Adriaan Bastiaenszoon de Leeuw: De vryer-zieke vryster, of ’t huwelik van niet. Amsterdam, 1662.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
CenetonFacsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
fol. A1r]

De Vryer-zieke

VRYSTER

OF

’t HUWELIK

VAN NIET,


KLUCHTSPEL.

Door ADRIAAN LEEUW.

Vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburgh.

[Vignet: Perseveranter]

t’Amsterdam, By Jacob Lescaille, Boekverkoper op de
Middeldam, in ’t jaar 1662.



[fol. A1v: blanco]
[fol. A2r]

Aan den Ed. Heer

PIETER DE GRAAF,

JONGKHEER

VAN ZUID-POLSBROEK, &c.

MYn Heer! ik weet gy zijt een van Apolloos vrinden,
    Dies offer ik aan u dit Huwelik van Niet.
    Gevalt het u, dat gy ’t eens door en door beziet,
Gy zult ’er (zo ik meen) geen slechte Niet in vinden.


(5) Dit Klucht-spel wierdt in Frans van vele Konst-gezinden
    Zo wonderlik geroemt, dat ik ’ t my zelven riedt
    Te brengen in het Duits. Zo my nu d’eer geschiet
(Mits ik ’t vertalen my heb derven onderwinden)

    Dat u dit Huwelik van Niet maar iet vermaakt,

    (10) Zo heb ik dan mijn wit, daar ik naar doel, geraakt,
En acht geen tijdt verzuimt, die ik hier aan besteden:

    Dewijl ’t op ons Toneel meer luister hebben zal,
    Wanneer Uw Achtbaarheit, ter Schouwburg, by geval,
Het bywoont, en bestraalt met Uw genegentheden.


Uw’ Ed.
zeer-ootmoedige gehoor-
zaamste dienaar
Den VI van Hoy-
maant, 1662.
A. LEEUW.



[fol. A2v]

IET op NIET

NIet leert Niet: dus hoort men spreken:
Doch dat is maar yd’le waan;
Want de LEEUW die wijst ons aan,
Dat in Niet ook Iet kan steken.
(5) Dit zal Niet door Iet beweren
Die, in ’t Frans eerst opgequeekt,
Nu in Duits op maatzang spreekt,
’t Geen de LEEUW hem heeft doen leren.
Is, door rijmen, en vertalen,
(10) Nu een Lauwerkrans te halen,
Zo is’t hier aan Niet geschiedt.
Ider oordeel’ die Niet ziet.
E. I.



PERSONAADJEN.

                Heere.
                Beatris.
                Izabelle.
                Dokter.
                Poët.
                Schilder.
                Zanger.
                Krijgsman.
                Starrekijker.


    Het Kluchtspel begint vroeg in de voormiddag, en
speelt achter-een-volgende voor en in’t huis van den
Dokter.
Continue
[
fol. A3r]

De Vryer-zieke Vrijster,

OF

’t Huwelik van Niet.

EERSTE TONEEL.

Heere.
DEn morgenstond is lang gekomen,
En ik en heb noch niet vernomen
Die geen die hier tans wezen zou;
Want deze trage Staat-juffrouw
(5) Mijn zorg zal einden of doen groejen.
Ik zou die Dienst-meidt schier verfoejen,
Mijn zinnen zijn heel buiten schik.
Zy moest my, in dit ogenblik,
Berichten, hoe ik my best nader
(10) In kennis brachte by de vader:
Om die, wiens grote schat en goet
My meer behaagt dan ’t lichaam doet.
Wanneer als ik dit zo gebrouwt,,*heb,
Dat ik dit eenig kindt getrouwt,, heb,
(15) Zo werd’ ik, van behoeftig, rijk;
Want die geen geldt en heeft, als slijk,
In dezen tijdt, daar wy in leven,
Werdt nergens lof noch eer gegeven;
Ja, die dat niet en heeft is mal.
(20) Beatris komt.



[fol. A3v]

TWEDE TONEEL.

Heere. Beatris.

Heere.
HOe is ’et al?
Zoudt gy nu haast gelegentheden,
Voor my, om inden echt te treden,
Door uw behulpzaamheit, vermoên?
Beatris.
Voorwaar, ik ken nu niet meer doen.
(25) De dochter mist byna haar zinnen
Om dat de vader, onder ’t minnen,
Op yder vryer, tot ’er leet,
Staâg dit of dat te zeggen weet.
De grootste gek, daarz’ aan zal raken,
(30) Geloof ik vast, is noch te maken:
En dat hy haar, zo lang hy leeft,
Zijn leven aan geen vryer geeft;
Uit vrees, dat dit zijn beurs zou krenken.
Dit ’s d’oorzaak, moogt gy vry’lik denken,
(35) Dat ik voor u niet meer vermag.
Heere.
Wat ben ik ongelukkig, ach!
Zal ik, door uw geslepe zinnen,
’t Hert noit van mijn Meestresse winnen?
Beatris.
Geloof my, ’k weet wel, van nu an,
(40) Dat u mijn hulp niet helpen kan.
Ik zie voor u geen ander open,
Als op de vaders gunst te hopen:
Als die daar in verwilgt, voor al
Weet ik dat zy wel willen zal.
[fol. A4r]
(45) Ook zou ik wis en zeker houwen,
Zo hy ze niet zeer haast laat trouwen,
Haar sterven gaat een wisse gang.
Zy schreit gehele nachten lang.
My staat te vrezen en te schromen
(50) Dit huisgezin zal ramp opkomen,
Mits dat de vader met ’er vaardt
De dochter brengt ten gravewaart.
Vaar wel, ik hoor den Dokter komen.
Heere.
Hoe! zonder dat ik heb vernomen
(55) Van u een woordt van raadt of daadt?
Beatris.
Gaat heen, gaat by uw zelf te raadt.
Bedenkt met loze listigheden,
Eer gy hem voor ’t gezicht komt treden,
Een konst die mangel heeft noch vlek.
(60) Zo gy hem met een aafsche trek,
Vol aardigheden, kunt belezen,
Gewis, gy zult zijn zwager wezen.
Heere.
’k Ga dan verzieren iets ter yl.
Maar houdt mijn woordt noch midlerwijl.



