagt heeft, dat verhaaldt men waar te zyn; dog daar staat by, dat het zelfde niet meer als eens van zyn leven was, ook dat hy met de bal heeft gespeelt; doch dat waar op sulk een tijdt, die hem al te veel verveelden, en was, doe hy op eenig versoek van het Roomsche Volk gewraakt wierdt. Onsen Uyl is niet alleen vroolijk, en geneuchelijk; maar de vroolijk, en geneuchelijkheydt ook selfs, om welke reeden hy soo gemeensaam, en vriendelijk op wordt gebrocht in verscheyde Grootte, en Heeren Hooven, daar hy voor het sonderlijkste vermaak strekt, een bolletje dat de Goon, en Menschen lief, en [p. 183] aangenaam is. Dit en sal ick met geen gewigtige reden doorsoeken te dringen: Maar sal dees saak, onder U L. Mijn Uylachtige Heeren, met boertende, en geneuchelijcke Wapenen beschermen, en voorder ten eynde toe deurdringen. Aanschout eens, soo het U L. beliefdt, die aldersoetste, en liefste trony-trecken van den Uyl, alsoo geestig in het ronde loopende, als een Kats Bakhuysje, en let eens met wat een aardige aantreckelijkheydt, hy die te bewegen, en te drajen weet, dan na zyn regter, en dan na zyn slinker zijde. Ziet eens hoe liefelijk staan hem zyn graauwe oogen, hoe lodderlyk hy zyn half scheel gesigt kan draajen, hoe donkerachtig, even of die staag half sliepen, zy ook te lonken staan, en even als lag-wenkende: Ummers siet zijn geheel weezen door eerbaar, lieffelyk, en regt vrolykoost, en klugtig uyt, waar in hy dan zijn wynkbraauwen wat trotsagtiger verheft, en dan wederom wat schaamagtiger laat zacken, hoe anders doch als men treffelijk van zijn by-genaamde Uylijsses-beest.

        Naa hy zijn oogen hadt wat neer
        Ter Aardt geslaagen, hief die weer,
        En ging die op zijn Regters slaan,
        Die hy dus treffelijk sprak aan, &c.

    Wanneer vindt gy hem doch anders, als [p. 184] heel in gedachten op getoogen, magmen dat van zyn hoofdtje ook niet wel zeggen:

        Wat aangenaame lieflijkheydt,
        Doch in dit bolletje niet leydt.

    Bemerk eens, soo gy lust hebt hoe aardig op zyn Kamuys neus, zyn nebbe in is gedoudt, en hoe Havik, en hoekagtig die daar by valdt, soo dat hy aan die kromte mackelijk sou moogen hangen: Luyster eens, hoe kluchtig hy daar mee kan knappen, bynaamen als gy hem zoo dicht komt, dat hy bang voor u begindt te worden: Wildt gy hem een weynig meer soeken te quellen let dan eens wat schrickelijke kromme klaauwen dat hy voor den dach weet te brengen, soo yselijk als de Harpyen ooyt voor den dach mochten haalen, daar hy, soo haast als hy siet dat het dreygende gevaar oover is, gemeenelijk mee tijdt aan zyn kop te klouwen, daar het moochelijk niet en jeukt: Magmen dan van sulk een troony, en weesen niet wel opsingen:

        Og! Schoonste troonje, soo volmaakt,
        ’t Is tijdt gy uytgeschilderdt raakt.

    Neemdt eens voorder met my op, soo gy tijdt over hebt, zyn braaf bepluymde buyk, haar opdoende eeven, als een pluymige bosschaazy, soo rondt, en verheeven, of die staag swanger vol Jongen stak: En even- [p. 185] wel of hy staat, of hy zit, toont alsoo treffelijk een Platoonis Mensch: En om korst te maaken, zyn heele lichaams stal, is van ’t schoonste, en ’t heerlijkste, dat men mag aanschouwen. Meet eens vry net af, soo het u niet te moeyelijk en valt, zyn overige wonderen des natuurs, daar hy çierlijk, en schoon van weesen mag om geroemt worden: En gy sult bevinden dat men hem onder de grynsen, en bullebacken van de kinderen, daar men haar dikwils mee moet naa bet toejaagen, geensins hoefdt te reekenen, dat maar spooken van de Natuur, of zyn Poppen zyn, daar regt op past:

        Natuur brengdt zulke voor den dag,
        Wanneer haar schort een vroolke lag.

    Maar hier in soo blinkt het regte afbeeltsel, en de gedaante van de waare soetigheyt, en een volmaakte vertooning van de opregte schonigheyt, aangesien gy in hem voltooydt vindt, het geen te haaperen schijnt, soo in de trotse Paauwen, als die gouwe, of vergulde Papegaayen, zoo in die overmoedige Aarenden, als de onnoosele Duyven. En wat wilt gy vroolijker, of liever wenschen, als dat? Hier af spreekt Cicero seer treffelijk. Een schoonigheydt des lichaams spruytende uyt een vereyste saamgevoegdtheydt aller leedemaaten, ontroerdt, en vermaakt onse geest geweldig, daar door, dat al de deelen aan een hangen, [p. 186] en onderlingh op een slaagen. Met een byzondere aantreckelijkheydt: daar dees woorden alleen aan schynen te haaperen, gelijk als in den Uyl, want daar mee hadt die heerlijke spreuk gantsch volmaekt geweeft: Want was onsen Uyl zoo naaukeurig schoon van buyten niet, de heedendaagfe menschen, daar veel dwarsdryvende geesten onder loopen, en zouden om zyn uytsteekende deugden, en innerlijke gaaven, geen swart lapje uyt een Roere boon willen geven, maar nu gaat het hem naa des Poeëts seggen:

        Die deugdt die van een schoone komdt,
        Zoo veel te heerlijker bromdt.

    Wat broudt, en brengdt al dat voorhaalde anders voort, als enkele vroolijkheydt, en geneuchelijkheydt? Het gelijkt, of de Natuur in dees Voogel te voltooyen, eens heeft willen deunen, en alwillens haar geheelijk tot alle klugtige vroolijkheydt stellen, weshalven men wel mag met die geenige Terentius zeggen:

        Soo schoon en lieflijk valdt haar weesen,
            Dat nu ’t Gevoogeldt met haar al,
            In eygen langer geen geval
        En hebben, hoe ’t haagde voor deesen.

    Mijn Uyl, heeft myn oogen op hem getrocken, hy is myn vroolijkste schoustuk, mijn vriendelijkheyt, en mijn alderblydtste vermaakelijkheyt. Maar wat heb ik hiervan [p. 187] my te praten? Niemant uyt al den Uylagtigen hoop, sag hem ooyt, die niet en wenste, dat hy hem door, en door mogt bekyken: Niemandt sloeg daar nooyt zyn oogen op, die sig niet verblyde, als hy die daar langer op mogt slaan, soo dat hy hier in soo opgetoogen wort, dat hy zyn gesigt, of het hem lief, of leet is, nergens anders naa toe kan draayen, of ophouden van langer na hem te kycken, voor en al eer hy zyn duydelijk stal, en weesen te deegen in zyn gemoedt heeft afgedrukt, en daar vast in geprent. Soo gunstig, en behulpsaam (ik wil Minerva hier niet langer noemen) maar is selfs Venus hem ook geweest, dat zy door de aantreckelijke soetigheydt van haar bysonder bevalligheen, selfs ook met een door de Onuylagtige haare gemoederen heen schiet, en over al staat te pronken, waar door het nu al zoo veer is gekoomen, dat men moochelijk meer geschilderde Uylen teegenwoordigh ziet, als daar leevendige, en deegelijcke in de Weereldt zyn. Om een beginsel tot dit bewys te neemen, laaten wy de Boecken, het rechte gereedtschap tot de wijsheydt, eens voor af stellen, ummers zyn die wisse voorbeelden daar van, aangesien men haar niet een leedig plaatsje en vindt, dat met iet anders gewoonelijcker wordt gevuldt, als met een Uyl. Selfs vindt men zeer dikwils by haar grootte Letters, die zy [p. 188] Kapitaalen noemen, een Uyl afgebeeldt, die gy daar zyn ronde bol by uyt siet steeken: Jaa men vindt verscheyde maalen by een sulken letter, een troepje van dry, vier, &c. Uylen, gelijk Sustertjes, en Broertjes by een sitten, eeven of daar een alleen geen vermaakelijk woonsteê naa vernoegen vinden kost, of den Leeser niet genog aan het lachchen zou kunnen maaken: Waar by ik die Geneefse Boekdruckers noch niet eens en stel, die van den huyse van Chouet zyn, die altemaal tot haar bysonder merk, en kenteyken een Uyl, voor al haare Boecken drucken, met dees stokreegel om schreeven. Wildt des nachts Raadtpleegen, of zy seggen wilden, dat die het beste klemde, en in de hoogste achting mosten gehouden worden. Soo wy nu de Huyzen en Woonsteeden eens in acht willen neemen, bynaamen soo veel die deelen aangaat, daar zy den dach doorscheppen, en beschouwen, salmen met een daar Uylen ook aanschouwen, want de glaasen, en vensters, soo altemaal niet, de meeste altoos, zyn beschildert met Uylen, die zoo wonder geestig staan, mijn Heeren, dat gy heel, en al in twyfel op zyt getoogen, of zy van binnen, of van buyten geschildert staan: Want zy schynen aan beyde kanten door, zoo datmen aan beyde zyden haar afbeeldtsels eeveneens kan sien, of gy binnen, of buytens huys staat, eeven, of [p. 189] gy den dubbel Troonyden Janus voor u hadt staan, daar de Poeeten van Digten:

            Agter en voor zoo staat,
            Een Weesen en gelaat.

Komdt dit niet op Flackus seggen uyt:

            Al wat bedagt wordt tot vermaak,
            Lijkt eygentlijkst een waare zaak.

    Jaa volgens de spreuk van Aristoteles: De beweeging die op iemandts afbeeldtsel loopt, zoo veel het der zelfs afbeeldtsel is, is eeveneens, als die tot het afgebeelde selfs loopt, en haar daar regel-recht op strekt. Dit zelfde zou ik klaarlijk bewysen met Ixions voorbeeldt, soo de Uylachtige zuyverheydt, en reynigheydt het selfde toe liet, door dien die selfde, door Jupiters toelaating, met het afbeeldtsel van Juno zoo te doen kreeg, als Jupiter al te mets met Juno zelfs doende is: Het is soo:

        Naa eygen lust een wekt,
        Soodaanig zy die trekt.

    En dus trekt den Uyl ieder een tot sig: Soo dat het gelijkt, dat daar niet en is, dat regt kluchtich en vermaakelijk is, dat niet besproeydt is met de aardigheydt, en soetigheydt welk die selfde over al van sig schiet: Weshalven men hem ook menichmael ziet verheeven op verscheyde soo steene, als houte Pylaaren, haar tot cierlyke kruyn, en top verstreckende, welk beginsel, en instel- [p. 190] ling geen andere reeden of oorsaak schijnd te hebben, als alleen het vermaak der oogen, of men most hem ook aldaar gesteldt hebben, om door haar leeventlijk weezen ’t Gevoogelt daar na toe te locken, of de Vleermuyzen van daar te weeren, en te jaagen. Om kort te gaan, alle werken die gesneede, gedreeve, geschildert, geteykent, geborduurt, getapyt, of anders geweeven, of gedrukt worden, hebben gantsch geen val, of aantreckelijkheyt, so daar geen Uylen met goede meenichte onder loopen. Die inder daat nergens toe te pas en komen, als alleen om onse geesten te vermaken, dat soo in swang gaat, dat men die nu gemeensaam siet geschilderdt hier t’ Amsterdam op verscheyde Kakhuysen met een Pyp Toubak in haar geestige neb, dat hem geen meer schande en is, als dat seeker Koonink van Portugaal des Koonink van Spanjens Beeltenis ging placken op een algemeen schijthuys, de welcke nochtans dit niet tegenstaande voor de schrik van geheel Euroopa wordt gehouden, onder de Christenen zoo machtich als den Turk by de zijne, onder de Katholijke soo ontsachchelijck als Tamerlaan by fijne onderdaanen, en al wat voorder Monarchaal van hem geseydt kan worden. Maar hier verheft haar een schrickelycke swarigheyt, waar door te weten staat, of daar ook Uyle Afbeeldsels stonden in de oude Tempel-behang- [p. 191] sels van de Jooden, of in haar andere schilderyen, of cieraaden? soo niet, wat de oorsaak daar af was. Dit en gedenkt my niet dat ik ooyt las in Misnajoth, of Gemara. Maar door dien de Godsdienst niet en is ingesteldt om soetigheyt, of vermakelykheyt, maar is door stof van schrik, en vrees te saam gekneedt, soo schyndt het wat Kerkichenachtig, soo liefelyk, en vermakelyk een Voogel, daar in voor te stellen. Of zou het ook zijn Mijn Heeren, om dat dit Dier in het Oude Testament onder de Onreyne wierdt gereekendt? by ons is nu opgekoomen, en vast gestelt, dat alles sonder onderscheydt nu reyn is, voor die geen die slegts selfs reyn zyn, weshalven hy ook met recht zuyver wordt geschoudt, en het vermaakelijkfte beeldt geacht, dat de suyverheydt mag hebben, soo dat men hem nu niet alleen in de grootte Kerkglaasen af vindt gebeeldt, maar selfs op verscheyde Gewyde Kerkelijke pronkstukken, en Heyligdommen seer leevendig, afgemaaldt, hoewel naa schijn, meer tot çieraadt, als klugtig vermaak: Onder welke naam zy niet plompelijk zou moogen gesteldt worden op het register van die Heylige sinrijcke Beelden, die de geleerden Herogly Phicar noemen: Maar om de rechte waarheyt te zeggen, soo gebruyktmen hem veel gemeensaamer tot boert, als ernst: Het welk nochtans om uwenthalven, Mijn Hee- [p. 192] ren, zoo moet gemengdt, en gemaatigdt worden, dat Gy-L. die doch wat ligt geraakt, en kittelig van mildt valdt, niet al te gevaarelijk ten lach uytbardt. Myn heugdt nog dat ik eens een ouderwets, en wondergeedtig trompetje dag, daar een Uyl dat op afgemaalt aan een Spinnewiel gedeten, gelijk of hy soo wel draayde, en spon, als eenig Besje: Hier stondt doe een seekere Quidam by afgebeeldt (die naa ik noch geloof, van u eygen soort, en volkje een was) die in zyn eene handt een Kaers hiel, en in zyn andere een Muys by de staert vast, die met een kromme swier, en draay met neer gebukten hoofde onse Uyl met dees oude Westfaalse deun scheen te begroeten: Door sat eyn Oel en span, &c. Ik stondt een goede poos, door dit aardige vertoog, vry vroolijk opgenoomen, jaa soo seer, dat het weynig scheelden, of ik had doe daar oopentlijk uytgewenst, om seer gaaren een hemdt te hebben, dat van zyn draaden waar gesponnen geweest, dat ik hierom ook in veel grooter waarden sou hebben gehouden gehadt, als het geen Sardanapalus wel een onder zijn ligte kooten zat te spinnen, of Herkules by zyn Omsales. Noch Gy-L. en moet u niet verwonderen, dat daar Uylen zyn geweest die sponnen: Mits gy bedenken moet, dat het een Voogel is, die Minerva is toegewydt, en die zy in hooger- [p. 193] agting, en voller waarde staag heeft gehouden: Al wie hem dan naamaal spinnende sal koomen te sien, of in eygen, en deegelijk weesen, of slechts afgebeeldt, en geschildert, mag ook wel met Naso dryven staande houden:

        Tenzy hy dan zyn lange draadt,
        Door ligte duymen slippen laat,
        Of dat hy met Borduurnaaldt speeldt,
        Denkt ’t Pallas hem heeft meê gedeeldt.