DERDE TONEEL.

Dokter. Izabelle.

Izabelle.
(65) ZO hoorik, wilt gy dan, mijn vader,
Dat ik mijn sterfdag haastig nader,
En dat ik nimmermeer en trouw?
[fol. A4v]
Dokter.
’k Wil weten waar ik my aan houw.
Izabelle.
Wat vryers u hun dienst opdragen,
(70) Niet een van al kan u behagen.
Dokter.
Gy, die uw smert en hertenleet
Tot op de grondt t’ontdekken weet,
Weet ook wel, dat gy niet kunt paren,
Zo ’t luk heur niet wil openbaren.
(75) En weet gy, dat dit zo geschiedt,
Zeg, waarom maakt gy dan verdriet?
Doch, zonder ’t luk eens te bedillen;
De twistkrakeelen en verschillen
Die met het huw’lik zijn verzelt,
(80) Ontraden ’t my ook met geweldt.
Al de geleerde groote mannen
In dit gevoelen t’zamen spannen,
En prijzen, in den hoogsten graat,
Den reinen maagdeliken staat.
(85) Wat helpen hier veel wijze reden?
Hoort Socrates dit stuk ontleden.
Hy zeidt: die zich tot trouwen,, geeft,
Zijn vroeg of laat berouwen,, heeft.
Izabelle.
Heeft hem zijn lust niet zelfs doen trouwen?
(90) Men zal ’t ons dan ten goeden houwen.
Den twistkrakeel, die ’t huw’lik geeft,
Weêr duizendt zoetigheden heeft.
Dokter.
Hoe! konnen de geleerde lieden
Den twist in ’t huw’lik niet ontvlieden,
[fol. A5r]
(95) Waar vindt men dan die zoetigheit?
Izabelle.
By den Soldaat.
Dokter.
                        Vol onbescheidt.
Izabelle.
Den Storyschrijver.
Dokter.
                                Vol onwaarheit.
Izabelle.
Den Overzetter.
Dokter.
                          Vol onklaarheit.
Izabelle.
Den Edelman.
Dokter.
                        Vol schimp en smaadt.
Izabelle.
(100) Den Rechter.
Dokter.
                              Vol van stuurs gelaat.
Izabelle.
Den Rader.
Dokter.
                    Vol van toveryen.
Izabelle.
Den Dichter.
Dokter.
                    Vol van razernyen.
Izabelle.
Maar nu den Redenrijker dan?
[fol. A5v]
Dokter.
Een vleyer van Jan alleman.
(105) Een man van Staat een wetten gever.
Den Huichelaar een eenzaam lever.
Den zwarten Konst’naar vuil en snô,
Den Starrekijker even zo.
Den Apoteker een vergifter.
(110) Den Philozooph, een muggezifter.
Den Koopman is een woekeraar.
Den Medicijn een moordenaar.
Den Avocaat zal zijn meinedig.
Den Jager noit, door bloedtdorst, ledig.
(115) Den Alchimist een schijngedrocht.
Izabelle.
Wien hebt gy my dan toegedocht?
Een ouden?
Dokter.
                    Die is gierig, smalik,
Argwanig, onbequaam, ongalik.
Izabelle.
Een jongen, zijnde hups en fijn?
Dokter.
(120) Dat zal niet als een loshooft zijn.
In ’t kort: wat vryers hier genaken,
Ik zal ze wis al t’zamen wraken.
Izabelle.
Maar, of m’er eind’lik zo een vondt
Die gy met recht niet wraken kond,
(125) Zoudt gy hem schatten als een bengel?
Dokter.
Ik zweer by mijn bescherrem-Engel,
En by de wonder-grote Schaar
[fol. A6r]
Van ons Doktoren allegaâr,
Ja, by ’t verstandt zelfvan dien vromen
(130) Daar ik mijn oorspronk heb bekomen,
Komt heden hier alzulken man,
Gy zult met hem verzamen dan.
Licht komt hy daar al aangetreden.



VIERDE TONEEL.

Poët. Dokter. Izabelle.

Poët.
VErlokt, door zo veel godd’likheden,
(135) Als in uw dochter zijn te zien
Kom ik mijn diensten u aanbiên:
Verzoek ook, dat gy my daar neven
De naam wilt van uw zwager geven.
Dokter.
Zie hier het deel, daar gy naar haakt.
Izabelle.
(140) Die man zal niet wel zijn gemaakt.
Des, om dat ik niet heb te vrezen
Dat ik met hem de bruidt zal wezen,
En zeidt mijn hert noch niet als, neen!
Dokter.
Wat is uw konst?
Poët.
                            Daar zijnder geen,
(145) Of wenig, die door deze wegen,
Zo schonen buit, als ik, verkregen.
Ik zal gelukkig zijn, gewis.
Dokter.
Wel aan, zeg op dan, wat het is.
[fol. A6v]
Poët.
Die is zo edel, en zo treff’lik;
(150) Zo zeer bekoorlik, en verheff’lik;
Zo vol van waardigheit, en lof;
Zo vol van aardigheit, en stof,
Dat ik met haar my kan vercieren:
Als zijnde godd’lik in manieren.
Dokter.
(155) Heur naam? heur naam?
Poët.
                                            Die werdt gezeidt
Met recht te zijn Onledigheit:
Die ik gebruik naar mijn behagen,
Of zo mijn rijmkonst best wil slagen,
Om die te zetten in heur kracht:
(160) Want heur voortreff’likheit, en macht,
Kan ik, als heuren Prins, ontleden.
In onze wijdtvermaarde Steden,
Zijn dikwijls opgerecht geweest,
Met vlijtig’ arbeidtzamen geest,
(165) Gebouwselen der Schouwtonelen:
Om yders oren daar te strelen
Met deze konst zo hoog geacht,
Ja, ons van boven toegebracht.
Dat zelfs de Wijsheit-zucht, daar neffens
(170) De Zangkonst, Starrekonst, ja teffens
Geen konsten, hoog en waardt geschat,
Oit hebben zulken eer gehadt,
Als de Poëten, in hun gangen,
Op ’t midden van de straat, ontfangen.
(175) D’Orak’len voormaals, hoog verlicht,
Antwoorden vaak met rijm-gedicht.
[fol. A7r]
De blond’ Apollo zingt staâg rijmen,
Die naar zijn godd’likheden zwijmen;
Ook wel de rest van ’t Godental.
(180) De negen Muzen, overal,
Zijn van ’t geleerde volk, met reden,
Gelijk als heilig aangebeden.
Maar, nademaal gy heel wel weet
Heur luister, hier van my verbreedt,
(185) Kom ik vergeefs heur godd’lik roemen,
En heur voortrefflikheit u noemen.
En ben verzekert, van nu aan,
Dat gy mijn liefde toe zult staan.
Dokter.
Derhalven, mits gy een Poët,, zijt,
(190) Die zich hier maakt een hopen zweet,, quijt,
Schat gy uw zaak gelukt zo dra.
De Vaarzen zijn gestichtzaam, ja!
Maar zo haar de Poëten spreken,
Zo zijnze valsch, en vol gebreken:
(195) Dat tuigt ons uw vermetelheit.
Poët.
De konst daar ik van heb gezeidt.....
Dokter.
Is uitgevonden om te liegen,
En tot verschalken en bedriegen.
Z’is, werwaarts dat men heur gehengt,
(200) Meer dood’lik, dan zy nut aanbrengt.
Zy is, al schat gy heur van waarden,
De schadelikste konst op aarden.
Poët.
Weet.....
[fol. A7v]
Dokter.
            Z’ is ook al, van ouden tijdt,
Door de Poëten ’t aanzien quijt;
(205) Mits al de leugens die zy zweten.
Waarom men zeidt van de Poëten:
Zy waren voortijds, en zy zijn,
* Semper mendacia fingunt.        * Leugen-dichters
                                                                      voor en na.

Poët.
Maar hoor toch hoe het met heur lot,, leit...
Dokter.
(210) Het is ter oorzaak van heur zotheit,
Wanneer men veeltijdts van heur zeidt:
* Pictoribus atque Poëtis
Quidlibet audendi semper fuit aequa potestas.

* De Schilders en
Poëten mogen

altijdt doen wat
zy willen.
Poët.
Om dat....
Dokter.
                Die van Athenen, en
(215) Die van Lacedemoniën,
Voor henen deze pest verbandden,
Als dodelik voor alle Landen;
Bybrengende, met grote reên,
Hoe d’ondeugdt niet behoort geleên,
(220) Daar eenvoudt, vromigheit, en waarheit,
Vertonen haar volmaakte klaarheit.
Men moet zijn zonder listigheit;    * De waarheit heeft
* Verum non indiget arte.                 geen list van doen.
Poët.
Gy wordt in’t horen langs hoe trager.
Dokter.
(225) Ik neem geen gek aan tot mijn zwager.
[fol. A8r]
Poët.
Mits deze man zo bijster smaalt
Op deze konst, daar niets aan faalt,
Is hy onwaardig ook mits dezen,
Dat hy mijn schoonvaâr zoude wezen.            binnen.
Dokter.
(230) Ja wel!
Izabelle.
                      Het dunkt my nodig, dat
Die man wat opgesloten zat.
Maar, zo gy ’t eens wilt overleggen.
Mits deze vryer af te zeggen,
Het raakt u meerder, dan ’t my raakt.
(235) Hy hadde t’uwen dienst gemaakt,
Op levenden, als ook op doden,
Sonnetten, Graf-dichten en Oden;
Opschriften, Anagrammen, en
Noch meer dat ik niet noemen ken.
(240) Ja, ’t geen uw ziel behoort te raken,
Hy hadt ons Lijk-zang mogen maken.
Dokter.
Dat zy daar meê zo’t wil, zo’t kan.
Hier nadert ons een ander man,
Die is voor u, dan moogt gy trouwen.
Izabelle.
(245) Ik vrees gy zult uw woordt niet houwen.



[fol. A8v]

VYFDE TONEEL.

Schilder. Dokter. Izabelle.