    Daar is dees onse nu, die aldus Aragne sou moogen tarten. Het moet naa alle regt, en reeden een klugtige, en drollige Veugel weesen, door dien de Atheniensers haar soo wel gelijk haar voornaamste Heyligdom, oover alte pronk stelden, als meede, door dien zy oover al hem in haare diefzacken leevendig, of afgebeelt, ooveral met haar droegen. En dit was al een van de voornaamste oorsaaken, die my porde tot het beschryven van de Uylen Lof, soo kort, en bondig, wel voordagt en willens in een getrocken, dat men het zelfde eensgelijks, met alle ligtelijke gemacke, over al met zig ook zoo in zijn diefzak gestoocken, kost mee neemen, op dat gy altemaal, soo stark gy weesen meugdt, mijn Uylagtige Heeren, nergens door die gevoechelijkheydt, hoeft het selfde van u te leggen, maar het zelfde ooveral, soo wel t’huys, als daar buyten, al was het heel ten Oorlogh, by u moogt [p. 194] hebben, en houden, soo wel als dat ander boek, dat men noemdt, gaat met my, of houdt my geselschap, om wat beter Duyts te spreeken. Maar siet eens toe, op dat ik alderley speelen van onsen tijdt niet te slordig voorby gaa, moet ik alle onkundighe waarschouwen, dat onsen Uyl op zyn aldergeneuchelijkfte zyn vol daar ook onder speeldt, aangesien men een nieu spel t’zyner eeren nu onlangs heeft bedagt: Want het was onsen klugtige Naacy niet genog, dat zy een Ganze, en Slangebort, of Spel hadden, maar naa waarschynelijkheydt, most daar noch het Uyle bort, of spel by koomen, daarmen met dry steenen te gelijk op speelen moet, in plaats de twee eerste aan enkele twee genog hebben. Wat vreemden haan, of Goddelijke geest of het zelve dog in ons Landt heeft gevoerdt, of liever eerst bedagt? Want het Gansebort aangaande, is het eerst uyt Italien alhier overgekoomen, en het Slangespel, hebben onse Voorouders gevist uyt de Egyptise manieren: Maar wie heeft dan dat van den Uyl uyt Grieckenlandt op kunnen vorsen. Het mag dan gekoomen zijn van waar het wil, het is altoos een uytermaaten zoet tijdtverdryf, daar men van mag zeggen:

        Die onze tijdt vervreet,
        Eer dat men het eens weet.
[p. 195]
    Ons aardigste Dier altoos heeft mee zyn eygen, en toegewydt spel, dat de Dobbel-markt niet weynig gaande kan maaken. Wy speelen nu al mee met de Liefhebbers, of diefhebbers: Hoe sal ik haar noemen, mits die de Fortuyn hierin wil helpen, niet veel ongezegender de pot strykt, als die haar zou moogen steelen, dit soete lieve spel, waar door het spreekwoordt recht waar wordt, luydende:

        Geen Uyl en is een haayrtje min,
        Als Valk, of Duyf, naa ieders zin.

    Dus maakt het onsen Uyl dan oover al, dat, schoon hy om min, en zunst niet en doedt, alles nochtans dat hy doedt dat het zelve minnelijk, en liefelijk uytvaldt.
    Dit en diende hier niet oovergeslaagen, dat onsen Plinius verhaaldt van onse lieve, te weeten, dat het een panlicker is, en een Huppelbeende danser. Soo het van de regte slagh van Panlickers een is, moet hy noodtwendig vol zyn van alderley potsen, en Quinkslaagen, en is het soo een Dansmeester als een behoordt te zyn, soo moet hy op alle tijden,en plaatsen, de bevalligste, en drolligste beweegingen, en kromme sprongen, weeten te maaken, die de geestigheyt zelfs sou weeten te bedencken, aangesien den Dans onder alle voormakelijkheen, in het midden niet gespeelt, maar achter aen moet komen, [p. 196] overmits Cicero zeyt, Het dansen is wel een macker van alle vrolijkheen, maar moet op het alderlaatste komen. Dat ik hier zou lyden, dat men haar onder de naam van dartelheydt sou trecken by die geyle pricken; of haar reeckenen voor een soort van dolligheydt, dat is verre mis: Want al wat den Dans by haar heeft, komdt nergens als van de Natuur van daan, naa welke swier zy met minder moeyelijkheydt wordt geleerdt, als naa vereysch geschaapen, en gemaakt, soo dat zy die eer mackelijk uyt haar selfs teelde, als moeyelijk daar uytwrong. Onsen schryver der Naatuurlijke Histooryen, verhaaldt van de onze, hoe zijn staatige wandel, tret hem moeyelijk valdt, om de kromte van zijn klaauwen, weshalven hy zig gedwongen vindt, dat hy dikwils op zijn Ekxters voort moet huppelen. Een recht eerwaardige tret, die vry wat meer naavolgers behoorde te hebbe, als men nu wel siet: Want wat viesevaasery is dat, dat de menschen hedensdaags oover haar hebben, waar door zy nu soo huppelende, en springende niet meer aankoomen, en voort gaan, aangesien daar soo lugtig een swier in sit? Men leest ummers by Hesiodus, en Anakreon dat de Muzen selfs te mets aan het dansen teegen, als zy haar hert te mets eens te deeg op wilden haalen, volgens, het Vaers:
[p. 197]

        Soo wel de Muzen te mets eens zongen,
        Soo wel zy te mets ook dansen en sprongen.

    Waarom niet, daar Jupiter, als hy anders niet te doen heeft, in plaats van leedig zyn, soo wel aan het dansen, en huppelen tijdt, als den onsen, soo men de Griekjes mach gelooven, die dus op durven singen:

        De Goon, en Menschen Vaader meê,
        Wel eer een lustig sprongje deê.

    Naa Homerus getuygen, slootmen alderley grootte Gastmaalen en Banketten met Muziesjeeren, en dansen. Den Koonink Alcinous verhaaldt eensgelijks, dat op der Pheacensers Maaltyden soodaanigen danseryen, Balletten naa men nu zeydt, seer gewoon waaren. Ummers selfs Uylysses; die van soo meenigh ghepreesen wordt om zyn uytsteekende wysheydt, en was zoo haast niet t’huys gekoomen, of rechten dadelijk in zyn Hof verscheyde Balletten aan, die klonken, en dreunde, of men tot Penelopes nieuwe Bruyloft hiel. Om wyders een onweederspreekelijk voorbeelt by te brengen, sal ik nu Sokrates alhier voorstellen, van wien men verhaaldt, dat die verscheyde maalen dansten, om alsoo hem wat meer te oeffenen, weshalven hy ook meenigmaal plagt te seggen: Dat het dansen een oefening was, ’t welk in al zyn deelen volmaakt was, [p. 198] wil men eens iets op zyn vroolijke Aristofenes hooren, past hier op, dat een zyner Klerken al dansende uyt den mondt rolde:

        Mijn hert dat danst my in mijn lijf,
        Dat ’k moet, en willens dansendt blijf.