Schilder.
Derf ik wel hopen, en vermoên
Dat gy my zo veel eer zult doen,
Dat gy my zult uw dochter langen,
En in uw huisgezin ontfangen?
Dokter.
(250) ’t Kan wezen, wat zijt gy voor een?
Schilder.
Ik ben de vinder van al ’t geen
De naam draagt van verzierde werken,
Te zien in huizen, hoven, kerken.
Daar is niets of ik aap het na.
(255) Ik woon in mijn schildryen, ja!
Zo ik ’et alles kon doen leven,
Wat ik gestalte heb gegeven,
’k Wedd’ ik Natuur de loef af stak.
Dokter.
Dat kon wel wezen, met gemak;
(260) Men hadd’ alleen’lik maar te letten,
U in een vles te pronk te zetten.
Schilder.
Van zo veel werken zonder tal,
Als zich vertonen overal,
En zijnder geen op aardt te vynen,
(265) Die ’k door mijn konst niet doe verschijnen,
Waar in dat ik de meester speel.
’k Maal aangezichten, door ’t penceel,
Die voor de werelt zijn een wonder.
Ik maal den blixem, en den donder;
[fol. B1r]
(270) De beesten, planten, berg, en dal;
Den hemel, wolken, stadt, en wal;
De vreê, den oorlog, roven, branden,
De kruiden, bloemen, en waranden,
Vuur, water, aarde, zon, en maan,
(275) Fonteinen, hoven, padt, en laan;
Den dag, de nacht, de windt, de vruchten,
Triumphen, dorpen, en gehuchten.
In ’t kort: om mijn beworp heel klaar
T’ontlossen, en met een woordt maar
(280) Mijn zaak volkomen uit te leggen,
Behoef ik anders niet te zeggen:
Als dat my zelf Jordaans voor den
Beschermer van Apelles ken,
Die van den grooten Alexander,
(285) Om zijn vermaartheit boven ander,
Gestelt wierdt op zo hogen trap.
Zo ook mijn konst en wetenschap,
Verbindt u, my, op staande voeten,
Voor uwen schoonzoon te begroeten.
Dokter.
(290) Weet, Heer, dat ik Jordaans voor den
Beschermer van Apelles ken;
En dat ik dat vervloekt gevoelen,
Wensch in de helsche zwavelpoelen,
Dat my zou willen schatten voor
(295) Een meer als een geleerdt Doctoor;
Omdat mijn voorvaârs wetenschappen,
Van oudtsher, stegen langsheen trappen
Van hoge waardigheit en lof.
Derhalven, op dat ik geen stof
(300) Aan iemant kome te verwekken,
[fol. B1v]
Van my te tellen by de Gekken,
Zo ik mijn dochter gaf aan u,
Ben ik voor zulken zwager schuw.
Want die hun zelven Schilders noemen,
(305) Hun zelven eigenzinnig roemen;
Vermits al d’opgeblazentheit,
Die doorgaans in de Schilders leit.
En’t is my nut, in dezen wandel,
Dat ik met zorg, en kennis handel;
(310) Al eer dat ik, in steê van iet,
Ontfang een groote slechte Niet;
Een man vervult met koppigheden,
Vol waanzucht, roemzucht, zonder reden.
In’t kort: ik maak een vast besluit,
(315) * Propter istas rationes,        * Aangaande deze redenen.
Gy zult mijn dochter niet ontfangen.
Schilder.
Maar....
Dokter.
            Maar, gaat heen en laat u hangen.
Schilder.
Hoe! deze man is gek of dol;
Of buiten twijffel boven vol.            binnen.
Dokter.
(320) Een schilder zou mijn huis bederven.
Izabelle.
’t Moet zijn dan dat ik maagt zal sterven.
Wie zal zich nu meer bieden an?
Nochtans, zie daar, ik wil een man.
Dokter.
Mijn dochter, laat die voorzorg varen;
(325) ’k Wil zeggen uwe vrees van paren.
[fol. B2r]
Izabelle.
Wanneer ’t mijn vader toe zal staan.
Dokter.
Haast biedt zich weêr een ander aan.
Izabelle.
Uw keurigheden, zorg, en schromen,
Zou my tot ouderdom doen komen:
(330) En dan kreeg ik toch niemant niet.
Dokter.
Zie hier uw deel, staakt uw verdriet.



ZESTE TONEEL.

Zanger. Dokter. Izabelle.

Zanger.
ZUlt gy uw dochter wederstreven,
D’Arion van deez’ eeuw te geven?
Izabelle, stil.
Die man spreekt met een goet verstandt.
Zanger.
(335) Ik ben den Orpheus van dit Landt.
’k Weet met mijn zoet-gezang, de zinnen
Zo wel te lokken, en te winnen,
Dan zelf Franciscus, of Robijn.
In ’t kort: ik ben een Muzicijn,
(340) Bemint van zangers en zang’ressen,
Dewijl het hooft der Zang-godessen
My heden d’eer geeft, boven hem,
Te luist’ren naar mijn veêl en stem,
Mits ik het keel-geluidt en snaren
(345) Veel beter dan hy zelf kan paren.
Ik weet hoe ’t met de Zang-konst leit
[fol. B2v]
’k Weet van heur goê welluidentheit;
Van tusschenpozingen, en streken
Die in de t’zamenvoeging steken.
(350) Daar willen zich somtijdts ook al
Meê mengen onder ons getal,
Gelijk Jaap Hol, en Symen Schraper,
Piet Rottenest, en Floor de Gaper;
Maar deze luiden zijn, voorwaar,
(355) By my maar gekken allegaâr.
En tot bewijs, dat deze mannen
Zijn waardt uit Hollandt weggebannen,
Zal ik, behoudens uwe gonst,
Dit gaan bevesten met mijn konst.
(360) Dies luister toe, met open’ oren,
Naar ’t wonderwerk dat gy zult horen.
Dokter, by zich zelfs.
Dees snô vervloekte konstenaars
Zijn al gemeen’lik bedelaars,
By die, die hun geraas bywonen,
(365) Twee uren lang, eer zy hun lonen:
En heb, by lieden van verstandt,
Hun geldt zien geven in de hand,
Op datze maar aan’t zwijgen raakte.
Zanger.
Het is een wijs die’k zelver maakte.

Liedt. Stemme: Den Iager.
I.
    (370) O aardige!
Prijswaardige!
Verzet uw smert;
Ik mienje,
En dienje

(375) Met veêl-geluidt,       
En keel-geluidt;
Falaal, deraal, derire!
Ha! ha, ha! ha, ha!

[fol. B3r]
Ik mienje,
(380) En dienje
Met al mijn hert.
II.
    Uw snedigheit,
Vol zedigheit,
En zoet gelaat,

(385) Bezin,, ik
En min,, ik,
Aandachtige!
Neêrslachtige!
Falaal, deraal, derire!

(390) Ha! ha, ha! ha, ba!
Bezin, ik
En min,, ik
Meer als uw staat.
III.
    Dus quelje,, niet,
(395) Ik zelje,, niet,
Dat zweer ikjou,
Mijn leven
Begeven,
Doorluchtige
!
(400) Roemruchtige!
Falaal, deraal, derire!
Ha! ha, ha! ha, ha!
Mijn leven
Begeven,

(405) O schone vrouw!
IV.
    Vergaren,, wy,
En paren, wy
Te zamen dan,
Zo speel,, ik,

(410) En queel,, ik
Uw eerlikheit,
Met heerlikheit,
Falaal, deraal, derire!
Ha! ha, ha! ha, ha!

(415) Zo speel, ik
En queel,, ik
Gedurig an.