    Dit ging eeven, als die Kettery, die omtrent oover dese honderdt jaaren in de Weereldt was, en om haar grillen de Dansers eygentlijk wierden genoemdt. Soo een dus veel wyse Mannen, soo wel Prinsen, en Vorsten, zoo veel Gooden, en Goodinnen wel eer daṇssen met onsen Uyl, wie sal hem dan uyt durven schelden, als die haar eygen Vriendtjes durven nydig zyn, en beschempen, dat hy met de ouwe druypneusen ook poot aan sal moogen speelen, of hem bespotten, dat hy bey zyn beenen liever gelijk agter uyt mag strycken, of dat hy als Kreupel Wouter achter aan sal koomen hompelepompe. Nu eens wacker op Mijn Heeren, om de voornaamste van allen hier niet van den dans te houwen (so gy slegts gelooft dat die Man ooyt in de Weerelt is geweest) soo wildt u oogen dog eens op Uylen Spiegel slaan, die goeden Tijl van Mol van daan, die rechte huppelsiecke, grimmas, en potsemaaker, een regt slag van Kaerel, die tot kluchten, en drolligheen gebooren leek, en de rechte kelder, en ’t vat voor alle quinkslaagen. Nu moet ik eens vraagen, [p. 199] hoe hy dog aan die naam geraakten? Want, naa men verhaaldt, sou hy drymaal gedoopt zyn, daar tweemaal al de helft te veel is. Om dat daar eevenwel soo naau, en naamaagschap tussen U L. Voorouders, en hem moet zyn geweest, en is het niet te twyfelen, of gy suldt onder haare brieven, of bullen, de oorspronk daar van aangeteykkendt vinden: Doch of zy by onheyl het selfde mochten verswegen hebben, soo verseeker ik u, dat de Uylen selfs. het aan den dach sullen brengen. Want, gelijk men van de Muysen seydt, dat die, soo zy Latijn hadden willen spreeken, het selfde door Plautus mondt wel eer zouden gedaan hebben; zoo geloof ik mee, dat soo de Uylen Duyts hadden willen spreeken, zy het zelde met dees vent zyn bakhuys souden verrecht gehadt hebben, zoo veel ik bevroeden kan, om dat daar eerst in huysden de rechte Uylagtige geneuchelijkheydt. En wil men de zielen haar verhuysingen vast stellen, die Pythagoras zoo hert dreef onder de Menschen, Vee, en Voogelen, soo betrou ik, dat een Uyl zyn Ziel hier in een Menschen Lichaam stak, en dat hy eygentlijk daar zyn veel waardige toenaam van kreeg. Nu soudt gy moogen vraagen wat daar dan, Spiegel, by doedt? Dat moet gy weten gesprooten uyt een dubbelde soette aantreckelijkheydt, die in hem sweefde: [p. 200] waar van de eene waar, en deegelijk in dees onsen Voogel leefdt, en sweefdt, en den andere in den Mensch, soo schynelijk naa het leeven afgebeeldt, als die kan raaken, of gy die zelfs in een Spiegel voor uwe oogen zaagdt. Geloof my, Mijn Heeren, dat nooyt doortrapte slaaf op het oude Schou-Tooneel, meer potsen, en fratsen aanrechte, als hy in zyn tydt de heele Wereldt door dee. Hoor eens, by gelijkenis, hoe dien Wysneus de Dennea, by Terentius aangaat en opsnydt:

        Ik naa de lugt zy haar begeeven,
        Te Spieglen in een aar mans leeven,
            Op dat zy door Exemplen zoo
            Wys sullen zyn, en blyven vroo.

Waar op dien Schalken Syrus dus boert met zyn schemp:

        Voor Spiegels my de Schootels strecken,
            Daar in zoo gaa ik weer gebien,
            Dat elk te deegen sal gaan zien,
        Aan wat een werk, dat hy sal trecken.

    Eveneens handelden dees Uylenspiegel wie hem slegts voort quam, soo dat hy niet alleen ieder tot lach, en boert verstrekte; maar waar hy zig keerden, of wenden, bracht hy ooveral veelderley vermaackelijkheydt, boert, lach, jok, en vreugde aan, gelijk of hy door een bysonder mildaadig voorregt de Weereldt was geschon- [p. 201] ken, dat hy daar ieder een vervroolijke zou, en hadt hem het duydelijke seggen van de waarheydt niet meenigmaal in grooten haat verstoten, zou dit eerst een regte Pamfilus, of Allemans Vriendt geweest zyn, de welke die aardig Terentius dus volmaaktelijk beschryfdt:

        Hy ley een leeven sonder stryen,
        Daar hy kost elk in mackelijk lyen,
            En in wat zelschap dat hy quam,
            Hy straks haar zin in d’armen nam,
        Naa ieders drift hy zig soo helde,
        Dat hy sig teegen niemandt stelde.

    Doch de naakte waarheyt bequam hem te mets quaalijk, die hy daarom ook naa zyn eygen, en bysondere styl van spreeken zey, datmen haar vry mogt bynoemen, in ontfankelijke Gast: In alle andere dingen en was hy niemandt in de weg, of eenigsins moeyelijk, maar viel ieder vroolijk, en vermaakelijk, aangenaam in ieders geselschap, jaa zoodaanig, dat schoon hy daar te mets wat schaadelijkjes by viel, al zyn schaade verset, en geboedt wierdt gereekendt, door zyne vermaakelijke potsen, sulk een gaauwert was het, dat men van hem met Terentius met eeren seggen mogt:

        Al wie hy simpel vondt of slegt,
        Maakten hy dubbel afgeregt.

    Waar by hy veel verscheelde van die vuyle Horacius Filacken, waar van hy seyt: [p. 202]
        Pentolaap was een afgeregte Guyt,
        En Nomentaan zoop ieder agter uyt.

    De welke, soo hy soo wel als Klaudius niet uyt dees Weereldt was gerukt geweest, ik geloof hy ieder een aan zyn vermaakelijk mallen hadt gehulpen. Maar wat doe ik al? Waar dwaal ik al heen.

        Of my een zoette dolligheydt,
        Dan ook in ’t hoofdt te speelen leydt.

    Dat ik hier zoo ruym een algemeene plaats voor een bysonder Persoon maak? Wat sal ik seggen?

        Hoe men wellust min genoot,
        Hoe men meer haar trek vergroot.

    Daar hebt gy nu myn Nagtelijke Heeren, alles wat belangdt uwen Uyls Naam, Vaaderlandt, opkompst, of Geboorte, Aadeldom, Vernuftheydt, Deugelijkheydt, nuttigheydt, en vermaakelijkheydt, en om alles in kort te trecken, zijn leeven, en zijn daaden. Hier hoort voor ’t naast nog aan, dat ik noch iets seg van zyn gewoone Doodt, en Lijkstaacy, of uytvaardt: Doch laet ons hier mee eyndigen: Want ik kan van traanen die te droeve tijdt niet bedenken. Oy! Hey!

        Dus op het lest roep ’k dan om dy,
        ô Heylige Zielen staat my by!
            Ey laat met vreede, sonder draalen,
            Een Heylge Ziel dog by u daalen.

[p. 203]
    Want nooyt en heeft Ovidius zijn Papegay, Katullus zyn Mus den Schout met Lipsius onlangs den Hondt beschreydt, naa zy hem booven zyn Lijk een Heerlijke Honde Tombe oprechten, als ik wel graag u doodt zou willen beweenen, o alderbeste van het Gevoogelte! Waart gy ook soo eersiek, en staatzugtig, dat gy ook juyst met een Huylebalkin voorsien woudt weesen, als men in oude tyden by de Lycken sette te bulken, en te balken, of zoo kleyn hartig, dat gy te zeer voor de Doodt bevreest waardt: Maar aangesien gy in u leeven weynig bekommerdt waardt, of gy boven, of onder de aarde sout rotten, magmen om uwent halve wel seggen:

            De schaa van Graf,
            Te luttel gaf.

    Want als men nooyt niet als dat moet derven, is die schaade ligt oover te komen. Geloof, mijn liefste Voogel, geloof het:

        De Aardt die krygdt dog alles weer,
        Wat datse uyt gaf, die wel eer
        Bloodt leggen bleef op ’t oopen Veldt,
        Is ’t Heemels dak voor Tomb besteldt.

    Het zy gy nu van voorneem zyt naa de Elizeese Velden te verhuysen, by het gefelschap van andere Godtvrugtige Voogelen, of naa eenige andere booven of onder-aardtse plaatsen, die u beeter, als my bekendt zyn, [p. 204] seeker u Zieltje, u Swerfstertje, u Sweefstertje, u Liefkoozerinnetje, soo gy my beliefdt te hooren, laat die doch naa booven toe streven tot daar het tintelende gestarnte staat, daar sal u alsoo wel plaats beschaft worden, als andere. Want soo de Zielen der Voogelen ook ontsterfelijk zijn, gelijk Plato met alle geweldt gedreeven heeft, of naa Zoroaster geloofden, dat haar Zielen gevoederdt waaren, of dat zy verhuyselijk waren, gaande van het eene lichaam in het ander, naa Pythagoras Leer, het zy, soo het wil, gy suldt u hooft altoos niet stooten, nog ook een blaauwe scheen loopen: En hoe zou dat moochelijk zijn, daar gy nooyt iets gedaan hebt dat niet waardig was gedaan te zyn? En woondt dan in den Heemel niet (die eer waardt is men het zelve in Cerberus hol verstoot, en verban) dat schendig, en schaadelijk Hondeken, dat die ongesonde, Hondtsdaagen maakt? Houdt daar mee die leume, en lamme Kreeft geen huys, met die fenynige Schorpioen? En gedoogdt men daar geen Leeuwe, Beere, Geyten, en Serpenten? Soo men soo goedtwillig plaats maakt, voor den Ram, Stier, en gehoornde Geyt in die liefelijken Heemel, zoudt gy daar dan buyten geslooten worden:

        Wort wat gy wilt, den Hel maakt u nooyt Koningin,
        Tot haarent, nog gy wiert nooyt van soo dol een sin.
[p. 205]
    Gaat vry voort in u vermaakelijke klugtigheydt, men sal het voegen by al wat vermaakelijk klugtig hier te vooren van u is verhaaldt, om de droevigen en naare bedenkingen des Doodts daar naa moochelijkheydt mee te temperen. Een ding wil ik hier voorder liever vraagen, als beklagen. Waar of dat dog mag van daan komen, dat een Uyl niet langer van leeven valt, en op der aarde een ruymer verblijf hout, aan gezien het zulk een Vriendt, en beminde van de eeuwigheydt, en Pallas is?

        De Quackels Doodt verwont, sullen nog lange leven,
        Dies men haar hierom vaak de naam van Besjes geven.
        Den Kraay tot Pallas spijt, en wort geen doot gewaar,
        Voor hy een tal bereykt van neegen honderdt jaar.

    Maar onfen kort leevende Uyl sterft binnen weynig jaaren weg, sonder hy in lang den Fenix, of Kraays jaaren behaalen kan. Dog laat ons de H. Zielen laaten in haar vreede. Den seer wysen Homeerus zeyt seer treffelijk, en wel:

            ’t Slimst dat men vindt,
            ’t Best vaak verwindt.

    Daar dien deftigen Ovidius dus op voort gaat:

        ’t Best raakt ligst in gierge handen,
        Al te deerelijk te schanden,
            Daar het erregst wel gesteldt,
            Lange reeks van Jaaren teldt.

[p. 206]
    Hier door siet gy dat hem ook dat deel van de geluksaligheyt gegunt is, waardoor hy vroeg, en by tydts, naa zyn meerder tal toetrekt. Voorwaar soo geluckig en mogen wy niet zyn, wiens leeven meenigmaal tot een vinnige straf uyt gerekt wordt; jaa de Gooden selfs, en is het niet gegunt, om haar te langduurigheyt van leven, te sterven als het haar belieft, volgens Virgilius getuygen:

        Wat doen de Goon met ’t eeuwig leeven?
        Waar toe is haar niet mee gegeeven
            Het sterven? daar zy meenigmaal,
            Meê lossen zouden haare quaal?

    So veel te geluckiger is den Uyl dan, die, als hy niet meer leven kan, dan gaat leggen sterven; laatende zyne vermaakelijke geest zyn kromme neb uytvliegen, sonder eenigsins op de Fortuyn te schelden, of te tieren, veel beeter zeeker, als sulke daar Virgilius van schryfdt:

        Die ’t sterreven wel eer te beurt viel, voor die hooge
        Trojaansche Wallen, en haar waarste Vaaders oogen.

    Dit dan nu tot daar en toe, Mijn Heeren, mits gy daar nu hebt, daar gy den Uyl naa vereyste waarde, met my meugdt houden in een treffelijke agting. Want ik sweer u by bewuster trouwe, dat de waardigheydt des Uyls de oorsaak is geweest, die my tot dit schryve porde: En heb ik dit vereysselijk nu in uwe gemoederen gevoordert verseker [p. 207] ik u, dat ik niet en wensch, dat ik den Fenix daar voor gepresen hadt. Ik heb wel weynig voor gebracht, maar ik hoop het selfde, hoe weynig het ook is, genog zal zyn by rechtmaatige Leesers, om zyn Lof ten hoogen top verheeven te houden. Want een Mans werk en is het niet alles gesien te hebben. Voorwaar dees Voogel heeft hier te Lande te kleyn een getal gunstelingen: Waar door het schyndt, dat, hoe iemant hem grootte lof toe schryfdt, hoe hy grooter haat, en nydt daar door op zyn hals reckendt, en hem heel helpt op quaader tongen te ryden, derhalven:

        Zijn deugdt most hem meer luysters geeven,
        Als al zyn gunstelingen teeven.

Tot slot:

        Wie wel verregt en doedt zyn dingen.
        Vindt staag genogsaam gunstelingen.

    Niet by het Graau, en onverstandigen hoop, maar by treffelijke Mannen, en die uwes gelijk zyn, die breyn in de kop hebben, en niet in de hielen: Want de konst en heeft geen vyandt, als de onverstandige. En het Graau (naa Ciceros seggen) neemdt weynig agt op de deugdt, maar veel op haar eygen meening en driften. Weshalven, eeven die selfde seydt, die hangdt alleen juyst aan het oor- [p. 208] deel van het plomp, en domme Graau, en moetmen voor geen treffelyk Man houden. Nu daar so

            Hoe u saaken gladder gaan,
            Hoe u dingen beeter staan,
            Zynde Luckig, Magtig, Rijk,
            Eedel, of iet diergelijk,
            Hoordt gy meest in billijkheydt,
            t’Agten al wat billijk leydt,
            Zoo gy wildt dat elk voortaan,
            U voor Vroom sal agten gaan.

    Hebt, en houdt dan den Uyl voortaan eerwaardelijk, en als gy hem gewrooken suldt hebben over alle smaalijkheydt, die men hem sou moogen aan doen, soo helpt my voorder zyn lof ten wydtsten uyt verbreyen:

Knikt my toe zoo ’t zoo zal gaan.
Dan neem ik u wenken aan.

    En schey dan daar mee gladt, en vlak:

U Y T.

Vaardt wel mijn liefste Uyl, vaardt wel zyn goede Heeren,
Met zulk een grootten eer zoo most men u vereeren.

Continue
[p. 209]

JEAN PASSERATS
Loff
van den
EEZEL.