Welnu, Doktoor, hebt gy uw dagen
Wel oit gehoort, met meer behagen,
(420) Zo ordentlik, zo zoet, en raar,
De stem gehuw’likt aan de snaar!
Uw ziel behoort, door dit vermogen,
Te zijn gelijk als opgetogen.
Hoenu, gy spreekt niet! zijt gy doof?
(425) Ha! ha! gy hebt, zo ik geloof,
Met dezen zoeten zang te horen,
Uw zinnen en verstandt verloren.
Gewis, gy denkt op anders niet,
[fol. B2v]
Dan hoe de wijz’ is van het liedt:
(430) Dies zal ik strax uit u verwachten
Het woordt: ik moet in rouw versmachten,
Zo gy mijn quelling niet geneest,
Met die te storten in mijn geest.
Hoe! gy verschiet van verf by tyen.
Dokter.
(435) ’t Is min vermaak dan razernyen,
Te zien, dat dezen lompen bloedt,
Met zulken trots en hogemoedt,
Mijn dochter komt tot bruidt begeren.
Zanger.
Gy weet niet wat uw huis kan eren.
Dokter.
(440) Ik weet wel, dat de Zangers maar
Zijn lanterfanten allegaâr;
Vol van verwijfde goddeloosheit,
En deugenietery, en boosheit.
Dat zy ook altijdt by ’t gewelt
(445) Van potsemakers zijn getelt.
By handt-bekijkers fableryen.
By koordedansers zotternyen.
By lasterlike guichelaars
En afgerechte leugenaars;
(450) Ik weet ook wel, dat nu op heden,
Geen Zangers werden meer geleden,
Tot lieden van verstandt, in huis:
Omdat dit goddeloos gespuis
De jonge liên tot ondeugdt prangen,
(455) Door hun verleidende gezangen.
Ook weet ik wel, dat Orpheus lang
Is overleên, wiens zoet-gezang
[fol. B3r]
De Tracianen kon bewegen,
Dat zy met hem te velde tegen:
(460) Wanneer de vrouwen van dat landt,
Geheel geslagen in ’t verstandt,
Mits vindende niet meer ’t genoegen
Van hare mannen, in dier voegen,
Met stok en stenen, vol misbaar,
(465) Ombrachten dien betoveraar:
En dat de Zang-konst in de Steden
Voor ’t allerschad’likst wordt beleden.
Derhalven dan, met kort besluit,
Zoekt elders uw beschore bruidt.
Zanger.
(470) Hoe! weigert gy my aan te nemen?
Dokter.
Gaat van my weg, niet meer te temen.
Zanger.
Ik ga, op ’t geen hier is geschiedt,
Voort maken een nieu kluchtig liedt.            binnen.
Izabelle.
Ditweig’ren smert myzonderlingen.
(475) Hy hadt my maatzang leren zingen...
Hy hadt my ook met een beduidt
’t Gebruik van cyter, harp, en luit.
Hy hadt de noten my doen kennen,
De maat te slaan meê doen gewennen.
(480) Maar, tot mijn onluk, zie ik wel
Dat ik nu noit iet leren zel.
Dokter.
Ik wil, al is ’t dat gy wilt houwen,
U geen oneerlik man doen trouwen.
’k Wil weten eerst, aan wie ik raak,
[fol. B4v]
(485) Voordat ik hem mijn zwager maak.
Izabelle.
Men zeidt: dat keur meest doet verliezen,
En kiezers vaak het quaatste kiezen.
Dokter.
Voorwaar zy heeft gelijk. Zie nu
Zal d’allereerste zijn voor u.
Izabelle.
(490) Gelijk als d’and’re.
Dokter.
                                        By mijn fierheit.



ZEVENDE TONEEL.

Krijgsman. Dokter. Izabelle.