DE Blyspeelen van Plautus waaren in haar tijdt, agtbaare toehoorders, soo bevalligh, en gevoechelyk, door haar eygen bysondere geestigheydt, die daar door heen zweefde, dat de Romeynse Gemeente daar nooyt een van wierdt voor gehouden, die sy eenichsins smaalyk aan saggen maar die altemaal met een ongeloofelyk handt-geklap staagh na juygde, sonder men het minste daar tegen hoorde morren, of dat door boerse lulle-pyp haar liefelycke toon dorst weerstreven. Nooyt kost binnen Roomen de Stadts-roeper het volk stilder op de Markt doen swygen, wanneer men eenige heerschunde zou af leesen, als zijn speelders van dat volk daar mee verwurven, als zy maar hoorden, dat die selfde een Schou- [p. 210] spel van die aardigen Baas souden vertoonen. Of dit voorhaalde nu geschiede, door zeecker Noodtlot dat den Hemel Plautus onweederstreevelijk toe hadt gevoegdt, dan of dit om de geestige kluchtigheyt die hy daar soo aardig in wilt te voegen, dus is geschiet, daar van zal ik mijn ghevoelen soo veer slechts seggen, dat ik meen, dat een schouspel dat soo volmaakt een Meester, als afgerecht speelder heeft gekreegen niet veel moeyten hoeft aan te wenden, om zijn toehoorders veel goedtgunstig gehoor, en volnoegen af te prachchen. Dit niet tegenstaande soo vrees ik, dat daar een smakelooze kluchtige aard sal komen, die myn voorneem uyt sal lachchen, dat ik van dat staatig schouspel van Amphitrio stappende, soo los en recht uyt stort, in dat Eezelachtige, my op den hals werpende het geen dat oude spreekwoordt, al lachchende seydt, dat ik van de Gooden, tot de Kooningen soo slordich wegh stapten, eeven als ik dat hier van het Paerdt op den Eezel doe. Nu wordt ik dan aangemaandt en geport, om myn schuldige plichts halven, dat ik dat al te gemeen, en ingeloopen Jan allemans praatje, daar den Eezel soo door verschoffeldt wordt, en vertreeden, klaarlijk bewijs, geheel loogenachtigh, en vals is, daar makkelijk genog reedenkavelende te wederleggen, dat soo veeler eeuwen der menschen hert en mee- [p. 211] nig hiel beset, het welk ik van veers kragtig genog doen sal: Hoe swaar het ook is een wortel, met een ruk, en bots gantsch uyt te roeyen, die zoo diep zyn tacken geschooten, en soo scheutvast is geworden: Doch hoe dit werk in der daat swaarder er valdt, hoe gy, myn toe-hoorders, daar naerstiger, en goedtgunstiger hoorde na te luysteren, en het zelve wenschelijk gehoor, te verleenen. Laat ons dan van die vraag beginnen, waarom die schryver, van dat spreekwoordt, of de vinder, en versiender, hy mach geweest zyn wie hy wil; want het is altoos in der daat een onaangeziene, en slordigen Schryver geweest, die heeft durven dryven, dat de Eesels al van het slechtste, en verachtste goedt was, dat daar uyt mocht koomen, en dat zy in geenderley deelen met de Paarden vergeleecken mochten werden. Laat ons nu eens zien, waarom doch; hoe naa om haar traagheyt? Ummers vindt men van dit zelfde slach in Indien, Syrien, en by de Revier Eufrates, die alsoo radt, en snel zyn, als men Dieren sou moogen wenschen, eeven als Eliaan, en Xenofon het selfde haare naakoomeling ter bester geheugen naagelaaten. Of souden zy dees veragting hebben getrocken van van haare krachts swackigheydt? Dat hier oover de Paarden zelfs, als Rechters saaten, souden zy ummers vonnis t’haarer [p. 212] voordeel vellen: En kosten die nu soo wel spreeken, als Achilles Paerde, by Homeerus deeden, souden zy graag en willig lof, en roemrijk van de Eesels spreeken, en van zelfs anders bekennen, en dat hierom, mits zy weeten moeten dat soo, het Eesels Saadt, met dat van den Merry niet wou schiften en brouwen, datter nooyt geen Muylen voort en souden koomen, dat de alderstarkste, en kragtigste Dieren zyn, die hals, of ruchtorsig vallen: Waar uyt, booven andere noch dees onheylen zouden volgen, dat de Artsen, als zy uyt Krank-besoeken moeten gaan, daar haar kompste op het spoedigste van nooden is, op haar eygen, en geen andere beenen daar nae toe souden moeten stappen, en dat men onder de Raadtsheeren, Rechts-voorspraaken, en des selfs besorgers veel voetgangers souden vinden, en ook dat die Maan-karren, die de Moolenaers voeren, de welke verscheyde Muylen te saam gespannen voort trecken souden thuys moeten blyven, tot geweldige schade der menschen, en verderffenis van veel graan, en meel. Of zyn sy te verachter om dat de Paerden tot soo treffelyk een krygsgereedtschap verstrecken, en dat de Eezels tot een Veldtslach, of diergelijk een kamp, slechtjes bequaam worden geacht? ik mach wel lyden, dat men dat seg, en win, dat de Paarden tot het menschelijk verderf seer veel, [p. 213] maar de Eezels niet en deugen, maar weder om beter sijn in voorspoedt, en tot voortset van vrye, en vreede konsten soo te bouwen, als te behouwen: Hier by hebt ghy, dit onder de Paerden, dat daer verscheyde zeer hert, en ongevoelyk van bek zyn, steygeren, en holziek, schigtich voor de minste windt of schaduw, bytende, Ruyter versmytende, en achter-uytslaande: van welcke vuyle ghebreken niemandt seggen kan de Eezels swanger gaan. Weshalven die groote moeder, het zy dat Cybele zy geweest, of Ceres, of dat zy liever met een andere naam wil proncken, ghebruykte, soo wel voor haar, als hare dienst staag aan Eezels, sonder zy eenichsins met Paerden wil te doen hebben: Hier slae ik Silenus noch over, die nergens anders als op een Eezel rydt; Nu is het tydt dat ik ook tot u kom, waar van de Poëten aldus op zingen:

        Die eerst ’t Bit-knaauwent Paart de aarde uyt ging braken,
        Doe u drytande vork een log daar in gong maken.

    Ummers laat gy op uwen Feestdag, de Eesels niet minder als de Paerden met aaneengenaayde of saam gevlogte Bloem-kransen, en Ruyckers-kroonen, behangen, hoewel uwe zinnelijkheden meer hellen tot de Paerden. En dees eer en wordt niet onverdiendt den Eesel beweesen, die door soo [p. 214] veel, en groote moeyt’, en arrebeydt gebruykt wordt, tot ongemeen, nut, en oorbaar voor des menschen leeven, en onder houdt: Want dat Dier is het, die uyt dat Saadt dat hy te vooren heeft bemest, beploegdt, en belegt, de vergaaderde kooren schooren daar naa, te schuure waart, torst, alwaar het gedorst, en gewandt zynde, brengdt het naa de Moolen, en van daar na de Backery tot hy ten laatste, tot wenschelijk broodt zynde gemaakt, het weederom zyn Meester t’huys brengdt: Virgilius mag seeker wel opsingen:

        Te mets zal d’Eeseldryver gaan,
        Zyn leume Eesel ooverlaan,
        Met Ooly, Ooft, of anders wat,
        Het geen hy graag had in de Stadt,
        Waar van hy nooyt die t’huys meer leydt,
        Sonder verscheyde waarigheydt,
        Van yzer, steen, of zullek goedt,
        Dat arrem beest schier barsten doedt.

    Terwijl ik lag te staaren op dees heevige moeyelijkheen, die dit aldereelendigste viervoetig Dier uyt moet staan, schoot my in de sin, niet sonder grootte, en recht maatige hertewee, en barmhertigheyt, het geen ik van den Koonink Ptolomeeus wel eer hadt geleezen, aan welk als Heraklides van Lycien eens een Boek op hadt geoffert, dat hy genoemde hadt Ponou Enkomion, dat is het Lof des Arbeydt op het Grieks te seggen, [p. 215] ging den Koonink met een geestige heusheydt heen, en deê de eerste letter uyt, waar door daar slechts bleef Onou Enkomion, dat op die taal soo veel te seggen was, als het Lof van den Eezel, waar meede die schrandere Prins te kennen geeven wilde die deugdt, daar wy doorlugtig meede worden, in het verdraagen, en versetten van veelderley arrebeydt, en moeyten; waar van den Eesel zig wel te deeg met recht mocht beroemen. Wat sal ik nu van zyn maatigheydt, en zuynigheydt zeggen? Als hy nu verscheyde grouwelijke moeyelijkheen is oover en ten eynde gekoomen, daar zelfs Herkules naau teegen op scheen gewassen, naau selfs in de nagt heylig avondt krygen de, wordt ten deure uyt hier meede onder den guur, en Blaauwen-heemel weg gejaagt, daar hy dan schier niet en eet, als Dystelen, en Doornen, Liesen, en Biesen, te vreeden blyvende met sulke drooge; en wrange kost: Waar by men nu mackelijk mag voegen om zyn lieve lijdtsaamheydts halven, zyn byzondere suynigheydt, en spaarsaamheydt, hoewel daar tot noch toe niet, of weynig van in de Wysgeeren haare Schoolen is geleerdt, en geleesen, schoon daar alderley deugden verhandeldt worden. Uyt dees suynigheydt haaldt hy overvloedige vruchten, en nuttigheen, aangezien hy laater komdt te sterven, als veel andere [p. 216] Dieren, en zeer selden in eenige bysondere Siekten vervaldt, daar gestaadig deerlijk mee gequeldt zyn onse Garneel-snoepers, soute Scholvreeters, Ansiovis, Kaviaart-kaauwers, Oester-slickers, en diergelijke slokoppe, en de Buycken Vrienden, die, als Plinjaanse Swynen, haar Zielen voor sout schynen gekreegen te hebben, op dat zy by haar leevendig lijf niet weg en rotten: Of men mocht hier voor op lockery, en brassery reekenen datmen den Eezel eens op wat Vygen zag verslingerdt: Doch doe men dat sag, was het veel minder niet, als spook, of Mirakel werk, dat om zyn geweldige wonderlijkheydt een te onmaatige Lach veroorsaakte, in welke al te onmaatigen lag den Blyschou Schryver, of Speelder Philemon stikte, en sturf, met een bots op zyn onverzienste wech, naa men dat verhaaldt. Wat die deugdt belangdt, daar men ieder het zyne mee geeft, en door de heerlijke getuygenissen der Geleerden gesteldt wort tot Kooninginnen alder deuchden, de Rechtvaerdigheydt wil ik zeggen, die zyn krachten luyster braldt booven al in den Eesel: want hy is het, die nooyt zyn mondt aan andermans Voer sal setten, en is hier en booven, nut en oorbaar voor ieder, en beschaadigt niemandt. In zyn Godtsdienst valdt hy soo overtreffelijk, dat hy voornaamentlijk der Gooden Offer toe is [p. 217] gewijdt om zyn Godsplichtheydts halven, als meede om die heyligheydt, die wonderlijk in zyne teykenen zitten, die hem gestaadig versellen: Om zyn soo uytsteekende, als wel geleekene trou aan zyne Heere, laat men hem sonder opzigter onvoordacht heen wandelen, men sluyt hem in geen gevange kotten, noch men bekneldt hem met geen boeyens: Daar men noodtvereyselijk het Paardt alsoo erg in moet bewaaren, en gaade slaan, of het een vluchtsiekte slaaf was; om dat het selfder slechts by nacht, en dach op zyn luymen leydt, om het Haase padt te moogen kiesen, het welk so hem gelukt, gaat hy eeveneens aan met zyn dartel, en baldaadig huppelen, en springen, of het dol, en uytgelaaten was, wel Ennius dus aardig beschryfdt:

        Hy eeveneens als Paardt het maakt,
        Dat van zyn Krebb’ is afgeraakt,
        Door het zyn helster ging aan stucken,
        Met een te euvlen moede rucken;
        En daar door langs het ruyme Veldt,
        Op ’t loopen het, en rennen steldt,
        Terwijl hy borst, en maan gaat heffen,
        En dat door heetter moede teffe,
        Het witte schuym ten monde uyt,
        En snuytende neusgaaten spruyt.

    De hertelijke liefde, die de Eezels haare Jongen toe draagen, mach men recht met de aldergrootste Lofreeden uyt brommen; [p. 218] want door het midden van het vuur, en brandt sullen zy heen loopen, om die self de uyt eenig gevaar te helpen, en valt de Moederlijke liefde soo onversettelijk, dat zy door geen hette te weeren en is: Veel veerder is het noch buyten haar gebannen, dat zy die Vroulieden, haar schelmsen, en goddeloosen aardt zullen volgen, en die onlydelijke daaden eenigsins naa koomen, waar door die te mets haare ontsangen vrugt weederom af gaau dryven; Om hier niet vervloekter, te spreeken, daar myn Ziel van eyst, als die daar slechts, om denkt. Ik weet wel, dat daar nog al eenige sullen koomen, die teegen ons sullen durven in leggen, dat de Eesels geheel onbequaam zyn om eenige konsten te leeren, en tegen ons hier over te Velde trecken met een deel Waapentuyg dat zy by de straat op raapen, en haar een deel snottige jongens, of druypneusige ouwe dutters beschaften, volgens haar oude reevelkal:

        Weg met den Eezel aan den Lier,
        Aan Lulle-pijp met ’t lompe Dier.

    Met meer sulke malle Jans klap, en beuselpraat. Ik heb seeker een groot leetweesen met diergelijke luyden, die niet en letten, noch sien hoe laelijk zy loopen, en vervallen in die oopenbaare zonde van zottigheydt, daar zy een ander mee soeken te [p. 219] bekladden, terwyl zy aankoomen om des Eezels braave wyse voorsigtigheydt om te kanten, en, als men seydt, heel in de as te wentelen, en dat door een deel veel te ligte praatjes, en getuygenissen van het Gek, en Neske Haremmenus. Doch laat ons, het zy dan wat het wil, het selfde eens voor vuylnis wegspoelen: zy willen, naa schyn, met dit voorgaande seggen, dat een Eesel noch met gesnor van de Lier, noch het getielp van de Fluyt eenigsins is te bekooren. Wel laat dat alsoo weesen. Vooreerst reeckendt men vry slechtjes heen, dat Themistokles geweldig in zyn schik was met de Lier: En dat die dapperste Soon van Jupiter, die Linus, de welke een onnaavolgelijk Meesterin de konst was, en gekoomen om hem het selfde te leeren, met de Kam daar af, doodt smeet, en is om de gloory van die heerlijke daadt niet minder geroemdt, als die eersten, waar en teegen hy al dat mal, en snorrende geluydt niet als voor eygen ydelheydt reekende. Aangaande nu de Lulle-pijp, of Fluyt, of zulk een ding, hier van zyn twee dingen, daar wy ons braaf mee kunnen beschermen. Het eerste is dat de oovertreffelijke daar van, van Eezels beenen, en schonken worden gemaakt; weshalven men die smaadelijke veragting, of lompe onweetentheydt niet te hoonelijk die leevendig aan moet smeeren, wiens [p. 220] uytsteekenste stof die selfs door zyn doodt verschaft. Ten tweeden, soo de Eesels de Lullepijp en Fluyt al luttikjes achten, dat zy daar oover verschoont, en beschroomt kunnen worden door het byzonder voorbeeldt van die Godinne, de welke die selfde geheel teegen de borst stiet, volgens Propertius Deun:

        Nooyt Pallas hiel van ’t smodder becken,
        Dat men van Lullepijp gaat trecken.

    Soo nu iemant moochelijk niet en weet, dat een Eezel wel te deeg begaafdt is, met een wondere scherpheit van vernuft, en met een gaauwe swier van geest; die en weet met een niet dat hy wel eer was de meede-Leerling van die twee oovergeleerde Mannen, te weeten, van Origines, en Porfyrio; oock dat hy het eerste den Wyngaardt-snoeyer, het Wyngaardt snoeyen wel eer leerde, doe hy den Daadel-boom van zyn oovertollig, en onnut houdt door zyn knabbelen zoo beroofden, dat die wel weeliger en nutbaarder daar naa uytschoot; weshalven men te Nanplia ter dankbaare geheugen voor de Naakoomelingen een Steenen Eezel op wierdt gerecht; en om dees reeden was het ook, waarom men te Roomen aan de stoel-beugels, en grootte zit banken soodaanig Loofwerk tot çierraadt maakten, daar den Wyngaardt-rank opstondt afge- [p. 221] beeldt, die verscheyde Eesels-koppen omstrengelde, en vast hiel: Waar en booven haar Bachchus ’t zyner trou, en bescherming aan nam. Selfs placht men Apollo niet liever, noch aangenaamer te offeren, als een Eesel, weshalven Kallymachus opsingdt:

        Als men zou Phebus offren gaan
        Most daar dien zeedgen Eezel aan.

    Niet door een ingenoomen haat, en pik, de welke Febus dat dier toe droeg, eeven als Ceeres het Varken, en Bachchus de Geyt; maar worden om haare bysondere bevalligheydt hem geoffert, eeven als Juno de Paauwen, en Venus de Duyven. Den Eezel seg ik, is al een van de alderliefste, en waardtste Dieren die de Gooden hebben, en onder alle voorspoeken en is daar geen geluckiger, en blyhartiger, als die men met recht mach neemen uyt het ontmoeten van den Eezel, volgens dat so besteete woort van Aristofanus ’t geen hy daar op laat speelen: ῎ονοσ ῎ορνισ.
    Doch dien Eezel, die Kajus Marines wel eer ontmoette wanneer de algemeene zaaken der Romeynen in een hooploose standt scheenen vervoert, doen gaf een enkele, en vaste moedt tot’s Landts welvaren, wanneer dees selve te Minturne was in de behoeding van Fannia. De tweede wis, en sekere getuygen hier af is dien anderen Eezel, die met zynen dryver Eutychus met alle Lof-digten vereert wiert, de welke Augustus ontmoetende soo [p. 222] als hy naa zyn slagvaerdig Heyr trok, om daar zynen Vyandt meede te keer te gaan, hem een wis, en seeker teyke toe spelde van die Leeger-zeegen die hy ter selver tijdt teegen Anthonius verkreeg. Den Eesel hier meede aldus verlost zynde van veel, verscheyde, en onlydelijke smaalijkheen die men hem op den hals storte, hout men eevenwel onder het Graau by zyn ooren vast, wiens ongemeene grootte van dat Kanaalje door de bank teegen reeden, en regt wordt uytgeschoffeldt, en bespot, daar men die zelfde in de Haasen met geen gedachten berispen gaat. Daar heb ik nu met een vaert al gevonden, het geen hier treffelijk tegen kan brommen: te weeten, dat men in een Eezel dat voor schande en mistandt reeckendt, het geen verscheyde Wereldt-beschryvers, sommige gheheele Lands-aarden als eygen toe schrijven, jaa zelfs in de Schijten durven roemen, zoo wel tot des zelfs cieraadt, als nuttigheyt, wiens ooren zoo hoogh, en breedt, staan uyt ghespannen, dat men daar mackelijck een geheel menschen lichaam mee zou kunnen bedecken: hierom mochtmen wel te deeg met dien kluchtighen Poëet uyt-schreeuwen:

        Wie of tegenwoordigh leeft,
        Die geen Eezels-ooren heeft.

[p. 223]
    Ten waar het soeter quam, dien wranger, en sommerder Satyrdigter dus zagtjes nae te deunen.

        Wie of doch onder wijze menschen,
        Om Eezels-ooren niet sou wenschen.

    Door dien wy de Griekse schriften overtreffelijk leesen, dat geen Dier, behalven den enkele Muys alleen met scherper gehoor en is begiftigdt, als dit selve de Natuur schonk; om welkers klaarder uytleg men hier gevoechelijk moet aan den dag brengen, het geen de Poeeten soo digt, en donker in de luyeren van haare Fabulen gewonden hebben, en houden, te weeten, waarom zy doch verdichten dat den Koonink van Frygien Midas Eezels ooren hadt. In dees swagtels leyt dit geheym gewonde. Dees Midas was een die vast en seeker wist, wat al zyn Hoovelingen, en Onderdaanen zeyden, of deeden, weshalven hy met goevoordagten raadt, en wyse voorlichtigheydt zyn staat, en saaken soodaanigh stelden, dat zyn Ryk hier door een van de welvaarentste, en geluksaaligste des Weereldts was: Waar uyt dit volgende gerugt ontspronk en hem na klonk, dat alles wat hy met handen slegts aanraakte, daar mede in hert, en stijf Goudt gingh veranderen. Hier en boven en vindt ik nergens yet verhaalt of geschreven dat onsen Eezel eenigsins kan hin- [p. 224] deren of schaaden, als alleen die haatagtighe naam die soo slordig door het Populas haar bakhuysen swerfdt: Wie die selfde wat te schel, schor, dof, of ’t onsmaakelijck ter ooren in vliegdt, laat die dog eens bedenken, hoe in die Reusen-strijdt, de welke die onbeschofte teegen de Gooden dorsten soo waagen, dat hier het Gooden heyr al aan het schoor voeten geraakten, dat hier Sileenus Eezel niet alleen te schempigh om lachte, maar alhier alles zoo daanigh, en treffelijck klaarden, dat de gantsche verwarde, en verdurve zaak weederom geheel in zijn rechte slag geraakten, aangezien hy zyn yselijcke, en donderende stem soo begost op te steeken, dat de Reuzen hier door soo verschrickten, dat zy doe heel aan het vluchten geraakten: soo dat Jupiter doe meer nuts, en heyls uyt het enkel Eezels hunnikken trok, als uyt zyn Egis Rondt-das, en al verniellende Blixem: weshalven als de Fiktoory nu behouden was, sonder men daar meer naa hoefden om te sien, stelden Jupiter den Eezel, die sich soo oovertreffelijk voor hem, en al de Gooden hadt gedraagen, mee onder het vaste gestarnte des Heemels. Dit aldus zynde, mijn toehoorders, bidt ik U. L. dat sich doch niemandt en wil ontstellen, soo men hem een Eezel noem te zijn, of dat altoos niet anders als Kle- [p. 225] anthes wel eer dee, die als hy van een deel schent-brocken voor een Eezel uyt wierdt gescholden, soo antwoorden hy met een seedigheydt, dat hy niet sien en kost, dat dat die naam hem eenige schaade, of schande aan kost brengen, hy was een Eezel, liet hy doorgaan maar een sulke, die mackelijk het pak van Zenon draagen kost. Het sou hier te lang vallen al de Romeynse Jaar-boeken op te slaan, en daar uyt te haalen dat heerlijck Burgermeesters geslagt dat van de Eezeltjes by wierdt genoemdt, dat Schouten-geslacht dat dus naa de Eezellinnen heeten, of die braave Histoory-schryvers Eezellio Vinnius Eezellinne, Gallus den Eezelige, Dento den Eezelaardige, en Pollio den Eezelagtige, wiens oover oudt geslacht oovereeuwendt heel aadelagtig dees naam bleef aankleevende.
    Om dat alles in maatte bestaat, moet men in dit Eezels Lof daar ook niet buyten springen, om onder haar oovervloedigheyt niet te sticken, of men zou ons eer voor klappers, als reedenaars moogen tellen, die gy Lieden daar voor te gunstelijk, en aandagtig aan hebt gehoort: Want dat licht van welspreekentheyt, jaa des selfs Godt zou men by naast moogen seggen, die uytsteeckende Dimostheenes kost den Eezels schaaduw alleen wee- [p. 226] derom ten Reedenvoerende stoel in brengen, als hy om die selve daar uyt was ghetreden, sig soo tot den Eezel als voorsekerste Wagenborgh keerende, als die overtreffelijksten Redenvoerder zag hoe flaauw, slap, en verworpen de Atheniensers hare gemoederen lagen in luysteren na zijne soo heylsame reedenen, waar toe hy die selfde op geen andere, als voorhaalde wijse toe en kost krygen. Daar hebt ghy nu een Reedeneering, soo ghy de bekrompentheyds van tijdt aan wild sien daar wy in geparst staan, daar mede langh, en groot genoegh sal zijn: dog daar by te kort wederom, zoo ghy, na het verdrijven der ydeler meyning van al dat lomp en domme graauw, regt acht wildt nemen op de bysondere waardigheydt van dees zaak zelfs, daar het wel oorbaar, en vereysselijk sou toe zijn, dat mannen van treffelijke verstandt, en die het lang gebruyk, en ervarentheyt ten vollen afgeregt gemaakt, al haare kracht van welspreekentheyt toe gingen besteeden Maar om dat wy noch geleerdtheydt, noch ervaarentheydt, noch vloeyentheydt van stijl oover hebben, hebben wy dees heele zaak wat slecht, en slordigjes maar voorgesteldt, volgens haare vereyste rechte waardigheydt, die blijfdt genoch met soo gering een stijl was: Soo nu die zelfde een ander onderhanden wil neemen,om die wat çierlijker op te tooyen, [p. 227] zullen wy dat selfde hem geensins benyden, maar hem van herten gaaren gunne, dat hy het selfde niet alleen met meerder optooy voorstel, maar op het pronkenste met friezeerysers krul, strik, en bequik. Wy vernoegen ons met de wech geopendt, en gebaandt te hebben, op dat wy aldus te gevoechelijker souden koomen, tot dat Blyspel van Plautus, dat van de Eesels by zynde genaamdt, Plauti Asinaria, dat is: Plautus Eeselagtig spel, geheeten wordt, waar meede voor dees reys

UYT.

Continue

Tekstkritiek:

deel 3, p. 158 regeerde er staat: regeede