Krijgsman.
DOktoor, weer gy wie dat my hier,, leidt?
Dokter.
Neen.
Krijgsman.
            Deze treedt hier herwaarts, om
Te zijn uw dochters bruidegom.
De liefde heeft my hier gedreven,
(495) Opdat men hier in vreugdt zou leven,
Maar in geen ramp, of zielverdriet;
Want warelik ik wil gansch niet,
Dat d’eer, waar mee ik u wil eren,
Mijn schoonvaar eenigsins zou deren.
Dokter.
(500) Wie zijt gy?
Krijgsman.
                            Wie ik ben? gansch kracht!
[fol. B5r]
Doktoor, let wel, met al uw macht,
’t Zal wonder klinken in uw oren.
Dokter.
Een and’re gek.
Izabelle.
                          Men moet hem horen,
Eer dat men vonnis van hem velt.
Krijgsman.
(505) Ik ben d’opvoeder van ’t Geweldt;
Het werktuig van de moorderyen.
Ik breng, door mijne tierannyen,
De werelt overal in noodt.
’k Ben Stedehouder van de Doodt.
(510) Jupijn, in mijne kindtsche dagen,
Stondt al, voor mijn geweldt, verslagen:
En vreesden, dat ik zijn gebouw
Eens naar mijn wil herstellen zou;
Dies wierd’ ik slapende geworpen,
(515) Daar ik de helsche vocht most slorpen.
Maar hebbende die smaadt geleên,
Quam ik vergramt de hel in treên:
Daar maakt ik Cerb’rus vol verbazen,
De Duivels allegaâr an ’t razen
(520) Zelf Pluto tot een Koekernoe,
En gaf hem hondert slagen toe.
’k Brak Charons bark, en deê hem zuchten.
Ik maakte Radamant aan ’t vluchten:
En kreeg zo, door mijn blixem-kracht,
(525) De gansche hel voort in mijn macht.
Van daar quam ik op d’aarde klav’ren,
Daar ik ’ t al dreunen deê en dav’ren;
Daar ik alleen, de helsche kolk
[fol. B5v]
Bevolkt heb met meer stervendt volk,
(530) Dan zelfs de Parken, na ’t beramen
Van ’t Noodtlot, alle drie te zamen.
Want zo hier in, hun stout bestaan
My eens te boven had gegaan,
’k Hadt zelfs de Parken, om die reden,
(535) Haar noodtlots-draden afgesneden.
’k Ben dikwijls overwinner, eer
Ik noch eens tast na mijn geweer;
Want met een opslag van mijn blikken,
Doe ’k hele legers voor my schrikken.
(540) Wat boeken dat er zijn, zy slaan
Al t’zaam op mijn manhafte daân:
Zy zijn zowat een glimp gegeven,
En and’re namen toegeschreven;
Omdat mijn doen, daar ’t al voor zwicht,
(545) Elk zoude schijnen als verdicht.
’k Ben Hektor, in de krijg van Troyen,
Die ’t Grieksche leger deê verstroyen;
Ik ben Achilles, in ’t gezang
Van den Troyaanschen ondergang;
(550) Ik ben, in Curtius, Alexander,
Wiens dapperheit, var boven ander,
’t Paardt Bucefal betemmen kon,
En al de werelt overwon.
’k Ben Herkules, in ’t beeldt der Goden,
(555) Die zo veel wrede monsters doden.
Ik ben, in Titus Livius,
De broeder-moorder Romulus.
Ik ben Rogier, in Arioste,
Die schoon’ Angelica verloste.
(560) ’k Ben Roelandt op den Roncefal,
[fol. B6r]
Met zijn beroemde Durendal.
Al wat de Schrijvers van hun schrijven,
Is maar allenig mijn bedrijven.
Daarom de Goden al te zaam
(565) Ook schrikken voor mijn groote naam.
Waar dat ik kom, in alle wijken,
’t Moet al voor my de vlagge strijken,
En lopen voor mijn groot gewelt;
Doch dat de Liefde my verzelt,
(570) En maar alleen tot my gezint,, is,
Dat is derhalven dat zy blindt,, is.
Dokter, denkt eens op zulken lof.
Ik laat de Koningen haar hof,
Ik laat de burgers d’and’re huizen,
(575) Ik laat de boeren hare kluizen,
Ik laat de beesten, wildt van aart,
De diepe kuilen onder d’aardt:
Ik heb de hel tot hold’rebolder,
Den hemel tot mijn korenzolder,
(580) En d’aarde tot mijn bedde-vacht.
De vleugels van de zwarte nacht
Wanneer zy landt en zee bedekken,
Voor bedtgordijnen my verstrekken.
De lucht, met sterren dicht beplant,
(585) Is ’t bovenst van mijn ledekant.
D’Aspunten zijn mijn koets-pilaren.
De holte van de waterbaren
Strekt my een pispot.
Dokter.
                                  Dit’s voorwaar
De grootste Gek van allegaâr.
[fol. B6v]
Krijgsman.
(590) Mijn zacht’ oorkussens zijn de rotsen,
Die met heur hooft de wolken botsen.
Mijn beddelakens zijn de blaân.
Mijn nachtkaars is de klare maan.
Wel hoe! gy lacht schoon’ Izabelle!
(595) Is ’t om het geen dat ik vertelle?
’k Geloof het waarlik wel te recht.
Nu Dokter van de zondaars, zegt,
Zal ik uw zwager niet verstrekken?
Dokter.
’k Geef, aan de Koning van de Gekken,
(600) Mijn dochter tot geen wederpaar.
Krijgsman.
Gansch kracht, Doktoor, wat zegt gy daar!
Tegen Izabelle.
Indien gy niet moogt zijn mijn vrijster,
En gy dan waart zo schrikk’lik bijster
Verlieft als ik, zie daar, ik zou
Izabelle.
(605) Wel wat?
Krijgsman.
                        Met jou doen dat ik wou.
Tegen den Dokter.
Wilt gy uw dochter my niet langen,
Om my zo in uw huis t’ontfangen,
Ik zal, ik zweer ’t u by mijn woordt,
Dokter.
Wat?
Krijgsman.
          Doorgaan, toornig en verstoort.
Dokter.
(610) ’t Is best, want ik uw zotternyen
[fol. B7r]
Ook langer niet zou kunnen lyen.
Krijgsman.
Hoe nu! ontzegt gy my dan ook?
Dokter.
Zo gy hier maakt noch meer gespook....
Krijgsman.
Bylo! den Dokterschijnt te grimmen,
(615) Hy ziet gelijk de boze simmen.
Zie daar Doktoor, ik ga, en zweer
Dat ik ’er maar de gek meê scheer.            binnen.
Izabelle.
’t Is ydel, dat ik in mijn lyen
Gehoopt heb op een zoet verblyen,
(620) Dewijl ik al mijn hoop verlies.
Dokter.
Wilt gy dat ik de Gekken kies?
Izabelle.
Gy gaat van alle Gekken maken.
Gy zijt te haastig in de zaken.
Hadt gy verstoten niet zo ras,
(625) Die, die hier strax de leste was,
’k Hadt u gemaakt, door zijne handen,
Een Heerscher van verscheide Landen,
En in aanzienlikheit gebracht.
Dokter.
Ja maar, ik hadt het meê veracht.
Izabelle.
(630) Wanneer zal ik de bruidt eens heten?
Dokter.
Veel eer als gy het zelf zult weten.
Hier biedt zich weêr een ander aan.
[fol. B7v]
Izabelle.
Die zult gy toch al meê versimaân.
Dokter.
Neen, deze zal u ziekt’ genezen.
Izabelle.
(635) Mits hy uw zwager hoort te wezen.
En is ’t dat zulx de reden leert,
Zo staathem toe’t geen hy begeert.
Licht wordt hy anders meê versmeten.
Dokter.
Neen, neen, ik wil zijn handel weten,
(640) Eer hy noch werdt uw bruidegom.
Izabelle.
Zo raakt hy meê in ’t gekkendom.
Maar horen wy hun t’zamen spreken.



ACHTSTE TONEEL.

Starrekijker. Dokter. Izabelle.

Starrekijker.
ZO u de reden niet ontbreken,
Zo zult gy my wis nemen an
(645) Tot u eerwaarde dochters man.
’k Weet dat gy my haar toe zult schrijven,
Zo dra gy hoort van mijn bedrijven.
Mijn konst, die ’t al te boven streeft,
De heem’len tot heur oogmerk heeft;
(650) Daar kan ik lezen, en verklaren,
D’uitvallen der aanstaande jaren.
’t Gestarnte my voor Godtspraak strekt,
En mijn begeerde wil ontdekt.
De hemelsch invloedt stelt de trappen
[fol. B8r]
(655) Van mijn beroemde wetenschappen.
Dokter.
De Starrekonst is, ja gewis,
Een konst die hoog te schatten is.
Maar in den tijdt, daar wy in leven,
Vind’ ik ’er weinig zo bedreven,
(660) Die hier in hebben zulken schijn;
Gelijk als die te prijzen zijn,
Die na de waarheit klaar betonen,
Wat wetenschappen in hun wonen.
Izabelle.
Ha! deze man moet zijn mijn Ga.
(665) Wanneer trouw ik met hem?
Dokter.
                                                      Daar na.
Izabelle.
Waarom toch lang beraadt genomen,
Wanneer men voordeel kan bekomen?
’t Is quaat, te wachten op het lest;
Het eerste luk is altijdt best.
Starrekijker.
(670) Ik heb door mijne konst ervaren
Des menschen noodlot t’openbaren.
Ik kan, van elk vereenigt Landt,
Daar yder d’Eendracht biedt de handt,
Voorzeggen: heil, geluk, en zegen,
(675) En macht, en voorspoet allerwegen,
Lang leven, heerlikheidt, en eer,
Gezontheit, overvloedt, en meer.
De Landen, die naar onrust hellen,
Weet ik veel onheil voor te spellen.
(680) Kort: ik voorzeg, op staande voet,
[fol. B8v]
Een yders voor- of tegenspoedt.
En hier toe vraag ik maar de starren,
Die my terstont die knoop ontwarren.
Ik wil hier maken geen vermaan,
(685) Hoe Cezar, Nero, Joviaan,
En Karel Crassus, onder allen
Ook Decius, en den afgevallen
Vorst Julianus, al te zaam
De Starrekonst met lof en faam
(690) Vereerden, en groot’ eer aandeden,
Veel, die hun vlijt hier in besteedden.
Want eind’lik, heur roemruchtigheit
Is van te veel doorluchtigheit,
Omzo volmaakt en hogen luister
(695) Te willen werpen als in ’t duister:
En dat ik door die glans niet zou
Uw dochter krijgen tot een vrouw.
Dokter.
Invoegen gy u derft vermeten
Een yders noodtgeval te weten,
(700) Betoont ons hier eens, metter daadt,
Hoe verr’ uw konst en kennis gaat.
Starrekijker.
Welaan, zeg op, ik ben tevreden.
Hoe duisterder dat hier de reden,
Hoe groter hier de vrage zy,
(705) Hoe ’t antwoordt zwaarder is voor my.
Ik zal u laten zien en horen,
Wat zwager dat gy hebt verkoren
Wanneer gy my uw dochter geeft.
Dokter.
Daar ’s niemantdie daar tegen heeft.
[fol. C1r]
(710) Maar nademaal uw konstigheden
Tot zulken hogen kennis treden,
Ik zou, in deez’ onzekerheit,
Wel willen weten klaar bescheit,
Of gy zult zijn zo hoog verheven
(715) Dat ik mijn dochter u zal geven.
Starrekijker.
Dit duister vraagstuk gaat te varr’;
Dit leerde my noit een’ge starr.
Geen Starrekijker zo ervaren,
Die ’s menschen wil kan openbaren.
Dokter.
(720) Is u dit voorstel al te hoog,
Zo pakt u dat’lik uit mijn oog.
Gaat elders vlijtig henen stappen,
Met uwe konst en wetenschappen.
Gy zijt niet waardig dat ik jou
(725) Een Dokters zwager maken zou.
Starrekijker.
Ter werelt is geen mensch te vinden,
Die deze knoop u kan ontwinden;,
Want dat gy my hebt voorgewent,
Is niet als by de Goôn bekent.
Izabelle.
(730) Ai! hoor toch met gedult naar dezen.
Dokter.
Wat kan zijn wetenschap toch wezen?
Mits hy begrijpt, noch recht verstaat,
Hoe varr’ zijn eigen voordeel gaat.
Hy zeidt ons: dat zijn konstigheden
(735) Hem doen tot in de kennis treden
Van ’s menschen noodlot, dat hy weet
[fol. C1v]
Van yders lief, en yders leet,
Van yders luk, en yders lyen;
En ’t zijn niet als bedriegeryen.
(740) Wat weet hy van een ander man,
Die van zich zelf niet weten kan.
Starrekijker.
Nadien gy weigert my t’ontfangen;
Uw kindt een eerlik man te langen:
Welaan dan, let met opmerk vry
(745) Op mijne konst-waarzeggery.
Gy zult, na kort verloop van jaren,
Met pijn en smart ten grave varen.
Uw kindt, om dat zy my niet kan
Verkrijgen tot haar echte man,
(750) Behoeft te hopen, noch te vrezen,
Van immermeer de bruidt te wezen.
Izabelle.
Eilaas!
Starrekijker.
            En zo zy trouwt, voorwaar,
Haar volgt een overgroot gevaar:
Want, om dat gy dardt tegenstreven,
(755) Haar een verstandig man te geven,
Zo zal zy, tot haar ongeval,
Dan hebben
Dokter.
                      Wie doch?
Starrekijker.
                                        Niemendal.         binnen.
Dokter.
Hoe! deze lesten is vol zotheit.
[fol. C2r]
Izabelle.
Hy zeî ons hoe ons beider lot,, leit.
Dokter.
(760) Het is een dwaas, die niet een beet,
Van alles wat hy zeide, weet.
Izabelle.
Ik zeg, gelijk als die ontzeide,
’k Ben d’ongelukkigst’ van ons beide:
En gy de wortel van het quaat,
(765) Daar al mijn onheil uit ontstaat.
Waarom moet zijn waarzeggeryen
My zulken wreden pijn doen lyen?
Die geen die zeggen: dat die wet
De kinderen is voorgezet,
(770) Dat zy ’t onbillik welbehagen
Haar ’s vaders billik moeten dragen,
Die zeggen zulks met groote reên.
Dokter.
Ik wil geen Starrekijker, neen!
Men vindt ’er maar bedrog in leggen.
Izabelle.
(775) Hy hadt my kunnen luk voorzeggen;
Daar ik nu vreez’, in dit geval,
Dat mijn verdriet vermeerdren zal.
Dokter.
’t Is hach’lik of dat oit zal komen.
’k Heb daar een ander weêr vernomen.
Izabelle.
(780) Om dien voorzegger van gevaar
Te maken tot een leugenaar,
Wilt die voor uwe zwager keuren.
Ach! zo my deze mocht gebeuren,
[fol. C2v]
Hy zou gemakk’lik maken, dat
(785) Ik d’andre vryer haast vergat.
Maar dat en heb ik niet te vrezen.



NEGENDE TONEEL.

Heere. Dokter. Izabelle.

Heere.
ZUlt gy mijn schoonvaâr willen wezen?
Izabelle.
Beatris, ha! die steelt my ’t hert.
Zo deez’ ook afgeslagen werdt
Dokter.
(790) Wat zijt gy?
Izabelle.
                              Zo verlies ik ’t leven.
Heere.
Om u vernoeginge te geven,
Zo weet, dat ik geen Retrozijn
Noch Schilder ben, noch Muzicijn.
Ik ben ook genen Redeneerder,
(795) Noch Onvertzaagde, noch Regeerder,
Noch Rader, Speelder, noch voorwaar
Geen Arts, noch ander Konstenaar.
Ik ben noch twistendt, noch aalwarig,
Noch rijk, noch arm, noch mildt, noch karig,
(800) Rentmeester, Heer, noch Majestraat.
’k Gebiê, noch ik bestier geen Staat.
Want wie kan zich, zeg my, bereyen
Tot rederijken, zonder vleyen?
Wat Dichter is ’er oit geweest,
(805) Of Schilder, zonder in alle geest?
[fol. C3r]
Wat Redenaar werdt oit bevonden,
Die noit geen leugens zal verkonden?
Geen ding ter werelt, zo men zeidt,
Bevrijdt van onvolkomentheit.
(810) Wat koopman zonder beurze-snyen?
Wat Rader zonder toveryen?
Wat Speelder zonder lasterdaadt?
Wat Arts die niet en wordt gehaat?
Wat Rijke die oit quelling bande?
(815) Wat Arme zonder smaadt of schande?
Wie kan geefachtig zijn of mildt,
En zonder dat hy’t zijne spilt?
Wie is ’er machtig zonder wrevel,
Ofeenig ander quaden evel?
(820) Wie zonder moeite Majestraat?
Wie zonder moordery soldaat?
Wie Starrekijker zonder salen?
Rentmeester zonder onrustqualen?
Onwetendt zonder hoog van hert?
(825) Beschadigt zonder pijn of smert?
Behendig zonder quaat te vrezen?
Dokter.
Wat duivel wilje dan toch wezen?
Heere.
Weet, dat ik heel ben zonder fout.
Izabelle.
Ha! zie hier die u dient. Hy zou ’t
(830) Indien ’t niet waar was, willen zeggen.
Dokter.
Ik zal’t eens by my overleggen,
Wat ik ’er tegen hebben zal.
Wat zijt gy dan?
[fol. C3v]
Heere.
                          ’k Ben Niemendal.
En is ’er niet op Niet te smalen,
(835) Zo kander ook aan Niet niet falen.
Dokter.
Wat duivel zeidt men toch van Niet?
Heere.
Indien ik hadde ’t grootst gebiedt,
Dat op de werelt is te noemen,
Ik kon mijn zelven zo niet roemen,
(840) Als ik gaan doen zal nu terstont.
Weet, dat den Stichter van dit Rondt
In Niet een Iet heeft uitgevonden,
Bestaand’ in zulke duist’re gronden,
Dat niemant oit iet, van een man
(845) Die Niemendal is, zeggen kan.
Dokter.
Dees Niet maakt my als opgetogen.
Izabelle.
Voorwaar, zijn woordt is van vermogen,
Mits niemandt oit iet, van een man
Die Niemendal is, zeggen kan.
Heere.
(850) Zo iemant vragen mocht, wie kander
Toch meerder zijn als Alexander?
Ik zeg hier op met aardigheit,
Niet, grooter dan de waardigheit;
Niet, wijzer dan den grooten Cato;
(855) Niet, veel alwetender dan Plato;
Niet, hoger dan den hoogsten Troon;
Niet, veel volmaakter dan de Goôn.
Izabelle.
[fol. C4r]
Niet, zoeter dan de zoete lusten,
Die in het heilzaam Huw’lik rusten.
(860) Niet, is gewis een wonder ding.
Niet, is gewis wat zonderling.
Niet, heeft gemaakt, dat nu, in waarheit,
Het woordt des Starrekijkers klaar,, leit.
Dokter.
En ik en weet noch niemendal
(865) Wat ik van Niet gaan zeggen zal.
Ik zie hier gansch niet door te komen.
All’ antwoordt is my hier benomen.
’k Meen’ ook dat niemant ietwes, van
Een man die Niet is, zeggen kan.
(870) ’t Is my niet moog’lik te bedenken.
’t Voornemen zou mijn zinnen krenken.
Ook zou ik hier, in geen’ er wijs,
Behalen kunnen lof noch prijs.
’t Zou al de Geesten schande wezen,
(875) Wiens brave schriften dat wy lezen.
Nadien Virgil, Euripides,
Homerus, Eschil’, Sophocles,
Apollodorus, Thucidides,
Philistus, Baldus, Pherecides,
(880) Gesproken hebben t’zaam van iet,
Maar niemant sprak ’ er oit van Niet.
Zie daar, hoe Niet my meer kan dwingen,
Als vier van eenig’ and’re dingen.
Hoe meer ik denk op dezen man,
(885) Hoe minder ik mijn zelven kan
Van mijn gezworen eedt ontwinden.
Den Hemel wou die knoop wis binden.
[fol. C4v]
Den Starrekijker, met bescheidt,
Heeft dit wel duidelik voorzeidt.
(890) Het stuk is niet te wederleggen.
Niet boven Iet, ’k heb niet te zeggen.
Zie daar, ontfangt, door reine trouw,
Mijn dochter tot uw echte vrouw.
Want, om de waarheit te verkonden,
(895) Mijn woordt heeft my hier toe verbonden.
Heere.
Gy hebt de beste toch aan my.
Maar Izabelle wat zegt gy?
Vereenigen wy dan te gader?
Izabelle.
Ik volg de wille van mijn vader.
Dokter.
(900) Let, gy die altijdt zeî van Iet,
Wat gy nu zeggen zult op Niet.

A.  LEEUW.

UIT.

Continue

Tekstkritiek:

vs. 13 gebrouwt er staat: gebruowt